Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatscourant 2005, 53 pagina 25Convenanten

Convenant Overgewicht: Een balans tussen eten en bewegen

Partijen:

- de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Staatssecretaris (hierna te noemen: de Minister van VWS);

- de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (hierna te noemen: de Minister van OCW);

Bovengenoemde ministers handelen te dezen als bestuursorgaan alsmede als vertegenwoordiger van de Staat der Nederlanden;

- de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (hierna: FNLI), te dezen vertegenwoordigd door de heer P. den Ouden;

- het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwant bedrijf ook wel genoemd `Koninklijke Horeca Nederland' (hierna: KHN), te dezen vertegenwoordigd door de heer H.J. de Jager;

- het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (hierna: CBL), te dezen vertegenwoordigd door de heer K.L. van den Doel;

- de Zorgverzekeraars Nederland (hierna: ZN), te dezen vertegenwoordigd door de heer mr. W.A.J. van Duin;

- Vereniging VNO-NCW (hierna: VNO-NCW), te dezen vertegenwoordigd door de heer mr. J.H. Schraven;

- de Koninklijke Vereniging MKB-Nederland (hierna: MKB-Nederland), te dezen vertegenwoordigd door drs. L.M.L.H.A. Hermans;

- Nederlands Olympisch Comité * Nederlandse Sport Federatie (hierna: NOC*NSF), te dezen vertegenwoordigd door mevrouw E.G. Terpstra en mr. drs. Th. Fledderus;

- de Vereniging Nederlandse Cateringorganisaties (hierna VeNeCa), te dezen vertegenwoordigd door de heer J.G.A. Rijnierse;

Overwegende:

- Dat overgewicht een explosief groeiend probleem is;

Overgewicht is wereldwijd een explosief groeiend probleem. Ook in Nederland nemen overgewicht en ernstig overgewicht (obesitas) toe. Gemiddeld heeft 40% van de volwassen Nederlanders overgewicht en is 10% obees. De prevalentie van overgewicht op de kinderleeftijd is 13% voor jongens en 14% voor meisjes. Indien de huidige ontwikkeling zich voortzet zal in 2015 naar schatting 15-20% van de volwassen Nederlanders obees zijn1. De nadelige effecten voor de Nederlandse gezondheid zijn omvangrijk. Jaarlijks leidt overgewicht tot ca. 40.000 nieuwe gevallen van ouderdomsdiabetes, hart- en vaatziekten en kanker. Daarnaast kan 5% van de totale jaarlijkse sterfte in Nederland worden toegeschreven aan overgewicht2. De aan overgewicht gerelateerde toename van ouderdomsdiabetes, die in de VS ook al bij kinderen wordt waargenomen, is ronduit zorgwekkend. De jaarlijkse directe kosten (kosten van gezondheidszorg) als gevolg van obesitas worden geschat op € 0,5 miljard terwijl de indirecte kosten (ziekteverzuim, productieverlies, uitkeringslasten en maatschappelijke kosten) geschat worden op € 2 miljard3.

- Primair een zaak van het individu;

Op individueel niveau is het ontstaan van overgewicht, in essentie, terug te voeren op een verstoorde energiebalans. Doordat de mate van lichaamsbeweging de afgelopen jaren sterk is gedaald, is de energie-inname (via voeding) te hoog ten opzichte van het energieverbruik (door bewegen). Het lichaam slaat de niet verbruikte energie op met als resultaat: geleidelijke gewichtstoename en uiteindelijk overgewicht.

De oplossing is dat elk individu de balans tussen eten (energie-inname) en bewegen (energieverbruik) herstelt.

- Maar ook een maatschappelijk probleem;

In de praktijk blijkt die oplossing op individueel niveau niet zo simpel te realiseren. Het individu staat namelijk bloot aan een veelheid van invloeden, veroorzaakt door een ingewikkeld samenspel van veel en zeer uiteenlopende factoren. Die factoren zijn volledig verweven met de manier waarop onze moderne maatschappij is ingericht en functioneert en haar invloed op elk individu weer anders uitoefent.

Overgewicht is dus naar oorzaak ook een maatschappelijk probleem, en niet alleen omdat we met zijn allen ook de maatschappelijke schadelijke gevolgen moeten dragen.

- Waar wat aan moet gebeuren;

In de preventienota Langer Gezond Leven 2004-20074 heeft het Kabinet zich ten doel gesteld de toename van overgewicht in Nederland een halt toe te roepen en voor kinderen er naar te streven de trend te keren. In de nota Sport, Bewegen en Gezondheid (2001) heeft het kabinet aangegeven te streven naar meer sport en gezonde lichaamsbeweging met als voorlopige richtcijfers dat 50% van de bevolking wekelijks voldoende beweegt en dat minder dan 8% aan dagelijkse bewegingsarmoede lijdt.

De aanpak van overgewicht wordt echter bemoeilijkt doordat bewezen effectieve strategieën voor de aanpak van de problematiek niet of nauwelijks voor handen zijn1.

Daarom en vanwege de maatschappelijke kanten van de problematiek, zal de aanpak van het probleem gezocht moeten worden in een benadering die is gebaseerd op `gezond verstand' en die aangrijpt op veel en uiteenlopende maatschappelijke terreinen waar een veelheid van maatschappelijke actoren actief is.

De minister van OCW vertegenwoordigt hierbij de maatschappelijke sectoren onderwijs en onderzoek waar veel aandacht wordt besteed aan gezonde voeding en beweging.

- Dat de Minister van VWS de eerste stap heeft gezet om met de overige genoemde partijen dit convenant op te stellen op grond van bovenstaande analyse;

Nemen als gezamenlijke convenantpartijen het volgende initiatief:

Intentie

Artikel 1

1. De convenantpartijen zoeken elk vanuit hun eigen maatschappelijke activiteit en rol naar mogelijkheden die kunnen bijdragen aan het realiseren van de in de preventienota Langer Gezond Leven 2004-2007 genoemde kabinetsdoelstellingen met betrekking tot overgewicht in Nederland.

2. Leidraad daarbij is het bewaren of herstellen van de balans tussen eten en bewegen. Dit is mogelijkerwijs te bereiken door:

• te bevorderen dat het individu de gezonde keuze voor eten en bewegen maakt door de gezonde keuze mogelijk te maken en tevens gemakkelijk en aantrekkelijk;

• te inventariseren welke factoren hieraan kunnen bijdragen;

• na te gaan hoe en door wie die factoren kunnen worden ingezet;

• synergie na te streven in de samenwerking tussen de convenantpartijen opdat de activiteiten van convenantpartijen elkaar versterken.

Proces

Artikel 2

1. De Minister van VWS draagt zorg voor een gerenommeerde bestuurder die zich zal inzetten als aanjager en ambassadeur van dit convenant.

2. De Minister van VWS draagt zorg voor een projectbureau dat de in artikel 3 beschreven inspanningen coördineert en bewaakt. Het projectbureau zal tevens de in het eerste lid bedoelde bestuurder ondersteunen.

Artikel 3

1. Onder leiding van het in artikel 2 genoemde projectbureau inventariseren de convenantpartijen de in artikel 1 bedoelde mogelijkheden, waarbij activiteiten worden beschreven inclusief een voorstel voor nulmeting en monitoring.

Het projectbureau stimuleert en ondersteunt de convenantpartijen, zorgt voor de organisatie van de werkzaamheden en voor de samenhang en synergie daarin.

2. Aan de hand van de geïnventariseerde mogelijkheden stelt het projectbureau een activiteitenplan op voor de periode 2005-2007.

3. Het activiteitenplan wordt door de gezamenlijke convenantpartijen geaccordeerd.

4. De Minister van VWS, gehoord de convenantpartijen, stelt het activiteitenplan vast en rapporteert daarover aan de Tweede Kamer.

5. Partijen die na de totstandkoming van het activiteitenplan 2005-2007 meewerken aan de uitvoering van het activiteitenplan sluiten één of meer vervolgconvenanten af. Onderdelen van dit vervolgconvenant of deze vervolgconvenanten vormen afspraken over nulmetingen, monitoring en evaluatie, alsmede een regeling voor eventuele geschillen tussen partijen en eventuele opzegging door een partij.

Toetredingsbepaling

Artikel 4

1. Maatschappelijke partners kunnen gedurende de looptijd van het convenant hun belangstelling melden voor deelname aan het vervolgconvenant of één of meer vervolgconvenanten.

2. Een belangstellende nieuwe partij maakt haar verzoek tot toetreding schriftelijk bekend aan de Minister van VWS en vermeldt daarbij met welke activiteiten zij voornemens is bij te dragen aan het realiseren van de in artikel 1, eerste lid, bedoelde doelstelling.

3. De Minister van VWS beslist over het verzoek tot toetreding, gehoord hebbende de in artikel 2 genoemde bestuurder en de overige convenantpartijen.

Looptijd

Artikel 5

Dit convenant treedt in werking met ingang van de dag na ondertekening en vervalt bij afronding van de in artikel 3 genoemde inspanningen. Deze afronding is circa zes maanden na ondertekening voorzien.

Openbaarheid

Artikel 6

Na de inwerkingtreding van dit convenant wordt de tekst daarvan gepubliceerd in de Staatscourant.

Aldus overeengekomen:

Den Haag, 27 januari 2005.
De Minister van VWS, mede namens de Staatssecretaris,H. Hoogervorst.
Den Haag, 26 januari 2005.
De Minister van OCW,M.J.A. van der Hoeven.
Den Haag, 27 januari 2005.
De FNLI,
De heer P. den Ouden.
Den Haag, 27 januari 2005.
De KHN,
De heer H.J. de Jager.
Den Haag, 27 januari 2005.
Het CBL,
De heer K.L. van den Doel.
Den Haag, 27 januari 2005.
ZN,
De heer mr. W.A.J. van Duin.
Den Haag, 24 januari 2005.
VNO-NCW,
De heer mr. J.H. Schraven.
Wezep, 24 januari 2005.
MKB-Nederland,
Drs. L.M.L.H.A. Hermans.
Arnhem, 25 januari 2005/Den Haag, 27 januari 2005.
NOC*NSF,
Mevrouw E.G. Terpstra en mr. drs. Th. Fledderus.
Den Haag, 27 januari 2005.
VeNeCa,
De heer J.G.A. Rijnierse.

1 Gezondheidsraad. Overgewicht en Obesitas. Den Haag: Gezondheidsraad, 2003; publicatie nr 2003/07. Cijfers hebben betrekking op peiljaar 1997.

2 RIVM. Ons eten gemeten; Gezonde voeding en veilig voedsel in Nederland. RIVM, 2004; rapportnummer: 270555007, ISBN: 90-313-4411-7.

3 RVZ. Gezondheid en gedrag. Raad voor de Volksgezondheid & Zorg, Zoetermeer 2002, publicatienummer 02/14.

4 Ministerie VWS. Langer Gezond Leven 2004-2007; Ook een kwestie van gezond gedrag. Den Haag, december 2003.