Regeling reorganisaties Rechterlijke Macht betreffende het openbaar ministerie

Regeling van de Minister van Justitie van 24 februari 2005, nr. 5336480/805, tot vaststelling van nadere regels bij reorganisaties in de sector Rechterlijke Macht, die het openbaar ministerie betreffen (Regeling reorganisaties Rechterlijke Macht betreffende het openbaar ministerie)

De Minister van Justitie,

Gelet op artikel 36e van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren;

Besluit:

Paragraaf 1

Inleidende bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. bezwarenadviescommissie: commissie als bedoeld in artikel 11 van deze regeling;

b. functie: functie als bedoeld in artikel 36c, eerste lid, onderdeel a, van het Brra;

c. groep van functies: een aantal functies dat, gelet op de gestelde functie-eisen, vergelijkbaar of uitwisselbaar is;

d. herplaatsingskandidaat: herplaatsingskandidaat als bedoeld in artikel 36c, eerste lid, onderdeel c, van het Brra;

e. passende functie: functie als bedoeld in artikel 36c, eerste lid onder d, van het Brra;

f. plaatsingsadviescommissie: commissie als bedoeld in artikel 4 van deze regeling;

g. rechterlijk ambtenaar: rechterlijk ambtenaar die is aangesteld of aangewezen voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke taak en werkzaam is bij het openbaar ministerie;

h. plaatsingsplan: plan bij een organisatieverandering dat aangeeft op welke wijze personeel in de nieuwe formatie zal worden ondergebracht;

i. reorganisatie: reorganisatie als bedoeld in artikel 36c, eerste lid onder f, van het Brra.

Artikel 2

Deze regeling is van toepassing op reorganisaties die het openbaar ministerie betreffen en waarbij rechterlijke ambtenaren betrokken zijn.

Paragraaf 2

Het reorganisatieproces

Artikel 3

Nadat het organisatie- en formatierapport door Onze Minister is vastgesteld wordt, met inachtneming van het in deze paragraaf bepaalde een concept-plaatsingsplan opgesteld.

Artikel 4

1. Onze Minister stelt een plaatsingsadviescommissie in, als bedoeld in artikel 7 van de Regeling procedure bij reorganisaties, die tot taak heeft ten behoeve van hem een concept-plaatsingsplan op te stellen en hem te adviseren ten aanzien van eventueel ingediende bedenkingen.

2. Onze Minister pleegt daaromtrent overleg met de ondernemingsraad.

3. De plaatsingsadviescommissie bestaat ten minste uit:

a. een door Onze Minister aan te wijzen functionaris, die als voorzitter fungeert;

b. een personeelsfunctionaris;

c. een rechterlijk ambtenaar, aan te wijzen op voordracht van de Medezeggenschapsraad Openbaar Ministerie of van de ondernemingsraad van het parket waar de reorganisatie plaats vindt.

4. De voorzitter en de overige leden van de plaatsingsadviescommissie mogen bij het plaatsingsbesluit geen persoonlijk belang hebben.

5. Onze Minister kan plaatsvervangende leden benoemen. Het derde lid, aanhef en onder b en c, en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

6. Onze Minister kan aan de plaatsingsadviescommissie een secretaris en één of meer plaatsvervangend secretarissen toevoegen.

Artikel 5

Onze Minister informeert alle betrokken rechterlijke ambtenaren schriftelijk over ten minste:

a. de inhoud en de reden van de reorganisatie, de nieuwe organisatiestructuur, de nieuwe personeelsformatie, de belangrijkste beleidsmatige, financiële en personele gevolgen van de reorganisatie en het voorgenomen tijdpad;

b. de instelling, de samenstelling, de taak en de werkwijze van de plaatsingsadviescommissie;

c. de bij het vaststellen van het plaatsingsbesluit geldende plaatsingscriteria;

d. de mogelijkheid voor belanghebbenden om bezwaar te maken.

Artikel 6

1. De plaatsingsadviescommissie inventariseert schriftelijk de plaatsingsvoorkeuren van:

a. de bij de reorganisatie betrokken rechterlijke ambtenaren die naar verwachting hun functie niet kunnen behouden;

b. de overige bij de reorganisatie betrokken rechterlijke ambtenaren werkzaam binnen het openbaar ministerie, voor zover die daartoe bij haar een verzoek hebben gedaan.

2. De in het vorige lid onder a bedoelde rechterlijke ambtenaren worden in de gelegenheid gesteld hun schriftelijke plaatsingsvoorkeur mondeling toe te lichten.

Voor zover een rechterlijk ambtenaar niet reeds door de plaatsingsadviescommissie wordt uitgenodigd, zal deze gehoord worden omtrent zijn plaatsingsvoorkeur, indien hij daartoe de wens te kennen heeft gegeven.

3. De plaatsingsadviescommissie maakt een verslag van hetgeen een rechterlijk ambtenaar overeenkomstig het tweede lid mondeling naar voren heeft gebracht.

Artikel 7

De plaatsingsadviescommissie stelt het concept-plaatsingsplan op en doet dit aan Onze Minister toekomen. Zij voegt daarbij alle stukken die het Onze Minister nodig heeft om zich ervan te kunnen vergewissen dat zij bij de voorbereiding van het concept-plaatsingsplan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen heeft vergaard, deze belangen zorgvuldig heeft afgewogen en een correcte procedure heeft gevolgd.

Artikel 8

1. Onze Minister neemt op basis van het concept-plaatsingsplan voorgenomen besluiten met betrekking tot de bij de reorganisatie betrokken rechterlijke ambtenaren en doet betrokkenen deze toekomen.

2. De rechterlijk ambtenaar kan binnen twee weken nadat het voornemen om hem al dan niet te plaatsen op een passende functie bekend is gemaakt zijn bedenkingen daartegen bij Onze Minister kenbaar maken. Alvorens te beslissen, vraagt Onze Minister de plaatsingsadviescommissie om advies.

3. De plaatsingsadviescommissie hoort de betrokken rechterlijk ambtenaar en brengt daaromtrent advies uit aan Onze Minister. Zij maakt verslag van hetgeen de rechterlijk ambtenaar tijdens het horen naar voren heeft gebracht.

Artikel 9

Onze Minister stelt het plaatsingsplan vast, alsmede de hieruit voortvloeiende individuele besluiten tot plaatsing dan wel niet-plaatsing van elk van de betrokken rechterlijke ambtenaren.

Artikel 10

1. Onze Minister informeert schriftelijk de bij de reorganisatie betrokken rechterlijk ambtenaar die krachtens het plaatsingsplan niet is geplaatst over de resterende termijn gedurende welke getracht zal worden hem te herplaatsen alsmede over de in dat kader te nemen maatregelen om tot een herplaatsing te komen.

2. In dit kader wordt door Onze Minister in overleg met de rechterlijk ambtenaar een voor beide partijen bindend individueel begeleidingsplan opgesteld.

Artikel 11

1. Onze Minister stelt een bezwarenadviescommissie in die tot taak heeft het gezag dat bevoegd is op het bezwaarschrift te beslissen schriftelijk te adviseren ten aanzien van het bezwaar.

2. De bezwarenadviescommissie bestaat uit:

a. een voorzitter;

b. een personeelsfunctionaris;

c. een vertegenwoordiger van het personeel, aan te wijzen op voordracht van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak of andere door onze Minister tot het overleg toegelaten verenigingen of centrales van verenigingen van ambtenaren als bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de wet.

3. Onze Minister kan een plaatsvervangend voorzitter alsmede plaatsvervangende leden benoemen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

4. De voorzitter en leden van de bezwarenadviescommissie, alsmede hun plaatsvervangers, die bij het openbaar ministerie werkzaam zijn, hebben geen persoonlijk belang bij het bezwaar en zijn niet bij de voorbereiding van het plaatsingsbesluit betrokken geweest.

5. Onze Minister kan aan de bezwarenadviescommissie een secretaris en een plaatsvervangend secretaris toevoegen.

Artikel 12

1. Bij de reorganisatie betrokken rechterlijke ambtenaren wier functie in het kader van de reorganisatie niet wordt opgeheven en wier functie geen deel uitmaakt van een groep van functies worden geplaatst in de eigen functie.

2. Bij de reorganisatie betrokken rechterlijke ambtenaren wier functie deel uitmaakt van een groep van functies waarvan het aantal formatieplaatsen in het kader van de reorganisatie niet wordt verminderd, worden geplaatst in de eigen functie.

3. Bij de reorganisatie betrokken rechterlijke ambtenaren wier functie deel uitmaakt van een groep van functies waarvan het aantal formatieplaatsen in het kader van de reorganisatie wordt verminderd en die niet overtollig worden, worden geplaatst in de eigen functie.

Paragraaf 3

Slotbepalingen

Artikel 13

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 14

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling reorganisaties Rechterlijke Macht betreffende het openbaar ministerie.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Justitie, J.P.H. Donner.

Toelichting

Algemeen

In de onderhavige regeling wordt beschreven welke plaatsingsprocedures, plaatsingscriteria en bezwarenprocedures bij reorganisaties in de sector Rechterlijke Macht, die het openbaar ministerie betreffen moeten worden gehanteerd. De regeling vormt een uitwerking van artikel 36e van het Besluit rechtspositie (Brra) en dient in samenhang gezien te worden met de eveneens op genoemd artikel gebaseerde Regeling van de Minister van Justitie van 20 december 2004, nr. 5326086-804, inzake de procedure bij reorganisaties in de sector Rechterlijke Macht (Stcrt. 2004, nr. 250).

Over de inhoud van deze regeling is in het SORM van 27 januari 2005 de in artikel 51 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bedoelde overeenstemming met de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak bereikt.

Artikelsgewijs

Paragraaf 1. Inleidende bepalingen

Definities

Artikel 1

Van een groep van functies is sprake wanneer verschillende rechterlijke ambtenaren belast zijn met functies die gelet op de gestelde functie-eisen vergelijkbaar of uitwisselbaar zijn. Welke functies vergelijkbaar of uitwisselbaar zijn wordt bepaald door de Minister van Justitie. Het zijn de functie-eisen die bepalen of functies wel of niet vergelijkbaar of uitwisselbaar zijn. De bekwaamheden van individuele rechterlijke rechterlijke ambtenaren spelen daarbij geen rol. De opleiding en het vereiste kennis- en vaardighedenniveau zijn de belangrijkste functie-eisen. In beginsel kunnen rechterlijke ambtenaren die vergelijkbare of uitwisselbare functies uitoefenen zonder al te veel problemen voor de bedrijfsvoering elkaars functie overnemen.

In de regeling en deze toelichting wordt veelvuldig gesproken over de Minister van Justitie. In de praktijk zal dat de functionaris of het orgaan zijn aan wie de betreffende bevoegdheden of verplichtingen zijn gemandateerd, te weten het College van procureurs-generaal of het hoofd van het betreffende parket of het betreffende onderdeel van het openbaar ministerie

Artikel 2

De voornoemde Regeling inzake de procedure bij reorganisaties in de sector Rechterlijke Macht is van toepassing op alle reorganisaties binnen de sector Rechterlijke Macht, of die zich nu binnen de gerechten of binnen het openbaar ministerie voltrekken. De onderhavige regeling betreft echter uitsluitend reorganisaties binnen het openbaar ministerie. De regeling is niet van toepassing op rijksambtenaren binnen de parketten; bij de vormgeving van de regeling is echter nadrukkelijk gekeken naar de wijze waarop plaatsingsprocedures, plaatsingscriteria en bezwarenprocedure voor rijksambtenaren werkzaam binnen de parketten gestalte hebben gekregen. Doelstelling is immers om in de praktijk voor iedereen werkzaam bij het openbaar ministerie zoveel mogelijk dezelfde criteria, procedures en uitgangspunten te hanteren, uiteraard met inachtneming van verschillen in de ‘bovenliggende’ algemene maatregelen van bestuur (Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) respectievelijk Brra).

Paragraaf 2. Het reorganisatieproces

De plaatsingsprocedure

Artikel 4

De Minister van Justitie (of in de praktijk degene die daartoe gemandateerd is) dient een plaatsingsadviescommissie (PLAC) in te stellen om hem ten aanzien van het plaatsingsplan te adviseren.

De PLAC bestaat uit een door de Minister van Justitie aangewezen functionaris, die als voorzitter functioneert, een personeelsfunctionaris en een rechterlijk ambtenaar op voordracht van het betreffende medezeggenschapsorgaan. De voordracht voor de rechterlijke ambtenaar in de PLAC wordt gedaan door het medezeggenschapsorgaan waar het voorgenomen besluit voor de reorganisatie ter advisering wordt belegd. Dat is de Medezeggenschapsraad openbaar ministerie (MROM) indien het College het voorgenomen besluit neemt en de Ondernemingsraad van het parket of onderdeel van het openbaar ministerie als het hoofd van het parket of het onderdeel het voorgenomen besluit neemt.

Het staat de minister vrij om een personeelsfunctionaris van het betreffende parket te benoemen dan wel een personeelsfunctionaris van een ander parket. Het betreffende medezeggenschapsorgaan is in beginsel vrij in deze keuze. Hij kan een lid van het betreffende medezeggenschapsorgaan voordragen maar ook een andere rechterlijk ambtenaar, ook als deze niet bij het openbaar ministerie werkzaam is, maar bijvoorbeeld als rechter in een rechtbank.

Uit oogpunt van objectiviteit en zorgvuldigheid en ter voorkoming van belangenverstrengeling is het onwenselijk dat een concept-plaatsingsplan wordt vastgesteld door een commissie waarvan personen deel uit maken die bij het plaatsingsbesluit persoonlijk nauw betrokken zijn. Daarom is in de regeling bepaald dat de voorzitter en leden van de PLAC, bij het plaatsingsbesluit geen persoonlijk belang mogen hebben. Van een dergelijk persoonlijk belang zal altijd sprake zijn indien betrokkene een zodanige functie bekleedt dat hij als gevolg van de reorganisatie met opheffing van zijn functie of met overtolligheid wordt bedreigd. Van een persoonlijk belang is ook steeds sprake indien betrokkene in aanmerking wenst te komen voor een in het kader van de reorganisatie vrijkomende functie.

Desgewenst kan de Minister van Justitie plaatsvervangende leden benoemen. Het derde lid, aanhef en onder b en c, en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Desgewenst kan de minister van Justitie aan de PLAC ook een secretaris en een plaatsvervangend secretaris toevoegen. Deze zijn geen lid van de PLAC.

Artikel 5

Voor het welslagen van een reorganisatie is het van groot belang dat alle personen die werkzaam zijn bij het parket waarin de reorganisatie zal plaatsvinden (dus ook de rechterlijke ambtenaren die aan de regeling geen recht op plaatsing of herplaatsing kunnen ontlenen) over die reorganisatie en de gevolgen daarvan tijdig worden geïnformeerd. In artikel 5 is daarom bepaald dat de Minister van Justitie alle bij het betrokken parket of parketten werkzame personen in ieder geval na instelling van de PLAC schriftelijk moet informeren over de inhoud van en de aanleiding voor de reorganisatie, de nieuwe personeelsformatie, de belangrijkste beleidsmatige, financiële en personele gevolgen van de reorganisatie, het voorgenomen tijdpad, de instelling, samenstelling, taak en werkwijze van de PLAC, de te hanteren plaatsingscriteria en de mogelijkheid voor belanghebbenden om te zijner tijd tegen het plaatsingsbesluit bezwaar te maken. De minister van Justitie zal er uiteraard goed aan doen het personeel regelmatig nader te informeren over het verloop van het reorganisatieproces.

Artikel 6

Een concept-plaatsingsplan kan pas worden vastgesteld nadat de PLAC de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen heeft vergaard. De PLAC dient haar concept-plaatsingsplan met name te baseren op de oude en de nieuwe personeelsformatie, het dienstbelang dat de juiste persoon in de juiste functie wordt geplaatst, de rechtspositionele status van de bij het parket of de parketten werkzame personen alsmede de voorkeuren van de bij de reorganisatie betrokken rechterlijke ambtenaren.

In het kader van haar onderzoek dient de commissie in ieder geval de voorkeuren te inventariseren van de bij de reorganisatie betrokken rechterlijke ambtenaren waarvan zij verwacht dat zij hun functie niet kunnen behouden. Dat zijn de rechterlijke ambtenaren wier functie wordt opgeheven en de rechterlijke ambtenaren wier functie weliswaar blijft bestaan doch in een zodanig geringer aantal dat zij waarschijnlijk toch niet in hun eigen functie gehandhaafd zullen kunnen worden. De plaatsingsvoorkeuren dienen ook van andere binnen het parket of de parketten werkzame rechterlijke rechterlijke ambtenaren te worden geïnventariseerd, voor zover zij daartoe aan de PLAC een verzoek hebben gedaan.

De inventarisatie dient schriftelijk te geschieden.

Voorzover daartoe niet reeds door de PLAC uitgenodigd, worden alle rechterlijke ambtenaren die een schriftelijke plaatsingsvoorkeur hebben uitgebracht in de gelegenheid gesteld hun plaatsingsvoorkeur mondeling toe te lichten.

Het mondeling horen behoeft niet door de voltallige PLAC te geschieden. Met het horen kan ook één (plaatsvervangend) lid worden belast Hoewel in deze fase nog geen sprake is van bezwaar of bedenkingen staat het de rechterlijk ambtenaar vrij zich bij het gesprek met de PLAC te laten bijstaan door een derde (gemachtigde). Dit volgt rechtstreeks uit artikel 2:1 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Van het gesprek dient een verslag te worden gemaakt. Dit verslag heeft – evenals alle andere verslagen die op grond van de regeling moeten worden gemaakt – onder meer als functie om de niet bij het horen aanwezige (plaatsvervangend) leden van de PLAC te informeren over hetgeen de gehoorde persoon heeft verklaard. Daarnaast dient het als informatiebron voor degenen die bij het vervolg van de procedure zijn betrokken, zoals de Minister van Justitie en eventueel de leden van de bezwarenadviescommissie en de rechter. Een verslag hoeft niet woordelijk te zijn, volstaan kan worden met een kernachtige weergave van hetgeen naar voren is gebracht.

Bij de beantwoording van de vraag welke persoon voor welke functie geschikt is te achten kan de commissie afgaan op de indruk die zij zelf van betrokkenen heeft verkregen op basis van onder meer hun curriculum vitae en de met hen gevoerde gesprekken maar bij voorbeeld ook op informatie die zij heeft verkregen van de chefs van betrokkenen of uit de personeelsdossiers van betrokkenen. Uiteraard dient de commissie ten opzichte van betrokkenen openheid te betrachten ten aanzien van informatie die zij over hen heeft ontvangen van derden.

Artikel 7

Nadat de PLAC zich voldoende geïnformeerd acht, kan zij overgaan tot het opstellen van een ontwerp van een concept-plaatsingsplan. Bij het opstellen van het ontwerp zal de commissie moeten streven naar een situatie die voor zowel de werkgever als de bij de reorganisatie betrokken rechterlijke ambtenaren bevredigend is. Zij doet dit concept-plaatsingsplan aan de Minister van Justitie toekomen.

De status van dit concept-plaatsingsplan op dit moment is die van een advies aan de Minister van Justitie.

De door de Minister van Justitie in acht te nemen zorgvuldigheid brengt met zich dat hij het conceptplaatsingsplan (advies) slechts zal mogen overnemen, nadat hij tot de overtuiging is gekomen dat de PLAC bij de voorbereiding van haar advies een grondig onderzoek heeft ingesteld, de af te wegen belangen zorgvuldig heeft afgewogen en de procedurevoorschriften in acht heeft genomen (artikel 3:2 Awb). Daarom moet de PLAC bij haar concept-plaatsingsplan dan ook de stukken voegen die de Minister nodig heeft om zich ervan te kunnen overtuigen dat de commissie bij de voorbereiding van het concept-plaatsingsplan zorgvuldig tewerk is gegaan. Uit die stukken moet in ieder geval blijken op welke wijze de commissie de voorkeuren van de bij de reorganisatie betrokken rechterlijk ambtenaar heeft geïnventariseerd en de in deze regeling vastgestelde plaatsingscriteria heeft toegepast. Om voormelde reden dienen onder meer afschriften te worden overgelegd van de in het kader van de voorbereiding van het conceptplaatsingsplan gevoerde correspondentie en de gemaakte gespreksverslagen.

Artikel 8

Na de beoordeling van het concept-plaatsingsplan stelt de Minister van Justitie dit vast. De status van dit concept-plaatsingsplan is die van een voorgenomen besluit (een besluit van algemene strekking), zij het nog niet definitief. Verder neemt hij op basis hiervan ten aanzien van de bij de reorganisatie betrokken rechterlijk ambtenaar voorgenomen individuele plaatsingsbesluiten en doet hij deze de desbetreffende rechterlijk ambtenaren toekomen.

De Minister van Justitie stelt de bij de reorganisatie betrokken rechterlijke ambtenaren in de gelegenheid om binnen twee weken hun bedenkingen tegen het ten aanzien van hen voorgenomen plaatsingsbesluit schriftelijk bij hem naar voren te brengen. Voordat hij een beslissing neemt op de ingediende bedenkingen verzoekt de Minister van Justitie de PLAC om hem omtrent die bedenkingen schriftelijk te adviseren.

De PLAC stelt de betrokken rechterlijk ambtenaar in de gelegenheid om mondeling te worden gehoord. Dit hoeven niet alleen de rechterlijke ambtenaren te zijn die bedenkingen naar voren hebben gebracht, maar dat kunnen ook andere rechterlijk ambtenaren zijn wier belangen rechtstreeks zijn betrokken bij het besluit dat de Minister van Justitie ten aanzien van de bedenkingen zal nemen. Van het horen wordt een verslag gemaakt.

Artikel 9

Nadat de PLAC advies heeft uitgebracht aan de Minister van Justitie ten aanzien van de ingediende bedenkingen stelt zij het plaatsingsplan definitief vast. Op basis van dit plaatsingsplan neemt de Minister van Justitie individuele plaatsingsbesluiten ten aanzien van de betrokken rechterlijke ambtenaren en maakt deze bekend door uitreiking of toezending ervan aan betrokkenen (artikel 3:41 Awb). De Minister van Justitie dient daarbij expliciet te wijzen op de mogelijkheid voor belanghebbenden om binnen zes weken bezwaar te maken tegen het plaatsingsbesluit (artikel 3:45 Awb).

Het plaatsingsbesluit dient op een deugdelijke motivering te berusten. Deze moet bij de bekendmaking worden vermeld tenzij dat in verband met de vereiste spoed niet mogelijk is, in welk geval de motivering zo spoedig mogelijk daarna moet worden verstrekt. De vermelding van de motivering kan achterwege blijven voor zover redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat, bijvoorbeeld omdat een rechterlijk ambtenaar bij het plaatsingsbesluit de functie van zijn voorkeur is toegekend. Op verzoek van de belanghebbende moet de motivering dan echter alsnog zo spoedig mogelijk worden verstrekt. Indien het advies van de PLAC de motivering volledig bevat en de belanghebbende daarover beschikt, kan naar die motivering worden verwezen. Een en ander is geregeld in de artikelen 3:46 tot en met 3:49 Awb.

Na vaststelling en bekendmaking van de plaatsingsbesluiten kan de Minister van Justitie eventueel direct overgaan tot vervulling van eventuele vacatures bij de dienst. Het verdient echter sterk aanbeveling pas tot vacaturevervulling over te gaan nadat de termijn voor het indienen van bezwaren tegen de plaatsingsbesluiten is verstreken en op eventuele bezwaren een besluit is genomen. Dit is slechts anders voor zover bij voorbaat aannemelijk is dat geen bezwaren zullen worden ingediend of gegrondverklaring van bezwaren in geen geval van invloed kan zijn op de wijze van vervulling van de vacatures.

Artikel 10

De rechterlijk ambtenaar die bij het plaatsingsplan niet is geplaatst, moet door de Minister van Justitie schriftelijk worden geïnformeerd over de resterende termijn waarbinnen zal worden getracht hem alsnog te plaatsen. De termijn van 18 maanden waarbinnen ten minste één passende functie moet worden aangeboden, is reeds aangevangen op het moment dat de desbetreffende rechterlijk ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat, dat wil zeggen de rechterlijk ambtenaar wiens functie is opgeheven dan wel degene die overtollig is geworden. Verder informeert de Minister van Justitie de betrokken rechterlijk ambtenaar over de te nemen maatregelen die in het kader van een herplaatsingsonderzoek nodig zijn. In dit verband dient een individueel begeleidingsplan te worden opgesteld. In dit plan worden, binnen het kader van de vigerende regelgeving, die aspecten opgenomen die de kans tot herplaatsing zo groot mogelijk maken.Voordat tot vaststelling daarvan wordt overgegaan, pleegt de Minister van Justitie overleg met de betrokken rechterlijk ambtenaar. Teneinde de kans op een succesvolle herplaatsing zo groot mogelijk te doen zijn, moet worden getracht zoveel mogelijk tot overeenstemming met de rechterlijk ambtenaar te komen. Uiteindelijk wordt dit individueel begeleidingsplan vastgesteld door de Minister van Justitie. Dit plan is bindend voor zowel de Minister van Justitie als voor de rechterlijk ambtenaar in kwestie.

De bezwarenprocedure

Artikel 11

Tegen een plaatsingsbesluit kunnen belanghebbenden binnen zes weken na bekendmaking van dat besluit bezwaar maken door het indienen van een gemotiveerd bezwaarschrift (artikelen 6:4 en 6:5 Awb). Bezwaar kan onder meer worden ingediend indien een geplaatste ambtenaar van mening is dat de functie waarin hij is geplaatst niet passend is of dat hij weliswaar in een passende functie is geplaatst maar hij ten onrechte is afgewezen voor een passende functie die meer zijn voorkeur genoot. Bezwaar kan ook worden gemaakt tegen het besluit om een ambtenaar niet te plaatsen. Een bezwaar tegen de waardering van de functie waarin men is geplaatst is in dit kader kennelijk niet-ontvankelijk aangezien het plaatsingsbesluit slechts betrekking heeft op de vervulling van functies en niet op de waardering van functies.

Het bezwaar heeft ingevolge artikel 6:16 Awb geen schorsende werking. Hetgeen in het plaatsingsbesluit is bepaald is derhalve ook voor degene die bezwaar maakt bindend totdat het plaatsingsbesluit eventueel wordt gewijzigd, door de rechter wordt vernietigd of door de rechter bij voorlopige voorziening wordt geschorst.

Ingevolge artikel 10:3 Awb kan de beslissing op het bezwaarschrift niet worden genomen door degene die het bestreden plaatsingsbesluit heeft genomen. Op een bezwaarschrift wordt daarom een beslissing genomen door een autoriteit op het naasthogere echelon.

Op grond van artikel 11 van het voorliggende besluit is de autoriteit die bevoegd is op het bezwaar te beslissen, verplicht een bezwarenadviescommissie (hierna: BAC) in te stellen en deze te verzoeken haar schriftelijk te adviseren ten aanzien van het bezwaar. De BAC bestaat uit een voorzitter, een personeelsfunctionaris en een op voordracht van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) (en – eventueel – op voordracht van andere verenigingen van rechterlijke ambtenaren die op sectorniveau representatief worden geacht en daarom tot het overleg zijn toegelaten) aangewezen vertegenwoordiger van het personeel. Desgewenst kunnen plaatsvervangend leden en een secretaris worden benoemd. De (plaatsvervangend) leden van de BAC mogen geen persoonlijk belang hebben bij het plaatsingsbesluit en mogen niet bij de voorbereiding van het plaatsingsbesluit betrokken zijn geweest.

De BAC dient de indiener van het bezwaarschrift, eventuele andere belanghebbenden en de Minister van Justitie in alle gevallen – dus ook in de in artikel 7:3 Awb genoemde gevallen waarin de wettelijke verplichting tot het horen van belanghebbenden niet geldt – in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord.

Als ‘andere belanghebbende’ kan met name worden aangemerkt de bij de reorganisatie betrokken ambtenaar die nadelige gevolgen kan ondervinden van gegrondverklaring van het bezwaarschrift omdat die gegrondverklaring ertoe zou kunnen leiden dat in zijn functie alsnog de indiener van het bezwaarschrift wordt benoemd.

In de regel dient het horen door de voltallige commissie te geschieden. In bijzondere gevallen kan zij echter één of meer van haar leden met het horen belasten. Bij bijzondere gevallen kan met name gedacht worden aan de in artikel 7:3 Awb genoemde gevallen. Dat zijn de gevallen waarin het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is, het bezwaar kennelijk ongegrond is, de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord of het aanstonds duidelijk is dat aan het bezwaar volledig tegemoet zal worden gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

Belanghebbenden en de Minister van Justitie kunnen zich bij het horen door de BAC (en in alle andere fasen van de plaatsingsprocedure) laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een gemachtigde (artikelen 2:1 tot en met 2:3 Awb).

Op het horen zijn van toepassing de artikelen 7:4 tot en met 7:9 Awb, hetgeen onder meer het volgende betekent. Belanghebbenden worden in elkaars aanwezigheid gehoord tenzij dat een zorgvuldige behandeling zal belemmeren of tijdens het horen persoonlijke gegevens betreffende de belanghebbenden bekend zullen worden. Wanneer belanghebbenden afzonderlijk worden gehoord wordt ieder van hen naderhand op de hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn aanwezigheid. Het horen geschiedt uit privacy-overwegingen achter ‘gesloten deuren’; is derhalve niet openbaar. Alleen de indiener, de eventuele andere belanghebbenden en de Minister van Justitie kunnen daarbij – al dan niet in het bijzijn van hun raadslieden of vertegenwoordigd door hun gemachtigden – aanwezig zijn. Van het horen moet een verslag worden gemaakt.

De BAC doet haar schriftelijke advies toekomen aan de autoriteit die bevoegd is op het bezwaar te beslissen. Ook deze commissie zal daarbij alle stukken moeten voegen die de besluitnemer nodig heeft om vast te stellen dat de commissie op goede gronden en op basis van een correcte procedure tot haar advies is gekomen.

Op grond van artikel 7:10 Awb dient inzake het bezwaarschrift een beslissing te worden genomen binnen zes weken na ontvangst daarvan. De beslistermijn bedraagt tien weken indien een persoon tot voorzitter van de bezwarenadviescommissie is benoemd die niet in dienst is bij en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie (artikel 7:13 Awb). Daarbij kan gedacht worden aan een rechter of een ambtenaar van een ander ministerie. De beslissing kan met maximaal vier weken worden verdaagd. Verder uitstel is slechts mogelijk voor zover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en eventuele andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad of ermee instemmen.

De bevoegde autoriteit moet de indiener van het bezwaarschrift, de eventuele andere belanghebbenden en de BAC schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte stellen van zijn beslissing op het bezwaarschrift (artikel 7:12 Awb). Aan alle betrokkenen dient een afschrift van het advies van de BAC te worden gezonden. In een beslissing die afwijkt van het advies van de BAC moet de reden voor die afwijking duidelijk worden beschreven. Tot een dergelijke afwijking mag niet lichtvaardig worden besloten.

Bij de bekendmaking van de beslissing op het bezwaarschrift dient vermeld te worden dat voor belanghebbenden de mogelijkheid openstaat om binnen zes weken na die bekendmaking tegen de beslissing beroep in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep. Degene die de bestreden beslissing op het bezwaarschrift heeft genomen is in de beroepszaak bevoegd om als gemachtigde van de Minister van Justitie op te treden dan wel om een gemachtigde aan te wijzen.

De plaatsingscriteria

Artikel 12

Bij het opstellen van een (concept) plaatsingsplan zal begonnen moeten worden met het bepalen van de omvang van de reorganisatie. Die omvang is namelijk bepalend voor de rechterlijke ambtenaren die bij de reorganisatie zijn betrokken en daardoor in hun rechtspositie kunnen worden geraakt.

De tweede stap bij het opstellen van een (concept-)plaatsingsplan is het maken van een vergelijking tussen de functies in de bestaande organisatie en de functies in de nieuwe organisatie. Bij deze vergelijking moet voor wat betreft de inhoud van de functies in de bestaande organisatie worden uitgegaan van het samenstel van werkzaamheden waarmee de rechterlijke ambtenaren de afgelopen drie jaren voorafgaand aan de datum van het voorgenomen besluit feitelijk belast zijn geweest. Doorslaggevend is of dit samenstel van werkzaamheden waarmee de rechterlijk ambtenaar feitelijk belast is geweest in overwegende mate terugkomt in een functie in de nieuwe organisatie. Dat zal het geval zijn als tenminste 60% van de werkzaamheden overeenkomt.

Uit de vergelijking moet eerst blijken welke groepen van functies en welke individuele functies kunnen worden onderscheiden. Vervolgens moet blijken welke van de groepen van functies blijven bestaan en welke worden opgeheven alsmede welke omvang de resterende groepen zullen hebben. Ten slotte moet blijken welke van de individuele functies blijven bestaan en welke worden opgeheven.

Alsdan zijn er vijf mogelijkheden:

a. een individuele functie blijft bestaan;

b. een individuele functie wordt opgeheven;

c. van een groep van functies neemt het aantal formatie plaatsen niet in zodanige mate af dat er voor de met die functies belaste rechterlijke ambtenaren onvoldoende functies resteren;

d. van een groep van functies neemt het aantal formatie plaatsen in zodanige mate af dat er voor de met die functies belaste rechterlijke ambtenaren onvoldoende functies resteren;

e. een groep van functies wordt opgeheven.

De derde en laatste stap bij het opstellen van een (concept-)plaatsingsplan is het bepalen van de wijze waarop de functies in de nieuwe organisatie bezet zullen gaan worden. Kort samengevat dient daarbij het volgende in acht genomen te worden. Indien een individuele functie blijft bestaan (a) behoudt betrokkene zijn eigen functie. Indien van een groep van functies voldoende functies resteren om de met die functies belaste rechterlijke ambtenaren allen in te plaatsen (c) behouden de rechterlijke ambtenaren hun eigen functie althans een functie die deel uitmaakt van de desbetreffende groep van functies. Indien van een groep van functies onvoldoende functies resteren om de met die functies belaste rechterlijke ambtenaren allen in te plaatsen (d), moet aan de hand van artikel 36i van het Brra worden bepaald welke van hen hun eigen functie kunnen behouden dan wel geplaatst kunnen worden in een andere passende functie die resteert van de desbetreffende groep van functies en welke van hen overtollig worden (herplaatsingskandidaat).

Indien een individuele functie of groep van functies wordt opgeheven (b en e) verliest betrokkene respectievelijk verliezen betrokkenen de eigen functie en worden aangemerkt als herplaatsingskandidaat (artikel 36h van het Brra).

Van opheffing van een functie is niet alleen sprake indien de werkzaamheden waaruit die functie is samengesteld in de nieuwe organisatie in het geheel niet meer voorkomen. Van opheffing van een functie is ook sprake indien de functie een zodanig ingrijpende verandering ondergaat dat zij redelijkerwijs niet meer kan worden beschouwd als voortzetting van de oorspronkelijke functie. Dat wil zeggen indien zich een groot verschil in aard, soort of omvang van taken of verantwoordelijkheden voordoet tussen de oude en de nieuwe functie; bijvoorbeeld omdat veel taken zijn verdwenen of in andere functies zijn ondergebracht. De omstandigheid dat aan de nieuwe functie significant hogere of lagere functie-eisen worden gesteld of een hogere of lagere salarisschaal wordt verbonden is een sterke indicatie voor een ingrijpende kwalitatieve verandering van een functie. Opheffing van een functie kan onder meer het gevolg zijn van het vervallen van werkzaamheden van het verdelen van de inhoud van een functie over meer functies of van het uitbreiden van een functie met andere taken en werkzaamheden.

De Minister van Justitie,

J.P.H. Donner

Naar boven