Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatscourant 2005, 48 pagina 19Overig

Toevoeging microvoedingsstoffen aan levensmiddelen

8 maart 2005

VGP/VL 2566186

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Overwegende dat het ten behoeve van ondernemers die gevitamineerde producten in Nederland op de markt willen brengen gewenst is om het Nederlandse beleid inzake het toevoegen van microvoedingstoffen aan levensmiddelen transparant te maken;

Overwegende dat Nederland maatregelen moet nemen om uitvoering te geven aan het arrest van het Hof van Justitie van 2 december 2004 (Commissie/Nederland, Zaak C-41/02);

Overwegende dat daartoe met name de gronden voor het verlenen van ontheffing krachtens artikel 16, tweede lid, van de Warenwet verduidelijkt dienen te worden, ter vervanging van de bekendmaking van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 januari 2003/VGB/VL 2347514, Stcrt. 11;

Maakt bekend:

1. Inleiding

Microvoedingsstoffen (vitamines en mineralen) zijn essentiële voedingsstoffen die door de mens met het oog op de gezondheid in voldoende hoeveelheden moeten worden ingenomen. Voor bepaalde microvoedingsstoffen geldt evenwel dat een te hoge en een te lage inname schadelijk kan zijn. Ter bescherming van de volksgezondheid zijn daarom regels noodzakelijk die te hoge inname van deze stoffen voorkómen en een adequate inname bevorderen.

In deze bekendmaking wordt het Europese en Nederlandse juridische kader geschetst inzake de toevoeging van microvoedingsstoffen aan levensmiddelen in Nederland. Tevens wordt uiteengezet op welke wijze ontheffing van de wettelijke regels verkregen kan worden, en welke uitgangspunten de Nederlandse regering daarbij hanteert.

2. Veilige toevoeging van microvoedingsstoffen aan levensmiddelen

Voor de gezondheid van de mens is het van wezenlijk belang dagelijks van iedere essentiële microvoedingsstof ten minste een bepaalde hoeveelheid in te nemen. Dit is de zogenaamde aanbevolen dagelijkse hoeveelheid.

Onderscheid kan worden gemaakt tussen vier groepen microvoedingsstoffen.

In de eerste plaats de microvoedingsstoffen die zonder gevaar voor de volksgezondheid ook in (veel) grotere hoeveelheden dan de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid kunnen worden ingenomen. Dit is van toepassing op de meeste microvoedingsstoffen. De toevoeging van deze microvoedingsstoffen aan levensmiddelen kan dan ook algemeen worden toegestaan tot 100% van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid in een redelijk geachte dagconsumptie van het betreffende product.

In de tweede plaats een beperkte groep microvoedingsstoffen waarvoor geldt dat een veilig niveau van inname niet veel hoger is dan de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid. De toevoeging daarvan aan levensmiddelen kan ter bescherming van de volksgezondheid slechts in beperkte mate worden toegestaan (zie verder onder 5.)

In de derde plaats enkele microvoedingsstoffen die in onvoldoende hoeveelheden voorkomen in het dagelijkse voedingspakket en waarvoor tevens geldt dat een veilig niveau van inname niet veel hoger is dan de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid. Deze microvoedingsstoffen moeten juist aan bepaalde levensmiddelen worden toegevoegd, teneinde tekorten bij bepaalde categorieën consumenten op te heffen dan wel te voorkomen.

In de vierde plaats bijzondere categorieën voedingsmiddelen die met het oog op een voldoende inname door de gebruiker een bepaalde samenstelling wat betreft microvoedingsstoffen behoeven. Hiertoe zijn hetzij door de Europese Unie (bijvoorbeeld zuigelingenvoeding en vermageringsdiëten), hetzij door Nederland (bijvoorbeeld zeer laag energetische voedingen) specifieke regelingen vastgesteld.

3. EG-Verdrag

De Europese Unie heeft nog geen specifieke regels vastgesteld voor de toevoeging van microvoedingsstoffen aan levensmiddelen. Als gevolg hiervan kunnen de lidstaten met inachtneming van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag) ter zake zelf regels vaststellen. Van belang zijn met name de artikelen 28, 29 en 30 van het EG-Verdrag. Volgens die artikelen zijn kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten verboden, maar vormt deze bepaling geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van onder andere de gezondheid en het leven van personen. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.

4. Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen

Nederland heeft de ter bescherming van de volksgezondheid noodzakelijke regels vastgelegd in het Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen, verder te noemen: het Warenwetbesluit.

Deze regels luiden kort samengevat als volgt:

a. De toevoeging van de meeste microvoedingsstoffen aan levensmiddelen is algemeen toegelaten tot 100 % van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid in een redelijk geachte dagconsumptie.

b. De toevoeging van microvoedingsstoffen waarvan een veilig niveau van inname niet veel hoger is dan de dagelijkse aanbevolen hoeveelheid, is beperkt tot die gevallen waarin van restauratie of substitutie sprake is, en tot bepaalde hoeveelheden in specifieke levensmiddelen. Het gaat hierbij om vitamine A in de vorm van retinoïden, vitamine D, (synthetisch) foliumzuur, seleen, koper, zink en jodium.

5. Ontheffing van het Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen

Het is mogelijk dat een fabrikant microvoedingsstoffen wenst toe te voegen aan levensmiddelen op een wijze die niet is voorzien in het Warenwetbesluit. In een dergelijk geval kan aan die fabrikant krachtens artikel 16, tweede lid, van de Warenwet, op diens verzoek ontheffing van de desbetreffende bepaling in het Warenwetbesluit worden verleend. Een dergelijk verzoek dient te worden ingediend bij de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, postbus 20350, 2500 EJ Den Haag.

Verzoeken tot ontheffing worden van geval tot geval getoetst aan de hand van artikel 16 van de Warenwet, met inachtneming van de procedurele voorschriften - o.a. inzake termijnen, bezwaar en beroep - in de Algemene wet bestuursrecht.

Ontheffing van het Warenwetbesluit kan uitsluitend worden verleend indien het product als zodanig niet schadelijk is voor de volksgezondheid.

Het oordeel over het risico van het in de handel brengen van het verrijkte product moet zijn gebaseerd op de resultaten van het meest recente internationaal wetenschappelijke onderzoek. Om te kunnen beoordelen of het op de markt brengen van het verrijkte levensmiddel een reëel risico met zich meebrengt dat de aanvaardbare bovengrens van inneming wordt overschreden moet bekend zijn:

a. wat de gemiddelde actuele inname van de betrokken stof is uit zowel natuurlijke als door de mens gecreëerde bronnen;

b. wat de toename zal zijn na marktintroductie van het betrokken product, afgaande op de afzetverwachtingen;

c. in hoeverre het product een ander product vervangt waarin de betrokken voedingsstof voorkomt.

De aanvaardbare bovengrens van inneming is het niveau van inneming waarboven de kans bestaat dat ongewenste effecten optreden. Nederland stelt de aanvaardbare bovengrens van inneming vast op basis van de meest recente adviezen van de Gezondheidsraad, het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding of de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid. Indien nodig wordt een aanvaardbare bovengrens voor jonge leeftijdsgroepen afgeleid naar rato van het referentiegewicht van de leeftijdsgroep. In de meeste gevallen geldt de aanvaardbare bovengrens voor inneming voor de totale inneming van de voedingsstof. Bij de beoordeling van verrijking met foliumzuur wordt alleen gekeken naar de extra inneming van synthetisch foliumzuur (pteroylmonoglutaminezuur).

De aanvrager van een ontheffing dient aan te geven:

a. wat de voedingskundige samenstelling van het voedingsmiddel is,

b. voor welke doelgroep het product is bedoeld,

c. in welke hoeveelheden het product naar verwachting zal worden geconsumeerd,

d. of het product mogelijk een ander product vervangt waarin de betrokken voedingsstof voorkomt.

In het geval ontheffing verleend wordt kunnen aan de ontheffing op gemotiveerde gronden nadere voorwaarden worden verbonden. Te denken valt aan een beperking van de duur van de ontheffing of etiketteringsverplichtingen.

6. Intrekken van de bekendmaking van 13 januari 2003/VGB/VL 2347514, Stcrt. 11

De bekendmaking van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 januari 2003/VGB/VL 2347514, Stcrt. 11, wordt ingetrokken.

Deze bekendmaking zal in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,J.F. Hoogervorst.