Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2005, 39 | Algemeenverbindendverklaring van CAO-bepalingen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2005, 39 | Algemeenverbindendverklaring van CAO-bepalingen |
Mortel- en Morteltransportondernemingen
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelezen het verzoek van de Vereniging van Ondernemingen van Betonmortelfabrikanten in Nederland mede namens de overige partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeen verbindendverklaring van bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;
Partij(en) te ener zijde: de Vereniging van Ondernemingen van Betonmortelfabrikanten in Nederland;
Partij(en) te anderer zijde: FNV Bouw en de Hout- en Bouwbond CNV.
Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;
Besluit:
Dictum I
Verklaart algemeen verbindend de navolgende bepalingen van bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, zulks met inachtneming van hetgeen in de dicta II, III, IV en V is bepaald:
In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
a. Betonmortel
Onder betonmortel wordt verstaan fabriekmatig vervaardigde betonspecie, zijnde een mengsel van gelijkmatige samenstelling, bestaande uit het bindmiddel cement, de toeslagmaterialen zand, grind en/of steenslag en/of zware toeslagmaterialen en water en eventueel hulpstoffen dan wel vulstoffen ter beïnvloeding van bepaalde eigenschappen ter verkrijging van een gevraagde kwaliteit.
b. Prefab metselspecie
Onder prefab metselspecie wordt verstaan fabriekmatig vervaardigde metselspecie, zijnde een mengsel van gelijkmatige samenstelling bestaande uit het bindmiddel cement, het toeslagmateriaal zand, water en hulpstoffen en/of toevoegingen, dan wel andere bindmiddelen, gereed voor verwerking op de bouwplaats.
d. Werkgever/Onderneming
Elke Nederlandse natuurlijke of rechtspersoon, die in Nederland arbeid doet verrichten als bedoeld in artikel 1A en elke buitenlandse natuurlijke of rechtspersoon, voor zover deze in Nederland arbeid doet verrichten als bedoeld in artikel 1A.
e. Werknemer
Hij/zij die bij een werkgever als bedoeld in lid d van dit artikel in Nederland werkzaam is.
f. Personeelsvertegenwoordiging
Het orgaan van overleg tussen werkgever en de gekozen vertegenwoordigers van de werknemers.
g. Bedrijfsreglement
Het reglement bedoeld in artikel 27 van deze overeenkomst.
h. Garantieloon
Onder het garantieloon wordt verstaan het loon waarop werknemers vallende onder deze CAO en ingedeeld in de groepen I t/m V van bijlage I voor volwassen werknemers en in de leeftijd van 16 t/m 19 jaar voor jeugdige werknemers, ten minimale recht hebben.
i. Bruto individueel overeengekomen loon
Onder het bruto overeengekomen loon wordt verstaan het garantieloon vermeerderd met de al of niet van toepassing zijnde toeslag voor voorlieden of meesterknechts, alsmede de overeengekomen prestatietoeslag.
j. SFB
De relevante werkmaatschappij(en) van de SFB Groep.
k. UWV
De uitvoeringsinstelling werknemersverzekeringen
De bepalingen van deze CAO zijn van toepassing op alle werknemers, die werkzaam zijn bij ondernemingen waarbij het bedrijf is gericht op de productie en/of het transporteren van betonmortel en/of prefab metselspecie voor derden, alsmede op het transporteren van betonmortel op de bouwplaats (betonmortelfabrikanten). Indien een onderneming naast de hierboven beschreven werk-zaamheden andere werkzaamheden uitoefent, geldt voor de toepasselijkheid van deze CAO het volgende:
a. Indien de in de aanhef van dit artikel beschreven werkzaamheden en de andere werkzaamheden elk als een zelfstandig bedrijfsonderdeel van de onderneming worden uitgeoefend, is deze CAO van toepassing ten aanzien van alle werknemers in het bedrijfsonderdeel, waarin de in de aanhef van dit artikel beschreven werkzaamheden worden verricht.
b. Indien in een zelfstandig bedrijfsonderdeel van de onderneming zowel de in de aanhef van dit artikel beschreven werkzaamheden alsook andere werkzaamheden worden uitgeoefend en de verloonde bedragen met betrekking tot de hierboven beschreven werkzaamheden overwegen, geldt deze CAO voor alle werknemers van dit zelfstandige bedrijfsonderdeel.
c. Indien er geen zelfstandige bedrijfsonderdelen zijn en de verloonde bedragen met betrekking tot de in de aanhef van dit artikel beschreven werkzaamheden overwegen, geldt deze CAO voor alle werknemers van de onderneming.
d. Indien in een zelfstandig bedrijfsonderdeel van de onderneming zowel de in de aanhef van dit artikel beschreven werkzaamheden alsook andere werkzaamheden worden uitgeoefend en de verloonde bedragen met betrekking tot de andere werkzaamheden overwegen, is deze CAO uitsluitend van toepassing op de werknemers, die de in de aanhef van dit artikel beschreven werkzaamheden uitsluitend of in hoofdzaak uitoefenen.
e. Indien er geen zelfstandige bedrijfsonderdelen zijn en de verloonde bedragen met betrekking tot de andere werkzaamheden overwegen, is deze CAO uitsluitend van toepassing op de werknemers, die de in de aanhef van dit artikel beschreven werkzaamheden uitsluitend of in hoofdzaak uitoefenen.
De onderdelen d. en e. van dit artikel lid zijn niet van toepassing voor zover de andere werkzaamheden vallen onder de werkingssfeer van de CAO voor het Bouwbedrijf, de CAO voor het Uitvoerend, Technisch en Administratief personeel in de bouwbedrijven en de CAO betreffende Vrijwillig Vervroegde Uittreding voor het Uitvoerend, Technisch en Administratief personeel in de bouwbedrijven. De artikelen 1 lid h en i, 4 lid 5, 8 lid 2a voorlaatste en laatste zin, 8 lid 3, 17, 19 lid 3, 20, 21 lid 2 en 3, 22, 25 lid 2 en 3, 27 en bijlage I, VI en VII zijn niet van toepassing op leidinggevend, toezichthoudend, hoger technisch en administratief personeel.
1. De werkgever is gehouden tijdens de duur van deze overeenkomst geen uitsluiting toe te passen of te bevorderen en deze overeenkomst in redelijkheid en billijkheid na te komen.
2. Het is de werkgever niet toegestaan een werknemer in dienst te nemen of te houden op voorwaarden, die in voor de werknemer ongunstige zin van deze overeenkomst afwijken.
3. Wanneer in een onderneming of afdeling het voornemen bestaat 5 werknemers of meer dan wel 25% of meer van het aantal werknemers in een andere functie in te delen dient hieromtrent met de Ondernemingsraad en bij gebreke daarvan met partijen ter andere zijde tijdig overleg te worden gevoerd. Uitgangspunt bij dit overleg zal zijn dat de betrokken werknemers recht behouden op handhaving van hun beloningsniveau. Bij dit overleg zal handhaving van het functieniveau onderwerp van gesprek zijn. Indien voor de handhaving van het functieniveau bij-, her- of omscholing is vereist, dient de werkgever de werknemer daarvoor qua tijd en kosten in de gelegenheid te stellen.
4. De werknemer kan te werk gesteld worden in een andere onderneming dan die van de werkgever, in wiens dienst hij is in de volgende gevallen:
a. incidenteel voor een korte tijdsduur;
b. In geval van tijdelijke hulpverlening van de ene werkgever aan de andere.
In onder a en b genoemde gevallen, zal de arbeid worden verricht onder tenminste dezelfde voorwaarden als wanneer hij in de onderneming van zijn werkgever arbeid verricht. Indien mocht blijken dat de tijdsduur van drie maanden voor omstandigheden genoemd onder sub a en b van lid 4 ontoereikend is, dan dient aan de Kleine Commissie, genoemd in artikel 36 van de CAO, een verzoek tot dispensatie te worden gericht.
5. De werkgever is verplicht uitvoeringsmaatregelen op het gebied van de veiligheid en de hygiëne, welke voortvloeien uit de wettelijke verplichtingen dienaangaande, te treffen met instemming van de ondernemingsraad of bij afwezigheid hiervan in redelijk overleg met een representatief deel van de werknemers in zijn onderneming.
6. De werkgever zal de werknemer in de eerste week van zijn dienstverband laten kennismaken met de collega's waarmede zal worden samengewerkt, alsmede met de bij het bedrijf betrokken functionarissen. De werknemer zal inzicht worden gegeven omtrent het bedrijf en het project waaraan hij zal gaan werken. Hij zal tevens worden geïnformeerd over alle zaken die een goede introductie kunnen bevorderen.
7. De werkgever zal elke vacature kenbaar maken aan het desbetreffende CWI.
De werkgever zal stimuleren dat meer vrouwen en werknemers uit etnische minderheden een arbeidsplaats verwerven.
8. De werkgever zal in zijn onderneming faciliteiten voor een spaarloonregeling aan zijn werknemers aanbieden.
1. De werknemer is gehouden alle voor hem uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen in redelijkheid en billijkheid na te komen.
2. De werknemer is gehouden om alle hem door of namens de werkgever opgedragen werkzaamheden, voor zover deze redelijkerwijze van hem kunnen worden verlangd, zo goed mogelijk uit te voeren en daarbij alle verstrekte aanwijzingen en voorschriften in acht te nemen.
3. De werknemer is medeverantwoordelijk voor de orde, veiligheid en de zedelijkheid in het bedrijf van de werkgever en gehouden tot naleving van de desbetreffende aanwijzingen en voorschriften door of namens de werkgever gegeven.
4. De werknemer is gehouden zich te gedragen naar de bepalingen van het eventueel in het bedrijf van de werkgever geldende bedrijfsreglement.
5. De werknemer is gehouden zich, wat zijn dienst- en schafttijd betreft, te houden aan het op de daarvoor bestemde plaatsen in het bedrijf aanwezige dienstrooster.
6.
a. Het is de werknemer niet toegestaan, tenzij de werkgever hem schriftelijk toestemming heeft verleend, werkzaamheden in loondienst te verrichten voor een ander dan de werkgever, tenzij deze werkzaamheden van bijkomstige aard zijn. Overtreding van dit voorschrift wordt beschouwd als een dringende reden voor ontslag in de zin van artikel 7: 678 BW.
b. Indien een werknemer in deeltijd langer wenst te werken en van de werkgever geen uitbreiding van zijn aantal uren aangeboden krijgt, mag de werkgever – tenzij zwaarwegende bedrijfsbelangen in het geding zijn – de betrokken werknemer niet met een beroep op artikel 4 lid 6a verhinderen om een dienstbetrekking met een andere werkgever aan te gaan, mits de beide dienstverbanden samen niet meer uren omvatten dan het aantal uren van een voltijd dienstverband krachtens deze CAO.
8. De werknemer, die voornemens is een verbintenis als genoemd in artikel 7: 670 lid 5 BW jegens de overheid aan te gaan, is verplicht daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de werkgever.
9. De werknemer is, zowel gedurende als na de beëindiging der dienstbetrekking, gehouden tot geheimhouding ten aanzien van alles wat hem tengevolge van zijn dienstbetrekking bekend is of wordt; dit geldt met name de inrichting van het bedrijf, de grondstoffen, de verwerking daarvan, de samenstelling van de producten en de productiecijfers.
10. De werknemer, die wegens ziekte zijn arbeid niet kan verrichten is verplicht de controlevoorschriften, opgenomen in bijlage VIII van deze CAO, na te leven. Deze verplichting laat onverlet de voorschriften van het UWV ter zake van ziektemeldingen.
2. Een individuele arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Afwijking hiervan moet schriftelijk tussen werkgever en werknemer worden overeengekomen. Indien na afloop van een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd binnen 3 maanden een derde arbeidsovereenkomst wordt aangegaan, dient deze derde overeenkomst voor onbepaalde tijd te gelden. Dit in afwijking van de wettelijke bepalingen.
3. Een proeftijd dient schriftelijk te worden overeengekomen. Indien een proeftijd overeengekomen wordt, bedraagt deze bij contracten voor zowel bepaalde als voor onbepaalde tijd: 2 maanden. Dit in afwijking van de wettelijke bepalingen.
4. Ten aanzien van de beëindiging van de arbeidsverhouding zijn de bepalingen van het BW van toepassing met inachtneming van hetgeen in de navolgende leden van dit artikel is bepaald.
5. Ten aanzien van de opzegtermijnen voor de werkgever en de werknemer wordt verwezen naar het hieromtrent in bijlage III bepaalde.
6. De opzegging kan uitsluitend geschieden tegen de laatste dag van de kalenderweek en vindt bij voorkeur schriftelijk plaats.
7. Indien in de opzegtermijn vakantiedagen van de aaneengesloten zomervakantie dan wel verplichte snipperdagen als bedoeld in artikel 13 lid 6c vallen, wordt de opzegtermijn met deze dagen verlengd.
8. De termijn van opzegging die krachtens lid 5 van dit artikel voor de werkgever geldt, wordt in afwijking van het gestelde in artikel 672 BW, verlengd met een week voor elk vol jaar, gedurende hetwelk de werknemer na het bereiken van de leeftijd van 45 jaar bij hem in dienst is geweest.
De duur van deze verlenging bedraagt ten hoogste 13 weken.
9. In geval de werkgever moet overgaan tot gedwongen collectief ontslag zoals bedoeld in de Wet melding collectief ontslag zal de werkgever de werknemersorganisaties tijdig schriftelijk raadplegen en met de werknemersorganisaties en de ondernemingsraad in overleg treden.
10. Indien de arbeidsovereenkomst onrechtmatig zonder inachtneming van de opzeggingstermijn door één der partijen wordt verbroken, is deze aan de wederpartij een schadeloosstelling verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de tijd dat de dienstbetrekking nog had behoren voort te duren, tenzij de wederpartij er de voorkeur aan geeft volledige schadevergoeding dan wel herstel van de dienstbetrekking als bedoeld in artikel 7: 682 BW te vorderen.
Hetzelfde geldt wanneer één der partijen door opzet òf schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de dienstbetrekking zonder opzegging of zonder inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen te doen beëindigen en de wederpartij van deze bevoegdheid heeft gebruik gemaakt.
11. De beëindiging van het dienstverband met een werknemer die tenminste 2 jaar arbeidsongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, dient door de werkgever op formele wijze te geschieden, tenzij de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden reeds eerder was beëindigd.
1. De werkgever zal in het kader van het personeelsbeleid bijzondere aandacht schenken aan de reïntegratie van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemers. Binnen de bedrijfsmogelijkheden geldt daarbij als richtsnoer, minimaal 5% van het totaal aantal werknemers in de onderneming.
2. Arbeidsongeschikte werknemers kunnen slechts dan ontslagen worden als de werkgever aannemelijk kan maken dat er eventueel na de mogelijke her-, om- of bijscholing – geen passende functie voorhanden is, dan wel op korte termijn voorhanden komt.
3. Arbeidsongeschikte werknemers met een bestaand dienstverband hebben aanspraak op een in de onderneming voorhanden zijnde – eventueel in deeltijd – passende functie.
4. Indien er een vacature ontstaat in de onderneming heeft een (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemer, die geheel of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is voor die functie en reeds eerder werkzaam was in de betrokken onderneming als eerste aanspraak op die functie.
5.
a. De werkgever laat zich bij het uitvoeren van zijn beleid ondersteunen door een Arbodienst en kan daarbij een of meer reïntegratiebedrijven inschakelen. Indien de Arbodienst daartoe in staat is kunnen reïntegratietaken ook door de arbodienst worden uitgevoerd.
De inspanningen van de Arbodienst/het reïntegratiebedrijf dienen te zijn gericht op een spoedige, duurzame werkhervatting.
b. Een werknemer waarvan de werkgever na 13 weken (vanaf de eerste ziektedag) geen plan van aanpak heeft opgesteld of heeft doen opstellen, krijgt het zelfstandig recht zich te wenden tot de Arbodienst van de werkgever voor initiatie van een plan van aanpak. Op basis van het plan van aanpak wordt een reïntegratieplan opgesteld.
Het reïntegratieplan wordt opgesteld aan de hand van een medisch-arbeidsdeskundige beoordeling, een beroepskeuzetoets en een onderzoek naar de scholingsmogelijkheden van de betrokkene. Het plan richt zich op een concreet aangeduide functie of groep van functies.
c. Inschakeling van een reïntegratiebedrijf geschiedt in onderling overleg tussen werknemer en werkgever. indien een ingeschakeld reïntegratiebedrijf naar de mening van de werknemer in gebreke blijft bij de uitvoering van de overeengekomen taken, dan zal de werknemer zich in eerste instantie wenden tot de werkgever. De werkgever zal het reïntegratiebedrijf bewegen tot adequate uitvoering van de diensten.
Werkgever en werknemer kunnen in onderling overleg besluiten tot het inschakelen van een ander reïntegratiebedrijf.
d. In geval waarin de werknemer fundamentele bezwaren heeft tegen het reïntegratiebedrijf kan hij dit voorleggen aan de KC. Deze kan een second opinion vragen bij een ander reïntegratiebedrijf op kosten van de werkgever.
6. (Gedeeltelijk) arbeidsongeschikten die zich laten omscholen, hebben gedurende hun omscholing recht op een aanvulling op hun uitkering van 10% van het dagloon ten laste van de laatste werkgever, mits de betrokken werknemer na omscholing terugkeert in de betonmortelindustrie.
In afwijking van art. 8 lid 4 kan de arbeidsduur van een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer in deeltijd minder dan zestig uur per kalenderperiode van vier weken zijn.
De indeling van de werknemers in groepen, alsmede de functieomschrijvingen en de daarbij behorende garantielonen respectievelijk maandsalarissen zijn opgenomen in bijlage I en bijlage IV, welke deel uitmaken van deze CAO.
1. De werkweek loopt van maandag tot en met vrijdag. Op zaterdag en zondag wordt niet gewerkt.
De normale arbeidsduur bedraagt per kalenderperiode van vier weken: 144 uur.
Met inachtneming hiervan bedraagt de normale arbeidsduur per werkdag minimaal zeven en maximaal negen uur.
De arbeidsduur per werkdag wordt vastgesteld in een dienstrooster. Het dienstrooster mag een werktijdregeling van vier dagen per werkweek bevatten indien op voornoemde vier dagen tenminste in totaal dertig uren wordt gewerkt.
Ook indien een dienstrooster een werktijdregeling van vier dagen bevat, heeft de werknemer aanspraak op loon over de volle werkweek. In zo'n geval wordt de werknemer geacht de in een kalenderperiode van vier weken ingeroosterde uren boven de 7,2 uur per werkdag in vrije tijd tot een maximum van 7,2 uur per dag op te nemen in een week waarin sprake is van een ingeroosterde vrije dag.
Een en ander onverminderd de voor chauffeurs geldende wettelijke bepalingen.
2.
a. De dagelijkse werk- en rusttijden worden door de werkgever met instemming van de ondernemingsraad of bij afwezigheid hiervan na redelijk overleg met een representatieve vertegenwoordiging van de werknemers, vastgesteld.
Het normale dagdienstvenster loopt van 06.00 uur tot 18.00 uur.
De arbeid kan worden aangevangen tussen 05.00 uur en 08.30 uur.
Indien gewerkt wordt buiten het dagdienstvenster dan gelden de ongemakkentoeslagen zoals gedefinieerd in artikel 9 lid 10.
b. Indien de bedrijfsomstandigheden dit toelaten, heeft de werknemer de mogelijkheid de aanvangs- en eindtijden van de dagelijkse arbeid en de wekelijkse arbeidstijden aan te passen aan zijn persoonlijke omstandigheden. De individuele aanvangs- en eindtijden worden in overleg met de direct leidinggevende vastgesteld.
3.
a. Onder dienstrooster wordt verstaan iedere door de werkgever voor één of meer werknemers vastgestelde werktijdregeling voor de duur van tenminste één werkweek, zoals deze aan het einde van de werkweek daaraan voorafgaand zal zijn vastgesteld en aan de werknemer(s) zal zijn kenbaar gemaakt. Indien dit rooster door onvoorziene omstandigheden niet uitgevoerd kan worden zal de wijziging van het rooster minimaal één dag voorafgaand aan de betreffende werkdag aan de werknemer bekend gemaakt worden.
b. Een dienstrooster mag niet in strijd zijn met de bestaande wetgeving en het in dit artikel bepaalde.
4. In de individuele arbeidsovereenkomst dient de arbeidsduur per kalenderperiode van vier weken te zijn vastgelegd. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan de normale arbeidsduur van een werknemer in deeltijd minder dan 144 uur per kalenderperiode van vier weken zijn, doch niet minder dan zestig uur per kalenderperiode van vier weken.
5. Een verzoek van de werknemer om zijn of haar arbeidsduur aan te passen is in beginsel bespreekbaar en zal worden gehonoreerd, tenzij redelijkerwijs bedrijfsbelangen zich hiertegen verzette. Bij afwijzing van het verzoek zal de werkgever de werknemer schriftelijk informeren welke argumenten tot het besluit hebben geleid.
6. Met het oog op wensen ten aanzien van maatwerk van de werkgever of van werknemers zijn de werkgever en de Ondernemingsraad verplicht tot redelijk overleg over een van dit artikel afwijkende werktijdenregeling indien hetzij de werkgever, hetzij de Ondernemingsraad de wens tot desbetreffend overleg te kennen geeft.
Voor de afwijkende werktijdenregeling gelden de normen van de standaardregeling uit de Arbeidstijdenwet als uiterste grens. Bovendien bedraagt de normale arbeidsduur per kalenderperiode van 4 weken 144 uur, en loopt de werkweek van maandag tot en met vrijdag.
Daarbij hebben de werkgever en de Ondernemingsraad de mogelijkheid overeenstemming te bereiken over de wijze waarop een andere invulling wordt gegeven aan artikel 9 lid 4 voor zover het betreft de omzetting van overwerkuren in vrije tijd of geld. De overige bepalingen van artikel 9 blijven onverkort van toepassing.
De duur van de afwijkende regeling is gelijk aan de looptijd van de CAO. De afwijkende regeling kan niet stilzwijgend worden verlengd.
Indien in redelijk overleg geen overeenstemming wordt bereikt blijft de werktijdenregeling zoals bepaald in dit artikel, alsmede het bepaalde in artikel 9 lid 4 van toepassing.
1. Werknemers van 55 jaar of ouder kunnen kiezen voor een vierdaagse werkweek op basis van een werkdag van 8 uur. Daartoe dient een deel van het loon te worden ingeleverd. Dit deel van het loon wordt bepaald op basis van het aantal uren dat in het betreffende jaar minder wordt gewerkt ten opzichte van de eerdere situatie. Een flexibele invulling, waarbij toch gedurende een aantal weken vijf dagen van 7,2 uur wordt gewerkt, kan tot de mogelijkheden behoren. Werkgever en werknemer dienen hierover overeenstemming te hebben bereikt.
2. Indien een werknemer van 55 jaar of ouder voor een vierdaagse werkweek kiest, blijven uitkeringen in het kader van de sociale zekerheid, VUT en pensioen gebaseerd op het loon van een volledige werkweek. De kosten daarvan worden gefinancierd uit het SFM, resp. uit de middelen van de SVM. In het kader van de pensioenopbouw dienen werkgever en werknemer de pensioenpremie te blijven betalen zoals die verschuldigd zou zijn geweest bij voortzetting van de eerdere situatie.
3. De werknemer van 55 jaar of ouder die voor een vierdaagse werkweek kiest, heeft recht op een vaste vrije dag per week, in overleg met hem vast te stellen door de werkgever. Deze vaste vrije dag wordt in beginsel telkens voor een periode van twee maanden vastgesteld. Een wijziging dient minimaal twee weken voor de aanvang van een nieuwe periode van twee maanden door de werkgever, in overleg met de werknemer, te zijn vastgesteld. In overleg tussen werkgever en werknemer kan de vaste vrije dag incidenteel worden verschoven naar een andere dag.
1. Als overwerk wordt beschouwd door of namens de werkgever opgedragen arbeid tengevolge waarvan de normale dagelijkse arbeidsduur volgens dienstrooster wordt overschreden, dan wel arbeid tengevolge waarvan de normale arbeidsduur per kalenderperiode van vier weken wordt overschreden.
Op zondag mag geen overwerk worden verricht tenzij ontheffing hiertoe wordt verkregen op een daartoe schriftelijk ingediend verzoek bij de Kleine Commissie voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen als bedoeld in artikel 36.
2. Overwerk wordt zoveel mogelijk voorkomen, doch is verplicht indien de werkgever dit met inachtneming van de wettelijke bepalingen eist. Werknemers die uit godsdienstige overwegingen principiële bezwaren maken tegen het verrichten van arbeid op zondagen en christelijke feestdagen, kunnen evenwel niet tot overwerk worden verplicht op deze dagen.
Een werknemer van 50 jaar of ouder kan niet worden verplicht tot overwerk, tenzij de werkgever hiervoor zwaarwegende argumenten heeft. Het te verrichten overwerk zal met instemming van de ondernemingsraad, in overleg met de personeelsvertegenwoordiging dan wel bij afwezigheid van deze instanties, in overleg met de betrokken werknemers worden vastgesteld.
3. De werktijd en wettelijk voorgeschreven rusttijd per dag mag niet langer zijn dan in totaal 11 uur, conform de standaardregeling Arbeidstijdenwet. In overleg met de OR dan wel met een representatieve personeelsvertegenwoordiging kan hiervan worden afgeweken. In dat geval geldt de overlegregeling Arbeidstijdenwet.
4. Ingeval van overwerk worden de overwerkuren in beginsel omgezet in vrije tijd. De werknemer kan echter uitbetaling in geld vragen. Bij aanvang van iedere kalenderperiode van vier weken wordt de keuze door de werknemer aan de werkgever kenbaar gemaakt en vastgesteld. Het tijdstip van opnemen in vrije tijd wordt in onderling overleg tussen de werknemer en de werkgever vastgesteld.
De werkgever kan met een werknemer die is ingedeeld in de salarisgroepen V, VI of VII van bijlage IV schriftelijk afspreken dat overwerk in het loon is inbegrepen. De vóór 1 maart 1989 reeds bestaande afspraken ten aanzien van overwerk tussen de werkgever en de werknemer die is ingedeeld in één van voornoemde salarisgroepen blijven onverminderd van kracht. Tevens blijven onverlet van kracht de vóór 1 maart 1989 bestaande afspraken over het opnemen van overwerkvergoedingen in vrije tijd of geld voor wat betreft de salarisgroepen I, II, III en IV van bijlage IV.
5. Ingeval de werknemer kiest voor beloning in geld dan moet voor overwerkuren het uurinkomen met de volgende percentages worden verhoogd:
I. 30% voor uren tussen 05.00 en 20.00 uur
II. 60% voor uren tussen 20.00 en 05.00 uur
III. 100% voor uren vallende tussen zaterdag 00.00 uur en zondag 24.00 uur of voor arbeid verricht op een niet op zaterdag of zondag vallende feestdag
IV. 150% voor arbeid verricht op een op zaterdag of zondag vallende feestdag.
Bij toekenning van bedoelde overuren, wordt de duur van het overwerk per kalenderperiode van vier weken afgerond op halve uren.
6. Ingeval de werknemer kiest voor omzetting in vrije tijd zullen de overwerkuren worden gecompenseerd door vrije uren vermeerderd met de in uren uitgedrukte percentages genoemd in lid 5. Indien aldus zeven uren zijn verkregen kan de werknemer in overleg met de werkgever een dag vrijaf nemen, zo spoedig mogelijk nadat dit overwerk is verricht, doch uiterlijk binnen drie maanden.
Zonder dat de werknemer daartoe kan worden verplicht, kan vrije tijd ook in halve dagen worden opgenomen. De aldus opgenomen vrije dag wordt beloond tegen het garantieloon, verhoogd met de eventuele prestatietoeslag volgens artikel 20 dan wel tegen het overeengekomen salaris.
Een vrije dag wordt bepaald op 7,2 uur. Een halve vrije dag wordt bepaald op 3,6 uur.
7. Het is de werkgever niet toegestaan de werknemer binnen een loonperiode van vier weken meer uren te laten werken (normale werktijd en overuren tezamen) dan 180 gewerkte uren in totaal. Werkgever en werknemer zullen hiermee bij de inrichting van de werktijd en het dienstrooster rekening houden.
8. Voor betaling van overwerktoeslag wordt niet als overwerk beschouwd:
a. arbeid, welke verricht wordt voor het inhalen van andere verzuimde dagen of uren dan bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12;
b. arbeid, verricht in buiten het dienstrooster vallende tijd, mits deze arbeid wordt verricht tussen 05.00 uur en 18.00 uur, de dagelijkse schafttijd niet wordt verlengd, het aantal gewerkte uren op die dag niet groter is dan het volgens het dienstrooster zou zijn geweest en de verschuiving uiterlijk daags tevoren aan de werknemer wordt bekend gemaakt.
9. Onder uurinkomen in de zin van dit artikel wordt verstaan het garantie-uurloon, verhoogd met de eventuele prestatietoeslag volgens artikel 20 respectievelijk het overeengekomen salaris op uurbasis.
10. In bijzondere gevallen, ter beoordeling van de werkgever, is de werknemer verplicht zijn normale dagelijkse arbeid zoals deze is bepaald in artikel 8 lid 1, te verrichten buiten de grenzen genoemd in artikel 8 lid 2. Indien de normale dagelijkse arbeidsduur zoals in artikel 8 lid 1 is bepaald geheel of gedeeltelijk valt buiten deze grenzen, zullen de uren welke vallen buiten de in artikel 8 lid 2 bepaalde uren extra worden beloond met een ongemakkentoeslag van:
I. 25% voor uren tussen 18.00 en 00.00 uur
II. 30% voor uren tussen 00.00 en 06.00 uur.
Deze toeslagen gelden tijdens de normale werkuren, vallend buiten het dagdienstvenster. Voor daarboven gewerkte uren gelden de overwerktoeslagen conform lid 5 van dit artikel.
11. Per week kan slechts één keer sprake zijn van bijzondere gevallen als bedoeld in lid 10.
12. In geval van verschoven werktijd dient tussen het einde van de werkdag en het begin van de volgende werkdag (volgens dienstroosters) een rustperiode van minimaal 11 uur in acht genomen te worden. Deze rustperiode kan eenmaal per week worden ingekort tot 8 uur. Over eventuele niet gewerkte uren dient het bruto individueel overeengekomen loon te worden betaald.
1. Geen loon is verschuldigd voor de tijd, gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht (7: 627 BW).
2. In afwijking van het anders en overigens in artikel 7: 629 BW en de Wet Arbeid en Zorg bepaalde geldt het volgende:
a. Bij arbeidsongeschiktheid het in artikel 15 hieromtrent bepaalde.
b. Voor zover het binnen de gestelde arbeidstijd noodzakelijk is heeft de werknemer aanspraak op verzuim met behoud van loon gedurende de voor ieder geval gestelde tijd, mits hij zoveel mogelijk tenminste 3 dagen van tevoren aan de werkgever of diens gemachtigde met opgaaf van redenen van het verzuim kennis geeft.
1. Bij overlijden van de echtgenote of echtgenoot of ongehuwd inwonend kind, stief- of pleegkind: 4 werkdagen.
2. Bij kerkelijk en wettelijk huwelijk van de werknemer tezamen: 2 werkdagen. Indien dit echter plaatsvindt op een zaterdag, een zondag, een feestdag als bedoeld in artikel 12, dan wel op de laatste werkdag van de verplichte bedrijfssluiting (vakantie en periode rond Kerstmis en Nieuwjaar), zal een vergoeding over 1 werkdag worden gegeven.
3. Bij overlijden van één van de ouders, stief- of schoonouders van de werknemer: 2 werkdagen. Indien door de werknemer de uitvaart wordt geregeld en naar het oordeel van de werkgever de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan dit verlof tot maximaal 4 werkdagen worden uitgebreid.
4. Bij bevalling van de echtgenote: 2 werkdagen. Indien dit echter plaatsvindt op een zaterdag, een zondag, een feestdag als bedoeld in artikel 12, dan wel op de laatste werkdag van de verplichte bedrijfssluiting (vakantie en de periode rond Kerstmis en Nieuwjaar), zal een vergoeding over 1 werkdag worden gegeven.
5. Bij het huwelijk van een eigen kind, stief- of pleegkind, broer, zuster, zwager, schoonzuster, schoonzoon, schoondochter, kleinkind, halfbroer, halfzuster, ouder, schoonouder, grootouder, behuwd grootouder, overgrootouder en een in het gezin opgenomen huisgenoot, indien dit huwelijk wordt bijgewoond: 1 werkdag.
6. Bij het overlijden dan wel bij de uitvaart, indien deze wordt bijgewoond, van een eigen kind (gehuwd of uitwonend), pleeg- of stiefkind, broer, zuster, zwager, schoonzuster, schoonzoon, schoondochter, kleinkind, halfbroer, halfzuster, grootouder, behuwd grootouder, overgrootouder en een in het gezin opgenomen huisgenoot: 1 werkdag.
7. Bij ernstige ziekte van echtgenote of echtgenoot, eigen kinderen, ouders of stiefouders en in gezinsverband met hem/haar levende stief- en pleegkinderen: 1 werkdag.
8. Voor het zoeken van een nieuwe werkgever, wanneer de dienstbetrekking door de werkgever is opgezegd anders dan om in lid 2 van artikel 7: 678 BW, bedoelde dringende reden en de werknemer gedurende tenminste 6 weken, onmiddellijk aan de opzegging voorafgaande, onafgebroken bij de werknemer in dienst is geweest: ten hoogste 5 uren al dan niet opeenvolgend.
9. Bij ondertrouw en bij vervulling van een van overheidswege zonder geldelijke vergoeding opgelegde persoonlijke verplichting, tenzij deze verplichting is ontstaan door eigen schuld of nalatigheid van de werknemer: de werkelijke benodigde tijd tot ten hoogste 1 werkdag.
10. Voor het afleggen van een vakexamen: de daarvoor benodigde tijd met een minimum van 1 werkdag. Onder vakexamen wordt verstaan een examen als zodanig door de werkgever aangemerkt.
11. Bij 25- en 40-jarig huwelijk van de werknemer: 1 werkdag.
12. Bij 25-, 40- en 50-jarig huwelijk van de (schoon)ouders van de werknemer: 1 werkdag
13. Voor dokters- en tandartsbezoek: maximaal 2 uur per bezoek, indien het werkobject is gelegen in de woonplaats van de werknemer en maximaal 3 uur indien dit niet het geval is.
14. De werknemer van 62 jaar en ouder heeft recht op vrijaf, voor zover dit binnen de arbeidstijd noodzakelijk is en zal het voor hem bruto individueel overeengekomen loon worden doorbetaald gedurende ten hoogste 3 werkdagen, voor het volgen van een cursus ter voorbereiding op de tijd van pensionering.
15. In geval van aantoonbare calamiteiten heeft de werknemer recht op maximaal 3 dagen verlof per jaar ten behoeve van het treffen van voorzieningen voor de verzorging van de partner of kind(eren) die tot zijn huishouding behoren.
16. Voor het bezoek aan een fysiotherapeut of een vergelijkbare deskundige, na verwijzing door de arts, met dien verstande dat het tijdstip van het bezoek in overleg met de werkgever wordt vastgesteld.
17. Bij verhuizing van de werknemer op verzoek van de werkgever: 1 werkdag.
3. Voor de werknemers, die arbeid buiten de woonplaats verrichten (artikel 25 lid 2), zal de werkgever in geval van verzuim om de onder lid 2 sub b onder 1 t/m 7 vermelde redenen, de gemaakte reiskosten van een openbaar vervoermiddel (tweede of daarmede gelijk te stellen klasse) vanaf de plaats van tewerkstelling tot de woonplaats van de werknemer en terug, voor zover niet van de gebruikelijke reisgelegenheid gebruik kan worden gemaakt of de reis buiten de gebruikelijke reisuren valt en de werknemer als gevolg daarvan extra kosten moet maken, alsmede de duur van deze reis tegen het voor de werknemer vastgestelde garantie-uurloon respectievelijk salaris vergoeden.
5. Onder loon wordt in dit artikel verstaan:
Het gederfde inkomen over de door de afwezigheid van de werknemer vervallen werkuren van het dienstrooster, berekend aan de hand van het garantie-uurloon volgens artikel 4 van bijlage I, eventueel verhoogd met oververdiensten volgens artikel 20 en 21 van deze CAO in de voorafgaande 13 weken. Voor leidinggevend, toezichthoudend, hoger technisch en administratief personeel geldt het overeengekomen loon met inachtneming van bijlage IV.
6. Voor de toepassing van lid 2 wordt aan een echtgenoot c.q. echtgenote gelijkgesteld de ongehuwde persoon van het eigen of andere geslacht waarmee werknemer een gezamenlijke huishouding voert, mits een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst aan werkgever is overgelegd, en de ongehuwde persoon waarmee werknemer een geregistreerd partnerschap is aangegaan.
7. De werknemer, die een vakopleiding in het kader van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs volgt, heeft recht op betaald verlof voor het volgen van de vakopleiding.
2. De werkgever is verplicht jeugdige werknemers tot en met de leeftijd van 17 jaar, die niet kunnen deelnemen aan een vorm van het algemeen en op het beroep gericht onderwijs met behoud van loon in de gelegenheid te stellen 1 dag per week deel te nemen aan vormingswerk van één der erkende vormingsinstituten voor werkende jongeren. Jeugdige werknemers die reeds een dag per week beroepsonderwijs volgen (parttime) zullen daarenboven een halve dag per week beschikbaar moeten krijgen voor deelname aan vormingswerk. Zulks met behoud van loon.
3. Indien de bedrijfsomstandigheden dit toelaten bestaat voor de werknemer de mogelijkheid om in overleg met de werkgever onbetaald verlof op te nemen. Daarbij dient de werknemer een dergelijk verzoek minstens één maand van tevoren bekend te maken aan de werkgever. Aanbevolen wordt om speciale aandacht aan deze mogelijkheid te schenken ten aanzien van religieuze feestdagen die voor de betrokken werknemer van belang zijn.
1. Onder feestdagen wordt in dit artikel en in de overige artikelen van deze overeenkomst verstaan, de algemeen erkende feestdagen, te weten: Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste en tweede Kerstdag, alsmede de dag waarop Koninginnedag wordt gevierd.
2. Op de in lid 1 genoemde feestdagen wordt als regel niet gewerkt.
3. Als de feestdag niet op een zaterdag of zondag valt, wordt het loon doorbetaald.
4. Een feestdag wordt bepaald op 7,2 uur.
1. Vakantie
Het vakantiejaar loopt van 1 september van enig kalenderjaar tot en met 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar.
2. Aantal vakantiedagen
a. Het recht op verlof met behoud van loon omvat per vakantiejaar voor
werknemers beneden 18 jaar 29 werkdagen
werknemers van 18 t/m 49 jaar 25 werkdagen
werknemers van 50 jaar 26 werkdagen
werknemers van 51 jaar 27 werkdagen
werknemers van 52 jaar 28 werkdagen
werknemers van 53 jaar 29 werkdagen
werknemers van 54 jaar 30 werkdagen
werknemers van 55 jaar 32 werkdagen
werknemers van 56 jaar 33 werkdagen
werknemers van 57 jaar 34 werkdagen
werknemers van 58 jaar 35 werkdagen
werknemers van 59 jaar t/m 64 jaar 36 werkdagen
Een vakantiedag of snipperdag wordt bepaald op 7,2 uur. Een halve vakantiedag of snipperdag wordt bepaald op 3,6 uur.
b. Als peildatum voor toekenning van het aantal vakantiedagen voor de leeftijdsgroepen als bedoeld onder a van dit artikel, geldt de datum van 1 september.
3. Aantal vakantiedagen in geval van aanvang en/of einde van het dienstverband tijdens het vakantiejaar
De werknemer, genoemd onder artikel 13 lid 2a, die na 1 september van het lopende vakantiejaar in dienst is getreden van de werkgever of die vóór 31 augustus van het lopende vakantiejaar uit dienst is getreden van de werkgever, heeft in afwijking van het in lid 2a bepaalde recht op een evenredig deel van de vakantie.
4. Bij vorige werkgever(s) verworven vakantierechten
De werknemer is verplicht bij de aanvang van de dienstbetrekking de werkgever mede te delen hoeveel rechten op vakantie hij bij zijn vorige werkgever(s) verworven heeft, opdat de werkgever weet op hoeveel verlofdagen zonder behoud van loon de werknemer aanspraak kan maken.
5. Aaneengesloten vakantie
a. De werknemer heeft recht op 3 weken aaneengesloten zomervakantie. De periode van 3 weken kan op verzoek van de werknemer worden verlengd met 1 week in goed overleg met de werkgever en voor zover de bedrijfsomstandigheden dit toelaten. De periode van deze vakantie wordt in goed overleg tussen werkgever en werknemer vastgesteld. Voor zover mogelijk zal dit plaatsvinden vóór 1 december van het jaar voorafgaande aan de zomervakantie.
Bij de vaststelling zal een eventuele regionale bedrijfssluiting van bouwbedrijven in de regio van de werkgever worden betrokken.
In die gevallen waarbij er sprake is van een (collectieve) bedrijfssluiting kan de werknemer in goed overleg met de werkgever en voor zover de bedrijfsomstandigheden dit toelaten, daarnaast in een andere periode van het jaar een aaneengesloten periode van maximaal 4 weken vakantie opnemen voor zover de werknemer over voldoende vakantie- en verlofdagen beschikt.
b. Ingeval een werknemer, indien het onder a bepaalde van toepassing is, nog geen recht heeft op alle aaneengesloten vakantiedagen, kan de werkgever bepalen dat de betrokken werknemer, behoudens de werknemer genoemd onder c:
1. in een andere afdeling van de onderneming dan waartoe hij behoort werkzaamheden moet verrichten en/of
2. zoveel snipperdagen reserveert als nodig om zijn vakantie tot alle aaneengesloten vakantiedagen aan te vullen en/of
3. te veel genoten vakantiedagen inhaalt en wel tot uiterlijk 31 december van het betreffende kalenderjaar, in welk geval de inhaaluren niet worden beloond;
4. bij vorige werkgever(s) verworven, doch niet in natura genoten rechten op vakantie reserveert.
c. Op een werknemer, die aansluitend aan zijn schoolperiode bij een werkgever in dienst is getreden, en tengevolge hiervan nog geen recht heeft op alle aaneengesloten vakantiedagen is artikel 7: 628 BW integraal van toepassing, indien het onder a bepaalde van toepassing is.
d. Indien de werknemer de hem toekomende aaneengesloten vakantie niet heeft opgenomen vóór 31 december volgend op het vakantiejaar, waarin zij zijn verworven, is de werkgever gerechtigd data vast te stellen waarop de werknemer deze dagen zal genieten.
6. Snipperdagen
a. De snipperdagen kunnen worden opgenomen in het vakantiejaar waarin zij zijn verworven.
b. Onder de snipperdagen worden verstaan alle bijzondere vrije dagen met uitzondering van de feestdagen als bedoeld in artikel 12 en de dagen van geoorloofd verzuim als bedoeld in artikel 10, alsmede de 3 weken aaneengesloten zomervakantie.
c. Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken is de werkgever bevoegd, echter zo spoedig mogelijk na de aanvang van het vakantiejaar, twee snipperdagen aan te wijzen, die voor het gehele bedrijf zullen gelden. Onder gelijke omstandigheden is de werkgever bevoegd, evenwel na goedkeuring van de Kleine Commissie en na instemming van de Ondernemingsraad, resterende snipperdagen als verplichte snipperdagen aan te wijzen.
d. Voor de duur van dit contract zijn voor de gehele bedrijfstak de navolgende verplichte snipperdagen aangewezen: voor het vakantiejaar 2004/2005: 28, 29, 30 en 31 december 2004.
e. De data voor eventueel overblijvende snipperdagen (zogenaamde vrije snipperdagen) worden door de werkgever op verzoek van en in overleg met de betrokken werknemer voor elk geval afzonderlijk vastgesteld.
Het recht van de werknemer op een aldus vastgestelde vrije snipperdag kan hem door de werkgever niet meer worden ontnomen, indien laatstgenoemde hierop terug wenst te komen op een datum, later dan 10 dagen vóór de vastgelegde vrije snipperdag.
f. Indien de werknemer de hem toekomende snipperdagen niet heeft opgenomen vóór 31 december volgende op het vakantiejaar waarin zij zijn verworven, is de werkgever gerechtigd data vast te stellen, waarop de werknemer deze dagen zal genieten.
g. In het jaar dat tussen Kerstmis en Nieuwjaar 5 werkdagen vallen, hebben de werknemers recht op 1 verlofdag extra.
h. In verband met de herdenking van de bevrijding van Nederland geldt 5 mei met ingang van het jaar 2000 eens in de vijf jaar als een doorbetaalde vrije dag.
7. Het niet verwerven van vakantierechten gedurende onderbreking der werkzaamheden
a. De werknemer verwerft geen vakantierechten over de tijd, gedurende welke hij wegens het niet-verrichten van zijn werkzaamheden geen aanspraak op in geld vastgesteld loon heeft.
b.
1. Het onder a bepaalde is niet van toepassing indien de werknemer zijn werkzaamheden niet heeft verricht wegens:
– arbeidsongeschiktheid, tenzij veroorzaakt door opzet van de werknemer;
– het naleven van een wettelijke verplichting of verbintenis ten aanzien van de landsverdediging of openbare orde, niet zijnde opkomstplicht voor eerste oefening;
– het genieten van verlof gebaseerd op in een vorige dienstbetrekking verworven doch niet opgenomen verlof;
– het met toestemming van de werkgever deelnemen aan een door de vakvereniging van de werknemer georganiseerde bijeenkomst;
– onvrijwillige werkloosheid bij handhaving van het dienstverband.
In deze gevallen worden nog vakantierechten verworven over de laatste twaalf maanden, waarin geen arbeid wordt verricht, waarbij de duur der onderbreking uit de respectieve oorzaken tezamen geteld wordt.
2. Indien een onderbreking der werkzaamheden als bedoeld onder 1 van dit sub-lid in meer dan één vakantiejaar valt, wordt het in vorig jaar vallend deel der onderbreking bij de berekening van de periode van afwezigheid mee in aanmerking genomen.
a. Dagen, waarop de werknemer geen arbeid heeft verricht om een der redenen genoemd in lid 7 sub b onder 1, alsmede in artikel 10 lid 2 sub b onder 1, 3, 4 en 6 gelden niet als vakantiedagen.
b. Indien de in sub a genoemde verhinderingen echter eerst intreden tijdens een vastgestelde vakantie of snipperdag, zullen de dagen, waarop die verhindering zich voordoet, wel als vakantiedagen worden geteld, indien de werknemer niet voor de aanvang van die vastgestelde vakantie of snipperdag aan de werkgever heeft medegedeeld dat die verhindering zich zou voordoen. Indien het in de gevallen van artikel 10 lid 2 sub b onder 1, 3 en 4 niet mogelijk is de mededeling vooraf te doen, kan deze ook onmiddellijk na afloop van de vakantie of snipperdag geschieden.
Het vereiste van voorafgaande mededeling geldt niet indien de verhindering te wijten is aan ziekte van de werknemer, deze ziekte krachtens de bepalingen van de Ziektewet is vastgesteld en de werknemer aannemelijk kan maken dat hij zodanig in zijn bewegingsvrijheid beperkt was dat de bedoeling van de vakantie in genen dele tot haar recht kon komen.
c. Indien ingevolge het sub b bepaalde aanvankelijk vastgestelde vakantiedagen niet als zodanig worden gerekend zal de werkgever na overleg met de werknemer nieuwe data vaststellen waarop die dagen alsnog kunnen worden genoten.
8. Samenvallen van vakantiedagen met bepaalde andere dagen waarop geen arbeid wordt verricht
a. Dagen, waarop de werknemer geen arbeid heeft verricht om een der redenen genoemd in lid 7 sub b onder 1, alsmede in artikel 10 lid 2 sub b onder 1, 3, 4 en 6 gelden niet als vakantiedagen.
b. Indien de in sub a genoemde verhinderingen echter eerst intreden tijdens een vastgestelde vakantie of snipperdag, zullen de dagen, waarop die verhindering zich voordoet, wel als vakantiedagen worden geteld, indien de werknemer niet voor de aanvang van die vastgestelde vakantie of snipperdag aan de werkgever heeft medegedeeld dat die verhindering zich zou voordoen. Indien het in de gevallen van artikel 10 lid 2 sub b onder 1, 3 en 4 niet mogelijk is de mededeling vooraf te doen, kan deze ook onmiddellijk na afloop van de vakantie of snipperdag geschieden.
Het vereiste van voorafgaande mededeling geldt niet indien de verhindering te wijten is aan ziekte van de werknemer, deze ziekte krachtens de bepalingen van de Ziektewet is vastgesteld en de werknemer aannemelijk kan maken dat hij zodanig in zijn bewegingsvrijheid beperkt was dat de bedoeling van de vakantie in genen dele tot haar recht kon komen.
c. Indien ingevolge het sub b bepaalde aanvankelijk vastgestelde vakantiedagen niet als zodanig worden gerekend zal de werkgever na overleg met de werknemer nieuwe data vaststellen waarop die dagen alsnog kunnen worden genoten.
9. Vakantie bij ontslag
a. Bij het beëindigen van de dienstbetrekking zal de werknemer desgewenst zoveel mogelijk in de gelegenheid worden gesteld de hem nog toekomende vakantiedagen op te nemen, met dien verstande dat deze vakantiedagen niet in de opzeggingstermijn mogen zijn begrepen, tenzij met wederzijdse instemming.
b. Indien de werknemer bij het beëindigen van de dienstbetrekking niet in de gelegenheid is geweest de hem nog toekomende vakantiedagen te genieten zal hem voor elke vakantiedag een bedrag worden uitbetaald als bedoeld in lid 10 van dit artikel.
c. De werkgever is gehouden de werknemer bij het einde van de dienstbetrekking een verklaring uit te reiken, waaruit de duur van de vakantie zonder behoud van loon blijkt, welke de werknemer op dat tijdstip nog toekomt.
10. Berekening bedrag doorbetaald loon en vergoeding
Met betrekking tot het doorbetalen van het loon, als bedoeld in lid 2 en met betrekking tot het bedrag, als bedoeld in lid 9 sub b, is het bepaalde in artikel 10 lid 5 van toepassing.
11. Uitvoeringsbepalingen
De werkgever kan bepalen, dat de werknemer de aanvraag voor een snipperdag(en) een bepaalde tijd voor de gewenste datum moet indienen.
12. Palliatief verlof
a. De werknemer heeft per jaar per geval recht op in totaal 10 dagen betaald verlof voor stervensbegeleiding en rouwverwerking en heeft het recht om aansluitend onbetaald verlof op te nemen. Deze rechten gelden ten aanzien van partner, eigen kind, stiefof pleegkind, schoondochter, schoonzoon, kleinkind, ouder en schoonouder.
b. De werknemer heeft per geval recht op in totaal 5 dagen betaald verlof voor stervens-begeleiding en rouwverwerking en heeft het recht om aansluitend onbetaald verlof op te nemen ten aanzien van een broer, zuster, zwager, schoonzuster, halfbroer, halfzuster, grootouder, behuwd grootouder, overgrootouder en een in het gezin opgenomen huisgenoot.
13. Kortdurend zorgverlof
Voor kortdurend zorgverlof conform de wettelijke bepalingen geldt dat werkgevers het loon zullen aanvullen tot 100% voor maximaal 10 dagen per jaar.
14. Onbetaald verlof
In geval van onbetaald verlof wordt gedurende maximaal de eerste 10 verlofdagen per jaar de pensioenopbouw van de werknemer, voortvloeiend uit het dienstverband, op dezelfde wijze als tijdens het dienstverband voortgezet.
1. De vakantietoeslag bedraagt 8% van 52 x het bruto individueel overeengekomen weekloon dat wordt genoten in de eerste volle kalenderweek waarin 1 juli van het betreffende vakantiejaar valt. Een en ander behoudens maatregelen van de overheid ter zake van de vakantietoeslag. Voor leidinggevend, toezichthoudend, hoger technisch en administratief personeel bedraagt de vakantietoeslag 8% van het bruto jaarsalaris.
2. De werknemers, die nà 1 september van het lopende vakantiejaar in dienst van de werkgever zijn getreden, ontvangen een vakantietoeslag naar evenredigheid van het aantal vakantiedagen waarop zij op grond van artikel 13 lid 3 van deze CAO bij de aanvang van de vakantie recht hebben.
3. Bij beëindiging van het dienstverband, ook in geval van proeftijd, heeft de werknemer aanspraak op een vakantietoeslag als bedoeld in lid 1, voor zover deze toeslag nog niet ontvangen is. De toeslag wordt berekend naar rato van de gewerkte perioden van twee weken vanaf 1 september tot het moment van uit dienst treden.
4. De vakantietoeslag wordt uitbetaald in de maand juni, of, indien er geen bedrijfsvakantie wordt gegeven, in de periode waarin de overige werknemers in de gelegenheid worden gesteld hun vakantie op te nemen, doch uiterlijk in de maand juni.
1. Arbeidsongeschiktheid (ziekte en dergelijke)
a. Bij arbeidsongeschiktheid (ziekte en dergelijke) van de werknemer zijn van toepassing:
– de bepalingen van de Ziektewet;
– bijlage VIII van deze CAO inzake voorschriften en sancties gedurende de periode van arbeidsongeschiktheid;
– de voorschriften welke door of namens het UWV nader worden gegeven;
met dien verstande, dat de werknemer ter zake van arbeidsongeschiktheid gedurende maximaal 52 weken het individueel overeengekomen loon behoudt dat de werknemer zou hebben genoten, ware hij niet arbeidsongeschikt geworden, onverlet de sancties die de werkgever conform bijlage VIII van deze CAO kan opleggen.
Onder individueel overeengekomen loon wordt hier verstaan het bruto individueel overeengekomen loon ex art. 1 lid i, eventueel verhoogd met de oververdiensten volgens art. 9 lid 12, art. 21 lid 1, 2, 6 en art. 22 van deze CAO.
Indien de werknemer overwerk heeft verricht op minimaal 75% van het aantal gewerkte dagen in het jaar, voorafgaand aan de eerste ziektedag, wordt bij de bepaling van het door te betalen loon bij arbeidsongeschiktheid rekening gehouden met het gemiddelde aantal „meeruren" in de voorafgaande 13 weken met een maximum van 7,5 uur per week.
b. Een werknemer die tijdens de tweede 52 weken arbeidsongeschiktheid volledig en duurzaam (minimaal 3 maanden) is gereïntegreerd, ontvangt een reïntegratiebonus van € 150,– bruto.
d. Werknemers die op 1 december van het betreffende kalenderjaar een uitkering krachtens de WAO ontvangen en die bij werken voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid onder deze CAO vielen, hebben recht op een eenmalige uitkering. Deze uitkering wordt in de maand december betaalbaar gesteld. Deze uitkering bedroeg in december 2003 bij een arbeidsongeschiktheid van:
80% of meer: minimaal € 524,45
65-80%: minimaal € 419,57
55-65%: minimaal € 340,89
45-55%: minimaal € 288,45
35-45%: minimaal € 236,00
De hoogte van de uitkering is afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidspercentage dat op 1 december van het betreffende kalenderjaar van toepassing is. De uitkering wordt gedurende de looptijd van deze CAO jaarlijks verhoogd met het afgeleide cpi alle huishoudens van oktober ten opzichte van het voorgaande jaar oktober. Deze regeling wordt gefinancierd uit de bijdrage voor het SFM als genoemd in artikel 13 lid 3.
e. Aanvulling 1e WAO-jaar
Bij volledige arbeidsongeschiktheid (80% of meer) wordt het loon van de arbeidsongeschikte werknemer gedurende het eerste WAO-jaar door de werkgever aangevuld tot 75% van het laatstverdiende loon.
2. Vervoer stoffelijk overschot
In geval een werknemer tijdens het werk dan wel op weg naar of van het werk overlijdt, zal de werkgever de kosten van het vervoer van het stoffelijk overschot naar het normale domicilie in Nederland van betrokkene vergoeden.
3. Uitkering ineens bij overlijden
Indien een werknemer tijdens het dienstverband komt te overlijden, is de werkgever gehouden de nabestaande het loon van de overleden werknemer door te betalen tot en met de laatste dag van de tweede maand na die, waarin het overlijden plaatsvond.
Nabestaanden zijn:
– de partner (getrouwd/samenwonend) van de overledene, mits men „een gezamenlijke huishouding" voerde, zoals de wet dat noemt. Of (als zo'n partner er niet is):
– de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen. Of (als deze er niet zijn):
– hij of zij met wie de overledene samenwoonde en voor wie hij of zij kostwinner was.
4. Arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door derden
Indien en voor zover de werkgever ter zake van arbeidsongeschiktheid van zijn werknemer tengevolge van ziekte of uit hoofde van een ongeval, jegens één of meer derden een vordering tot schadevergoeding kan doen gelden, dient de betrokken werknemer zijn volledige medewerking te verlenen de schadevergoeding op deze derde(n) te verhalen. Als schade wordt hier bedoeld het bedrag van de in lid 1 sub a en een eventuele (her)verzekering bij ziekte geregelde bovenwettelijke uitkering, alsmede de nevenverstrekkingen voortvloeiende uit deze CAO.
De uit lid 1 van dit artikel, alsmede uit een eventuele (her)verzekering bij ziekte voortvloeiende verplichtingen van de werkgever aan de werknemer blijven onverminderd van kracht.
5. Aanstellingskeuring
Indien voor de betreffende functie een aanstellingskeuring toegestaan is, zal de werkgever bij deze keuring zorgdragen voor de naleving van het protocol van de KNMG inzake de aanstellingskeuringen.
1. Een werknemer die vanaf 25 januari 1994 een recht verwerft op een uitkering krachtens de WAO, ontvangt een aanvulling op deze WAO-uitkering ter dekking van het zgn. WAO-hiaat, dat is ontstaan bij de inwerkingtreding van de wet Terugdringing Beroep Arbeidsongeschiktheidsregelingen, (Stbld 1993, nr 412). De volledige aanvulling (100%) vult de WAO-uitkering aan tot 70% van het laatst genoten loon doch nooit meer dan tot het maximum WAO-dagloon. De aanvulling is afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidspercentage. Afhankelijk hiervan gelden de aanvullingen zoals in onderstaand schema:
80 – 100%: 100% van de verzekerde WAO-aanvulling;
65 – 80%: 72,5% van de verzekerde WAO-aanvulling;
55 – 65%: 60% van de verzekerde WAO-aanvulling;
45 – 55%: 50% van de verzekerde WAO-aanvulling;
35 – 45%: 40% van de verzekerde WAO-aanvulling;
25 – 35%: 30% van de verzekerde WAO-aanvulling;
15 – 25%: 20% van de verzekerde WAO-aanvulling;
2. De in het eerste lid genoemde aanvulling zal tot stand komen via een collectieve verzekering. De voorwaarden van deze verzekering worden geacht deel uit te maken van deze CAO en zijn verkrijgbaar bij de Kleine Commissie, zoals bedoeld in artikel 36.
3. Op 1 juli van elk kalenderjaar wordt de aanvulling geïndexeerd voor zover de beschikbare middelen dit toelaten. De aanvulling wordt geïndexeerd conform de indexering die voor de WAO geldt.
4. Ten behoeve van deze aanvulling wordt een premie geheven over het brutoloon inclusief de meeruren minus de franchise. Deze premie wordt jaarlijks per 1 juli vastgesteld. De laatstelijk vastgestelde premie bedraagt 1,4706%.
De franchise is het wettelijk minimumloon. De werkgeversbijdrage bedraagt, ongeacht de wijze van afdracht, 0,25% van het brutoloon inclusief de meeruren. Het meerdere is voor rekening van de werknemer. De werkgever kan de werknemersbijdrage op het loon van de werknemer inhouden. Werknemers van 58 jaar of ouder zijn niet premieplichtig.
5. De werkgever zal de verzekerde werknemers een kopie van het polisaanhangsel verstrekken.
6. Van bovenstaande verplichting kan een werkgever worden gedispenseerd onder de in bijlage IX genoemde voorwaarden, mits elders een gelijkwaardige verzekering wordt afgesloten. Een dispensatieverzoek dient binnen twee maanden na het tijdstip waarop de CAO-bepaling voor de werkgever van kracht is geworden, te worden ingediend bij de Kleine Commissie, zoals bedoeld in artikel 36. Nieuwe ondernemingen dienen het verzoek binnen 2 maanden na de oprichting te doen.
1. De statuten en reglementen van de Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransport-ondernemingen, hierna te noemen SFM, alsmede eventuele binnen het kader van bedoelde statuten en reglementen nader door het bestuur van SFM vastgestelde, schriftelijk vastgelegde uitvoeringsvoorschriften van organisatorische aard maken integraal onderdeel uit van deze CAO.
2. De betalingen van de bijdragen en premies ter voorziening in de doelstellingen van SFM dienen te worden voldaan aan het SFB, waaraan SFM de administratie heeft opgedragen.
3. De werkgever is een bijdrage verschuldigd voor de financiering van de doelstellingen van het SFM. Het verschuldigde bijdragepercentage bedraagt 0,3% van het SV-loon voor rekening van de werkgever. De bijdrage wordt vastgesteld in de vorm van een percentage van het door de werkgever aan zijn werknemers vallende onder de CAO uitbetaalde loon.
De bijdrage wordt aan het eind van elk kalenderjaar terstond en ineens opeisbaar. Het SFB kan voorschotbetalingen vorderen.
4. SFM heeft ten aanzien van de bijdrage- en premieverplichtingen van de werkgevers aan SFM een zelfstandig recht op invordering.
1. Een werknemer, die recht heeft op een loongerelateerde werkloosheidsuitkering, zoals bedoeld in artikel 42, eerste lid van de WW, van het UWV heeft gedurende de periode waarin de loongerelateerde uitkering aan de werknemer wordt verstrekt met een maximum van 6 maanden, overeenkomstig het Reglement van het SFM aanspraak op aanvulling van de vakantietoeslag tot 100% en op volledige voortzetting van de pensioenopbouw, een en ander overeenkomstig zijn aanspraken bij werken. Een werknemer wiens recht op WW-uitkering gebaseerd is op artikel 18 WW heeft voor de duur van die werkloosheid aanspraak op volledige voortzetting van de pensioenopbouw, een en ander overeenkomstig zijn aanspraken bij werken.
Werknemers die een kortdurende werkloosheidsuitkering ontvangen kunnen eveneens maximaal 6 maanden aanspraak maken op aanvulling van de vakantietoeslag tot 100% en op volledige voortzetting van de pensioenopbouw, mits aan de overige voorwaarden is voldaan en betrokkene zich meldt bij het SFM. De nadere voorwaarden van deze regeling zijn opgenomen in het reglement aanvullingsregeling WW SFM.
2. Een werknemer die recht verkrijgt op een loongerelateerde werkloosheidsuitkering van het UWV voor de Bouwnijverheid heeft gedurende de eerste 13 weken van de werkloosheid als bedoeld in artikel 18 van de Werkloosheidswet en van de periode waarin de loongerelateerde uitkering aan die werknemer wordt verstrekt, overeenkomstig het Reglement van het SFM aanspraak op aanvulling van de werkloosheidsuitkering tot 80% van het betreffende dagloon.
Werknemers die een kortdurende werkloosheidsuitkering ontvangen kunnen eveneens de eerste 13 weken aanspraak maken op deze aanvulling, mits aan de overige voorwaarden is voldaan, tenzij betrokkene als gevolg van wettelijke bepalingen geen voordeel heeft van deze aanvulling. Betrokkene kan zich melden bij het SFM. De nadere voorwaarden van deze regeling zijn opgenomen in het reglement aanvullingsregeling WW SFM.
3.
a. Een verzoek om aanvulling als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt beschouwd als verzoek om alle aldaar bedoelde aanvullingen waarop de betrokken werknemer aanspraak kan doen gelden.
b. Aanvullingen als bedoeld in lid 1 en 2 gelden ook ingeval een gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer deelneemt aan een „proefplaatsing" als bedoeld in de wet REA.
De werknemer die een Ziektewetuitkering ontvangt, of uitsluitend op grond van het bepaalde in artikel 29, tweede lid onderdeel b of c van de Ziektewet over de eerste twee dagen van ongeschiktheid tot werken geen uitkering ontvangt, en
a. op de dag van het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken als werknemer werd beschouwd op grond van het bepaalde in artikel 7 van de Ziektewet en wiens ziekte is ingetreden tijdens de periode als bedoeld in artikel 18, eerste lid van de Werkloosheidswet, dan wel tijdens de eerste zes maanden van de loongerelateerde uitkering als bedoeld in artikel 42, eerste lid van de Werkloos-heidswet, dan wel de periode zoals bedoeld in artikel 52g WW;
b. gedurende een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de Ziektewet ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid en wiens dienstbetrekking is geëindigd binnen het loonbetalingtijdvak van 52 weken, bedoeld in artikel 629, eerste lid van Boek 7 van het BW;
c. wegens ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid op de dag met ingang waarvan zijn dienstbetrekking is geëindigd op grond van het bepaalde in artikel 46 van de Ziektewet recht heeft op ziekengeld en tevens recht zou hebben gehad op een werkloosheidsuitkering, indien hij niet ziek zou zijn geworden;
1. heeft voor zover ook voor het overige aan de voorwaarden in het reglement is voldaan, in de situatie onder punt a. en c. van dit artikellid, recht op een aanvulling vanaf de zestiende dag na aanvang van de ziekte en in de situatie onder punt b. van dit artikellid recht op een aanvulling vanaf de eerste dag waarop de dienstbetrekking is geëindigd. De aanvulling bedraagt 30/70e van het dagloon waarop de Ziektewetuitkering is gebaseerd.
2. heeft, als hij niet werkloos zou zijn en jegens zijn werkgever recht zou hebben op betaling van vakantietoeslag, recht op een betaling van een bedrag van 8% van de aanvulling die op grond van het eerste lid wordt betaald.
3. heeft recht op betaling van pensioenpremie.
Voor de financiering van deze regeling is een bijdrage verschuldigd, waarvan de werkgever en de werknemer ieder de helft voor hun rekening nemen. Voor 2004 is geen bijdrage verschuldigd. De bijdrage voor 2005 wordt op een nader te bepalen tijdstip vastgesteld. De nadere voorwaarden voor deze regeling zijn opgenomen in het SFM-Aanvullingsreglement.
1.
a. De werkgever beoordeelt wanneer en hoe lang tengevolge van vorst of de aanwezigheid van een sneeuwdek niet kan worden gewerkt, in welk geval, na overleg met de betrokken werknemers, zal worden nagegaan door wie wel en door wie niet gewerkt zal worden.
In geval van verhindering zal de werkgever aan de betrokken werknemer een aanvulling betalen op de uitkering van het uitkeringsorgaan tot 100% van een evenredig deel van 36x het garantie-uurloon van de betrokken werknemer, verhoogd met de gemiddelde oververdiensten volgens artikel 20 en 21.
b. Het in sub 1a bepaalde geldt voor zover deze aanvulling niet door het uitkeringsorgaan op de uitkering in mindering wordt gebracht. Ingeval op grond van algemene overwegingen extra uitkeringen plaatsvinden, zullen deze extra uitkeringen in mindering worden gebracht op de aanvullingen omschreven onder 1a van dit artikel.
2. De werknemer is verplicht, ingeval de werkgever hem gedurende de in lid 1 bedoelde tijd ander werk opdraagt, waarvoor hij geschikt is, deze arbeid te verrichten, mits de werkgever bereid is hem het voor deze werkzaamheden vastgestelde garantie-uurloon te betalen. Dit garantie-uurloon zal niet lager zijn dan het uurloon dat hij bij zijn normale werkzaamheden ontvangt.
1. De werkgever is verplicht het loon, vergoeding wegens verzuim daaronder begrepen, op de overeengekomen betaaldag, aan de werknemer uit te betalen. Daarbij dient een loonstrook te worden verstrekt. Op de loonstrook moet duidelijk leesbaar vermeld staan:
a. naam van de werknemer;
b. periode waarop de betaling betrekking heeft;
c. bruto loonbedrag, gespecificeerd volgens vast loon, premies, overwerkgeld ofwel andere beloningen en loonheffing;
d. inhouding van loonheffing, alsmede het bedrag van de door de werkgever betaalde pensioenpremie;
e. andere toegepaste kortingen, nauwkeurig te specificeren.
2.
a. De werkgever kan, na redelijk overleg en met instemming van een representatief deel van de werknemers in zijn onderneming, de betaling in andere dan wekelijkse perioden vaststellen.
b. De werkgever is bevoegd de betaling van het loon op andere wijze dan in contant geld, zoals door middel van bankof giro-overmaking dan wel per giro- of bankcheque te doen geschieden.
3. De werkgever zal aan zijn werknemers, vallend onder deze CAO, die op 31 december van enig jaar bij hem in dienst zijn of bij hem in dienst zijn geweest, een jaaropgave verstrekken inzake brutoloon, belasting- en premie-inhoudingen. Hij zal dit uiterlijk doen vóór 1 maart van het daaropvolgende jaar.
1. Volwassen werknemer
Onder een volwassen werknemer wordt verstaan een werknemer van 20 jaar of ouder.
2. Herziening garantieloon c.q. salaris jeugdige werknemers
a. Het garantie-uurloon c.q. salaris van jeugdige werknemers wordt met ingang van de eerste loonweek volgende op de loonweek, waarin de verjaardag valt, herzien.
b. Gehuwde jeugdige werknemers zullen het garantie-uurloon c.q. salaris ontvangen van een twee jaar oudere werknemer uit de betreffende salarisgroep.
3. Lonen voorlieden of meesterknechts
a. Voor voorlieden of meesterknechts zal het voor hun groep rechtens geldende garantie-uurloon worden verhoogd met 20 %. Deze verhoging kan ten hoogste 25 % bedragen, indien en voor zolang door betrokkene niet in tarief wordt gewerkt.
b. Onder voorlieden of meesterknechts worden verstaan zij, die leiding geven aan tenminste vijf werknemers.
4. Minimumloon
Indien het op grond van deze overeenkomst verdiende brutoloon per week minder bedraagt dan het door de bevoegde organen in het kader van de Wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag vastgestelde wettelijke minimumloon, zal de werkgever de werknemer een aanvulling tot dit bedrag uitbetalen.
Onder brutoloon wordt in dezen verstaan het garantie–uurloon verhoogd met de eventuele oververdiensten volgens artikel 20 van deze CAO respectievelijk het overeengekomen salaris.
De werkgever is bevoegd om die werknemers, die naar zijn oordeel in verband met betoonde ijver en de geleverde prestaties daarvoor in aanmerking komen, een prestatietoeslag toe te kennen op het betreffende garantie-uurloon.
1. Diplomatoeslag EHBO en/of Bedrijfshulpverlening
Werknemers in het bezit van een geldig algemeen erkend EHBO-diploma ontvangen hiervoor een toeslag. Deze toeslag is op1 juli 2004 vastgesteld op € 4,03 per week.
Werknemers die de cursus Bedrijfshulpverlening met goed gevolg hebben afgesloten, hebben recht op de toeslag voor het EHBO-diploma. Indien een werknemer zowel het diploma Bedrijfshulpverlening als het EHBO-diploma bezit, heeft hij met ingang van 1 maart 1998 recht op éénmaal deze toeslag.
2. Dienstjarentoeslag
De werkgever zal aan de werknemer, die vijf jaar ononderbroken in dienst is geweest bij één of meer werkgevers in de mortel- en/of morteltransportondernemingen, een dienstjarentoeslag verstrekken. Deze toeslag is op1 juli 2004 vastgesteld op € 4,03 per week.
De werkgever zal aan de werknemer die tien jaar ononderbroken in dienst is geweest bij één of meer werkgevers in de mortel- en/of morteltransportondernemingen, een dienstjarentoeslag verstrekken. Deze toeslag is op 1 juli 2004 vastgesteld op € 7,02 per week.
Onder dienstverband wordt mede verstaan het dienstverband van de werknemer die werkzaam is op objecten welke door verschillende werkgevers(combinaties) worden uitgevoerd. Ter bepaling van het ononderbroken dienstverband in de zin van dit artikel dient te worden uitgegaan van een dienstverband per werkgever dat niet langer onderbroken is geweest dan drie weken, zulks op verzoek van de werkgever. Het dienstverband wordt geacht niet te zijn onderbroken gedurende de tijd welke de werknemer voor eerste oefening onder de wapenen is geweest, alsmede gedurende de tijd welke de werknemer een beroepsopleiding heeft gevolgd waarvoor de werkgever medewerking heeft verleend.
3. Werkkleding
De werkgever draagt er zorg voor dat de werknemer goede passende werkkleding ontvangt. Indien dit voor de werkgever bezwaren oplevert, is deze gehouden in plaats daarvan aan de werknemer een vergoeding te betalen. Deze vergoeding is op 1 juli 2004 vastgesteld op € 0,92 per gewerkte dag.
Indien bovengenoemde vergoedingen en toeslagen naar de mening van partijen aanpassing behoeven gedurende de looptijd van deze CAO, worden de bedragen tussentijds aangepast, waarover terstond schriftelijk mededeling wordt gedaan.
De werkgever dient aan de (allround/hoofd) betonpompmachinist ergonomische winterkleding te verstrekken, die voldoet aan de bepalingen van de arbowet.
4. Schade werknemer
Indien de werknemer schade lijdt tijdens de uitvoering van de hem opgedragen werkzaamheden zal de werkgever deze schade vergoeden, tenzij deze schade elders is verzekerd.
5. Kinderopvang
CAO-partijen stellen jaarlijks vanaf 1 april een budget beschikbaar van € 141.000,– voor erkende kinderopvang.
1.
a. Tot 1 januari 2005 blijft de regeling van kracht zoals opgenomen in de CAO 2002-2004. Deze regeling geldt voor het inkopen van bedrijfsplaatsen via een apart fonds, ondergebracht bij Kintent en gefinancierd door het SFM, voor officieel erkende kinderopvang en buitenschoolse opvang voor kinderen tot 13 jaar.
De werknemer draagt bij in de kosten conform de door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gehanteerde tabellen.
b. Indien en voorzover een andere ouder/verzorger van het betrokken kind eveneens kosten van kinderopvang kan declareren, wordt de bijdrage naar evenredigheid berekend.
2.
a. Met ingang van 1 januari 2005 geldt een nieuwe regeling, die als volgt luidt:
De werkgever draagt 1/6 deel van de kosten van de kinderopvang bij. In geval van een eenoudergezin draagt de werkgever 1/3 deel van de kosten bij. Bij de werkgeversbijdrage wordt uitgegaan van het door de fiscus vastgestelde maximum uurtarief.
b. De tegemoetkoming in kosten geldt, conform de Wet Kinderopvang, voor erkende kinderopvang van kinderen tot 13 jaar, te weten: dagopvang voor kinderen van nul tot vier jaar, buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen, opvang in ouderparticipatiecrèches en gastouderopvang.
c. Het toetsen van de aanvragen en tegemoetkoming van de werkgever wordt door het SFB uitgevoerd. Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de kosten dient bij het SFB een aanvraag te worden ingediend.
Indien het budget voor een kalenderjaar is opgebruikt, worden nieuwe aanvragen op een wachtlijst geplaatst.
6. Diplomatoeslag
Iedere werknemer die op verzoek van de werkgever een cursus heeft gevolgd, teneinde tevens inzetbaar te zijn in een andere functie, ontvangt een diplomatoeslag. Deze toeslag is op 1 juli 2004 vastgesteld op € 0,15 per uur.
7. Certificaat praktijkopleider
Werknemers die de cursus praktijkopleider van de Stichting Vakopleiding Transport en Logistiek met goed gevolg hebben doorlopen, ontvangen een toeslag op hun salaris, indien en zolang zij als praktijkopleider feitelijk een of meer leerlingen in het kader van de Vakopleiding begeleiden. Deze toeslag is op 1 juli 2004 vastgesteld op € 0,40 per uur. Bedoeld certificaat geeft geen aanspraak op diplomatoeslag.
8. Stagevergoeding
Stagiaires hebben recht op de stagevergoeding die volgens hun opleidingsinstituut gebruikelijk is.
9. Maaltijd
De werkgever verstrekt een warme maaltijd om 18.00 uur wanneer de werktijd tot na 18.30 uur voortgaat en er tenminste 8 uur is gewerkt, incl. pauzes. Uitgangspunt is verstrekking op het werk. Indien dat niet mogelijk is, wijst de werkgever een restaurant aan. Vergoeding geschiedt op overlegging van een bon tot een maximum van € 15,00.
10. De onkostenvergoedingen genoemd in lid 1, 2, 3, 6 en 7 van dit artikel worden geïndexeerd met het afgeleide cpi alle huishoudens. De verhogingen worden gedurende de looptijd van deze CAO vastgesteld per 1 juli (prijsindexcijfer april t.o.v. oktober van het voorgaande jaar) en 31 december (prijsindexcijfer oktober t.o.v. april).
De werkgever is gehouden een premie voor schadevrij werken toe te kennen aan de navolgende functionarissen:
Bijlage 1 artikel 2: Allround mengmeester, mengmeester, assistent-mengmeester, allround kraan-machinist, kraanmachinist, assistent kraanmachinist, chauffeur, allround chauffeur, allround chauffeur met ervaring, cementpompmachinist, laadschopmachinist, allround laadschopmachinist.
Bijlage I artikel 3: chauffeur, allround chauffeur, allround chauffeur met ervaring, betonpompmachinist, allround betonpompmachinist, hoofdbetonpompmachinist, chauffeur betonpompmixer.
Het recht op een premie ontstaat indien de betreffende functionaris gedurende een kalenderkwartaal heeft gewerkt zonder schade door zijn schuld. Deze premie is vastgesteld op € 27,00 per maand na ieder kwartaal dat men schadevrij heeft gewerkt..Indien binnen een kalenderkwartaal een geval van schade zich heeft voorgedaan wordt de premie niet betaald. Na het eerstvolgende schadevrije kalenderkwartaal zal de premie wederom per maand uitbetaald worden. Mocht blijken dat de schade buiten de schuld van de werknemer is ontstaan, dan zal met terugwerkende kracht de premie over de betreffende maanden alsnog worden voldaan.
Het tijdstip waarop de premie aan de werknemer zal worden uitbetaald wordt in onderling overleg tussen werkgever en werknemer bepaald.
Bij aanvang van de dienstbetrekking voor de 16e van de tweede maand van een kalenderkwartaal heeft de werknemer, bij schadevrij werken, recht op de premie berekend over het gehele kwartaal.
1. De werknemer is niet verplicht gebruik te maken van een door de werkgever of diens vertegenwoordiger ter beschikking gesteld vervoermiddel, dat niet voldoet aan de wettelijke bepalingen.
2. Het in lid 1 bepaalde is ook van toepassing wanneer:
a. het vervoer door de werkgever aan derden is opgedragen;
b. het vervoer in overleg met de werkgever door één van de in dienst zijnde werknemers wordt uitgevoerd.
3. De werkgever stelt zich aansprakelijk voor risico's (inclusief financiële risico's) voor zijn werknemers, verbonden aan het gebruik van een vervoermiddel, gedurende de tijd dat van dit vervoermiddel gebruik dient te worden gemaakt in opdracht van de werkgever.
4. De werkgever is verplicht om voor het personeel, vallende onder deze CAO een onge-vallenverzekering af te sluiten, dan wel anderszins voorzieningen te treffen, met als verzekerde bedragen (bij een voltijd dienstverband) minimaal € 25.000,– bij overlijden en € 50.000,– bij blijvende algehele invaliditeit van het personeelslid. Op deze bedragen zijn de geldende belasting- en sociale wetten van toepassing.
Het verzekerde bedrag dient te worden uitgekeerd in geval van blijvende invaliditeit aan het betrokken personeelslid of, in geval van diens overlijden, aan zijn rechtsopvolger(s) onder algemene titel, dan wel aan de door hem daartoe aangewezen begunstigde(n).
De genoemde bedragen zullen elke 5 jaar worden herzien, voor het eerst per 1 maart 2006.
1. Indien de werknemer bij het zich naar en van het werk begeven gebruik maakt van het openbaar vervoer, zal de werkgever de werkelijke kosten van het reizen vergoeden. Voorwaarde is dat de werknemer de vervoerbewijzen bij de werkgever inlevert zodra deze niet meer geldig zijn.
2. Indien de werknemer bij het zich naar en van het werk begeven geen gebruik maakt van het openbaar vervoer, doch gebruik maakt van eigen vervoer, ontvangt de werknemer de navolgende maandelijkse vergoeding:
| Woon-werkverkeer Meer dan | Doch niet meer dan | Maandelijkse vergoeding |
|---|---|---|
| 0 km | 10 km | € 45,38 |
| 10 km | 15 km | € 65,00 |
| 15 km | 20 km | € 91,00 |
| 20 km | –- | € 130,00 |
De in deze tabel genoemde vergoedingen zijn onder het huidige belastingstelsel (deels) belast.
1. De werknemer, die in opdracht van de werkgever gebruik dient te maken van een eigen vervoermiddel ten behoeve van de werkzaamheden, niet behorend tot het woon-werkverkeer, ontvangt een vergoeding van € 0,28 netto per kilometer.
2. De werknemer, die in opdracht van de werkgever, tijdelijk naar een andere standplaats moet reizen dan waarvoor hij is aangenomen, verkrijgt een vergoeding voor de extra reiskosten conform het gestelde in lid 1 van dit artikel. Tevens zal de extra reistijd worden vergoed. Een en ander voor een maximum van 40 dagen per kalenderjaar.
3. De werknemer, die als bestuurder van een door de werkgever ter beschikking gesteld vervoermiddel optreedt, krijgt de gehele duur van de reis vergoed.
1. Functioneringsgesprek
a. De werkgever zal jaarlijks met de individuele werknemer een functioneringsgesprek voeren waarin ook de loopbaanontwikkeling van de medewerker aan de orde moet worden gesteld.
b. De werkgever stelt per jaar maximaal 2 scholingsdagen aan de werknemer beschikbaar indien tijdens het functioneringsgesprek afspraken zijn gemaakt over door de werknemer te volgen opleidingen in het kader van loopbaanontwikkeling.
2. Opleidingsplan
De werkgever stelt in overleg met de Ondernemingsraad of de Personeelsvertegenwoordiging, en bij afwezigheid daarvan met een representatieve vertegenwoordiging van de werknemers, jaarlijks een opleidingsplan op. Dit opleidingsplan wordt gebaseerd op de wensen van de individuele werknemers en de behoeften van de werkgever. In het plan wordt concreet aangegeven welke opleidingen door welke (groepen van) werknemers gevolgd kunnen worden en hoeveel scholingsdagen dit inhoudt. De Ondernemingsraad heeft instemmingsrecht ten aanzien van het opleidingsplan.
Cursusaanbod voor de betonmortelindustrie
I. De Betonvereniging te Gouda heeft een opleidingswijzer ontwikkeld voor betonspecifieke opleidingen. Hiermee wordt een volledig beeld gegeven van voor de betonmortelindustrie relevante opleidingen. Daarnaast zullen ook meer algemene cursussen die betrekking hebben op veiligheid en gezondheid onderdeel uitmaken van het cursusaanbod. Aan de hand van onderstaande lijst kan in de ondernemingen een scholingsplan worden samengesteld.
Basiscursus Betontechnologie
Instroomniveau: basisonderwijs
Doel: Introductie in het vak betontechnologie. Cursus geschikt als bedrijfscursus en tevens vooropleiding voor de cursus Betonlaborant BV.
Voor wie: mengmeesters, truckmixerchauffeurs, voorlieden en uitvoerders.
Duur: 9 avonden van 2 uur.
Betonlaborant BV
Instroomniveau: VBO-c, Basiscursus Betontechnologie, Vakopleiding Betonindustrie I en II of MTS-bouwkunde/wegen waterbouwkunde.
Doel: opleiding voor laboratoriumwerkzaamheden, die behoren bij het vervaardigen en controleren van betonspecie en beton. Interpretatie en verantwoording blijven voorbehouden aan de bevoegde betontechnoloog.
Voor wie: personeel dat werkzaam is in de laboratoria van betonmortelbedrijven, betonfabrieken, aannemingsbedrijven, overheidsinstellingen, proefstations en adviesbureaus.
Duur: 7 dagen van 6 uur.
Nascholing Betonlaborant BV
Instroomniveau: Betonlaborant BV
Doel: gediplomeerde betonlaboranten op het niveau van Betonlaborant BV op de hoogte brengen van de laatste ontwikkelingen op dat moment.
Voor wie: betonlaboranten die 5 jaar of langer geleden hun diploma behaalden.
Duur: 2 namiddagen van 4 uur.
Betontechnoloog BV
Instroomniveau: MTO, VBO-d, Betonlaborant BV
Doel: deelnemers worden opgeleid tot betontechnoloog en daarnaast verdieping van kennis.
Voor wie: werknemers van aannemingsbedrijven, betonproductenfabrikanten, betonmortelbedrijven, ingenieurs- en architectenbureaus.
Duur: 19 avonden van 2 uur.
Nascholing Betontechnoloog BV
Instroomniveau: Betontechnoloog BV
Doel: bijscholing over de ontwikkelingen die zich de laatste jaren op het vakgebied hebben voorgedaan.
Voor wie: betontechnologen die 5 jaar of langer geleden hun diploma hebben gehaald.
Duur: 5 avonden van 2 uur.
Omgaan met LCA
Instroomniveau: HBO
Doel: producenten van beton vertrouwd maken met de methode van de milieukundige levenscyclusanalyse en leren werken met het interactieve computerprogramma Simapro. LCA is een systematische manier om, met behulp van een „wieg-tot-graf" benadering de milieu-impact van producten of activiteiten te evalueren.
Voor wie: fabrikanten van betonproducten, leveranciers van bouwsystemen, ontwerpers van bouwconstructies, constructeurs, milieugerichte bouwadviseurs.
Duur: 1 lesdag en in eigen tijd te maken opdracht.
Temperatuurbeheersing van verhardend beton
Instroomniveau: MBO+
Doel: inzicht verschaffen in zowel technisch als economisch verantwoorde temperatuur-beheersing.
Voor wie: betonconstructeurs, betontechnologen, betonuitvoerders.
Duur: 4 namiddagen van 4 uur.
II. Daarnaast zijn er ook nog andere instituten die opleidingen aanbieden in het kader van de betonmortelindustrie:
PBNA:
Betontechnologie
Instroomniveau: MBO
Doel: aandacht wordt besteed aan de grondstoffen, eigenschappen van betonspecie, betonsamenstellingen, vervaardiging van betonspecie, uitvoering van betonwerk, keuring en controle.
Duur: 80 uur zelfstudie.
VOBN:
CTMB
Instroomniveau: MBO/HBO
Doel: managers in de betonmortelindustrie handvatten bieden om taken op het gebied van leidinggeven, verkoop, advies geven, uitvoering van marktonderzoek en plannen van dagelijkse uitvoering, systematisch en klantgericht uit te voeren. De opleiding bestaat uit een commercieel-economisch deel en een bouwtechnisch deel.
Duur: in totaal ca. 300 lesuren (exclusief zelfstudie) verdeeld over verschillende modulen.
Transportleider
Instroomniveau: minimaal MBOniveau
Structuur van de opleiding
De opleiding transportleider is opgebouwd uit vier modulen waarvan deelname aan de laatste facultatief is. Het betreft de volgende modulen:
– Communicatieve vaardigheden (12 blokken van 3 uur)
– Organiseren en leidinggeven (10 blokken van 3 uur)
– De transportleider, spil van het logistieke proces (12 blokken van 3 uur)
– Arbo- en kwaliteitszorg (3 blokken van 3 uur)
De laatste module is facultatief omdat deelnemers uit sommige bedrijven een intern opleidingstraject volgen waarin de stof van deze module al is verwerkt.
Doelgroep: De doelgroep bestaat zowel uit functionerende transportleiders (fulltime of in een combinatiefunctie) als uit personen die qua aanleg, interesse en motivatie geschikt zijn voor deze functie
Duur: De studielast van de gehele opleiding (inclusief de facultatieve module) bedraagt 111 uur. Doorlooptijd met een lesritme van één keer per twee weken: 40 weken.
Vakopleiding Transport & Logistiek:
Vakopleiding en basiscursus truckmixerchauffeur
De vakopleiding truckmixerchauffeur is een module binnen de Vakopleiding Chauffeur Beroepsgoederenvervoer. Een van de specialisaties waarvoor de leerlingen in het laatste halfjaar kunnen kiezen is bovengenoemde. De leerling verkrijgt dan een leerlingplaats bij een betonmortelbedrijf. Gedurende deze stage wordt een basiscursus gegeven van in totaal 5 werkdagen verspreid over 5 weken. De basiscursus is ook toegankelijk voor reeds werkende truckmixerchauffeurs.
CAO-partijen stellen jaarlijks gezamenlijk de opleidingsbehoefte en het daarvoor benodigde budget vast voor de Vakopleiding Truckmixerchauffeur.
III. Naast deze meer specifieke cursussen dienen ook nog cursussen op het gebied van veiligheid en gezondheid te worden aangeboden aan werknemers, via het scholingsplan van de onderneming. Ook aandacht dient te worden besteed aan werkoverleg. Deze cursussen kunnen worden gegeven door de Stichting Arbouw, de SVB of de SBW.
EHBO-cursus
Doel: CAO-personeel en leidinggevenden de beginselen van eerste hulp bij ongelukken bijbrengen.
Deels onder leiding van een arts en deels onder leiding van een kaderinstructeur leert de cursist verwondingen te beoordelen en de juiste maatregelen te nemen.
Duur: 4 dagen.
Basiscursus veilig en gezond werken
Doel: geven van informatie, praktische adviezen en bevorderen van zelfwerkzaamheid. Aan de hand van praktijkvoorbeelden leren de deelnemers de risico's van hun vak herkennen en bestrijden.
Duur: 1 dag.
Bedrijfshulpverlening
Doel: het leren van de beginselen van de EHBO en het bestrijden of beperken van brand(haarden). Herkennen van gevaarlijke situaties, gebruik maken van veiligheidsvoorzieningen, verstekken van informatie aan hulpdiensten.
Duur: 2 dagen.
Herhalingscursus Bedrijfshulpverlening
Doel: opfrissen van de kennis opgedaan bij de cursus Bedrijfshulpverlening.
Duur: 1 dag.
Basiscursus afvalstoffen, milieu en veiligheid
Doel: cursisten op een effectieve wijze informeren over de effecten die stoffen hebben op het milieu en de eigen veiligheid en over de rol van wet- en regelgeving. Bijbrengen van enkele basisbegrippen, implicaties van weten regelgeving.
Duur: 1 dag.
Communicatieve vaardigheden
Doel: deelnemer kennis bijbrengen op het gebied van communicatieve vaardigheden en toepassing daarvan in verschillende situaties.
Duur: 2 dagen.
Werknemers en werkoverleg
Doel: inzicht bieden in achtergronden en bedoelingen van werkoverleg in relatie tot kwaliteitszorg. Aspecten van de werksituatie overbrengen in overlegsituaties.
Duur: 2 dagen (aaneengesloten).
Taakmanagement
Doel: deelnemer door middel van training voorbereiden en/of ondersteunen in de functie van leidinggevende.
Duur: 2 dagen.
3. Cursussen op verzoek van de werkgever
Cursussen op verzoek van de werkgever dienen in principe onder werktijd plaats te vinden. Voor zover een cursus in de avonduren plaatsvindt, worden deze uren vergoed. De cursuskosten zijn volledig voor rekening van de werkgever, maar kunnen voor maximaal 50% op de werknemer worden verhaald indien deze zich niet voldoende inzet. De reiskosten worden vergoed op basis van openbaar vervoer. Indien werkgever en werknemer gezamenlijk van mening zijn dat openbaar vervoer geen redelijke optie is, zullen zij in overleg de vergoeding van reiskosten overeenkomen. Reistijd wordt niet vergoed.
4. Cursussen op verzoek van de werknemer
Indien de werknemer op eigen verzoek en na toestemming van de werkgever een cursus volgt die verband houdt met de sector, kan deze cursus onder werktijd worden gevolgd en komen de kosten daarvan voor de helft voor rekening van de werkgever. Voor zover de cursus buiten werktijd wordt gevolgd, worden de desbetreffende uren niet vergoed.
De werkgever kan maximaal 50% van zijn bijdrage op de werknemer verhalen indien deze zich niet voldoende inzet.
De werkgeversbijdrage aan de cursuskosten, zoals bedoeld in dit lid, kan door de werkgever op de werknemer worden verhaald indien laatstgenoemde het dienstverband verbreekt:
– voor 100% binnen 1 jaar na aanvang van de cursus
– voor 2/3 binnen 2 jaar na aanvang van de cursus
– voor 1/3 binnen 3 jaar na aanvang van de cursus.
5. Scholing, voorlichting en instructie in het kader van certificering
Alle desbetreffende activiteiten die verband houden met certificering dienen in principe onder werktijd plaats te vinden.
Indien bedoelde activiteiten toch in de avonduren plaatsvinden, worden de uren vergoed.
Reiskosten zijn voor rekening van de werkgever op basis van openbaar vervoer.
Indien openbaar vervoer niet mogelijk is, wordt de vergoeding bepaald in overleg tussen werkgever en werknemer.
6. Applicatiecursussen
De werkgever is verplicht de werknemer in de gelegenheid te stellen tot het volgen van applicatiecursussen, georganiseerd door de Stichting Vakopleiding Bouwbedrijf danwel een daarmee door of namens partijen gelijk te stellen instelling.
Indien de betreffende cursussen worden gegeven binnen de normale werktijd zal het gederfde loon worden doorbetaald, mits vooraf overleg tussen de werkgever en de werknemer heeft plaatsgevonden. Voorwaarde tot deelname aan een dergelijke cursus is dat deze betrekking heeft op werkzaamheden vallende binnen de werkingssfeer van deze CAO.
7. Basiscursus truckmixerchauffeur
Reeds werkzame chauffeurs worden in de gelegenheid gesteld het theoretische deel van deze opleiding (de zogenaamde basiscursus) te volgen.
8. Vrijstelling praktijkopleiders
Praktijkopleiders dienen vrijgesteld te worden van reguliere arbeid gedurende de tijd dat zij nieuwkomers begeleiden en opleiden.
1. De werkgever is bevoegd een bedrijfsreglement, inhoudende nadere voorschriften ten aanzien van de arbeid in het bedrijf, in te voeren.
2. Het bedrijfsreglement mag geen bepalingen bevatten, welke in strijd zijn met het in deze CAO bepaalde.
3. De vaststelling van het reglement geschiedt door de werkgever met instemming van de ondernemingsraad, of bij afwezigheid hiervan na redelijk overleg met een representatieve vertegenwoordiging van de werknemers.
1. De statuten en reglementen van de Stichting Vrijwillig Vervroegd Uittreden voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen, hierna ook te noemen SVM, alsmede eventuele binnen het kader van bedoelde statuten en reglementen nader door het bestuur van SVM vastgestelde, schriftelijk vastgelegde, uitvoeringsvoorschriften van organisatorische aard maken integraal onderdeel uit van deze CAO.
2. Per 1 januari 2001 is de VUT-regeling vervangen door een Vroegpensioenregeling voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen. Tot 1 januari 2001 was de VUT-regeling van kracht, zoals die luidde op 31 december 2000.
3. Vanaf 1 januari 2001 zijn er drie mogelijkheden.
a. Voor degene die op 1 januari 2001 57 jaar en ouder is en tevens valt en blijft vallen onder de werkingssfeer van deze CAO, blijft de VUT-regeling voor de Mortel- en Morteltransport-ondernemingen gelden, zoals die van kracht was op 31 december 2000.
b. Voor degene die op 31 december 2000 niet viel onder de werkingssfeer van deze CAO en daarna (weer) wel, geldt uitsluitend de vroegpensioenregeling en niet de aanvullingsregeling, zoals opgenomen in bijlage IIA van deze CAO.
c. Voor degene die op 1 januari 2001 jonger was dan 57 jaar en ten minste vanaf 31 december 2000 tot de vroegpensioendatum viel en nog steeds valt onder de werkingssfeer van deze CAO, geldt de aanvullingsregeling zoals die is opgenomen in bijlage IIA van deze CAO.
4. De vroegpensioendatum is de eerste dag van de maand waarin de deelnemer respectievelijk gewezen deelnemer 62 jaar wordt of zoveel eerder of later. De aanvullingsregeling geeft op 62-jarige leeftijd recht op een aanvulling tot 70% mits is voldaan aan de voorwaarden, zoals die zijn opgenomen in bijlage IIA van deze CAO.
5.
a. Werknemers die volgens lid 3 onder a recht hebben op vut, zijn tevens gerechtigd dit in deeltijd te doen, onder de nader genoemde voorwaarden in bijlage II (voorwaarden vervroegde uittreding) mits dit met toestemming van de werkgever geschiedt.
b. Werknemers die gebruik maken van de mogelijkheid van deeltijd-uittreden krijgen de garantie dat zij ook gebruik van de voltijdregeling kunnen maken.
6. Partijen bij de CAO bepalen jaarlijks de hoogte van de premie, alsmede de verdeling hiervan tussen werkgevers en werknemers, die door betrokken werkgevers dient te worden afgedragen. De premie is op1 januari 2004 vastgesteld en bedraagt gedurende de looptijd van deze CAO 10,5% van de pensioengrondslag, waarvan 8,82% ten laste van de werkgever en 1,68% ten laste van de werknemer komt.
In afwijking hiervan bedraagt voor leidinggevend, toezichthoudend, hoger technisch en administra-tief personeel de werkgeversbijdrage in de premie 5,51%. De werkgever is gerechtigd het meerdere in te houden op het loon van voornoemd personeel. De pensioengrondslag wordt jaarlijks bekendgemaakt.
Door partijen bij deze CAO kan worden besloten de premie gedurende de looptijd van dit contract aan te passen.
7. De werkgever is verplicht alle benodigde gegevens van het in de onderneming werkzame personeel, vallende onder deze CAO, te verstrekken aan het administratiekantoor van de vroegpensioenregeling voor zover dit door deze noodzakelijk wordt geacht voor de jaarlijkse inning van de bijdragen.
1. De werkgever die overweegt een fusie aan te gaan, of een bedrijf dan wel een bedrijfsonderdeel te sluiten, zal bij het nemen van zijn beslissing de sociale consequenties daarin betrekken en de SER-fusie-gedragsregels 2000 in acht nemen.
Indien door werknemers wordt gekozen voor verzekering van het ANW-hiaat, zal de werkgever zijn medewerking verlenen aan de inning en afdracht van de premie. De premie van de betreffende verzekering komt voor rekening van de werknemer.
1. Bij een werknemer kunnen ernstige gewetensbezwaren bestaan ten aanzien van zijn werk of een onderdeel daarvan, waardoor de vervulling van de overeengekomen arbeid op onoverkomelijke bezwaren stuit.
2. De werknemer die ernstige gewetensbezwaren heeft als genoemd in lid 1, is gehouden de werkgever van deze bezwaren schriftelijk en gemotiveerd in kennis te stellen.
3. De werkgever is verplicht het ernstige gewetensbezwaar dat de werknemer ten aanzien van zijn werk of een onderdeel daarvan heeft, te eerbiedigen door de betrokken werknemer, zover dit in redelijkheid mogelijk is, vervangende gelijkwaardige arbeid aan te bieden. De werknemer is gehouden deze aangeboden vervangende gelijkwaardige arbeid te aanvaarden.
4. Indien door de werkgever aan de werknemer, die zich op ernstige gewetensbezwaren ten aanzien van zijn werk of een onderdeel daarvan beroept, geen vervangende gelijkwaardige arbeid kan worden aangeboden, is de werkgever gerechtigd het dienstverband met de werknemer te verbreken. Alvorens tot verbreking van het dienstverband wordt overgegaan, zullen werkgever en werknemer de zaak schriftelijk en gemotiveerd voorleggen aan de Kleine Commissie als genoemd in artikel 36 van de CAO. Door de Kleine Commissie zal op verzoek van beide partijen een bindende uitspraak worden gedaan ten aanzien van het al of niet aanwezig zijn van een erkend ernstig gewetensbezwaar, onverminderd de toetsingsbevoegdheid van rechter c.q. uitvoeringsinstelling.
1. In het kader van een adequaat ziekteverzuimbeleid is de werkgever verplicht om zich ten behoeve van de werknemers aan te sluiten bij een gecertificeerde arbodienst. Deze aansluiting houdt ten minste het volgende in:
a. De werkgever is verantwoordelijk voor het opstellen van een risico-inventarisatie en -evaluatie. De werkgever kan zich daarbij laten adviseren en ondersteunen door de arbodienst. De risico-inventarisatie en -evaluatie dient te zijn getoetst door de arbodienst.
b. De werkgever is verplicht de werknemers in de gelegenheid te stellen tot periodiek arbeidsgezondheidkundig onderzoek, gericht op het voorkomen van gezondheidsschade ten gevolge van de risico's als bedoeld onder a.
Het periodiek arbeidsgezondheidkundig onderzoek vangt aan op de leeftijd van 30 jaar en vervolgens op de leeftijden van 35, 40, 45, 50, 53, 56, 58 en 60 jaar, daarna individueel op indicatie.
Het periodiek arbeidsgezondheidkundig onderzoek houdt ten minste in:
– arbeidsanamnese en gezondheidsanamnese
– onderzoek algemene gezondheid
– zintuigenonderzoek, waaronder audiogram
– longfunctieonderzoek
– elektrocardiogram
Een aanstellingskeuring bij indiensttreding van een werknemer zal worden beschouwd als een eerste periodiek arbeidsgezondheidkundig onderzoek en bestaat uit dezelfde elementen.
c. De werkgever is verplicht de werknemers in de gelegenheid te stellen tot het bezoeken van een arbeidsgezondheidkundig spreekuur.
d. Indien het contact tussen werknemer en arbodienst daartoe aanleiding geeft, kan de arbodienst zonodig een procedure adviseren om tot verbetering van arbeidsomstandigheden te komen.
Naast voornoemde preventieve maatregelen dient de werkgever te voorzien in de sociaal-medische begeleiding van zieke of arbeidsongeschikte werknemers door de arbodienst. Deze begeleiding kan onder meer bestaan uit individuele begeleiding via spreekuren, advies aan werkgever, werknemer, huisarts of specialist in geval van revalidatie, aanpassing van de functie, wijziging van de werkomstandigheden en het geven van voorlichting. Werkgever en werknemer zijn gehouden tot medewerking aan een reïntegratieplan. Het initiatief hiertoe dient binnen 13 weken na aanvang van de arbeidsongeschiktheid genomen te worden.
2. De werkgever is verplicht het ziekteverzuim in zijn onderneming te registreren aan de hand van een ziekteverzuimregistratiesysteem. De ondernemingsraad dan wel een vertegenwoordiging van de werknemers heeft inzage in dit systeem en door de werkgever wordt periodiek gerapporteerd over het ziekteverzuim in de onderneming.
Met het oog op beleidsbeïnvloeding zal de werkgever ten minste eenmaal per jaar relevante gegevens beschikbaar stellen aan sociale partners. Relevante gegevens zijn: verzuimmeldingsfrequentie en verzuimduur naar locatie en/of productie-eenheid en CAO-functiegroep en het gevoerde beleid om tot werkhervatting te komen.
3. De werkgever is verplicht om beroepsgebonden aandoeningen te registreren in overleg met de arbodienst, onverlet latend de wettelijke verplichting van melding van beroepsziekten bij de Arbeidsinspectie. De werkgever is verplicht deze geregistreerde gegevens jaarlijks te overleggen aan sociale partners.
1. De radiografische besturing van betonpompen dient voorzien te zijn van een speciaal daarvoor bestemd, vernieuwd en verbeterd draagsysteem.
2. Met ingang van 1 januari 1994 dienen alle betonpompen van radiografische besturing te zijn voorzien.
1. De werkgever is verplicht om in overleg met de betrokken werknemers, of indien aanwezig de ondernemingsraad, een plan op schrift te stellen ter voorkoming van gezondheids- en veiligheidsrisico's. Aanbevolen wordt om de regionale bedrijfsgezondheidsdienst of de Stichting Arbouw in te schakelen bij het opstellen van het plan.
2. In het plan dienen minimaal de volgende zaken geregeld te worden:
a. maatregelen ter voorkoming van de blootstelling van de werknemers aan stoffen die irriterend of schadelijk kunnen zijn bij huidcontact of inademing;
b. maatregelen ter voorkoming van de blootstelling van de werknemers aan een lawaainiveau hoger dan 85 Db A;
c. een regeling betreffende de voorlichting van de werknemers over veiligheid en gezondheid;
d. iedere werknemer ontvangt beschermingsmiddelen afgestemd op de risico's die hij in zijn werk lopen kan.
3. Het plan wordt jaarlijks door middel van het hierboven genoemde overleg bezien op de voortgang en de noodzaak van aanpassing.
4. De werkgever dient de werknemer op verzoek een exemplaar te verstrekken.
5. De werknemer is verplicht zich te houden aan de afspraken die voortvloeien uit het Arbo-beleidsplan.
Om de arbeidsomstandigheden per onderneming verder te verbeteren wordt de werkgever aanbevolen in zijn onderneming een arbo-contactpersoon aan te wijzen. De taken van de arbo-contactpersoon kunnen zijn:
– het inventariseren van arbo-risico's in het bedrijf;
– het bespreken van arbo-risico's met de bedrijfsleiding;
– het voorstellen van maatregelen om arbo-risico's te beperken of op te heffen en ten behoeve daarvan;
– het geven van voorlichting;
– het voeren van overleg en het maken van afspraken met werknemers, (bedrijfs-)leiding en de daartoe bevoegde externe instanties.
– Een werknemer die tijdens de tweede 52 weken arbeidsongeschiktheid volledig en duurzaam (minimaal 3 maanden) is gereïntegreerd, ontvangt een reïntegratiebonus van € 150,– bruto.
1. Het inhuren van uitzendkrachten dient zo veel mogelijk te worden vermeden. Indien een bedrijf in verband met tijdelijke drukke werkzaamheden gebruik moet maken van uitzendkrachten, dienen uitsluitend bonafide uitzendbureaus te worden ingeschakeld. De inlenende werkgever dient zich ervan te verzekeren dat het betreffende uitzendbureau de bepalingen volgens artikel 21 lid 1 en 3 en artikel 22, alsmede volgens Bijlage 1 artikel 4 dan wel Bijlage IV artikel 2 lid 3 van deze CAO toepast.
2. Aan voltijd uitzendkrachten die langer dan 6 maanden door een werkgever zijn ingeleend, wordt door de betreffende werkgever een voltijd dienstverband voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd aangeboden.
3. Indien per maand structureel meer dan 10% van het werknemersbestand uit uitzendkrachten bestaat om andere redenen dan door ziekte of verlof, wordt hetgeen boven deze 10% uitgaat, omgezet in vaste dienstverbanden bij de werkgever.
4. Zij die elders reeds een volledige dienstbetrekking hebben, mogen niet als uitzendkrachten worden ingehuurd.
1. Door partijen is ingesteld de Kleine Commissie voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen, welke tot taak heeft:
b. Het op vrijwillige basis verstrekken van adviezen inzake belangrijke onderwerpen met betrekking tot deze CAO op verzoek van werkgevers en werknemers.
c. Het verlenen van goedkeuring inzake afwijkingen van deze CAO conform het gestelde in artikel 3 lid 4, artikel 9 lid 1, artikel 13 lid 6c, artikel 15B lid 6, alsmede artikel 37.
d. Het doen van een bindende uitspraak op grond van artikel 32 lid 4.
e. Het op verzoek van werkgevers en/of werknemers indelen in loongroepen van de categorie overige werknemers, zoals genoemd in bijlage I artikel 2 en 3.
f. Het aansturen van voor de uitvoering van CAO-protocollen benoemde subcommissies, het tussentijds bijsturen van de voortgang en rapportage hierover aan CAO-partijen.
2. Voor wat betreft de samenstelling zal een gelijk aantal leden door partij ter ene zijde en door partijen ter andere zijde worden aangewezen. Het totaal aantal commissieleden zal niet meer bedragen dan acht.
3. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter en een secretaris. Indien de voorzitter uit de werkgeversorganisatie gekozen wordt, zal de secretaris één der werknemersvertegenwoordigers zijn en omgekeerd.
4. De commissie vergadert tenminste vier maal per jaar en voorts zo vaak als nodig is voor de uituitoefening van de haar toegewezen taken.
5. Ieder lid van de commissie heeft één stem. De besluiten van de commissie worden genomen met gewone meerderheid van stemmen.
6. De algemene kosten aan de werkzaamheden van de commissie verbonden, worden door elk der partijen voor de helft gedragen.
7. Het secretariaat van de Kleine Commissie is gevestigd: Postbus 383, 3900 AJ Veenendaal
Afwijkingen van het gestelde in deze collectieve arbeidsovereenkomst, waaromtrent tussen werkgever en de betrokken werknemersorganisaties overeenstemming bestaat, behoeven de goedkeuring van de Kleine Commissie voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen.
Functieclassificatie- en beloningssysteem voor het personeel, werkzaam in de mortel- en morteltransportondernemingen, voor zover niet vallend onder Bijlage IV van deze CAO
De bepalingen van deze bijlage zijn van toepassing op werknemers, genoemd in artikel 2 en 3 van deze bijlage.
De werknemers in de mortelondernemingen worden met betrekking tot hun werkzaamheden ingedeeld in 5 groepen.
Groep I assistent-laborant, chauffeur, hulpmonteur, hulpbankwerker, magazijnbediende, schepen-losser, machineman, terreinwerker.
Groep II allround chauffeur, assistent-kraanmachinist, assistent-mengmeester, cementpompmachi-nist, laadschopmachinist.
Groep III allround chauffeur met ervaring, allround laadschopmachinist, bankwerker, kraanmachinist, laborant, mengmeester, monteur.
Groep IV allround bankwerker, allround kraanmachinist, allround laborant, allround mengmeester, allround monteur, draaier.
Groep V hoofdmonteur, chauffeur betonpompmixer.
Onder allround bankwerker wordt verstaan de werknemer, die in staat is alle opgedragen taken zelfstandig naar tekening of instructie te kunnen uitvoeren; die zeer goed kan tekening lezen, aftekenen, bewerken, monteren, reviseren en bedrijfsklaar maken van machines, installaties, aandrijfmechanismen enzovoorts; die storingen kan opsporen en verhelpen. Dient geen controle op het werk nodig te hebben en gedegen verstand te hebben van machinale verwerkingen, smeden, lassen, plaat- en pijpwerk. Dient eveneens op de hoogte te zijn van de in het bedrijf aanwezige installaties en machines.
Onder allround chauffeur wordt verstaan de werknemer, die in staat is alle mogelijke in de onderneming voorkomende types van truckmixers op bekwame wijze te besturen, zelfstandig grondstoffen met behulp van aangebrachte mixer tot mortels van diverse samenstellingen te mengen, alsmede het dagelijks onderhoud van de truckmixers te verrichten en mede de werknemer die tenminste een half jaar als chauffeur werkzaam is in de betonmortelindustrie.
3. Allround chauffeur met ervaring
Onder allround chauffeur met ervaring wordt verstaan de werknemer, die in staat is alle mogelijke in de onderneming voorkomende types van truckmixers op bekwame wijze te besturen, zelfstandig grondstoffen met behulp van aangebrachte mixer tot mortels van diverse samenstellingen te mengen, alsmede het dagelijks onderhoud van de truckmixers te verrichten en die bovenstaande werkzaamheden reeds 2 jaar in de betonmortelindustrie heeft uitgevoerd.
Onder allround kraanmachinist wordt verstaan de werknemer die uitsluitend belast is met de bediening van alle mogelijke voorkomende types kranen, waarbij tevens door hem het dagelijks onderhoud alsmede kleine reparaties worden verricht.
5. Allround laadschopmachinist
Onder allround laadschopmachinist wordt verstaan de werknemer, die belast is met het transporteren van grondstoffen met behulp van een of meer types laadschoppen, alsmede de zorg voor het normale onderhoud en het verrichten van kleine reparaties.
Onder allround laborant wordt verstaan de werknemer, die in staat is grondstoffen en producten zelfstandig te controleren en te keuren; die alle voorkomende betonsamenstellingen kan berekenen, die onder toezicht en leiding adviezen inzake toe te passen betonsoorten kan verstrekken en tot vervulling van die functie een theoretische opleiding heeft genoten.
Onder allround mengmeester wordt verstaan de werknemer, die belast is met het doseren van grondstoffen en het mengen daarvan met behulp van een betonmolen of truckmixer tot mortels van diverse samenstellingen, alsmede belast is met administratieve werkzaamheden, en het normale onderhoud van een betonmolen kan verzorgen.
Onder allround monteur wordt verstaan de werknemer, die in staat is alle voorkomende reparaties en revisies en andere werkzaamheden aan de in het bedrijf voorkomende machinerieën en transportmiddelen te verrichten en eveneens de voorkomende storingen kan opheffen.
Onder assistent-kraanmachinist wordt verstaan de werknemer, die in hoofdzaak belast is met de bediening van een bepaald type kraan, alsmede de zorg voor het dagelijks onderhoud daarvan.
Onder assistent-laborant wordt verstaan de werknemer, die in staat is grondstoffen te keuren en het product op kwaliteit te controleren en te beoordelen.
Onder assistent-mengmeester wordt verstaan de werknemer, die belast kan worden met het doseren van grondstoffen en het mengen daarvan met behulp van een betonmolen of truckmixer tot mortels van diverse samenstellingen, alsmede het normale onderhoud van een betonmolen.
Onder bankwerker wordt verstaan de werknemer, die alle werkzaamheden zelfstandig dient te kunnen uitvoeren naar tekening, eigen opmeting of instructie; die goed kan tekening lezen, aftekenen, bewerken en pasklaar maken, die geen regelmatige controle op het werk nodig heeft en die in staat is te smeden, plaatwerk te verrichten en te lassen.
Onder cementpompmachinist wordt verstaan de werknemer, die belast is met het zelfstandig bedienen van een cementpomp, alsmede het dagelijks onderhoud van een cementpomp.
Onder chauffeur wordt verstaan de werknemer, die belast is met het besturen van één of meer types truckmixers, alsmede het dagelijks onderhoud van de truckmixer en die bovenstaande werkzaamheden nog geen half jaar in de betonmortelindustrie heeft uitgevoerd.
15. Chauffeur van een betonpompmixer
Onder chauffeur van een betonpompmixer wordt verstaan de werknemer, op wie de functie allround chauffeur en de functie betonpompmachinist, zoals genoemd in artikel 3, beide van toepassing is.
Onder draaier wordt verstaan de werknemer, die op grond van verworven kennis en ervaring alle voorkomende draaiwerk nauwkeurig (tot 1/100 mm) en goed moet kunnen uitvoeren. Alle materialen kunnen bewerken. Beitels kunnen slijpen en snijsnelheden kunnen bepalen. Dient goed tekening te kunnen lezen; modellen opmeten en aan de hand daarvan kunnen werken. Moet goed begrip hebben voor passingen. Dient de opgedragen taak zelfstandig uit te voeren en de draaibank te onderhouden.
Onder hoofdmonteur wordt verstaan de werknemer, die alle voorkomende reparaties, revisies en andere werkzaamheden aan in het bedrijf voorkomende machinerieën en transportmiddelen zelfstandig kan verrichten en eventuele storingen kan opsporen; die voorts gereedschapswerktuigen als draaibank, freesbank, kleppenslijpmachines en dergelijke kan hanteren; die de administratieve werkzaamheden verbonden aan de werkplaatswerkzaamheden kan uitvoeren en die alle voorkomende werktekeningen kan lezen en zonodig werktekeningen kan maken.
Onder hulpbankwerker wordt verstaan de werknemer, die onder toezicht en leiding werkzaamheden naar tekening en opmeting kan uitvoeren. Moet over kennis van smeden, lassen, plaat- en pijpwerk beschikken.
Onder hulpmonteur wordt verstaan de werknemer, die belast is met het demonteren, reinigen, repareren en monteren van eenvoudige onderdelen van motor, onderstel, betonmolens en agitators.
Onder kraanmachinist wordt verstaan de werknemer, die belast is met de bediening van één of meer types kranen, waarbij tevens door hem het dagelijks onderhoud alsmede kleine reparaties worden verricht.
Onder laadschopmachinist wordt verstaan de werknemer, die belast is met het transporteren van grondstoffen met behulp van een laadschop, alsmede de zorg voor het normale onderhoud.
Onder laborant wordt verstaan de werknemer, die in staat is grondstoffen en producten onder toezicht en leiding te controleren en te keuren, die alle voorkomende betonsamenstellingen kan berekenen en die behulpzaam is bij de verstrekking van adviezen inzake toe te passen betonsoorten.
Onder machineman (onderhoud) wordt verstaan de werknemer, die belast is met het assisteren bij de werkzaamheden van de hulpmonteur.
Onder magazijnbediende wordt verstaan de werknemer, die belast is met het in de werkplaats verstrekken van gereedschappen en onderdelen, uitgeven van brandstoffen en smeermiddelen en tevens belast is met eenvoudig onderhoud van handgereedschappen zoals slijpen van beitels, boren en dergelijke.
Onder mengmeester wordt verstaan de werknemer, die belast is met het doseren van grondstoffen en het mengen daarvan met behulp van een speciemolen of truckmixer tot mortels van diverse samenstellingen, alsmede het normale onderhoud van een betonmolen.
Onder monteur wordt verstaan de werknemer, die in staat is alle in het bedrijf voorkomende benzine- en dieselmotoren te demonteren en herstellen; die normaal voorkomende storingen aan de in het bedrijf voorkomende transportmiddelen kan opsporen en verhelpen; die zelfstandig kleppen kan stellen, ontstekingsmechanismen reviseren, alle reparaties aan remsystemen kan uitvoeren en voorts eenvoudig laswerk zowel autogeen als elektrisch kan verrichten.
Onder schepenlosser wordt verstaan de werknemer, die belast is met de werkzaamheden verbonden aan een goede en verantwoorde gang van zaken bij het lossen van grondstoffen, welke als regel in bulk per schip worden aangevoerd, alsmede werkzaamheden op het fabrieksterrein verricht.
Onder terreinwerker wordt verstaan de werknemer, die behulpzaam is bij het lossen van grondstoffen, welke worden aangevoerd, alsmede werkzaamheden op het fabrieksterrein verricht.
Onder overige werknemers worden verstaan werknemers, die niet genoemd zijn in de bovenstaande categorieën, maar wel in dienst zijn van een betonmortelbedrijf met uitzondering van leidinggevend, toezichthoudend, hoger technisch en administratief personeel.
Op verzoek van de desbetreffende werknemer en/of werkgever zal de Kleine Commissie bepalen in welke categorie de desbetreffende werknemer wordt ingedeeld.
De werknemers in de morteltransportondernemingen worden met betrekking tot hun werkzaamheden ingedeeld in 5 groepen.
Groep I chauffeur, leidinglegger
Groep II allround chauffeur
Groep III allround chauffeur met ervaring, betonpompmachinist, monteur
Groep IV allround betonpompmachinist, allround monteur
Groep V hoofdbetonpompmachinist, hoofdmonteur
1. Allround betonpompmachinist
Onder allround betonpompmachinist wordt verstaan een werknemer, die belast is met het bedienen van alle voorkomende types betonpompen, waaronder de betonpompen met giek en die voorts medeverantwoordelijk is voor de goede gang van zaken voor wat betreft het pompen van mortels. Hij dient tevens te zorgen voor het dagelijks normale onderhoud en het verrichten van kleine reparaties aan de betonpompen.
Tevens is hij behulpzaam bij het gelijkmatig verdelen van de betonspecie in de bekisting.
Onder allround chauffeur wordt verstaan de werknemer, die belast is met het besturen van alle mogelijke voorkomende types van mobiele pompen en die tevens in staat moet zijn het dagelijks onderhoud van en de controle op deze voertuigen te verrichten, alsmede de werknemer, die tenminste een half jaar als chauffeur werkzaam is in de betonmortelindustrie.
3. Allround chauffeur met ervaring
Onder allround chauffeur met ervaring wordt verstaan de werknemer, die belast is met het besturen van alle mogelijke voorkomende types van mobiele pompen en moet tevens in staat zijn het dagelijks onderhoud van en de controle op deze voertuigen te verrichten en bovenstaande werkzaamheden reeds 2 jaar in de betonmortelindustrie hebben uitgevoerd.
Onder allround monteur wordt verstaan een werknemer, die belast is met het opsporen van storingen aan en het zelfstandig repareren van vrachtauto's, betonpompen en dergelijke. Helpt zo nodig de hoofdmonteur.
Onder betonpompmachinist wordt verstaan de werknemer, die belast is met de bediening van betonpompen. Tevens moet hij alle voorkomende werkzaamheden, zoals het laden en lossen, het leggen en verleggen van de transportleidingen, alsmede het schoonmaken hiervan, verrichten. Tevens is hij behulpzaam bij het gelijkmatig verdelen van de betonspecie in de bekisting.
Onder chauffeur wordt verstaan de werknemer, die belast is met het besturen van vrachtauto's met aanhangwagen. Hij moet in staat zijn met dergelijke combinaties op bouwterreinen over rijplaten te rijden. Hij heeft bovenstaande werkzaamheden nog geen half jaar in de betonmortelindustrie uitgevoerd.
Onder hoofdbetonpompmachinist wordt verstaan een vakbekwame werknemer, die speciaal belast is met grotere en bijzondere objecten. Hij is belast met de leiding en draagt alle verantwoordelijkheid voor het juist opstellen van de betonpompen, respectievelijk het afvoeren van het materieel.
Onder hoofdmonteur wordt verstaan een werknemer, die belast is met het zelfstandig demonteren, monteren van betonpompen en het uitvoeren van alle voorkomende reparaties en revisiewerkzaamheden aan betonpompen en onderdelen daarvan.
Onder leidinglegger wordt verstaan een werknemer, die belast is met het leggen, opbreken, reinigen en onderhouden van leidingen en verder met alle voorkomende werkzaamheden volgens aanwijzingen.
Onder monteur wordt verstaan een werknemer, die belast is met het onder toezicht monteren en demonteren van onderdelen van betonpompen en het samenbouwen van deze onderdelen tot grotere eenheden en het verrichten van periodiek onderhoud.
Onder overige werknemers worden verstaan werknemers, die niet genoemd zijn in de bovenstaande categorieën, maar wel in dienst zijn van een morteltransportonderneming met uitzondering van leidinggevend, toezichthoudend, hoger technisch en administratief personeel.
Op verzoek van de desbetreffende werknemer en/of werkgever zal de Kleine Commissie bepalen in welke categorie de desbetreffende werknemer wordt ingedeeld.
1. Garantieloon
b. De garantie week- en uurlonen voor volwassen en valide werknemers (vanaf 20-jarige leeftijd) bedragen:
met ingang van de eerste volle loonweek waarin 1 maart 2004 valt:
| Groepen | Garantie-uurloon | Garantieweekloon | Garantiemaandloon |
|---|---|---|---|
| I | € 12,02 | € 432,72 | € 1.875,12 |
| II | 12,25 | 441,00 | 1.911,00 |
| III | 12,49 | 449,64 | 1.948,44 |
| IV | 12,97 | 466,92 | 2.023,32 |
| V | 13,41 | 482,76 | 2.091,96 |
c. Een werknemer, die werkzaamheden vervult, die behoren tot twee of meerdere functies, zoals genoemd in de artikelen 2 en 3 van deze bijlage, zal voor het geval deze functies in verschillende groepen zijn opgenomen recht hebben op een bruto individueel overeengekomen loon exclusief eventuele voorlieden- of meesterknechttoeslag dat minimaal even hoog is als het garantieloon, dat behoort tot de functie, die de werknemer mede vervult, welke recht geeft op het hoogste garantieloon.
Het recht op voornoemde beloning geldt voor de gehele arbeidsduur waarin de werknemer bij de werkgever werkzaam is en gaat in met ingang van de eerste volle loonweek waarin bovenstaande situatie zich voor het eerst voordoet.
d. De garantielonen voor jeugdige werknemers bedragen:
1. Voor niet in opleiding zijnde jeugdigen (met 5-daagse werkweek) dat wil zeggen jeugdige werknemers met wie geen leerovereenkomst in het kader van de Wet Educatie Beroeps-onderwijs is aangegaan:
Groep I
De staffel is geënt op groep I volwassen en valide werknemers vanaf 20-jarige leeftijd:
met ingang van de eerste volle loonweek waarin 1 maart 2004 valt:
| Leeftijd | Leeftijdstaffel | Garantie-uurloon | Garantieweekloon | Garantiemaandloon |
|---|---|---|---|---|
| 16 jaar | 60 % | € 7,21 | € 259,56 | € 1.124,76 |
| 17 jaar | 70 % | 8,41 | 302,76 | 1.311,96 |
| 18 jaar | 80 % | 9,62 | 346,32 | 1.500,72 |
| 19 jaar | 90 % | 10,82 | 389,52 | 1.687,92 |
2. Voor in opleiding zijnde jeugdigen (met 5-daagse werkweek) waaronder worden verstaan jeugdige werknemers met wie een leerovereenkomst in het kader van de Wet Educatie Beroepsonderwijs is aangegaan:
Groep II
De staffel is geënt op groep II volwassen en valide werknemers vanaf 20-jarige leeftijd.
Met ingang van de eerste volle werkweek waarin 1 maart 2004 valt:
| Leeftijd | Leeftijdstaffel | Garantie-uurloon | Garantieweekloon | Garantiemaandloon |
|---|---|---|---|---|
| 16 jaar | 60 % | € 7,35 | € 264,60 | € 1.146,60 |
| 17 jaar | 70 % | 8,58 | 308,88 | 1.338,48 |
| 18 jaar | 80 % | 9,80 | 352,80 | 1.528,80 |
| 19 jaar | 90 % | 11,03 | 397,08 | 1.720,68 |
3. Aan jeugdige werknemers die blijkens het bezit van vakdiploma's of getuigschriften een primaire opleiding met goed gevolg hebben voltooid of in het bezit zijn van een daarmee gelijk te stellen diploma of getuigschrift, moet het loon worden betaald voor jeugdigen die één jaar ouder zijn dan de betrokken werknemers.
4. Aan jeugdige werknemers die blijkens het bezit van vakdiploma's of getuigschriften een voortgezette opleiding met goed gevolg hebben voltooid of in het bezit zijn van een daarmee gelijk te stellen diploma of getuigschrift, moet het loon worden betaald voor jeugdigen die twee jaar ouder zijn dan de betrokken werknemers.
5. Jeugdige werknemers, die een vakopleiding in het kader van de Wet Educatie Beroepsonderwijs volgen hebben recht op betaald verlof voor het volgen van de vakopleiding.
e.
1. In afwijking van het in lid a. gestelde betaalt de werkgever een werknemer, die nog nooit eerder in de bedrijfstak heeft gewerkt en voorafgaand langdurig werkloos was, maximaal voor de periode van één jaar een salaris volgens de inloopschaal. Daarnaast zal aan de werknemer bij aanvang van dit dienstverband een vakopleiding aangeboden worden. Na één jaar geldt bij gebleken geschiktheid, de salarisschaal die behoort bij de betreffende functie.
Onder een langdurig werkloze wordt verstaan iemand die, direct voorafgaande aan de indiensttreding, langer dan 1 jaar werkloos is geweest.
2. De salarissen behorend bij de inloopschaal worden als volgt berekend:
Gedurende de eerste 26 weken van het dienstverband geldt een schaalloon van het Wettelijk Minimum Loon (WML) vermeerderd met 25% van het verschil tussen het WML en het loon volgens Groep I. Gedurende de tweede 26 weken van het dienstverband bedraagt dit verhogingspercentage 50%.
Inloopschaal vastgesteld op 1 maart 2004
| Leeftijd | 22 jaar | ||
|---|---|---|---|
| uurloon | weekloon | maandloon | |
| eerste 26 wk | € 8,17 | € 294,12 | € 1.274,52 |
| tweede 26 wk | 9,46 | 340,56 | 1.475,76 |
| Leeftijd | 23 jaar en ouder | ||
| uurloon | weekloon | maandloon | |
| eerste 26 wk | € 9,09 | € 327,24 | € 1.418,04 |
| tweede 26 wk | 10,07 | 362,52 | 1.570,92 |
VOORWAARDEN VERVROEGDE UITTREDING MORTEL- EN MORTELTRANSPORTONDERNEMINGEN
Voor de toepassing van deze voorwaarden wordt verstaan onder:
a. belanghebbende: de belanghebbende bedoeld in artikel 2 c.q. 2a, niet in het genot zijnde van een uitkering krachtens de AAW, de WAO of de Waz of een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 of meer;
b. uitkeringsbasis: de in artikel 5 bedoelde basis voor de berekening van de uitkering;
c. het SFB: SFB Pensioenen BV, gevestigd in Amsterdam;
d. de stichting: de Stichting Vrijwillig Vervroegde Uittreding voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen;
e. uittredingsdatum: de eerste dag van enige maand na het bereiken van de 60-jarige resp. 57-jarige leeftijd en nadat is voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 2 resp. 2A van deze bijlage.
f. periode van werkloosheid: bij de bepaling of men voldoet aan de uittredingsvoorwaarden als bedoeld in artikel 2 en 2a, tellen de perioden van werkloosheid beperkt mee, namelijk voor maximaal gemiddeld 4 maanden per kalenderjaar met een maximum van 6 maanden per afzonderlijk kalenderjaar. Indien eenmalig een periode van maximaal 1 jaar werkloosheid voorkomt, telt deze periode ook mee, doch dan kan de belanghebbende pas 1 jaar na de voor hem vroegst mogelijke uittredingsdatum uittreden, mits hij minimaal 6 maanden van het laatste jaar vóór de uittredingsdatum werknemer is geweest in de zin van deze CAO.
Belanghebbende in de zin van deze voorwaarden is degene:
a. die op 1 januari 2001 57 jaar of ouder is; en
b. die op de laatste dag van de maand, liggende vier maanden voor de uittredingsdatum werknemer was in de zin van artikel 1 lid e van deze CAO; en
1. die direct voorafgaande aan de uittredingsdatum, gedurende een periode van minimaal 10 jaar zonder onderbreking anders dan door arbeidsongeschiktheid of werkloosheid als werknemer in de zin van artikel 1 lid e van deze CAO werkzaam is geweest indien belanghebbende geboren is vóór 1940, of
2. die direct voorafgaande aan de uittredingsdatum, gedurende een periode van minimaal 15 jaar zonder onderbreking anders dan door arbeidsongeschiktheid of werkloosheid als werknemer in de zin van artikel 1 lid e van deze CAO werkzaam is geweest indien belanghebbende geboren is in of na 1940.
Voor de berekening van deze periode van 10 jaar, respectievelijk 15 jaar wordt tevens in aanmerking genomen:
a. de periode dat de belanghebbende als werknemer werkzaam is geweest bij een bedrijf dat is komen te vallen onder de werkingssfeer van deze CAO, mits voor de werknemer een gelijkwaardige VUT-regeling van toepassing was; of
b. de periode waarin belanghebbende in het buitenland werkzaam is geweest, mits over deze periode aantoonbare premiebetaling heeft plaatsgevonden, en
c. die op de dag, voorafgaande aan de uittredingsdatum. zijn woonplaats in Nederland, België of Duitsland heeft; en
d. die op de uittredingsdatum 60, 61, 62, 63 of 64 jaar is; en
e. wiens dienstbetrekking met ingang van de uittredingsdatum, of – indien en voor zover dat ingevolge de door hem in acht te nemen opzeggingstermijn, dan wel in verband met arbeidsongeschiktheid noodzakelijk is met ingang van een latere datum is geëindigd; of
f. wiens dienstbetrekking in het kader van deeltijd-VUT met ingang van de uittredingsdatum, voor wat betreft de arbeidsduur, voor 50% is geëindigd.
Belanghebbende in de zin van deze voorwaarden is tevens degene
a. die aan de voorwaarden van artikel 2 van deze bijlage voldoet; en
b. wiens feitelijke werkzaamheden gedurende minimaal 35 jaar, direct voorafgaand aan de uittredingsdatum en zonder onderbreking anders dan door arbeidsongeschiktheid of werkloosheid, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend rechtstreeks betrekking hebben gehad op resp. in een rechtstreeks verband hebben gestaan tot de productie en/of het transporteren van betonmortel en/of prefab metselspecie voor derden dan wel het transporteren van betonmortel op de bouwplaats, ongeacht of deze werkzaamheden in een uitvoerende functie dan wel in een leidinggevende, toezichthoudende, hoger technische of administratieve functie zijn verricht; en
c. die op de uittredingsdatum 57 jaar of ouder is; en
d. voor wie sinds 1 maart 1981 premie is afgedragen in het kader van de regeling vervroegde uittreding mortel- en morteltransportondernemingen.
1. Aan de belanghebbende wordt op zijn verzoek door de stichting een uitkering toegekend met ingang van de uittredingsdatum.
2.
a. De belanghebbende krijgt de beschikking over een uitkeringsbudget. Dit budget is bestemd voor de periode vanaf de uittredingsdatum tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
b. De hoogte van dit uitkeringsbudget – in percentage van de uitkeringsbasis – bedraagt voor de belanghebbende die op 60-jarige leeftijd aan de voorwaarden van artikel 2 voldoet: 210%.
De belanghebbende die na het bereiken van de 60-jarige leeftijd voldoet aan de voorwaarden van artikel 2 ontvangt een uitkeringsbudget naar rato.
c. De hoogte van dit uitkeringsbudget – in percentage van de uitkeringsbasis – bedraagt voor de belanghebbende die op 57-jarige leeftijd aan de voorwaarden van artikel 2A voldoet: 280%.
De belanghebbende die na het bereiken van de 57-jarige leeftijd voldoet aan de voorwaarden van artikel 2A ontvangt een uitkeringsbudget naar rato.
d. De uitkering per dag bedraagt bij volledig uittreden maximaal 80% van de uitkeringsbasis.
e. De belanghebbende die gebruik maakt van deeltijd-VUT en zijn werkzaamheden voor 50%, zoals bedoeld in art. 2 lid f en in de aanhef van art. 2A voortzet, ontvangt een uitkering per dag van 25% van de uitkeringsbasis. Bij aansluitend volledig uittreden bedraagt de uitkering per dag maximaal 80% van de uitkeringsbasis. Het totaal aan VUT-uitkeringen is gemaximeerd op het totale uitkeringsbudget van een voltijd Vutter.
f. Het uitkeringsbudget wordt evenredig verdeeld over het aantal uitkeringsjaren.
3. Aan de belanghebbende wordt een uitkering toegekend inclusief een vakantietoeslag ter hoogte van 8% van de uitkering.
1. Ten behoeve van de belanghebbende wordt aan de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Betonmortelindustrie de pensioenpremie betaald die voor hem in de laatste dienstbetrekking krachtens de CAO verschuldigd was, met inachtneming van de verhogingen die deze premie zou hebben ondergaan indien de belanghebbende niet vervroegd zou zijn uitgetreden.
2. Voor voorzieningen van ouderdoms-, weduwen-, weduwnaarsen wezenpensioen in de plaats van de BPF-voorziening zal bij gehele of gedeeltelijke voortzetting van deze pensioenvoorziening met premiebetaling, telkenmale na getoond bewijs van premiebetaling, tot de pensioendatum aan belanghebbende of diens werkgever een bijdrage worden vergoed ter grootte van het werkgeversaandeel in de pensioenpremie tot maximaal het bedrag dat voor rekening van de werkgever zou komen bij deelneming aan het BPF voor de Betonmortelindustrie. Zulks geschiedt onder voorwaarde, dat:
a. de betreffende pensioennota's binnen 6 maanden na afloop van het kalenderjaar zijn ingestuurd;
b. de premie voor belanghebbende individueel moet zijn vast te stellen; en
c. na uittreding de belanghebbende zijn gebruikelijke evenredig aandeel in de premie, bij continuering van de verzekering door de werkgever, aan deze werkgever blijft afdragen.
1. De belanghebbende die voor uitkering in aanmerking wenst te komen dient minimaal 3 maanden voor de gewenste uittredingsdatum een daartoe strekkend verzoek in. Het verzoek kan worden ingediend rechtstreeks bij de uitvoerende instantie.
Het recht op een VUT-uitkering kan per belanghebbende slechts eenmaal worden gehonoreerd (inclusief het beroep op de garantieregeling zoals bedoeld in artikel 15).
2. Het verzoek wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier, dat volledig en naar waarheid wordt ingevuld en ondertekend. Op het formulier wordt tevens aangegeven op welke wijze eventuele deeltijd-VUT wordt vormgegeven, alsmede de periode waarin de gekozen vorm wordt geëffectueerd. Deeltijd-VUT kan alleen worden toegepast indien tussen de werkgever en de belanghebbende consensus bestaat over de wijze waarop deeltijd-VUT wordt ingevuld.
3. Indien de belanghebbende in overleg met zijn werkgever besluit om de eerder aangegeven periode van deeltijd-VUT en/of de gekozen vorm te wijzigen, dient hij dit minimaal 1 maand voorafgaande aan de ingangsdatum van deze wijziging schriftelijk aan het SFB te melden.
4. Indien de belanghebbende gebruik wenst te maken van de garantiebepaling zoals bedoeld in artikel 15, dient hij dit uitdrukkelijk op het aanvraagformulier aan te geven.
1. De uitkering, bedoeld in artikel 3, wordt berekend over 12 maal het laatste maandsalaris, respec-tievelijk 13 maal het laatste vierwekensalaris, dat belanghebbende 3 maanden direct voorafgaande aan de feitelijke uittredingsdatum verdiende, inclusief de zogenaamde meeruren en inclusief de vakantietoeslag, en niet verminderd met het eventuele spaarloon, nadat dit salaris:
a. is gewijzigd overeenkomstig de wijziging die het salaris van belanghebbende voor de uittredingsdatum ondergaat conform de loonindex ingevolge de CAO; en
b. is verminderd met dat gedeelte van het salaris, dat belanghebbende ontving ter compensatie van het te zijnen laste komende aandeel in de pensioenpremie.
Deze uitkeringsbasis bedraagt, incl. vakantietoeslag, per 1 maart 2004 ten hoogste € 55.512,68
De jaarlijkse stijging van het brutosalaris op jaarbasis dient in de laatste 5 jaar direct voorafgaande aan de feitelijke uittredingsdatum, beperkt te zijn tot de loontrend overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 lid b en c van bijlage I en artikel 3 van bijlage IV van de CAO, vermeerderd met 1% salarisverhoging per jaar. Indien het laatstverdiende salaris op jaarbasis direct voorafgaande aan de feitelijke uittredingsdatum, hoger is dan met deze eis verenigbaar is, zal dit laatstverdiende salaris voor de berekening van de uitkeringsbasis dienovereenkomstig gecorrigeerd worden.
Indien de belanghebbende in het achterliggende jaar overwerk heeft verricht op minimaal 75% van het aantal gewerkte dagen, wordt het gemiddelde aantal „meeruren" in de voorafgaande 13 weken tot een maximum van 7,5 uur per week bij de vaststelling van de uitkeringsbasis meegenomen. Meeruren zijn de uren die gewerkt zijn buiten de normale, algemeen gebruikelijk te achten arbeidsduur.
2. Voor de belanghebbende, die in de periode, genoemd in lid 1 boven zijn loon, loonsuppletie ontving, hetzij via het Landelijk instituut sociale verzekeringen, hetzij via de gemeentelijke sociale dienst, wordt bij het vervallen van deze suppletie ingeval van vervroegde uittreding deze loonsuppletie bij de vaststelling van de uitkeringsbasis mede in aanmerking genomen.
3. De uitkeringsbasis wordt telkens herzien overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 lid b en c van bijlage I en artikel 3 van bijlage IV van deze CAO. Partijen kunnen bij de premievaststelling telkenjare besluiten om geheel of gedeeltelijk af te zien van deze aanpassing, al dan niet op voorstel van het bestuur van de Stichting.
4. Bij de berekening van de uitkeringsbasis wordt de uitkering bij arbeidsongeschiktheid krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, die belanghebbende in het laatste jaar direct voorafgaande aan de feitelijke uittredingsdatum ontvangt, volledig buiten beschouwing gelaten.
1. Belanghebbenden die gebruik maken van de VUT-regeling van de stichting kunnen tegen betaling werkzaamheden verrichten zonder dat een korting wordt toegepast op de VUT-uitkering, zolang de totale som van de VUT-uitkering en het salaris op jaarbasis (inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering) niet hoger is dan 100% van de uitkeringsbasis die is gehanteerd bij het vaststellen van de VUT-uitkering.
Voor de belanghebbenden geldt dat voorafgaand aan de werkzaamheden een verzoek moet worden ingediend bij de stichting.
2. De eventuele korting zoals bepaald in lid 1 is niet van toepassing indien en voor zover er sprake is van een gedeeltelijke voortzetting van het dienstverband in relatie met een deeltijd-VUT-uitkering en voorts voldaan is aan alle voorwaarden die in dit reglement of door het bestuur van de Stichting aan de uitvoering van deeltijd-VUT gesteld worden.
3. Op de uitkering wordt ingehouden hetgeen de belanghebbende verschuldigd is aan:
a. premie ingevolge de Ziekenfondswet;
b. premie volksverzekeringen;
c. loonbelasting;
4. Zolang de belanghebbende recht heeft op een uitkering als bedoeld in de zin van deze regeling, vervallen de opgebouwde aanspraken, krachtens de per 1 januari 2001 geldende vroegpensioen-regeling voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen en/of uitkeringen op basis van voorzie-ningen in de plaats van voornoemde vroegpensioenregeling dan wel enige andere vroegpensioenuitkering, aan de stichting.
Ingeval de belanghebbende op de dag direct voorafgaande aan de feitelijke uittredingsdatum niet valt onder de bepalingen van de Ziekenfondswet, en hij, of:
a. niet verzekerd is krachtens enige ziektekostenverzekering, of;
b. verzekerd is krachtens een te zijnen behoeve gesloten particuliere ziektekostenverzekering, waarvan de premie geheel te zijnen laste komt, of;
c. verzekerd is als onder b. genoemd, maar de werkgever bijdraagt in de premie, of;
d. deelnemer is in een door zijn werkgever gesloten collectieve ziektekostenverzekering; zal hem na uittreding worden uitgekeerd in de situaties als vermeld onder: a. en b.: nihil
c. een bijdrage in de premie (telkenmale na getoond bewijs van premiebetaling door verzekerde binnen 6 maanden na afloop van het kalenderjaar) van de door de werkgever vóór de uittreding betaalde premie, tot maximaal het bedrag dat voor rekening van de werkgever zou komen bij toepassing van de Ziekenfondswet.
d. Indien en zolang de belanghebbende na zijn uittreding deelnemer blijft in deze collectieve verzekering: aan de werkgever de vóór de uittreding door de werkgever betaalde premie, tot maximaal het bedrag dat voor rekening van de werkgever zou komen bij toepassing van de Ziekenfondswet. Belanghebbende zal alsdan zijn aandeel in de premie, conform de ter zake vigerende regeling in de onderneming van de werkgever, aan de werkgever betalen.
De uitkering inclusief de vakantietoeslag wordt achteraf door het SFB aan de belanghebbende uitbetaald. De belanghebbende is gerechtigd deze uitkering aan zijn voormalig werkgever te cederen. De voorwaarden voor cessie zullen door het bestuur van de stichting nader worden vastgesteld.
1. Het recht op uitkering eindigt op de eerste dag van de maand, waarin de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt.
2. Indien de belanghebbende tijdens het genot van de uitkering overlijdt, wordt de uitkering, alsmede de vakantietoeslag, tot en met de laatste dag van de tweede maand, volgende op die waarin het overlijden plaatsvond, uitbetaald – voor zover mogelijk in een bedrag ineens:
a. aan de langstlevende der echtgenoten indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde;
b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;
c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.
3. Bij toepassing van het tweede lid bedraagt de uitkering, met ingang van de dag na het overlijden, per dag 100% van de uitkeringsbasis inclusief de vakantietoeslag 8% van de aldus berekende uitkering.
Bij deeltijd-VUT wordt de uitkering naar rato verstrekt.
1. De belanghebbende verstrekt desgevraagd of uit eigen beweging aan de functionarissen, die door het SFB met het toezicht zijn belast, alle inlichtingen die voor de beoordeling van het recht op uitkering en van de hoogte daarvan van belang kunnen zijn.
2. De belanghebbende doet elk kwartaal opgave aan het SFB van de inkomsten uit arbeid, verricht in de periode waarover hij uitkering ontvangt, met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier, dat volledig en naar waarheid wordt ingevuld en ondertekend.
3. De werkgevers verstrekken aan het SFB de benodigde informatie met betrekking tot het loon en de arbeid van degenen die een aanvraag tot vervroegd uittreden hebben ingediend.
1. Indien de belanghebbende de, op grond van deze regeling, gevraagde of uit eigen beweging te verstrekken inlichtingen niet of onjuist verstrekt, kan het bestuur een besluit tot toekomstige uitkering, dan wel tot een reeds lopende uitkering, intrekken en tevens betrokkene uitsluiten voor iedere toekomstige uitkering vanwege de stichting.
Belanghebbende wordt in het kader van dit lid geacht de bedoelde inlichtingen niet te hebben verstrekt, indien binnen twee maanden, na ontvangst van de eerste oproep daartoe of nadat het uit eigen beweging te melden feit bekend is geworden bij belanghebbende, de VUT-stichting de inlichtingen nog niet heeft ontvangen. Belanghebbende wordt in het kader van dit lid geacht de inlichtingen onjuist te hebben verstrekt, indien de stichting daarbij voor meer dan € 3.403,35 is benadeeld.
2. Indien de belanghebbende de, op grond van deze regeling, gevraagde of uit eigen beweging te verstrekken inlichtingen niet tijdig of onjuist verstrekt, kan een uitkering worden verlaagd. De verlaging bedraagt maximaal 30% en duurt maximaal 12 maanden, naar gelang de ernst van de overtreding, blijkende uit recidive. Belanghebbende wordt geacht de bedoelde inlichtingen niet tijdig te hebben verstrekt, indien na het verstrijken van de daarvoor gegeven termijn in de eerste oproep daartoe, dan wel na twee weken nadat het uit eigen beweging te melden feit bekend is geworden bij belanghebbende, de VUT-stichting de bedoelde inlichtingen niet heeft ontvangen. Belanghebbende wordt in het kader van dit lid geacht inlichtingen onjuist te hebben verstrekt, indien de stichting daarbij voor tenminste € 22,69,– en voor maximaal € 3.403,35,– is benadeeld. Het bestuur van de stichting heeft de mogelijkheid om de sanctiemogelijkheden van lid 1 mede toe te passen in het geval belanghebbende voor de derde maal onjuiste inlichtingen heeft verstrekt ingevolge dit lid.
3. Indien de belanghebbende niet voldoet aan enige in deze regeling gestelde voorwaarde, kan een waarschuwing worden gegeven.
4. Het bestuur is bevoegd de sancties, zoals genoemd in lid 2 en 3, te combineren.
5. De stichting is bevoegd de door de stichting opgelopen schade als gevolg van door belanghebbende niet, niet tijdig of onjuist verstrekte inlichtingen of anderszins niet voldoen aan de in deze regeling gestelde voorwaarden, al dan niet bestaand uit teveel betaalde uitkeringen, sociale lasten en rente, te verhalen op belanghebbende. Daarbij behoudt de stichting zich het recht voor verhaal te halen door middel van vermindering van de lopende uitkering.
6. Het bestuur is bevoegd aangifte te doen bij de daarvoor bedoelde instelling in het geval het bestuur een gerechtvaardigd vermoeden heeft dat betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Dat laat onverlet de mogelijkheid om in civielrechtelijke procedures of anderszins eventuele schade, al dan niet in de vorm van onverschuldigde betalingen, op betrokkene te verhalen.
7. De vorige leden zijn niet van toepassing, indien de belanghebbende van een gedraging als daar bedoeld redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, waarvan is uitgesloten een beroep op het niet kennen van de inhoud van deze regeling.
8. In alle gevallen waarin een sanctie wordt opgelegd, wordt daarvan schriftelijk melding gedaan aan betrokkene. Tevens wordt aan betrokkene gemeld wat de sanctie inhoudt en waarom en op grond waarvan deze is opgelegd. Verder wordt melding gemaakt van de mogelijkheden voor beroep of bezwaar.
9. Alle baten en/of opbrengsten, die voortvloeien uit op grond van deze regeling opgelegde sancties, zullen worden gebruikt in overeenstemming met het doel van de stichting.
1. Op verzoeken om toekenning van een uitkering wordt door het bestuur van de stichting beslist.
2. Besluiten tot weigering, intrekking of wijziging van een uitkering zijn met redenen omkleed.
3. Besluiten als bedoeld in voorgaande leden worden schriftelijk aan de belanghebbende medegedeeld.
De belanghebbende behoeft voor een verblijf in het buitenland voor een aaneengesloten tijdvak voor langer dan 6 weken gedurende de periode waarover hij uitkering ontvangt, de voorafgaande schriftelijke toestemming van het bestuur van de stichting.
Verzoeken voor deze toestemming dienen één maand voor de voorgenomen vertrekdatum te worden ingediend. Van een voorgenomen verblijf in het buitenland voor een tijdvak van kortere duur stelt hij het SFB tevoren schriftelijk in kennis.
1. De uitvoering van deze regeling geschiedt onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de stichting, waarin zitting hebben vertegenwoordigers van de organisaties, partij bij deze CAO. Het SFB is belast met de uitvoering van deze regeling.
2. Partijen bij de CAO kunnen dispensatie verlenen met betrekking tot onderbrekingen van korte duur in het in artikel 2 lid b en artikel 2A bedoelde arbeidsverleden en voorts in alle gevallen, waarin dit aangewezen is om een uitvoering van deze voorwaarden overeenkomstig hun strekking en naar redelijkheid te verwezenlijken. Partijen bij de CAO kunnen deze taak delegeren aan het bestuur van de stichting.
3. In geval van een geschil omtrent de uitvoering van deze voorwaarden wordt, op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van een belanghebbende, een beslissing genomen door het bestuur van de in lid 1 genoemde stichting. De in dit lid bedoelde behandeling van geschillen laat de uit anderen hoofde aan de belanghebbende toekomende rechtsmiddelen onverlet.
1. Indien de belanghebbende besluit om na het bereiken van de VUT-gerechtigde leeftijd vooralsnog geen gebruik te maken van zijn recht om vervroegd uit te treden, wordt het recht op uittreding onder de voorwaarden zoals geldend op het moment van het bereiken van de VUT-gerechtigde leeftijd gehandhaafd. Indien de belanghebbende hiervan gebruik wenst te maken, dient hij dit voor de eerst mogelijke uittredingsdatum bij het SFB te melden.
2. Indien belanghebbende, die een beroep heeft gedaan op de garantieregeling in de periode tussen het ontstaan van het recht en het moment van voorgenomen uittreding volledig arbeidsongeschikt wordt, is uittreding mogelijk, waarbij de totale uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering in mindering wordt gebracht op de VUT-uitkering. De belanghebbende dient binnen een half jaar na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid aan te geven of hij al dan niet kiest voor instroom in de VUT-regeling, hetgeen direct na dit half jaar dient te geschieden.
AANVULLINGSREGELING VROEGPENSIOEN
Mortel- en Morteltransportondernemingen
Voor de toepassing van deze voorwaarden wordt verstaan onder:
a. belanghebbende:
de belanghebbende bedoeld in artikel 2, niet in het genot zijnde van een uitkering krachtens de AAW, de WAO of de Waz of een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 of meer;
b. vroegpensioengrondslag:
het laatst vastgestelde pensioenloon volgens de vroegpensioenstichting;
c. vroegpensioenstichting:
de stichting die de vroegpensioenregeling in de bedrijfstak mortel- en morteltransportonder-nemingen uitvoert;
d. het administratiekantoor:
de organisatie die deze regeling uitvoert in opdracht en onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de stichting;
e. de stichting:
de Stichting Vrijwillig Vervroegde Uittreding voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen;
f. uittredingsdatum:
de datum waarop gebruik wordt gemaakt van de vroegpensioenregeling van de vroegpensioen-stichting en een uitkering wordt verkregen op basis van deze aanvullingsregeling.
g. vroegpensioendatum:
de vroegpensioendatum is de eerste dag van de maand waarin de deelnemer respectievelijk gewezen deelnemer 62 jaar wordt of zoveel eerder of later;
h. periode van werkloosheid:
bij de bepaling of men voldoet aan de uittredingsvoorwaarden als bedoeld in artikel 2, tellen de perioden van werkloosheid beperkt mee, namelijk voor maximaal gemiddeld 4 maanden per kalenderjaar met een maximum van 6 maanden per afzonderlijk kalenderjaar. Indien eenmalig een periode van maximaal 1 jaar werkloosheid voorkomt, telt deze periode ook mee, doch dan kan de belanghebbende pas 1 jaar na de voor hem vroegst mogelijke uittredingsdatum uittreden, mits hij minimaal 6 maanden van het laatste jaar voor de uittredingsdatum werknemer is geweest in de zin van deze CAO.
Belanghebbende in de zin van deze voorwaarden is degene:
a. die op de laatste dag van de maand, liggende vier maanden voor de uittredingsdatum werknemer was in de zin van artikel 1 lid f van deze CAO; en
b. die direct voorafgaande aan de uittredingsdatum, gedurende een periode van minimaal 10 jaar zonder onderbreking anders dan door arbeidsongeschiktheid of werkloosheid als werknemer in de zin van artikel 1 lid e van deze CAO werkzaam is geweest, en
c. de periode waarin belanghebbende in het buitenland werkzaam is geweest, mits over deze periode aantoonbare premiebetaling heeft plaatsgevonden, en
d. die op de dag, voorafgaande aan de uittredingsdatum zijn woonplaats in Nederland, België of Duitsland heeft; en
e. die op de uittredingsdatum 62 jaar is; en
f. op 31 december 2000 in de bedrijfstak werkzaam was; en
g. wiens dienstbetrekking met ingang van de uittredingsdatum, of – indien en voor zover dat ingevolge de door hem in acht te nemen opzeggingstermijn, dan wel in verband met arbeidsongeschiktheid noodzakelijk is – met ingang van een latere datum is geëindigd; of
h. wiens dienstbetrekking in het kader van deeltijd-uittreden met ingang van de uittredingsdatum, voor wat betreft de arbeidsduur, gedeeltelijk is geëindigd.
i. die op dezelfde datum als de uittredingsdatum een vroegpensioenuitkering krijgt van de vroegpensioenstichting.
j. die op de vroegpensioendatum geen vut-uitkering heeft.
1. Aan de belanghebbende wordt op verzoek door de stichting een uitkering in de zin van deze regeling toegekend met ingang van de uittredingsdatum, doch ten hoogste tot de maand waarin belanghebbende 65 jaar wordt.
De deelnemer kan de uitkering gedeeltelijk in laten gaan.
2. De belanghebbende die uittreedt, ontvangt op grond van deze aanvullingsregeling een uitkering als percentage van de vroegpensioengrondslag op 62-jarige leeftijd volgens onderstaande tabel. De percentages worden herrekend in geval van gedeeltelijk uittreden.
| Bij geboortejaar: | bedraagt de aanvulling: | Bij geboortejaar: | bedraagt de aanvulling: |
|---|---|---|---|
| 1944 | 64,3125% | 1964 | 27,5625% |
| 1945 | 62,4750% | 1965 | 25,7250% |
| 1946 | 60,6375% | 1966 | 23,8875% |
| 1947 | 58,8000% | 1967 | 22,0500% |
| 1948 | 56,9625% | 1968 | 20,2125% |
| 1949 | 55,1250% | 1969 | 18,3750% |
| 1950 | 53,2875% | 1970 | 16,5375% |
| 1951 | 51,4500% | 1971 | 14,7000% |
| 1952 | 49,6125% | 1972 | 12,8625% |
| 1953 | 47,7750% | 1973 | 11,0250% |
| 1954 | 45,9375% | 1974 | 9,1875% |
| 1955 | 44,1000% | 1975 | 7,3500% |
| 1956 | 42,2625% | 1976 | 5,5125% |
| 1957 | 40,4250% | 1977 | 3,6750% |
| 1958 | 38,5875% | 1978 | 1,8375% |
| 1959 | 36,7500% | ||
| 1960 | 34,9125% | ||
| 1961 | 33,0750% | ||
| 1962 | 31,2375% | ||
| 1963 | 29,4000% |
3. Bij eerdere of latere uittreding van de belanghebbende dan op de eerste dag van de maand waarin hij/zij 62 jaar wordt, zal de gecombineerde uitkering op grond van deze aanvullingsregeling en het vroegpensioenreglement actuarieel worden herrekend op basis van de actuariële grondslagen en methoden die op het moment van vroegpensionering bij de vroegpensioenstichting in gebruik zijn.
4. De uitkering op basis van deze aanvullingsregeling, bedoeld in dit artikel, wordt berekend op basis van de vroegpensioengrondslag.
5. De uitkering wordt telkens herzien overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 lid a en c van bijlage I en artikel 2 lid 3 van Bijlage IV van deze CAO. Partijen kunnen bij de premievaststelling telkenjare besluiten om geheel of gedeeltelijk af te zien van deze aanpassing, al dan niet op voorstel van het bestuur van de Stichting.
6. Een toeslag van 5% op de maandelijkse uitkering van de vroegpensioenstichting wordt op de vroegpensioendatum aan de belanghebbende die voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 2 onder i en j van deze aanvullingsregeling toegekend ter compensatie van het verschil in belastingheffing voor en vanaf 65 jaar.
1. Als belanghebbende in de zin van dit artikel wordt beschouwd degene die voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 2 onder a, i en j van deze aanvullingsregeling.
2. Indien de belanghebbende op de vroegpensioendatum deelnemer is aan het Bedrijfspensioenfonds voor de Betonmortelindustrie, worden, tot de eerste dag van de maand waarin de deelneming van de belanghebbende aan de pensioenregeling van het Bedrijfspensioenfonds voor de Betonmortelindustrie eindigt, doch uiterlijk tot de eerste dag van de maand waarin de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt, verschuldigde pensioenpremies, door het voegpensioenfonds aan het Bedrijfspensioenfonds voor de Betonmortelindustrie voldaan.
3. Met betrekking tot de vergoeding van het werkgeversdeel van de pensioenpremie vanuit de stichting aan de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Betonmortelindustrie geldt dat vergoeding gedurende maximaal 3 jaar plaatsvindt. Bij eerdere of latere uittreding van de belanghebbende, zal de hoogte van de vergoeding van het werkgeversdeel van de pensioenpremie actuarieel worden herberekend.
4. Indien de belanghebbende op de vroegpensioendatum geen deelnemer is aan het Bedrijfspensioenfonds voor de Betonmortelindustrie in verband met verkregen dispensatie, zal, bij gehele of gedeeltelijke voortzetting van deze pensioenregeling met premiebetaling, het werkgeversaandeel van de, vanaf de vroegpensioendatum tot de eerste dag van de maand waarin de deelneming van de belanghebbende aan de pensioenregeling eindigt, doch uiterlijk tot de eerste dag van de maand waarin de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt, verschuldigde pensioenpremies, door het fonds aan belanghebbende of diens werkgever worden voldaan.
Deze premie wordt gemaximeerd op het bedrag dat voor de vroegpensioengerechtigde verschuldigd zou zijn aan de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Betonmortelindustrie bij deelneming in de pensioenregeling.
Zulks geschiedt onder de voorwaarde dat:
a. de premie voor de belanghebbende individueel moet zijn vast te stellen; en
b. na vroegpensionering de belanghebbende zijn gebruikelijke evenredig aandeel in de premie, bij voortzetting van de verzekering door de werkgever, aan deze werkgever blijft afdragen.
De premie wordt eenmaal per jaar, achteraf, betaald. Indien op enig kalenderjaar vanaf 2002 betrekking hebbende bewijzen van premiebetaling niet binnen 6 maanden na afloop van dat kalenderjaar zijn getoond, vervallen over dat kalenderjaar aanspraken op de hierboven genoemde vergoeding.
Geen recht op deze vergoeding bestaat indien daar reeds recht op bestaat bij een andere rechtspersoon.
1. De belanghebbende die voor uitkering op grond van deze regeling in aanmerking wenst te komen dient minimaal 3 maanden voor de gewenste uittredingsdatum een daartoe strekkend verzoek in. Het verzoek kan worden ingediend rechtstreeks bij het administratiekantoor.
Het recht op een aanvullende uitkering kan per belanghebbende slechts eenmaal worden gehonoreerd.
2. Het verzoek wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier, dat volledig en naar waarheid wordt ingevuld en ondertekend. Op het formulier wordt tevens aangegeven op welke wijze eventueel deeltijd-uittreden wordt vormgegeven, alsmede de periode waarin de gekozen vorm wordt geëffectueerd.
3. Indien de belanghebbende besluit om de eerder aangegeven periode van deeltijd-uittreden en/of de gekozen vorm te wijzigen, dient hij dit minimaal 1 maand voorafgaande aan de ingangsdatum van deze wijziging schriftelijk aan het administratiekantoor te melden.
1. Belanghebbenden die een uitkering ontvangen op grond van de aanvullingsregeling van de stichting kunnen tegen betaling werkzaamheden verrichten zonder dat een korting wordt toegepast op de aanvullingsuitkering, zolang de totale som van de uitkering uit de aanvullingsregeling, de vroegpensioenuitkering van het vroegpensioenfonds en het salaris op jaarbasis (inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering) niet hoger is dan 100% van de vroegpensioengrondslag.
Voor de belanghebbenden geldt dat voorafgaand aan de werkzaamheden een verzoek moet worden ingediend bij de Stichting.
Het maximale salaris op jaarbasis dat de belanghebbende zoals in dit lid bepaald mag bij-verdienen, wordt op de uittredingsdatum vastgesteld en vervolgens op 1 januari van ieder daaropvolgend uitkeringsjaar geïndexeerd overeenkomstig de aanvullingsregeling.
2. De eventuele korting zoals bepaald in lid 1 is niet van toepassing indien en voor zover er sprake is van een gedeeltelijke voortzetting van het dienstverband in relatie met een deeltijd-uittreden en voorts voldaan is aan alle voorwaarden die in dit reglement of door het bestuur van de Stichting aan de uitvoering van deeltijd-uittreden gesteld worden.
3. Op de uitkering wordt ingehouden hetgeen de belanghebbende verschuldigd is aan:
a. premie ingevolge de Ziekenfondswet;
b. loonheffing;
c. pensioenpremie.
Ingeval de belanghebbende op de dag direct voorafgaande aan de feitelijke uittredingsdatum niet valt onder de bepalingen van de Ziekenfondswet, of:
a. niet verzekerd is krachtens enige ziektekostenverzekering, of:
b. verzekerd is krachtens een te zijnen behoeve gesloten particuliere ziektekostenverzekering, waarvan de premie geheel te zijnen laste komt, of:
c. verzekerd is als onder b. genoemd, maar de werkgever bijdraagt in de premie, of:
d. deelnemer is in een door zijn werkgever gesloten collectieve ziektekostenverzekering; zal hem na uittreding worden uitgekeerd in de situaties als vermeld onder: a. en b.: nihil
c. een bijdrage in de premie (telkenmale na getoond bewijs van premiebetaling door verzekerde binnen 6 maanden na afloop van het kalenderjaar) van de door de werkgever voor de uittreding betaalde premie, tot maximaal het bedrag dat voor rekening van de werkgever zou komen bij toepassing van de Ziekenfondswet.
d. Indien en zolang de belanghebbende na zijn uittreding deelnemer blijft in de deze collectieve verzekering: aan de werkgever de voor de uittreding door de werkgever betaalde premie, tot maximaal het bedrag dat voor rekening van de werkgever zou komen bij toepassing van de Ziekenfondswet. Belanghebbende zal alsdan zijn aandeel in de premie, conform de ter zake vigerende regeling in de onderneming van de werkgever, aan de werkgever betalen.
Met betrekking tot de vergoeding van het werkgeversdeel van de ziektekostenpremie vanuit de stichting geldt dat vergoeding gedurende maximaal 3 jaar plaatsvindt. Bij eerdere uittreding van de deelnemer, zal de hoogte van de vergoeding van het werkgeversdeel van de ziektekostenpremie actuarieel worden herberekend.
De uitkering wordt maandelijks achteraf door het administratiekantoor aan de belanghebbende uitbetaald.
1. Het recht op een uitkering op grond van deze regeling eindigt op de eerste dag van de maand, waarin belanghebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt, dan wel op de datum waarop de vroegpensioenuitkering van de vroegpensioenstichting voor betrokkene eindigt.
2. Indien de belanghebbende tijdens het genot van de uitkering overlijdt, wordt de uitkering, alsmede de vakantietoeslag, tot en met de laatste dag van de tweede maand, volgende op die waarin het overlijden plaatsvond, uitbetaald – voor zover mogelijk in een bedrag ineens:
a. aan de langstlevende der echtgenoten indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde;
b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;
c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.
1. De belanghebbende verstrekt desgevraagd of uit eigen beweging aan de functionarissen, die door het administratiekantoor met het toezicht zijn belast, alle inlichtingen die voor de beoordeling van het recht op uitkering en van de hoogte daarvan van belang kunnen zijn.
2. De belanghebbende doet elk kwartaal opgave aan het administratiekantoor van de inkomsten uit arbeid, verricht in de periode waarover hij uitkering ontvangt, met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier, dat volledig en naar waarheid wordt ingevuld en ondertekend.
3. De werkgevers verstrekken aan het administratiekantoor de benodigde informatie met betrekking tot het loon en de arbeid van degenen die een aanvraag tot vervroegd uittreden hebben ingediend.
1. Indien de belanghebbende de, op grond van deze regeling, gevraagde of uit eigen beweging te verstrekken inlichtingen niet of onjuist verstrekt kan het bestuur een besluit tot toekomstige uitkering, dan wel tot een reeds lopende uitkering, intrekken en tevens betrokkene uitsluiten voor iedere toekomstige uitkering vanwege de stichting. Belanghebbende wordt in het kader van dit lid geacht de bedoelde inlichtingen niet te hebben verstrekt, indien binnen twee maanden, na ontvangst van de eerste oproep daartoe of het uit eigen beweging te melden feit bekend is geworden bij belanghebbende, de stichting de inlichtingen nog niet heeft ontvangen. Belanghebbende wordt in het kader van dit lid geacht de inlichtingen onjuist te hebben verstrekt, indien de stichting daarbij voor meer dan € 3.403,35 is benadeeld.
2. Indien de belanghebbende de, op grond van deze regeling, gevraagde of uit eigen beweging te verstrekken inlichtingen niet tijdig of onjuist verstrekt, kan een uitkering worden verlaagd. De verlaging bedraagt maximaal 30% en duurt maximaal 12 maanden, naar gelang de ernst van de overtreding, blijkende uit recidive. Belanghebbende wordt geacht de inlichtingen niet tijdig te hebben verstrekt, indien na het verstrijken van de daarvoor gegeven termijn in de eerste oproep daartoe, dan wel twee weken het uit eigen beweging te melden feit bekend is geworden bij belanghebbende, de stichting de bedoelde inlichtingen nog niet heeft ontvangen. Belanghebbende wordt in het kader van dit lid geacht inlichtingen onjuist te hebben verstrekt, indien de stichting daarbij voor tenminste € 22,69 en voor € 3403,35 is benadeeld. Het bestuur van de stichting heeft de mogelijkheid om de sanctiemogelijkheden van lid 1 mede toe te passen in het geval belanghebbende voor de derde maal onjuiste inlichtingen heeft verstrekt ingevolge dit lid.
3. Indien belanghebbende niet voldoet aan enig in deze regeling gestelde voorwaarde kan een waarschuwing worden gegeven.
4. Het bestuur is bevoegd de sancties, zoals genoemd in lid 2 en 3, te combineren.
5. De stichting is bevoegd de door de stichting opgelopen schade als gevolg van door belanghebbende niet, niet tijdig of onjuist verstrekte inlichtingen of anderszins niet voldoen aan de in deze regeling gestelde voorwaarden, al dan niet bestaand uit teveel betaalde uitkeringen, sociale lasten en rente, te verhalen op belanghebbende. Daarbij behoudt de stichting zich het recht voor verhaal te halen door middel van vermindering van de lopende uitkering.
6. Het bestuur is bevoegd aangifte te doen bij de daarvoor bedoelde instelling in het geval het bestuur een gerechtvaardigd vermoeden heeft dat betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Dat laat onverlet de mogelijkheid om in civielrechtelijke procedures of anderszins eventuele schade, al dan niet in de vorm van onverschuldigde betalingen, op betrokkene te verhalen.
7. De vorige leden zijn niet van toepassing, indien de belanghebbende van een gedraging als daar bedoeld redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, waarvan is uitgesloten een beroep op het niet kennen van de inhoud van deze regeling.
8. In alle gevallen, waarin een sanctie wordt opgelegd, wordt daarvan schriftelijk melding gedaan aan betrokkene. Tevens wordt aan betrokkene gemeld wat de sanctie inhoudt en waarom en op grond waarvan deze is opgelegd. Verder wordt melding gemaakt van de mogelijkheden voor beroep of bezwaar.
9. Alle baten en/of opbrengsten, die voortvloeien uit op grond van deze regeling opgelegde sancties, zullen worden gebruikt in overeenstemming met het doel van de stichting.
1. Op verzoeken om toekenning van een uitkering wordt door het bestuur van de stichting beslist.
2. Besluiten tot weigering, intrekking of wijziging van een uitkering zijn met redenen omkleed.
3. Besluiten als bedoeld in voorgaande leden worden schriftelijk aan de belanghebbende medegedeeld.
De belanghebbende behoeft voor een verblijf in het buitenland voor een aaneengesloten tijdvak voor langer dan 6 weken gedurende de periode waarover hij uitkering ontvangt, de voorafgaande schriftelijke toestemming van het bestuur van de stichting. Verzoeken voor deze toestemming dienen een maand voor de voorgenomen vertrekdatum te worden ingediend. Van een voorgenomen verblijf in het buitenland voor een tijdvak van kortere duur stelt hij het administratiekantoor tevoren schriftelijk in kennis.
1. De uitvoering van deze regeling geschiedt onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de stichting, waarin zitting hebben vertegenwoordigers van de organisaties, partij bij deze CAO.
Het administratiekantoor is belast met de uitvoering van deze regeling.
2. Partijen bij de CAO kunnen dispensatie verlenen met betrekking tot onderbrekingen van korte duur in het in artikel 2 lid b bedoelde arbeidsverleden en voorts in alle gevallen, waarin dit aangewezen is om een uitvoering van deze voorwaarden overeenkomstig hun strekking en naar redelijkheid te verwezenlijken. Partijen bij de CAO kunnen deze taak delegeren aan het bestuur van de stichting.
3. In geval van een geschil omtrent de uitvoering van deze voorwaarden wordt, op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van een belanghebbende, een beslissing genomen door het bestuur van de in lid 1 genoemde stichting. De in dit lid bedoelde behandeling van geschillen laat de uit anderen hoofde aan de belanghebbende toekomende rechtsmiddelen onverlet.
DOOR WERKGEVER EN WERKNEMER IN ACHT TE NEMEN OPZEGGINGSTERMIJNEN
Opzegging geschiedt tegen het einde van de maand, tenzij bij schriftelijke overeenkomst of door het gebruik een andere dag is aangewezen.
De door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging, bedraagt bij een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging:
a. Korter dan 5 jaar heeft geduurd: één maand
b. 5 jaar of langer, maar korter dan 10 jaar heeft geduurd: twee maanden
c. 10 jaar of langer, maar korter dan 15 jaar heeft geduurd: drie maanden
d. 15 jaar of langer heeft geduurd: vier maanden
De door de werknemer in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt één maand.
FUNCTIECLASSIFICATIE- EN BELONINGSSYSTEEM VOOR LEIDINGGEVEND, TOEZICHTHOUDEND, HOGER TECHNISCH EN ADMINISTRATIEF PERSONEEL
Deze bijlage is van toepassing op al het leidinggevend, toezichthoudend, hoger technisch en administratief personeel.
De werkgever zal aan een werknemer, die behoort tot het leidinggevend, toezichthoudend, hoger technisch en administratief personeel, een salaris betalen behorend bij de functiegroep, waarin de werknemer is ingedeeld.
1. De werkgever zal aan de werknemer van 20 jaar en ouder een salaris betalen dat ligt tussen het minimum en maximum van de salarisschaal behorend bij diens functiegroep. Bij aanstelling kunnen aan de werknemer van 20 jaar of ouder één of meer periodieken worden toegekend.
2. Aan de werknemer van 20 jaar en ouder zal jaarlijks, als regel per 1 januari, een periodieke verhoging worden toegekend totdat het einde van de salarisschaal is bereikt. Een werknemer die korter dan een jaar in dienst is, heeft geen recht op een periodieke verhoging; bij aanstelling kan anders overeengekomen worden.
De werkgever kan de werknemer die onvoldoende functioneert de periodieke verhoging onthouden. De werkgever zal de werknemer hiervan schriftelijk en met redenen omkleed kennis geven. Een periode van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Ziektewet is geen reden om een periodiek te onthouden.
De werkgever kan de werknemer die meer dan gemiddeld functioneert een extra periodiek verstrekken.
3. De maandsalarissen voor werknemers van 20 jaar en ouder bedragen met ingang van de eerste volle loonweek waarin 1 maart 2004 valt:
| Functiegroepen | Minimum | Maximum | min. stapgrootte per jaar | lengte functieschaal |
|---|---|---|---|---|
| I | € 1.584,64 | € 1.884,25 | € 29,96 | 10 jaar |
| II | 1.734,20 | 2.157,97 | 42,38 | 10 jaar |
| III | 1.959,52 | 2.464,92 | 50,54 | 10 jaar |
| IV | 2.109,59 | 2.842,27 | 61,06 | 12 jaar |
| V | 2.334,43 | 3.084,22 | 62,48 | 12 jaar |
| VI | 2.485,46 | 3.585,72 | 78,59 | 14 jaar |
| VII | 2.710,78 | 3.987,00 | 85,08 | 15 jaar |
Salarisstaffel voor werknemers beneden de leeftijd van 20 jaar:
| Leeftijd | Staffel |
|---|---|
| 16 jaar | 60 % |
| 17 jaar | 70 % |
| 18 jaar | 80 % |
| 19 jaar | 90 % |
4. In afwijking van het in lid 1 en 2 gestelde betaalt de werkgever een werknemer, die nog nooit eerder in de bedrijfstak heeft gewerkt en voorafgaand langdurig werkloos was, maximaal voor de periode van één jaar een salaris volgens de inloopschaal. Daarnaast zal aan de werknemer bij aanvang van dit dienstverband een vakopleiding aangeboden worden. Na één jaar geldt bij gebleken geschiktheid, de salarisschaal die behoort bij de betreffende functie. Onder een langdurig werkloze wordt verstaan iemand die, direct voorafgaande aan de indiensttreding, langer dan 1 jaar werkloos is geweest.
De salarissen behorend bij de inloopschaal worden als volgt berekend:
gedurende de eerste 26 weken van het dienstverband geldt een schaalloon van het Wettelijk Minimum Loon (WML) vermeerderd met 25% van het verschil tussen het WML en het loon volgens Groep I, gedurende de tweede 26 weken van het dienstverband bedraagt dit verhogingspercentage 50%.
Inloopschaal vastgesteld op 1 maart 2004
| Leeftijd | 22 jaar minimum maandloon | 23 jaar en ouder minimum maandloon |
|---|---|---|
| 1e 26 wk | € 1.202,49 | € 1.344,76 |
| 2e 26 wk | 1.329,87 | 1.424,72 |
Voor het leidinggevend, toezichthoudend, hoger technisch en administratief personeel zijn een zevental functiegroepen onderscheiden. Per groep wordt een omschrijving gegeven van de aard van de werkzaamheden en de daarvoor benodigde kennis en ervaring.
De opgave van enkele voorbeeldfuncties is bedoeld als illustratie van de functiegroepen.
Het uitvoeren van eenvoudige, regelmatig wederkerende werkzaamheden, waarvoor geen theoretische kennis of praktijkervaring noodzakelijk is. Het werk wordt onder directe leiding uitgevoerd.
Onder deze groep vallen als regel de jeugdigen, die na maximaal twee jaren ervaring naar groep II overgaan.
Voorbeeld functies:
– Administratief medewerker(ster)
Verricht eenvoudig sorteer-, telefoon- en registratiewerk, als regel geen typewerk voor externe doeleinden.
– Jongste bediende
Kan zowel op kantoor als bijvoorbeeld op het laboratorium worden aangetroffen.
Het uitvoeren van regelmatig wederkerende werkzaamheden, waarvoor enige algemene ontwikkeling en praktijkervaring noodzakelijk zijn. Het werk wordt onder leiding uitgevoerd doch enige mate van zelfstandigheid bij de uitvoering, evenwel zonder beoordelingsbevoegdheid (hieronder te verstaan de bevoegdheid om in twijfelgevallen eigen keuzes te doen) kan verlangd worden.
Voorbeeld functies:
– Administratief medewerker(ster)
Voorbereiding van facturering, voorbereiding van loonadministratie en registratiewerk.
– Telefoniste/typiste
Tevens belast met eenvoudige administratieve werkzaamheden.
Het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor naast enige algemene ontwikkeling en theoretische kennis, praktijkervaring noodzakelijk is.
De werkzaamheden worden met een redelijke mate van zelfstandigheid uitgevoerd, evenwel zonder beoordelingsbevoegdheid.
Voorbeeld functies:
– Administratief medewerker(ster)
De theoretische kennis blijkt uit het bezit van PDB of een daaraan gelijkwaardig te achten opleiding, al dan niet afgesloten met diploma of certificaat
– Stenotypiste
Het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor naast een redelijke algemene ontwikkeling en theoretische kennis op lager tot middelbaar niveau, enige jaren praktijkervaring noodzakelijk is. De werkzaamheden worden met een ruime mate van zelfstandigheid uitgevoerd. Leiding geven aan één of meer medewerkers kan inherent zijn aan de functie.
Voor sommige functies kan praktijkervaring de theoretische kennis compenseren, omdat geen ruime mate van eigen verantwoordelijkheid wordt verlangd.
Voorbeeld functies:
– Administrateur
De theoretische kennis blijkt uit het bezit van PDB of mogelijk MBA-diploma
– Administratief medewerker(ster)
Als administrateur
– Secretaresse
Het verrichten van werkzaamheden waarvoor naast een redelijke algemene ontwikkeling en theoretische kennis op tenminste middelbaar niveau, een gedegen praktijkervaring onontbeerlijk is.
De uitvoering vraagt een grote mate van zelfstandigheid benevens het ontplooien van initiatieven op het eigen werkterrein. Als regel zal leiding worden gegeven aan één of meer medewerkers.
Voorbeeld functies:
– Administrateur
Minimaal opleidingsniveau MBA, dan wel MEAO
– Commercieel medewerker
– Transportleider
Het verrichten van werkzaamheden waarvoor naast algemene ontwikkeling en theoretische kennis, bij voorkeur op hoger niveau, een grote praktijkervaring onontbeerlijk is.
De uitvoering vraag een grote mate van zelfstandigheid benevens het ontplooien van initiatieven op het eigen werkterrein.
Als regel zal leiding worden gegeven aan één of meer medewerkers en kan direct verantwoording verschuldigd zijn aan de bedrijfsdirecteur c.q. bedrijfsleider.
Voorbeeldfuncties:
– Administrateur
Theoretische kennis mogelijk op HEAO-niveau
– Commercieel medewerker
– Chef betonpompsectie
– Transportinspecteur
Het verrichten van werkzaamheden waarvoor naast algemene ontwikkeling en een ruime praktijkervaring, theoretische kennis op hoger niveau en/of specialistische kennis onontbeerlijk zijn.
De uitvoering geschiedt met een grote mate van eigen verantwoordelijkheid en de functie vraagt het ontplooien van initiatieven op het eigen werkterrein.
Er wordt als regel leiding gegeven aan een afdeling van het bedrijf met meerdere medewerkers. In veel gevallen is rechtstreeks verantwoording verschuldigd aan de bedrijfsdirecteur.
Voorbeeld functies:
– Hoofd afdeling verkoop
– Hoofd afdeling productie
– Hoofd afdeling transport
– Hoofd afdeling onderhoud
WERKTIJDENREGELING IN DE BETONMORTELINDUSTRIE
Voorwaarden aan de werktijdenregeling
Hieronder wordt een compleet overzicht gegeven van de voorwaarden waaraan een tussen werkgever en werknemers overeen te komen werktijdenregeling moet voldoen:
– de normale arbeidsduur bedraagt 144 uur per vier weken;
– de normale arbeidsduur per dag bedraagt minimaal zeven uur;
– de normale arbeidsduur per dag bedraagt maximaal negen uur;
– de normale werktijd dient te liggen tussen 05.00 uur en 18.00 uur;
– de arbeid wordt aangevangen tussen 05.00 en 08.30 uur;
– er kan minimaal vier dagen per week gewerkt worden, mits in die week minimaal 30 uren wordt gewerkt. Een feestdag, vakantiedag of „overwerkdag" dient in het kader van het dienstrooster als werkdag te worden beschouwd;
– de totale arbeidsduur, dus inclusief eventuele overuren, mag maximaal 180 uren per vier weken bedragen;
– de totale werktijd en wettelijk voorgeschreven rusttijd per dag mag niet langer zijn dan 10,5 uur;
– op zaterdag en zondag wordt niet gewerkt, behoudens overwerk en met goedkeuring (alleen bij overwerk op zondag) van de Kleine Commissie;
– het dienstrooster dient minimaal één volledige werkweek te bevatten en dient uiterlijk op de laatste werkdag van de week voorafgaand vastgesteld te zijn en aan de werknemers bekend te zijn gemaakt.
Vaststelling werktijdenregeling
De CAO bepaalt in art. 8 lid 2 dat de werkgever met instemming van de OR of bij afwezigheid hiervan met een representatieve vertegenwoordiging van de werknemers de dagelijkse werk- en rusttijden vaststelt. Met andere woorden in overleg tussen werkgever en werknemers wordt bepaald aan welke voorwaarden de werktijdenregeling van de CAO moet voldoen. Deze voorwaarden mogen uiteraard niet in strijd zijn met de hierboven aangegeven voorwaarden, maar kunnen binnen de grenzen van die voorwaarden worden vastgesteld.
Bijvoorbeeld: werkgever en werknemer kunnen bepalen dat de minimale arbeidsduur in het dienstrooster geen zeven uur per dag zal bedragen, maar 7½ uur.
Een ander voorbeeld: werkgever en werknemers kunnen bepalen dat de dienstroosters zodanig dienen te worden vastgesteld, dat elke werknemer binnen een periode van vier weken recht heeft op één vrije dag. Het zal duidelijk zijn dat nog veel meer voorbeelden zijn te geven.
Nadat werkgever en werknemers de voorwaarden hebben vastgesteld, waaraan de werktijdenregeling moet voldoen, is het de werkgever die het dienstrooster – met inachtneming van de voorwaarden vaststelt.
Vaststelling werktijdenregeling conform artikel 8 lid 6
In redelijk overleg met de ondernemingsraad kan, een van artikel 8 afwijkende, werktijdenregeling van toepassing zijn, indien de werkgever en de OR hierover overeenstemming hebben bereikt.
Voor de afwijkende werktijdenregeling gelden de normen van de standaardregeling uit de Arbeidstijden-wet als uiterste grens. Bovendien bedraagt de normale arbeidsduur per kalenderperiode van 4 weken 144 uur, en loopt de werkweek van maandag tot en met vrijdag.
Daarbij hebben de werkgever en de OR de mogelijkheid overeenstemming te bereiken over de wijze waarop een andere invulling wordt gegeven aan artikel 9 lid 4 voor zover het betreft de omzetting van overwerkuren in vrije tijd of geld. De overige bepalingen van artikel 9 blijven onverkort van toepassing.
De duur van de afwijkende regeling is gelijk aan de looptijd van de CAO. De afwijkende regeling kan niet stilzwijgend worden verlengd.
Indien geen overeenstemming wordt bereikt blijft de werktijdenregeling zoals bepaald in dit artikel, alsmede het bepaalde in artikel 9 lid 4 van toepassing.
– De toeslag voor overwerk voor uren tussen 05.00 en 20.00 uur is 30%.
– Zoals reeds eerder vermeld mogen in een periode van vier weken niet meer dan 36 overuren worden gemaakt.
– Ingeval van overwerk worden de overwerkuren in beginsel omgezet in vrije tijd. De werknemer kan echter uitbetaling in geld vragen. Wel dient de werknemer zijn of haar keuze bij de aanvang van een kalenderperiode van vier weken kenbaar te maken aan de werkgever.
– Indien de werknemer kiest voor uitbetaling in vrije tijd, dienen uiterlijk binnen drie maanden na de opbouw van gemaakte overuren deze overuren door middel van hele of halve vrije dagen te worden opgenomen.
Voorbeelden van dienstroosters
Hieronder worden enkele voorbeelden gegeven van hoe dienstroosters er zouden kunnen uitzien op basis van de tussen CAO-partijen gemaakte afspraken.
vd = vrije dag = een dag, waarop een werknemer vrij heeft op basis van het vastgestelde dienstrooster (zie het vierde streepje onder het hoofdstuk „Voorwaarden aan de werktijdenregeling").
vakdg = vakantiedag c.q. snipperdag;
feestdg = feestdag;
owd = „overwerkdag" = dag ter compensatie voor gemaakte overuren.
| Week | Maandag | Dinsdag | Woensdag | Donderdag | Vrijdag | Aantal uren |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | 7 | 7 | 8 | 9 | 9 | 40 |
| 2 | vd | 7 | 8 | 8 | 9 | 32 |
| 3 | 7 | 8 | 8 | 9 | 9 | 41 |
| 4 | 8 | 7 | vd | 8 | 8 | 31 |
| 144 |
| Week | Maandag | Dinsdag | Woensdag | Donderdag | Vrijdag | Aantal uren |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 5 | 9 | 9 | 9 | 9 | 9 | 45 |
| 6 | vd | 7 | 7 | 8 | 8 | 30 |
| 7 | vd | 8 | 8 | 9 | 9 | 34 |
| 8 | 9 | 9 | 9 | 8 | vd | 35 |
| 144 |
| Week | Maandag | Dinsdag | Woensdag | Donderdag | Vrijdag | Aantal uren |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 9 | vd | 9+ 1 (overuur) | 8 | 8 | 9+ 1 (overuur) | 34 + 2 (overuren) |
| 10 | 8 | 8 | 8 | 9 | 9+ 1 (overuur) | 42 + 1 (overuur) |
| 11 | vd | 9 | 7 | 9 | 9+ 1 (overuur) | 34 + 1 (overuur) |
| 12 | 7 | 9 | 9 | 9 | vd | 30 |
| 144 + 4 (overuren) |
| Week | Maandag | Dinsdag | Woensdag | Donderdag | Vrijdag | Aantal uren |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 13 | vakdg | 7½ | 8½ | 8 | 8 | 39,2 |
| 14 | feestdg | vd | 9 | 9 | 8 | 33,2 |
| 15 | 8 | 9 | 9 | 9 | 9 | 44 |
| 16 | 7½ | 7½ | 8 | 7½ | 8 | 38,5 |
| 144 + 10,9 (overuren) |
| Week | Maandag | Dinsdag | Woensdag | Donderdag | Vrijdag | Aantal uren |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 17 | owd | 8 | 8 | 9 | 9 | 41,2 |
| 18 | 7 | 8 | 8 | feestdg (Hemelvaartsdag) | owd of vakdag | 37,4 |
| 19 | 8 | 8 | 8 | 8 | owd | 39,2 |
| 20 | owd | vd | 8 | 8 | 9+ 1 (overuur) | 32,2 + 1 |
| 150 + 1 (overuur) = 144 + 7 overuren |
NB: In het voorbeeld valt Hemelvaartsdag in week 18. Dat is een feestdag en telt zodoende voor 7,2 uur mee bij de opbouw van het aantal werkuren per week. De vrijdag na Hemelvaartsdag is in het voorbeeld ingeroosterd als „overwerkdag" of vakantiedag/snipperdag. Het is echter ook mogelijk deze dag in te roosteren als vrije dag. In dat laatste geval telt de vrijdag niet mee voor het aantal op te bouwen werkuren per week. Met andere woorden indien de vrijdag na Hemelvaartsdag een vrije dag is, worden in week 18 geen 37,4 uur opgebouwd maar 30,2 uur.
Toelichting: door de vermindering van de werkweek naar gemiddeld 36 uur is de gemiddelde werkdag 7,2 uur gaan bedragen. Dit brengt met zich mee dat een vakantiedag, feestdag of dag ter compensatie van gemaakte overuren („overwerkdag") 7,2 uur bedraagt. Een vrije dag bedraagt echter nul uur. Dit betekent dat een vakantiedag, feestdag of „overwerkdag" voor 7,2 uur per dag meetelt voor het aantal in een week op te bouwen werkuren. Een vrije dag telt echter niet mee voor het aantal op te bouwen werkuren.
In de volgende gevallen is er sprake van overuren:
– alle werktijd boven de negen uur per dag;
– alle werktijd boven de 144 uur in vier weken;
– alle werktijd boven de uren die in een dienstrooster staan aangegeven. Met andere woorden indien de werknemer op bijvoorbeeld de woensdag van week 9 is ingeroosterd voor 8 werkuren, maar hij of zij dient op die dag 9 uur te werken dan is er sprake van 1 overuur.
Gewezen dient te worden op artikel 9 lid 8 onder b van de CAO. Dit artikellid bepaalt dat geen sprake is van overwerk, indien de werknemer arbeid verricht buiten de werktijden, aangewezen in het dienstrooster, mits het aantal uren niet uitstijgt boven het aantal uren, zoals vermeld in het dienstrooster en de werktijden blijven binnen 05.00 uur en 18.00 uur. De verschuiving van de arbeidstijden dient uiterlijk daags tevoren aan de werknemer bekend te worden gemaakt.
Indien de werknemer de gemaakte overuren in geld laat uitbetalen dienen deze overuren uitbetaald te worden op basis van het overeengekomen loon en de daarbij van toepassing zijnde overwerktoeslag.
Indien de werknemer de gemaakte overuren in vrije tijd laat uitbetalen geldt dat de verkregen vrije tijd als compensatie voor de gemaakte overuren bedraagt het aantal overuren en daarbij opgeteld de overwerktoeslag. Met andere woorden als een werknemer 5 overuren heeft gemaakt, die alle liggen tussen 05.00 en 20.00 uur dan is hiervoor de vergoeding in vrije tijd: 5 overuren + 30% = 6,5 uren.
De werknemer dient – indien hij of zij kiest voor vergoeding in vrije tijd – de gemaakte overuren binnen drie maanden op te nemen.
De CAO voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen kent voor elk jaar een aantal verplichte snipperdagen.
Naast deze verplichte snipperdagen is de werkgever bevoegd zo spoedig mogelijk na 1 september van elk jaar twee verplichte snipperdagen aan te wijzen.
BEDRIJFSVOORSCHRIFTEN EN BIJBEHOREND SANCTIEREGLEMENT VOOR DE WERKNEMERS VALLEND ONDER DE CAO-MORTEL
1. Ziek- en hersteldmeldingsprocedure
De werknemer die wegens ziekte zijn arbeid niet kan verrichten, is verplicht hiervan op de eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid voor 's morgens 10.00 uur zijn werkgever of de door deze aangewezen uitvoerder of andere functionaris in kennis te stellen. Indien deze dag een zaterdag of een zon- of feestdag of een verlofdag is en op die dagen in het bedrijf van de werkgever niet wordt gewerkt, dient de ziekmelding op de eerstvolgende werkdag vóór 's morgens 10.00 uur te geschieden.
Indien de arbeidsongeschiktheid tijdens de werktijd ontstaat, moet deze melding terstond na het staken van het werk geschieden.
Deze verplichting laat onverlet de voorschriften van het UWV ter zake van ziekmeldingen.
Indien arbeidsongeschiktheid ontstaat tijdens een periode van verplichte bedrijfssluiting (vakantie en de periode rond Kerst en Nieuwjaar), dient de werknemer dit binnen 24 uur na de aanvang van de ongeschiktheid schriftelijk te melden aan de arbodienst.
De werknemer is verplicht de werkgever terstond op de hoogte te brengen van zijn herstel.
Aan iedere werknemer wordt een aantal blanco Eigen Verklaringen en antwoordenveloppen verstrekt. De werknemer is verplicht deze Eigen Verklaring reeds op de 1e dag van de ziekmelding aan de werkgever te zenden, ook wanneer de volgende dag het werk wordt hervat.
(zie model eigen verklaring)
De werknemer dient thuis te blijven tot het moment dat door of namens de werkgever contact is opgenomen (telefonisch, dan wel d.m.v. een bezoek), echter maximaal gedurende vijf dagen.
De werknemer mag alleen van huis gaan voor een bezoek aan een arts of om zijn werkzaamheden te hervatten.
Na het eerste controlebezoek, of na vijf dagen, dient de werknemer gedurende drie weken 's morgens tot 10.00 uur en 's middags tussen 12.00 en 14.30 uur thuis te zijn, tenzij de bedrijfsarts toestemming geeft om van huis te gaan.
De werknemer dient er rekening mee te houden dat namens de werkgever contact kan worden opgenomen door een door hem ingeschakelde Arbodienst. Dit contact kan bestaan uit een uitnodiging op het spreekuur te verschijnen, dan wel uit een bezoek van of telefonisch gesprek met de bedrijfsarts/bedrijfsverpleegkundige.
De werknemer dient controlebezoek door de Arbodienstmedewerkers mogelijk te maken. Deze moeten in staat gesteld worden de werknemer in zijn woning of op zijn verpleegadres te bezoeken.
Indien de werknemer tijdens arbeidsongeschiktheid verhuist of tijdelijk elders verblijft of van verpleegadres verandert (bijvoorbeeld opname in of ontslag uit een ziekenhuis), behoort hij dit binnen 24 uur aan de werkgever door te geven.
De werknemer die zich in het buitenland bevindt en arbeidsongeschikt wordt, dient zich te houden aan het bepaalde onder punt 1.
Ingeval van ziekmelding tijdens het verblijf in het buitenland dient de werknemer terstond naar Nederland terug te keren, na schriftelijke toestemming van huisarts en/of behandelend arts in het buitenland en na overleg met de arbodienst, tenzij de werkgever telefonisch of schriftelijk toestemming verleent het verblijf in het buitenland te continueren.
De werknemer dient voor vertrek toestemming van de bedrijfsarts/arts arbodienst te hebben indien hij tijdens arbeidsongeschiktheid een meerdaagse periode in het buitenland wil verblijven.
Aan een oproep om te verschijnen op het spreekuur van de Arbodienst dient de werknemer gevolg te geven.
Indien de werknemer een geldige reden tot verhindering heeft (bijvoorbeeld bedlegerigheid of ziekenhuisopname) dan behoort hij dit onmiddellijk aan de werkgever mede te delen. De werknemer hoeft niet op het spreekuur te verschijnen indien hij inmiddels zijn werkzaamheden heeft hervat.
De werknemer dient zich tijdens zijn arbeidsongeschiktheid zodanig te gedragen dat zijn genezing niet wordt belemmerd. Dit ter beoordeling van de arbodienst.
9. Het verrichten van werkzaamheden
De werknemer dient tijdens zijn arbeidsongeschiktheid geen arbeid te verrichten behalve werkzaamheden die de werknemer door of namens de werkgever worden aangeboden. De aangeboden vervangende werkzaamheden mogen het genezingsproces niet nadelig beïnvloeden en worden in overleg met de (bedrijfs)arts vastgesteld.
Zodra de werknemer weer in staat is aan het werk te gaan, dient hij niet een speciale opdracht daartoe af te wachten.
Indien men opnieuw het werk staakt binnen drie dagen na werkhervatting dient de werknemer op het eerstvolgende spreekuur van de bedrijfsarts/arts arbodienst te verschijnen.
11. Bezwaren tegen hersteldverklaring
Indien de werknemer na een bepaalde datum weer geheel of gedeeltelijk geschikt geacht wordt zijn werkzaamheden te hervatten terwijl de werknemer van mening is, dat hij op genoemde datum nog steeds arbeidsongeschikt is, dient hij een 2e mening/second opinion aan te vragen bij het UWV.
Indien de werknemer zich niet houdt aan de bovengenoemde bedrijfsvoorschriften bij ziekte gedurende de eerste 52 weken kan de werkgever besluiten tot het opleggen van sancties, tenzij de werknemer aantoont dat de overtreding van een controlevoorschrift hem niet verweten kan worden.
| A Overtredingen | Sanctie |
| 1e overtreding | schriftelijke waarschuwing |
| 2e overtreding | 3 dagen aanvulling inhouden |
| 3e overtreding | 6 dagen aanvulling inhouden |
| 4e overtreding | 9 dagen aanvulling inhouden |
| 5e overtreding | 12 dagen aanvulling inhouden |
| 6e en volgende | idem |
| B. Geen arbeidsongeschiktheid | geen loondoorbetaling |
Bij gelijktijdige overtreding van meerdere voorschriften zal de sanctie worden opgelegd die geldt bij de som van deze overtreden voorschriften. Hierbij geldt een referteperiode van één kalenderjaar.
De werknemer die geen salaris krijgt doorbetaald omdat de werkgever (na advies van de bedrijfsarts van de Arbodienst) van mening is, dat de werknemer in staat is „zijn arbeid" te verrichten, kan zich tot het UWV wenden voor een onafhankelijk oordeel.
Deze „second opinion" houdt in dat het UWV een medische keuring zal verrichten. Indien het UWV van mening is, dat er inderdaad sprake is van arbeidsongeschiktheid worden de kosten van de verstrekte uitkering en de medische keuring verhaald op de werkgever. Is er naar het oordeel van het UWV geen sprake van arbeidsongeschiktheid, dan worden de genoemde kosten verhaald op de werknemer.
Wanneer de werknemer het niet eens is met de uitspraak van het UWV kan hij in beroep gaan bij de sector Bestuursrecht van de Arrondissementsrechtbank.
Ook de werkgever kan het UWV verzoeken een second opinion uit te voeren.
Eigen Verklaring
Naam:
Adres:
Postcode:
Woonplaats:
1. Wanneer bent u arbeidsongeschikt geworden?
......dag.....................200 ...
voor 10.00 uur/tussen 10.00 en 15.00 uur/na 15.00 uur *)
2.
a. Bent u door een ongeval arbeidsongeschikt?
ja/nee *)
b. Is het een bedrijfsongeval?
ja/nee *)
c. Is het een verkeersongeval?
ja/nee *)
3. Met ingang van welke dag denkt u weer arbeidsgeschikt te zijn?
a ................................. dag ..................................200 ........ *)
b. onbekend *)
4. Onder welk telefoonnummer bent u te bereiken?
tel: ..............................................
Aldus naar waarheid ingevuld d.d. ............................................. 200 ......
Naam:
Handtekening:........................................... ...........................
*) Doorhalen van niet van toepassing is.
DISPENSATIEVOORWAARDEN ARTIKEL 15B BIJVERZEKERING WAO
Een onderneming die op basis van bedrijfsbelangen er de voorkeur aan geeft een afwijkende WAO-regeling te treffen, c.q. in stand te houden, zal daarbij moeten (blijven) voldoen aan de volgende voorwaarden:
1. De regeling moet uniform zijn voor alle werknemers in loondienst van de gedispenseerde werkgever;
2. De premie, op te brengen door de werknemer, mag niet meer bedragen dan de premie van de in de CAO bepaalde regeling;
3. De uitkering bij ingegane arbeidsongeschiktheid naar WAO-normen moet minimaal gelijk zijn aan de uitkering volgens de in de CAO bepaalde regeling;
4. Dispensatie van ondernemingen mag niet leiden tot onredelijke verhoging van de premie van het collectieve contract in de CAO;
5. In het algemeen mag dispensatie van een onderneming niet leiden tot rechtsongelijkheid van werkgevers en werknemers.
OVERZICHT VAN ARTIKELEN IN DEZE CAO WAARIN WORDT VERWEZEN NAAR DE IN DEZE CAO GENOEMDE FONDSEN
Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen:
– Artikel 15 lid 1c
– Artikel 16
– Artikel 16A lid 1 en 2
– Artikel 16B
– Artikel 21 lid 5
Stichting Vrijwillig Vervroegde Uittreding voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen:
– Artikel 29
– Bijlage II
– Bijlage IIA
Stichting Vroegpensioenregeling voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen:
– Artikel 29
– Bijlage IIA
VOORBEELD VAN EEN LOONBEREKENINGSFORMULIER

Toelichting op de salarisspecificatie
1. Hier staan de naam- en de adresgegevens vermeld van de onderneming waar u in dienst bent.
2. De vermelde datum heeft betrekking op de verwerkingsdatum van de salarisstrook en is niet gelijk aan de datum waarop uw salaris betaald is. De periode verwijst naar de maand waarin uw salaris is verwerkt.
3. Het personeelsnummer en de afdeling waaronder u geregistreerd bent in de administratie
4. Hier staan uw eigen naam-, adres- en woonplaatsgegevens
5. In dit blok staan alle salariselementen en vergoedingen van deze maand vermeld die belast zijn.
Het blok wordt afgesloten met een subtotaal van al deze brutobedragen.
5
A. Het uurloon van diverse uren wordt berekend door middel van een percentage van het salaris (Full-time maandsalaris), genoemd in punt 13.
6. In dit blok volgt een opsomming van alle inhoudingen als gevolg van de sociale verzekeringswetten en CAO-gebonden voorzieningen. Per sociale voorziening wordt het inhoudingspercentage en de grondslag waarover dit percentage wordt geheven gespecificeerd.
Het blok wordt afgesloten met de loonheffing volgens tabel en de loonheffing over bijzondere beloningen. De loonheffing omvat de door u betaalde loonbelasting en premies volksverzekeringen.
Bijzondere beloningen zijn incidentele salaris-elementen.
7. Alle onbelaste vergoedingen en eventueel onbelaste inhoudingen van deze maand staan hier vermeld.
Ook wordt hier het spaarloon- en premiespaarbedrag vermeld.
8. Onderstreept staat het totaal van het netto uit te betalen salaris van deze maand.
9. Hier staan de cumulatieve salarisgegevens, tot en met deze periode in geld.
Voor de omschrijvingen wordt verwezen naar toelichting 5,6,7 en 8.
10. Hier wordt aangegeven op welke wijze het totale netto salaris (zie 8) wordt uitbetaald en naar welke bank- of giro-rekening de bedragen worden overgemaakt.
11. Dit blok geeft aan hoe de grondslag voor de berekening van de inhoudingen (zie 6) tot stand is gekomen Hierbij moet u nog rekening houden met het feit dat voor de Sociale Verzekeringswetten (SVW) franchises en het maximum premiedaglonen kunnen gelden. Deze bedragen worden ieder jaar opnieuw vastgesteld.
12. Hier staan uw geboortedatum vermeld en de datum van indiensttreding.
13. Bij salaris staat uw maandsalaris vermeld op basis van een full-time dienstverband.
14. In dit blok staan fiscale gegevens vermeld. Uw sofi-nummer en of er wel of geen rekening gehouden wordt met heffingskorting, zoals door is aangegeven op de loonbelastingverklaring.
15. Hier staan noodzakelijke fiscale gegevens van deze maand en tot en met deze maand, zoals door de wet vereist wordt. Loon SVW is het salaris dat als grondslag dient voor de berekening van de inhoudingen.
Loon LH is het salaris dat als basis dient voor de berekening van de loonheffing.
16. Hier worden gegevens met betrekking tot de gewerkte dagen van deze maand en de gewerkte dagen SVW-loon.
17. De fiscale gegevens die hier staan, dienen als basis voor de berekening van de loonheffing over bijzondere beloningen.
VOORBEELD VAN EEN ARBEIDSOVEREENKOMST
1. ..................................................
hierna te noemen de werkgever,
en
2. ..................................................
geboren ..................................................
hierna te noemen de werknemer, verklaren heden te hebben gesloten een arbeidsovereenkomst, bij welke de werknemer zich verbindt met ingang van ..................................................
in dienst van de werkgever arbeid te verrichten op de grondslagen en de voorwaarden van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen en het bedrijfsreglement 1), zoals deze voor de onderneming van de werkgever zijn vastgesteld.
De dienstbetrekking wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.
De werknemer wordt aangenomen voor de functie van: ..................................................
en op grond hiervan ingedeeld in de functiegroep: ..................................................
Het bruto individueel loon voor de werknemer bedraagt € ..... bruto per ..........
Aldus in duplo opgemaakt te .....................
............................... 200..
De werkgever: | De werknemer: |
Wanneer de werknemer nog geen 18 jaar oud is, onderstaande clausule te doen ondertekenen door zijn wettelijke vertegenwoordiger(ster), (vader, moeder, voogd of voogdes).
Ondergetekende, in zijn (haar) kwaliteit van wettelijke vertegenwoordiger(ster) van de minderjarige werknemer ............................ verklaart deze tot het aangaan van bovenstaande arbeidsovereenkomst te hebben gemachtigd.
(Handtekening)
Statuten van de Stichting Sociaal Fonds voor de Mortelen Morteltransportondernemingen
1. De stichting draagt de naam „Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen". Zij wordt bij afkorting ook genaamd: sfm.
2. De stichting is gevestigd in Amsterdam.
Voor de toepassing van deze statuten en de reglementen wordt verstaan onder:
stichting: de in artikel 1 genoemde stichting;
CAO: de geldende collectieve arbeidsovereenkomst voor de Mortelen Morteltransportondernemingen;
bestuur: het bestuur van de stichting;
organisaties: de organisaties van werkgevers en werknemers, partij bij de CAO;
statuten: deze statuten;
reglement: reglement als bedoeld in artikel 15.
SFB CAO-Regelingen: de te Amsterdam gevestigde besloten vennootschap SFB CAO-Regelingen B.V.
werkgever: de werkgever in de zin van de CAO;
werknemer: de werknemer in de zin van de CAO;
WW: de Werkloosheidswet (Stb. 1986, 566);
WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1966, 84);
REA: de Wet op de (re)ïntegratie arbeidsgehandicapten (Stb. 1998, 290);
ZW: de Ziektewet (Stb. 1913, 204);
1. De stichting heeft de volgende deelfondsen, met in aansluiting op de desbetreffende bepalingen in de CAO, de volgende doelstellingen:
a. Fonds Scholing: dit fonds heeft als doel verlet-, cursus- en reiskosten te vergoeden voor scholingsdagen.
b. Fonds Vorming, Onderwijs en Arbeidsmarktbeleid: dit fonds stelt zich ten doel de financiering van vormings- en opleidings-activiteiten ten einde een goede werking van de arbeidsmarkt in de sector te bewerkstelligen en de employability van de werknemers in de sector te verbeteren en van activiteiten in het kader van de ontwikkeling van arbeidsmarktbeleid en de daarop door organisaties afgestemde projecten voor werklozen en gedeeltelijk arbeidsongeschikten door middel van het verzorgen van werkgelegenheidstrajecten.
c. Fonds Aanvullingen en Uitkeringen: dit fonds heeft als doel aan of ten behoeve van werknemers die een uitkering ontvangen krachtens de WW, WAO, REA of ZW een aanvulling te verstrekken of een verstrekking te doen.
d. Fonds Kinderopvang: dit fonds stelt zich ten doel, overeenkomstig het bepaalde in artikel 21, vijfde lid van de CAO de (gedeeltelijke) financiering van een kinderopvangregeling.
e. Daarnaast stelt de stichting zich ten doel het verstrekken van aanvullingen op WW en WAO-uitkeringen voor werknemers van 55 jaar en ouder die werkzaam zijn in een vierdaagse werkweek overeenkomstig het bepaalde in artikel 8A van de CAO.
2. De nadere voorwaarden voor financiering van activiteiten in het kader van de doelstellingen van de stichting en voor toekenning van genoemde aanvullingen en verstrekkingen, worden per deelfonds bij reglement vastgesteld.
De stichting tracht haar doel te bereiken door:
a. het innen en beheren van gelden in overeenstemming met het bepaalde in de statuten en reglementen;
b. het verstrekken van vergoedingen, aanvullingen en uitkeringen overeenkomstig het gestelde in de statuten en reglementen;
c. geld aan derden ter beschikking te stellen ter financiering van de kosten verband houdende met de in artikel 3 vermelde doelstellingen van de stichting;
d. inzet van andere wettige middelen, die tot het doel bevorderlijk kunnen zijn.
De geldmiddelen van de stichting bestaan uit:
a. de bijdragen die ter uitvoering van het doel van de stichting door de werkgevers en de werknemers worden opgebracht op de wijze als door partijen bepaald en nader vastgesteld in het bijdrage-reglement;
b. renten;
c. eventuele andere baten.
Het bestuur stelt een bijdragereglement vast waarin ten minste zijn geregeld de wijze van vaststelling en de hoogte van de bijdragen en de wijze van incasseren daarvan.
1. Het bestuur van de stichting bestaat uit zes leden.
2. De bestuursleden worden als volgt benoemd:
a. drie leden door de VOBN, gevestigd te Veenendaal, of diens rechtsopvolger, partij bij de CAO;
b. twee leden door de FNV Bouw, gevestigd te Woerden en één lid door de Hout- en Bouwbond CNV, gevestigd te Odijk, of diens rechtsopvolgers, partij bij de CAO;
3. De benoeming van een bestuurslid geschiedt voor onbepaalde tijd.
4. Voor ieder bestuurslid kan een plaatsvervanger worden benoemd. Hetgeen is bepaald ten aanzien van bestuursleden geldt evenzeer voor de plaatsvervangers.
5. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt:
a. door overlijden;
b. door schriftelijk bedanken;
c. door vervanging door de organisatie, die het betreffende bestuurslid benoemde;
d. door ondercuratelestelling of faillissement.
6. De leden van het bestuur mogen, noch middelijk, noch onmiddellijk, deelnemen aan leveringen of aannemingen ten behoeve van de stichting, noch op enigerlei wijze belang hebben bij beleggingen van haar gelden.
1. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: één van werkgeverszijde en één van werknemerszijde: deze vertegenwoordigen tezamen de stichting in en buiten rechte. De stichting wordt tevens door het bestuur vertegenwoordigd.
2. Om beurten treden de voorzitters voor de tijd van een jaar als voorzitter en als tweede voorzitter op. Het bestuur wijst bij de eerste benoeming van twee voorzitters aan, welke van hen beiden gedurende het eerste boekjaar als voorzitter en welke als tweede voorzitter zal optreden.
3. Het bestuur kiest uit zijn midden twee secretarissen: één van werkgeverszijde en één van werknemerszijde. Indien als voorzitter een werkgeversvertegenwoordiger fungeert, fungeert als secretaris de secretaris van werknemerszijde, en omgekeerd.
1. Het bestuur is bevoegd uit naam van de stichting alle handelingen te verrichten, welke met de doelstelling in overeenstemming zijn en die niet bij of krachtens deze statuten aan de bevoegdheid van het bestuur onttrokken zijn.
2. Het bestuur kan uitdrukkelijk omschreven bevoegdheden delegeren aan SFB CAO-Regelingen en/of aan door het bestuur, al dan niet geheel uit zijn midden, benoemde paritaire commissies. Daarbij kunnen deze commissies, volgens door het bestuur te stellen richtlijnen, een deel van deze bevoegdheden weer overdragen aan SFB CAO-Regelingen. De gedelegeerde bevoegdheden worden door de commissies en SFB CAO-Regelingen uitgeoefend onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.
3. Het bestuur stelt conform artikel 15 reglementen vast die de wijze waarop het doel van de stichting zal worden bereikt en die zaken, welke nadere voorziening behoeven, regelen.
1. Opdat de stemverhouding tussen de twee in het bestuur vertegenwoordigde groeperingen zo gelijk mogelijk blijft, kan het bestuur alleen besluiten nemen in een vergadering waarin van beide groeperingen ten minste één bestuurslid aanwezig is. Een besluit met betrekking tot wijziging van statuten, reglementen of ontbinding van de stichting kan slechts genomen worden met inachtneming van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, sub d.
2. De bestuursleden brengen in beginsel ieder een gelijk aantal stemmen ter vergadering uit. Wanneer een of meer bestuursleden ter vergadering afwezig is (zijn) brengt (brengen) het (de) andere bestuurslid (leden), dezelfde groepering als de afwezige(n) vertegenwoordigend, uit eigen hoofde de stem(men) van de afwezige(n) mede uit.
3. Voorzover in deze statuten niet anders is bepaald, kunnen geldige besluiten slechts worden genomen met volstrekte meerderheid der geldig uitgebrachte stemmen.
4. Over zaken wordt mondeling, over personen wordt bij voorkeur schriftelijk gestemd.
5. Bij staking van stemmen wordt het voorstel in een volgende vergadering opnieuw aan de orde gesteld. Staken de stemmen wederom, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
6. Indien een bestuurslid niet ter vergadering aanwezig kan zijn, kan hij een medebestuurslid machtigen zijn stem uit te brengen middels een schriftelijke volmacht.
De stichting heeft haar administratie en uitvoerende taken opgedragen aan SFB CAO-Regelingen, maar kan, indien het bestuur zulks nodig acht, deze taken opdragen aan een andere organisatie onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.
1. Het bestuur is belast met het beheer van het fondsvermogen.
2. De in artikel 5, onder a, bedoelde bijdragen worden geadministreerd in de in artikel 3 genoemde vier afzonderlijke fondsen.
3. De beleggingen van de stichting zullen door het bestuur op een zodanige wijze geschieden dat:
a. een redelijke spreiding naar aard en risico der bezittingen en interessen wordt verkregen;
b. een optimaal rendement wordt verkregen;
c. geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt gelopen. Daarenboven zal door het bestuur uit vermogenswinsten en/of opbrengsten een reserve worden gevormd ter dekking van het overblijvende risico van vermogensverliezen.
4. De aan de stichting toebehorende zaken worden, indien zij niet ten kantore worden gehouden, in bewaring gegeven bij een ingevolge de Wet Toezicht Kredietwezen geregistreerde instelling.
5. De kosten van beheer met betrekking tot een boekjaar komen ten laste van de rekening van lasten en baten over dat boekjaar.
6. Het bestuur kan zich terzake van het beheer laten adviseren.
1. Uiterlijk in de maand december wordt de begroting van inkomsten en van uitgaven voor het eerstvolgende boekjaar vastgesteld. De begroting moet zijn ingericht en gespecificeerd volgens de in artikel 3 genoemde bestedingsdoelen.
2. De begroting van inkomsten en uitgaven behoeft de goedkeuring van de organisaties.
3. De begroting van inkomsten en uitgaven is op aanvraag beschikbaar voor de organisaties.
4. De begroting wordt op aanvraag aan de bij de stichting betrokken werkgevers en werknemers toegezonden tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.
1. Het boekjaar van het fonds valt samen met het kalenderjaar.
2. Het bestuur legt van zijn beleid jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar schriftelijk verantwoording af aan de organisaties die partij zijn bij de CAO door middel van een verslag.
3. Het in het tweede lid bedoelde verslag bevat:
a. een algemeen overzicht van de werkzaamheden van de stichting gedurende het afgelopen boekjaar;
b. een overzicht van de specifieke werkzaamheden van de stichting per in artikel 3 genoemd deelfonds;
c. een rekening en verantwoording omtrent het beheer van de stichting, bestaande uit een balans en een rekening van baten en lasten, vergezeld van een verklaring van een registeraccountant of accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid terzake van zijn bevindingen bij de controle opgedaan. In de rekening en verantwoording zal voor elk doel afzonderlijk vermeld worden welke middelen en welke uitgaven aan dat doel moeten worden toegerekend;
d. het verslag moet zijn gespecificeerd en gecontroleerd door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid, uit welke stukken moet blijken dat de uitgaven conform de bestedingsdoelen genoemd in artikel 3 zijn gedaan;
e. in voorkomende gevallen mededelingen omtrent de wijzigingen die in de statuten en/of reglement(en) hebben plaatsgehad.
4. Het saldo, zoals dit blijkt uit de laatstelijk vastgestelde balans, wordt toegevoegd aan de middelen van het volgende boekjaar.
5. Het jaarverslag wordt toegezonden aan de werkgevers- en werknemersorganisaties betrokken bij de CAO.
6. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden ter inzage van de bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers gelegd: ten kantore van het fonds; op één of meer door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen plaatsen;
7. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden op aanvraag van de bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers toegezonden tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.
8. Het bestuur benoemt, gehoord SFB CAO-Regelingen, een externe registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid aan wie de controle van de jaarrekening wordt opgedragen.
9. De accountant of accountant-administratieconsulent is gerechtigd tot inzage van alle boeken en bescheiden van de stichting. De waarden van de stichting moeten hem desgevraagd worden getoond.
10. De accountant of accountant-administratieconsulent brengt tenminste jaarlijks een rapport uit over zijn bevindingen.
11. Indien sprake is van subsidie-verzoekende instellingen dienen deze instellingen een begroting in te dienen welke moet zijn gespecificeerd volgens de bestedingsdoelen en activiteiten die zijn genoemd in artikel 3 van de statuten.
12. De subsidie-ontvangende instellingen dienen jaarlijks een door een registeraccountant of accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid gecontroleerde verklaring over te leggen over de besteding van de gelden, welke verklaring (tenminste) moet zijn gespecificeerd volgens de in artikel 3 genoemde bestedingsdoelen en activiteiten en deze verklaring dient een geintegreerd onderdeel uit te maken van het financiële jaarverslag van de stichting.
1. Het bestuur kan één of meer reglementen vaststellen; deze behoeven goedkeuring van de bij de CAO betrokken partijen.
2. De bepalingen van de reglementen mogen niet in strijd zijn met de bepalingen van deze statuten of met de wet.
1. Wijziging statuten
a. Wijzigingen in de statuten kunnen worden aangebracht bij besluit van het bestuur.
b. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen in een bijzondere daartoe uitgeschreven vergadering, waarin ten minste twee werkgevers- en ten minste twee werknemersleden van het bestuur aanwezig zijn. De uitnodiging voor deze vergadering moet met het voorstel uiterlijk veertien dagen voor de vergadering aan de bestuursleden worden toegezonden.
c. Indien in een vergadering, waarin een statutenwijziging zal worden behandeld, niet het voor het nemen van een besluit vereiste aantal leden aanwezig is, zal binnen een maand nadien een tweede vergadering worden gehouden, op te roepen met inachtneming van de voor oproeping gestelde termijn, welke ongeacht het ter vergadering aanwezige aantal leden tot het nemen van een besluit bevoegd zal zijn.
d. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen met een meerderheid van ten minste twee/derde van de uitgebrachte geldige stemmen.
e. Een unanieme schriftelijke verklaring van de gezamenlijke in functie zijnde bestuursleden heeft dezelfde rechtskracht als een besluit, genomen met algemene stemmen in een bestuurs-vergadering waarin alle fungerende bestuursleden aanwezig zijn.
f. Een statutenwijziging treedt in werking, indien deze door partijen is goedgekeurd. Ter verkrijging van de goedkeuring wordt de wijziging toegezonden aan de organisaties. Een organisatie wordt geacht haar goedkeuring te hebben verleend, indien zij niet binnen vier weken na de toezending van het tegenovergestelde heeft doen blijken door het insturen van haar op schrift gestelde bezwaren.
g. Een statutenwijziging treedt eerst in werking nadat hiervan een notariële akte is opgemaakt en een door het bestuur ondertekend exemplaar van de wijziging voor een ieder ter inzage is neergelegd ter griffie van het kantongerecht Amsterdam.
h. Het bestuur is verplicht een authentiek afschrift van de wijziging, alsmede de gewijzigde statuten neer te leggen ten kantore van het openbaar handelsregister, gehouden bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Amsterdam.
2. Wijziging reglement
Het bestuur is bevoegd wijzigingen in het reglement aan te brengen. Dienaangaande is het bepaalde in artikel 16, lid 1, sub a tot en met f van overeenkomstige toepassing.
1. Voor een besluit tot ontbinding van de stichting gelden dezelfde bepalingen als voor een besluit tot wijziging der statuten.
2. In geval van ontbinding zal, tenzij partijen een ander besluit nemen, het bestuur met de liquidatie zijn belast.
3. Het bestuur beslist over de bestemming van een batig saldo. Een batig saldo moet worden bestemd voor een doel dat het meest overeenkomt met het doel van de stichting.
1. In alle gevallen, waarin niet door de wet, deze statuten of de reglementen van de stichting is voorzien, beslist het bestuur.
2. De laatste wijziging van deze statuten vond plaats in de vergadering van het bestuur van 12 juni 2003.
Bijdragereglement ingevolge artikel 6 van de statuten van de Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen
Vastgesteld op 12 juni 2003
In dit reglement wordt verstaan onder:
stichting: de Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen;
de statuten: de statuten van de stichting;
CAO: de geldende collectieve arbeidsovereenkomst voor de Mortelen Morteltransportondernemingen;
bestuur: het bestuur van de stichting;
werkgever: de werkgever in de zin van de CAO;
werknemer: de werknemer in de zin van de CAO;
SFB CAO-Regelingen: de te Amsterdam gevestigde besloten vennootschap SFB CAO-Regelingen B.V.
1. De werkgever is aan de stichting een bijdrage verschuldigd voor de financiering van de in de statuten omschreven doelstellingen.
2. De bijdrage wordt vastgesteld in de vorm van een percentage van het door de werkgever aan zijn werknemers uitbetaalde loon. Als loon wordt aangemerkt het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
3. De hoogte van de in lid 1 bedoelde bijdrage en de verdeling over de fondsen als genoemd in artikel 3, lid 1 van de statuten, wordt elk jaar door het bestuur van de stichting aan de hand van een begroting geschat en (voorlopig) vastgesteld. Deze begroting wordt direct ter beschikking gesteld van partijen bij de CAO. De hoogte wordt pas definitief vastgesteld door het bestuur nadat daarover door partijen bij de CAO overeenstemming is bereikt.
1. De invordering van de in artikel 2 bedoelde bijdrage is opgedragen aan SFB CAO-Regelingen.
2. De stichting heeft ten aanzien van de bijdrageverplichtingen van de werkgevers aan de stichting een zelfstandig recht op invordering.
3. De bijdrage wordt aan het eind van elk kalenderjaar terstond en ineens opeisbaar.
1. De betaling van de verschuldigde bijdrage dient per loonbetalings-tijdvak, maar ten minste eenmaal per maand plaats te vinden.
2. Indien de betaling niet binnen veertien dagen na afloop van elke hiervoor bedoelde periode heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.
3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen over de achterstallige betalingen.
4. Deze rente is gelijk aan de wettelijke rente.
5. Het bestuur is bevoegd van invordering van rente geheel of gedeeltelijk af te zien.
6. SFB CAO-Regelingen is bevoegd tot uitvoering van het bepaalde in de leden 3 en 5.
Reglement Scholing ingevolge artikel 3, lid 2, van de statuten van de Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen
Vastgesteld op 12 juni 2003
In dit reglement wordt verstaan onder:
stichting: de Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen;
CAO: de geldende collectieve arbeidsovereenkomst voor de Mortelen Morteltransportondernemingen;
bestuur: het bestuur van de stichting;
werkgever: de werkgever in de zin van de CAO;
werknemer: de werknemer in de zin van de CAO;
het loon: het bruto individueel overeengekomen loon in de zin van de CAO;
opleidingsinstituut: een door het bestuur aangewezen opleidings-instituut;
verletkosten: het loon, alsmede de over dat loon op grond van de CAO door de werkgever verschuldigde premies en bijdragen.
SFB CAO-Regelingen: de te Amsterdam gevestigde besloten vennootschap SFB CAO-Regelingen B.V.
1. De werkgever heeft tegenover de stichting aanspraak op vergoedingen van kosten verbonden aan het volgen van door het bestuur aangewezen cursussen die worden verzorgd door het opleidingsinstituut.
2. De cursus dient te zijn gericht op het beroep en/of de loopbaanontwikkeling van de werknemer en moet leiden tot verbreding, verdieping of bijhouden van vaktechnische en/of sociaal-technische vaardigheden.
3. De duur van de cursus wordt door het bestuur bepaald.
De werkgever heeft tegenover de stichting aanspraak op vergoeding van verletkosten verbonden aan het volgen van door het bestuur aangewezen cursussen.
1. De cursuskosten zijn, met inachtneming van het onder lid 2 bepaalde, door de werkgever verschuldigd.
2. Er komen geen cursuskosten ten laste van de werknemer.
3. De stichting vergoedt aan de werkgever de volledige cursuskosten, tenzij het bestuur anders bepaalt.
1. De werknemer kan de reiskosten in verband met het volgen van de cursus volgens de daarvoor geldende bepalingen in de CAO bij zijn werkgever declareren.
2. De werkgever kan in het kader van de in het eerste lid genoemde kosten een vast bedrag per dag bij de stichting declareren. Dit bedrag wordt, na verkregen goedkeuring van partijen, jaarlijks door het bestuur vastgesteld.
Indien de werkgever een opeisbare schuld aan de stichting heeft, wordt deze schuld verrekend met de aanspraken als bedoeld in artikel 3 tot en met 5.
Het bestuur is bevoegd nadere regels te stellen ten aanzien van door de stichting te verstrekken vergoedingen, indien een werkgever een declaratie inzendt voor werknemers of gewezen werknemers die tijdens de cursusdagen recht hebben op een Ziektewet- of Werkloosheidsuitkering.
1. De werkgever kan zijn aanspraak tegenover de stichting slechts geldend maken door middel van door of vanwege de stichting ter beschikking gestelde declaratiestaten.
2. De declaratiestaat dient, volledig ingevuld en ondertekend, zo spoedig mogelijk te worden ingediend op een door het bestuur aangewezen adres.
3. Op de declaratiestaat verklaart de werknemer dat hij de daarop voorkomende hem betreffende vragen naar waarheid heeft beantwoord, welke verklaring door hem wordt ondertekend. Indien een gemachtigde voor de werknemer tekent, dient een schriftelijke volmacht aan de declaratiestaat te worden gehecht.
4. De werkgever is gehouden om, ook nadat de declaratie is voldaan, op verzoek van het bestuur de juistheid van de ingediende declaratiestaat aan te tonen, onder meer door overlegging van administratieve bescheiden. Indien en voorzover de werkgever desverlangd de juistheid van een door hem ingediende en door de stichting voldane declaratiestaat niet aantoont, dient hij het betrokken bedrag op eerste vordering aan de stichting te restitueren.
5. De werkgever dient bij de inzending van de declaratiestaat een bewijs van deelname, afgegeven door het opleidingsinstituut, te voegen.
1. SFB CAO-Regelingen zal de vergoedingsbedragen betalen binnen vier weken na ontvangst van de desbetreffende declaratiestaat.
2. De vergoedingsbedragen zullen op het bij SFB CAO-Regelingen bekende rekeningnummer van de werkgever worden overgeschreven.
1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan degene die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen is gemachtigd, inzage te verlenen in alle bescheiden en voorts alle overige inlichtingen te verschaffen die worden gevraagd ten behoeve van de uitvoering van het bepaalde in de statuten van de stichting en in dit reglement.
2. Degene aan wie bij uitvoering van het bepaalde in de statuten van de stichting of in dit reglement enig bedrijfsgegeven ter kennis komt waarvan hij het vertrouwelijke karakter moet begrijpen, is dienaangaande jegens derden tot geheimhouding verplicht.
Om een efficiënte werking van de stichting te verzekeren, kunnen door het bestuur nadere voorschriften gegeven worden in overeenstemming met de bepalingen van dit reglement, mits deze voorschriften niet in strijd komen met een of meer bepalingen van de CAO.
In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist het bestuur.
Reglement Vorming, Onderwijs en Arbeidsmarktbeleid ingevolge artikel 3, lid 2, van de statuten van de Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen
Vastgesteld op 12 juni 2003
In dit reglement wordt verstaan onder:
stichting: de Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen;
CAO: de geldende collectieve arbeidsovereenkomst voor de Mortelen Morteltransportondernemingen;
bestuur: het bestuur van de stichting;
werkgever: de werkgever in de zin van de CAO;
werknemer: de werknemer in de zin van de CAO;
subsidie: de geldelijke vergoeding die door de stichting wordt verstrekt aan natuurlijke- of rechtspersonen die door het bestuur goedgekeurde activiteiten als bedoeld in artikel 3 van de statuten verrichten.
SFB CAO-Regelingen: de te Amsterdam gevestigde besloten vennootschap SFB CAO-Regelingen B.V.
De subsidiegerechtigde heeft ten opzichte van de stichting de aanspraken die hij aan de statuten en dit reglement kan ontlenen.
1. Ten behoeve van projecten:
– Tijdstip van indiening
Een aanvraag ten behoeve van subsidiëring van projecten dient voor 1 november voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor subsidiëring gevraagd wordt te zijn ingediend.
– Vermelding van gegevens in de subsidieaanvraag
De ingediende verzoeken om subsidie dienen de volgende gegevens te bevatten: omschrijving doelstelling van de activiteiten, alsmede de te volgen werkwijze; aanvangsdatum en geschatte tijdsduur; uitvoerende personen c.q. instelling; geraamde kosten, gespecificeerd in: a. voorbereidende kosten; b. tarieven, mandagen, uren e.d.; c. werkzaamheden derden; d. raming beschikbaarheid geldbehoefte.
– Voortgangsrapportage bij toewijzing
Per kwartaal dient informatie te worden verstrekt, waaruit per activiteit moet blijken:
a. totaal verwerkt bedrag tot moment van rapportage;
b. het nog beschikbare bedrag;
c. de nog te verwachten uitgaven;
d. percentage gereed;
e. de eventueel te verwachten afwijkingen;
f. de gerealiseerde activiteiten en de geprogrammeerde activiteiten in tijd gezien
– Beëindiging van een project
Indien bij de beëindiging van een project een eindrapport wordt opgesteld, dient een exemplaar van dat eindrapport aan het bestuur van de stichting te worden verstrekt. Eveneens dient een definitieve afrekening aan het bestuur van de stichting te worden verstrekt, vergezeld van een goedkeurende verklaring van een externe accountant.
2. Ten behoeve van doorlopende bijdragen aan subsidiegenietende instellingen:
– Tijdstip van indiening begroting
De desbetreffende instelling dient per kalenderjaar een begroting over haar activiteiten op te stellen. Deze jaarbegroting dient voor 1 november voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, te zijn ingediend.
– Samenstelling begroting
De begroting dient te zijn samengesteld uit zogenaamde kostensoorten met zo nodig een specificatie per deelpost op de begroting en een toelichting.
– Kwartaalverantwoording
De subsidiegenietende instelling dient ieder kwartaal een overzicht te verstrekken, waarin naast de begrote cijfers opgenomen zijn (cumulatief) de uitgaven c.q. verwerkte bedragen tot en met dat kwartaal.
– Verklaring registeraccountant
De subsidiegenietende instelling dient elk jaar een verklaring van een externe registeraccountant aan het bestuur van de stichting te verstrekken met betrekking tot de besteding van de subsidie aan de activiteiten ten behoeve waarvan zij is toegekend.
3. Overschrijdingen op activiteiten en begrotingen:
a. Alle relevante overschrijdingen op toegewezen bedragen inzake activiteiten en begrotingen dienen in een zo vroeg mogelijke fase aan het bestuur van de stichting kenbaar te worden gemaakt met opgave van redenen.
b. Relevante overschrijdingen binnen een begroting van de deelposten dienen eveneens – zo nodig mondeling – aan het bestuur van de stichting te worden gemeld.
c. Voor overboekingen van bedragen binnen een begroting van de ene deelpost naar de andere deelpost, dient vooraf toestemming te worden gevraagd aan het bestuur van de stichting.
Om te voorkomen dat er bij de subsidie genietende instellingen overtollige liquide middelen aanwezig zijn, zullen betalingen aan deze instellingen uitsluitend plaatsvinden op grond van de werkelijk door hen te verrichten uitgaven. Hiertoe zal de wijze van betaling, alsmede het betalingsschema, in overleg worden vastgesteld door het bestuur van de stichting en de desbetreffende instelling.
Het bestuur van de stichting heeft tot taak de doelmatigheid van de uitgaven van de subsidie genietende instellingen te bezien en te toetsen of die uitgaven rechtmatig zijn ontleend aan de begrotingen.
Het bestuur van de stichting is bevoegd te allen tijde de besteding van de ter beschikking gestelde gelden te doen controleren door een door het bestuur aan te wijzen externe accountant.
Reglement verstrekking WW-aanvullingen ingevolge artikel 3, lid 2, van de statuten van de Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransport-ondernemingen (AR-WW SFM)
Vastgesteld op 12 juni 2003
ALGEMEEN
In dit reglement wordt verstaan onder:
de stichting: de Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransport-ondernemingen;
de statuten: de statuten van de stichting;
het bestuur: het bestuur van de stichting;
CAO: de geldende collectieve arbeidsovereenkomst voor de Mortelen Morteltransportondernemingen;
de werkgever: de werkgever als bedoeld in artikel 2 van de statuten;
de werknemer: de werknemer als bedoeld in artikel 2 van de statuten en degene die laatstelijk voordat er krachtens artikel 17, 18 of 52b WW voor hem een recht op uitkering ontstond, werknemer was in de zin van artikel 2 van de statuten;
loongerelateerde uitkering: uitkering als bedoeld in hoofdstuk IIa van de WW;
kortdurende uitkering: uitkering als bedoeld in hoofdstuk IIb van de WW;
vakantietoeslag: de vakantiebijslag als bedoeld in artikel 33 van de WW en de vakantie-uitkering als bedoeld in artikel 10 van de TW;
pensioenpremie: de betaling voor de voortzetting van de pensioenopbouw conform het daarover bepaalde bij of krachtens de laatstelijk op de werknemer van toepassing zijnde CAO;
de WW: de Werkloosheidswet;
het U.R.: het Uitkeringsreglement WW 1997, zoals vastgesteld door het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
de TW: de Toeslagenwet.
RECHTEN
1. Een werknemer die over een dag in de eerste 13 weken van de periode als bedoeld in artikel 42 van de WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van een uitkering, heeft over die dag jegens de stichting recht op betaling van een bedrag ter aanvulling van het over die dag krachtens de WW aan hem te betalen bedrag.
2. Als voor het verstrijken van de termijn van 13 weken als bedoeld in het eerste lid van dit artikel het recht op uitkering WW geheel wordt beëindigd wegens het ontvangen van een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, WW, wordt die termijn van 13 weken verlengd met de periode gelegen tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering WW. Als een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, WW niet wordt uitbetaald wegens een omstandigheid als genoemd in artikel 19, tweede lid, WW, wordt het niet betalen daarvan voor de vaststelling van de aanvullings-termijn gelijkgesteld met het ontvangen van die uitkering.
3. De hoogte van de aanvullende betaling is gelijk aan 10/70ste deel van het aan werknemer over de desbetreffende dag krachtens de WW uit te betalen bedrag.
4. Onder „het krachtens de WW aan werknemer uit te betalen bedrag" wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan: Het krachtens artikel 33, eerste lid en de artikelen 34 tot en met 41 van de WW te betalen bedrag verminderd met:
a. Een krachtens artikel 33, derde en vierde lid WW als vakantietoeslag te reserveren en uit te betalen bedrag,
b. Een krachtens artikel 12 van het U.R. niet aan werknemer maar aan een Pensioenfonds, dan wel pensioenverzekeraar uit te betalen deel van de uitkering krachtens de WW.
5. Als artikel 14 van de TW wordt toegepast, wordt bij de berekening van de hoogte van de te verstrekken aanvulling uitgegaan van de toeslag zoals deze werd verstrekt zonder toepassing van artikel 14 TW.
1. Een werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO en die over een dag in de eerste 13 weken van de periode als bedoeld in artikel 52g WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van een uitkering, heeft, als hij zich daarvoor meldt, over die dag jegens de stichting recht op betaling van een bedrag ter aanvulling van het over die dag krachtens de WW aan hem te betalen bedrag, tenzij hij als gevolg van wettelijke bepalingen geen voordeel heeft van deze aanvulling.
2. Het tweede tot en met vijfde lid van artikel 2 zijn van overeenkomstige toepassing.
1. Een werknemer die over een dag of een deel van die dag in de eerste 13 weken van de periode als bedoeld in artikel 18, eerste lid van de WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van een uitkering, heeft over die dag jegens de stichting recht op betaling van een bedrag ter aanvulling van het over die dag krachtens de WW aan hem te betalen bedrag.
2. Op het in het eerste lid bepaalde is artikel 2, tweede, derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing.
1. Een werknemer die over een dag gelegen in de eerste 6 maanden van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van een vakantietoeslag, heeft over die dag jegens de stichting recht op betaling van een bedrag ter aanvulling van de hem te betalen vakantietoeslag.
2. Een werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werknemer was in de zin van de CAO en die over een dag gelegen binnen de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 52g WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van een vakantietoeslag, heeft, als hij zich daarvoor meldt, over die dag jegens de stichting recht op betaling van een bedrag ter aanvulling van de hem te betalen vakantietoeslag.
3. De melding die in het tweede lid van dit artikel wordt genoemd, dient binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag plaats te vinden;
4. De hoogte van de aanvullende vakantietoeslag is gelijk aan 30/70ste deel van de hem over de desbetreffende dag krachtens de WW uit te betalen vakantietoeslag, verminderd met de hem eventueel over die dag krachtens de TW uit te betalen vakantietoeslag.
5. Als voor het verstrijken van een termijn als bedoeld in het eerste of tweede lid van dit artikel het recht op uitkering WW geheel wordt beëindigd wegens het ontvangen van een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a WW, wordt die termijn verlengd met de periode gelegen tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering WW. Als een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, WW niet wordt uitbetaald wegens een omstandigheid als genoemd in artikel 19, tweede lid, WW, wordt het niet betalen daarvan voor de vaststelling van de aanvullingstermijn gelijkgesteld met het ontvangen van die uitkering.
6. De aanvullende vakantietoeslag wordt gelijktijdig met de te betalen vakantietoeslag uitbetaald aan de persoon waaraan de krachtens de WW te betalen vakantietoeslag wordt uitbetaald.
7. Als artikel 14 van de TW wordt toegepast, wordt bij de berekening van de hoogte van de te verstrekken aanvulling uitgegaan van de toeslag zoals deze werd verstrekt zonder toepassing van artikel 14 TW.
1. Een werknemer die over een dag in de periode als bedoeld in artikel 18, eerste lid dan wel over een dag gelegen in de eerste 6 maanden van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 WW, op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op uitkering, heeft over die dag jegens de stichting recht op betaling van een bedrag aan een pensioenverzekeraar, eventueel ter aanvulling van het krachtens de WW aan een pensioenverzekeraar te betalen bedrag.
2. De hoogte van deze aanvullende betaling is gelijk aan de som van:
a. 30/70ste deel van het over de betreffende dag krachtens de WW ten gunste van werknemer aan de pensioenverzekeraar te betalen bedrag en
b. het, met een breuk te vermenigvuldigen, werkgeversdeel van de pensioenpremie, welke begrepen is in het bedrag dat bij het ontstaan van het recht op WW-uitkering als dagloon zou zijn berekend, als dit werkgeversdeel van de pensioenpremie loon zou zijn voor de berekening van het WW-dagloon en artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast. De teller van de breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van de over die dag in feite aan werknemer toekomende WW-uitkering. De noemer van de breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van 70% van het bedrag dat bij het ontstaan van het recht op WW-uitkering als dagloon zou zijn berekend, indien artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast.
3. Als het dagloon, waarnaar de uitkering krachtens de WW waarbij de aanvulling wordt verstrekt, is vastgesteld met toepassing van artikel 11, derde, vierde of vijfde lid van het Bijzonder Dagloonbesluit IWS Bouwnijverheid, is de hoogte van deze aanvullende betaling voor zover nodig in afwijking van het vermelde in het tweede lid gelijk aan de som van:
a. 30/70ste deel van het over de betreffende dag krachtens de WW ten gunste van werknemer aan de pensioenverzekeraar te betalen bedrag en
b. het, met een breuk te vermenigvuldigen, werkgeversdeel van de pensioenpremie, welke begrepen is in het bedrag dat bij het ontstaan van het recht op WW-uitkering als secundair dagloon zou zijn berekend, als dit werkgeversdeel van de pensioen-premie loon zou zijn voor de berekening van het WW-dagloon en artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast. De teller van de breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van de over die dag in feite aan werknemer toekomende WW-uitkering. De noemer van de breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van 70% van het bedrag dat bij het ontstaan van het primaire recht op WW-uitkering als primair dagloon zou zijn berekend, als artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast.
4. Als het dagloon, waarnaar een werkloosheidsuitkering is berekend krachtens het bepaalde in artikel 14, eerste en tweede lid van de Dagloonregels Invoeringswet Stelselherziening sociale zekerheid is afgeleid van het dagloon voor de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering, bedraagt deze aanvullende betaling in afwijking van het vermelde in het tweede lid en derde lid, het bedrag aan pensioenpremie welke begrepen is in het bedrag dat bij het ontstaan van het recht op WW-uitkering als dagloon zou zijn berekend als het werknemers- en het werkgeversdeel van de pensioenpremie loon zouden zijn voor de berekening van het dagloon voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast, vermenigvuldigd met een breuk. De teller van de breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van de over die dag in feite aan werknemer toekomende WW-uitkering. De noemer van de breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van 70% van het bedrag dat bij het ontstaan van het recht op WW-uitkering als dagloon zou zijn berekend, als artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast.
5. Een werknemer heeft geen recht op de in het eerste lid van dit artikel bedoelde betaling vanuit de stichting, als tijdens werkloosheid sprake is van een recht op pensioenopbouw via het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering.
6. De aanvullende pensioenpremiebetaling wordt gelijktijdig met het krachtens de WW te betalen bedrag uitbetaald aan de pensioenverzekeraar waaraan dat bedrag wordt uitbetaald.
1. Een werknemer die over een dag in de periode als bedoeld in artikel 52g WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van die uitkering en op wie onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met 52a WW, de CAO Bouwbedrijf, de CAO Uta bouwbedrijven, de CAO Stukadoorsbedrijf, de CAO Natuursteenbedrijf of de CAO Mortel van toepassing was, heeft over die dag jegens de stichting recht op betaling van een bedrag aan een pensioenverzekeraar.
2. Een werknemer op wie onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, de CAO Bouwbedrijf, de CAO Uta bouwbedrijven, de CAO Natuursteenbedrijf of de CAO Mortel van toepassing was, dient zich voor de aanvulling te melden. De melding dient binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag plaats te vinden.
3. De hoogte van de betaling aan de pensioenverzekeraar is gelijk aan de hoogte van de betaling die zou zijn vastgesteld als de werknemer bedoeld in het eerste lid recht zou hebben gehad op een loongerelateerde uitkering en artikel 18 op hem van toepassing zou zijn geweest, vermeerderd met het deel dat krachtens de WW aan de pensioenverzekeraar zou zijn betaald.
4. De betaling aan de pensioenverzekeraar wordt gedaan op het moment dat het krachtens de WW te betalen bedrag aan de pensioenverzekeraar zou zijn betaald als artikel 18 van toepassing zou zijn.
De artikelen 3 tot en met 5, 7 en 9 tot en met 11 zijn van overeenkomstige toepassing voor een werknemer die op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten recht heeft op een reïntegratie-uitkering.
OVERIGE BEPALINGEN
1. Het bestuur kan toestaan dat de betaling van de aanvulling als bedoeld in artikel 6 van dit reglement door tussenkomst van de werkgever plaatsvindt.
2. De werkgever aan wie het bestuur heeft toegestaan dat de betaling van de uitkering door zijn tussenkomst geschiedt, is verplicht, ten genoegen van het bestuur, een overeenkomstig de daaraan door het bestuur gestelde eisen ingerichte administratie aan te houden van de perioden gedurende welke de werknemer op grond van de omstandigheden als bedoeld in artikel 18 WW niet heeft gewerkt.
3. Als de werkgever aan wie de in het eerste lid bedoelde toestemming is verleend, de in het tweede lid omschreven verplichtingen niet of niet volledig nakomt, kan het bestuur besluiten om de betalingen die de werkgever als voorschot op de aanvulling aan de werknemer of werknemers heeft gedaan, geheel of gedeeltelijk niet te vergoeden.
4. Als en voorzover zodanige betalingen naar het oordeel van het bestuur ten onrechte zijn vergoed omdat de werkgever niet of niet volledig heeft voldaan aan de in het tweede lid van dit artikel bedoelde verplichtingen, kan het bestuur besluiten om deze vergoeding geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. De werkgever is dan verplicht binnen een door het bestuur vast te stellen termijn aan deze vordering te voldoen.
5. Het bestuur kan naast en boven het in het derde en vierde lid bepaalde beslissen dat, ingeval de werkgever de juistheid van de ingediende declaratiestaat niet aantoont, deze een boete aan het de stichting verschuldigd is. De boeten die door het bestuur kunnen worden opgelegd, zijn:
bij opzet en grove schuld van de werkgever geldt bij een eerste verzuim een boete van 25% van het betrokken bedrag; bij een tweede verzuim 50% van het betrokken bedrag en bij een derde en volgende verzuim 100% van het betrokken bedrag, en bij ernstige en omvangrijke fraude van de werkgever geldt bij een eerste verzuim en bij volgende verzuimen een boete van 100% van het betrokken bedrag.
1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan degene die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen is gemachtigd inzage te verlenen in alle bescheiden en voorts alle overige inlichtingen te verschaffen die worden gevraagd voor de uitvoering van het bepaalde in de statuten van de stichting en in dit reglement.
2. Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten van de stichting of in dit reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan hij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, is daarover tegenover derden tot geheimhouding verplicht.
Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften vast te stellen die nodig zijn voor een verantwoorde uitvoering, mits deze voorschriften in overeenstemming zijn met de bepalingen in de statuten van de stichting en in dit reglement.
1. Het bepaalde in de artikelen 30, 32, 33, 38, 39 en 40 van de WW is van overeenkomstige toepassing op de bepalingen van dit reglement.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als en voorzover in dit reglement uitdrukkelijk anders is bepaald.
1. Betalingen die op grond van dit reglement onverschuldigd zijn gedaan, worden teruggevorderd.
2. Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het bestuur besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Als de bepalingen in dit reglement in individuele gevallen of in categorieën van gevallen leiden tot niet voorziene of onbedoelde gevolgen kan het bestuur een afwijkende beslissing nemen die tegemoet komt aan de bedoelingen van de aanvullingsregeling.
1. Als een werkgever of werknemer zich niet kan verenigen met een beslissing die hem betreft, kan hij zich tot het bestuur wenden met het verzoek terug te komen op een beslissing op grond van dit reglement.
2. Aan de werkgever of werknemer wordt desgevraagd schriftelijk kennis gegeven van een beslissing van het bestuur op grond van dit reglement die hem betreft.
3. Een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid is gedagtekend en vermeldt de gronden waarop de beslissing berust.
Dit reglement kan worden aangehaald als het Aanvullingsreglement verstrekking WW-aanvullingen Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen (AR-WW SFM).
Aanvullingsreglement verstrekking eindejaarsuitkering WAO Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen (AR-WAO SFM)
Vastgesteld op 12 juni 2003
ALGEMEEN
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. de stichting: de Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen;
b. de statuten: de statuten van de stichting;
c. het bestuur: het bestuur van de stichting;
d. eindejaarsuitkering: jaarlijkse betaling van een bedrag aan WAO-uitkeringsgerechtigden op wie bij werken de CAO in de zin van dit reglement van toepassing zou zijn geweest;
e. CAO: de geldende collectieve arbeidsovereenkomst voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen;
f. de werkgever: de werkgever als bedoeld in de CAO;
g. de werknemer:
– degene die werknemer is in de zin van de CAO, dan wel
– degene die direct voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid werknemer was in de zin van de CAO, dan wel
– degene wiens arbeidsongeschiktheid is ingetreden in de eerste zes maanden van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 WW, dan wel in de periode als bedoeld in artikel 52g WW en die direct voorafgaand aan zijn werkloosheid werknemer was in de zin van de CAO;
h. de WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
RECHTEN
1. Een werknemer die op l december van het kalenderjaar waarin de eindejaarsuitkering betaalbaar wordt gesteld, een WAO-uitkering ontvangt, heeft recht op een eindejaarsuitkering, tenzij hij is ingedeeld in één van de twee laagste arbeidsongeschiktheidsklassen enøf artikel 22 WAO van toepassing is.
2. De hoogte van de eindejaarsuitkering wordt bepaald door de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werknemer is ingedeeld op l december van het kalenderjaar waarin de eindejaarsuitkering betaalbaar wordt gesteld.
3. De eindejaarsuitkering wordt in de maand december betaalbaar gesteld.
OVERIGE BEPALINGEN
1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan degene die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen is gemachtigd inzage te verlenen in alle bescheiden en voorts alle overige inlichtingen te verschaffen die worden gevraagd ten behoeve van de uitvoering van het bepaalde in de statuten van de stichting en in dit reglement.
2. Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten van de stichting of in dit reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan hij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, is daarover tegenover derden tot geheimhouding verplicht.
Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften vast te stellen die nodig zijn voor een verantwoorde uitvoering, mits deze voorschriften in overeenstemming zijn met de bepalingen in de statuten van de stichting en in dit reglement.
1. Betalingen die op grond van dit reglement onverschuldigd zijn gedaan, worden teruggevorderd.
2. Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het bestuur besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Als de bepalingen in dit reglement in individuele gevallen of in categorieën van gevallen leiden tot niet voorziene of onbedoelde gevolgen kan het bestuur een afwijkende beslissing nemen die tegemoet komt aan de bedoelingen van de aanvullingsregeling.
1. Als een werkgever of werknemer zich niet kan verenigen met een beslissing die hem betreft, kan hij zich tot het bestuur wenden met het verzoek terug te komen op een beslissing op grond van dit reglement.
2. Aan de werkgever of werknemer wordt desgevraagd schriftelijk kennis gegeven van een beslissing van het bestuur op grond van dit reglement die hem betreft.
3. Een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid is gedagtekend en vermeldt de gronden waarop de beslissing berust.
Dit reglement kan worden aangehaald als: Aanvullingsreglement verstrekking eindejaarsuitkering WAO Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen (AR-WAO SFM)
Aanvullingsreglement verstrekkingen aan zieke werklozen Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen (AR-ZW SFM)
Vastgesteld op 12 juni 2003
ALGEMEEN
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. de stichting: de Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen;
b. de statuten: de statuten van de stichting;
c. het bestuur: het bestuur van de stichting;
d. CAO: de geldende collectieve arbeidsovereenkomst van voor de Mortelen Morteltransportondernemingen
e. de werkgever: de werkgever als bedoeld in artikel 2 van de statuten;
f. de werknemer: de werknemer als bedoeld in artikel 2 van de statuten en degene die op de eerste dag van ongeschiktheid tot werken in de zin van de Ziektewet of laatstelijk voordat er krachtens artikel 17, 18 of 52b WW voor hem een recht op uitkering ontstond, werknemer was in de zin van artikel 2 van de statuten;
g. zieke werkloze: de werknemer die een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt of uitsluitend op grond van het bepaalde in artikel 29, tweede lid, onderdeel b of c, ZW over de eerste twee dagen van ongeschiktheid tot werken geen uitkering ontvangt, en
1. op de dag van het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken als werknemer werd beschouwd op grond van het bepaalde in artikel 7 ZW en wiens ongeschiktheid tot werken is ingetreden tijdens de periode, bedoeld in artikel 18, eerste lid, dan wel in de eerste 6 maanden van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 WW;
2. op de dag van het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken als werknemer werd beschouwd op grond van het bepaalde in artikel 7 ZW en wiens ongeschiktheid tot werken is ingetreden tijdens de periode, bedoeld in artikel 52g WW;
3. gedurende een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 ZW wegens ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid en wiens dienstbetrekking is geëindigd binnen het loondoorbetalingstijdvak van 52 weken, bedoeld in artikel 7:629, eerste lid Burgerlijk Wetboek.
4. wegens ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid op de dag met ingang waarvan zijn dienstbetrekking is geëindigd, op grond van het bepaalde in artikel 46 ZW aanspraak op ziekengeld heeft en op de dag met ingang waarvan zijn dienstbetrekking is geëindigd, recht zou hebben gehad op een uitkering krachtens de WW als hij niet arbeidsongeschikt was geworden.
h. vakantietoeslag: de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 11 AD-ZW en de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 10 TW;
i. pensioenpremie: de betaling ter voortzetting van de pensioenopbouw bij het pensioenfonds waarbij de werknemer was aangesloten, conform het daarover bepaalde bij of krachtens de CAO;
j. de WW: de Werkloosheidswet;
k. de ZW: de Ziektewet;
l. de TW: de Toeslagenwet;
m. de CSV: de Coördinatiewet Sociale Verzekering;
n. de IWS: de Invoeringswet Stelselherziening sociale zekerheid;
o. de AD-ZW: de Algemene Dagloonregelen Ziektewet;
RECHTEN
1. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel l, lid g, sub l, heeft vanaf de 16e dag na aanvang van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte – zaterdagen en zondagen niet meegerekend – jegens de stichting recht op betaling van een aanvulling van 30/70ste van het bedrag dat als ziekengeld wordt uitbetaald, nadat op dat bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is gebracht.
2. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel l, lid g, sub 2, die onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsuren-verlies, bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO heeft, als hij zich daarvoor meldt, vanaf de 16e dag na aanvang van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte zaterdagen en zondagen niet meegerekend – jegens de stichting recht op betaling van een aanvulling van 30/70ste van het bedrag dat als ziekengeld wordt uitbetaald, nadat op dat bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is gebracht, tenzij hij als gevolg van wettelijke bepalingen geen voordeel heeft van deze aanvulling.
3. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel l, lid g, sub 3, heeft vanaf de dag met ingang waarvan de dienstbetrekking is geëindigd jegens de stichting recht op betaling van een aanvulling van 30/70ste van het bedrag dat als ziekengeld wordt of zou worden uitbetaald, nadat op dat bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is gebracht.
4. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel l, lid g, sub 4, heeft vanaf de 16e dag na aanvang van de arbeidsongeschikt-heid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte – zaterdagen en zondagen niet meegerekend – jegens de stichting recht op betaling van een aanvulling van 30/70ste van het bedrag dat als ziekengeld wordt uitbetaald, nadat op dat bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is gebracht.
5. Als een zieke werkloze op grond van artikel 38 of 39 van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering recht heeft op herziening van zijn uitkering op grond van die wet, wordt het bedrag van de aanvulling bepaald op 100/70ste van het bedrag dat voor herziening als ziekengeld werd uitbetaald, nadat op dat bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is gebracht, minus het bedrag waarmee de WAO-uitkering is verhoogd en minus het resterende ziekengeld.
6. De melding die in het tweede lid van dit artikel wordt genoemd, dient binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag plaats te vinden.
7. De in het eerste tot en met zesde lid van dit artikel bedoelde aanvulling, wordt gelijktijdig met het te betalen ziekengeld betaalbaar gesteld aan degene aan wie het ziekengeld betaalbaar wordt of zou worden gesteld.
1. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel l, lid g, sub l, 3 of 4, die, als hij niet werkloos zou zijn, jegens zijn werkgever recht zou hebben gehad op betaling van vakantietoeslag, heeft over elke dag dat hij ziekengeld ontvangt jegens de stichting recht op een betaling van een bedrag van 8% van de aanvulling die op grond van artikel 8 wordt betaald.
2. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel l, lid g, sub 2, die bij werken van zijn werkgever vakantietoeslag ontving en onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO heeft over elke dag dat hij ziekengeld ontvangt jegens de stichting recht op een betaling van 8% van de aanvulling die op grond van artikel 8 wordt betaald.
3. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel l, lid g, sub 2, die onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO, dient zich voor de aanvulling te melden. De melding dient binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag plaats te vinden.
4. Een zieke werkloze als bedoeld in het eerste lid die op grond van het bepaalde in artikel 29, tweede lid, onderdeel b of c, ZW over een dag geen recht heeft op ziekengeld, heeft jegens de stichting over die dag recht op betaling van een bedrag van 100/70 van de vakantietoeslag die hij krachtens de ZW zou hebben ontvangen, als hij recht op uitkering zou hebben gehad.
1. De zieke werkloze heeft jegens de stichting recht op betaling van pensioenpremie over elke dag dat hij ziekengeld ontvangt.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de zieke werkloze als bedoeld in artikel l, lid g, sub 2, alleen recht op een betaling van pensioenpremie als hij onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO.
3. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel l, lid g, sub 2, die onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn verlies aan arbeidsuren, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO, dient zich voor de aanvulling te melden. De melding dient binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag plaats te vinden.
4. De hoogte van deze betaling is gelijk aan de pensioenpremie die voor de zieke werkloze bij werken verschuldigd zou zijn geweest aan het pensioenfonds.
5. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de zieke werkloze voor wie bij de berekening van zijn dagloon krachtens de ZW het werknemersaandeel in de pensioenpremie in aanmerking is of zou zijn genomen, slechts jegens de stichting recht op betaling van een bedrag aan het pensioenfonds als hij een machtiging verstrekt om van zijn uitkering krachtens de ZW aan het pensioenfonds per dag te voldoen zijn uitkering over de desbetreffende dag, vermenigvuldigd met een breuk. De teller van die breuk is gelijk aan het werknemersaandeel in de pensioenpremie die begrepen is in het bedrag dat als dagloon zou zijn berekend als bij die berekening artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid, CSV niet zouden zijn toegepast. De noemer van de breuk is gelijk aan het bedrag dat als dagloon zou zijn berekend als bij die berekening artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid, CSV niet zouden zijn toegepast. Deze betaling wordt in mindering gebracht op de betaling door de stichting.
6. De zieke werkloze als bedoeld in het eerste lid die op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel b of c, ZW over een dag geen recht heeft op ziekengeld, heeft jegens de stichting over die dag recht op betaling van een bedrag aan het pensioenfonds dat gelijk is aan het bedrag dat op grond van het vierde lid aan het pensioenfonds zou worden voldaan, als betrokkene over die dag ziekengeld zou ontvangen.
7. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het aantal dagen waarop jegens de stichting recht bestaat op betaling aan een pensioenfonds gesteld op 230 opbouwdagen voor de zieke werkloze op wie bij werken een CAO van toepassing was die ingeval van ziekte de afdracht aan het pensioenfonds door de werkgever al dan niet onder voorwaarden beperkt tot maximaal het aantal opbouwdagen per rechtjaar.
8. De pensioenpremiebetaling wordt gedaan aan het pensioenfonds waaraan de pensioenpremie bij werken zou zijn afgedragen.
Een zieke werkloze die op grond van het bepaalde in artikel 29, tweede lid, onderdeel b of c, ZW over een dag geen recht heeft op ziekengeld, heeft jegens de stichting over die dag recht op betaling van 70% van het bedrag waarop het dagloon krachtens de ZW is of zou zijn vastgesteld.
OVERIGE BEPALINGEN
De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en degene die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen is gemachtigd inzage te verlenen in alle bescheiden en voorts alle overige inlichtingen te verschaffen die worden gevraagd voor de uitvoering van het bepaalde in de statuten van de stichting en in dit reglement.
Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten van de stichting of in dit reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan hij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, is daarover tegenover derden tot geheimhouding verplicht.
Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften vast te stellen die nodig zijn voor een verantwoorde uitvoering, mits deze voorschriften in overeenstemming zijn met de bepalingen in de statuten van de stichting en in dit reglement.
1. Het bepaalde in de artikelen 47, 48, 50 en 85 ZW is op het in dit reglement bepaalde van overeenkomstige toepassing.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als en voorzover in dit reglement uitdrukkelijk anders is bepaald.
1. Betalingen die op grond van dit reglement onverschuldigd zijn gedaan, worden teruggevorderd.
2. Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het bestuur besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Als de bepalingen in dit reglement in individuele gevallen of in categorieën van gevallen leiden tot niet voorziene of onbedoelde gevolgen, kan het bestuur een afwijkende beslissing nemen die tegemoet komt aan de bedoelingen van de aanvullingsregeling.
Als een werkgever of werknemer zich niet kan verenigen met een beslissing die hem betreft, kan hij zich tot het bestuur wenden met het verzoek een nieuwe beslissing te nemen in de plaats van een beslissing op grond van dit reglement.
Aan de werkgever of werknemer wordt desgevraagd schriftelijk kennis gegeven van een beslissing van het bestuur op grond van dit reglement die hem betreft.
Dit reglement kan worden aangehaald als het Aanvullingsreglement Verstrekkingen aan zieke werklozen Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen (AR-ZW SFM).
REGLEMENT KINDEROPVANG INGEVOLGE ARTIKEL 3, LID 2, VAN DE STATUTEN VAN DE STICHTING SOCIAAL FONDS VOOR DE MORTEL- EN MORTELTRANSPORTONDERNEMINGEN
SFM: de Stichting Sociaal Fonds voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen, gevestigd te Amsterdam.
CAO-partijen: partijen bij de CAO voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen.
CAO-partijen zijn een collectieve kinderopvangregeling overeengekomen welke per 1 maart 2000 van kracht is geworden. Deze regeling is in essentie opgenomen in artikel 21 vijfde lid van de CAO voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen.
Ten behoeve van de kinderopvangregeling is een fonds in het leven geroepen waaruit de kinderopvang wordt wordt gefinancierd. CAO-partijen stellen jaarlijks een budget beschikbaar van 141.000 Euro. Voor kinderopvang, waaronder buitenschoolse opvang van kinderen tot 13 jaar, voor het inkopen van kindplaatsen via een apart fonds, ondergebracht bij Kintent en gefinancierd door het SFM.
Teneinde voor de uitvoering van de kinderopvangregeling nadere regels te stellen is het navolgende reglement opgesteld.
CAO-partijen delegeren de uitvoering van de regeling aan Kintent. Kintent voert op eigen naam de administratie en bemiddeling van de feitelijke kinderopvang. Zij sluit daartoe overeenkomsten met onder andere kindercentra en werknemers. Kintent is bevoegd rechtsmaatregelen te nemen wanneer overeenkomsten niet worden nagekomen. Kintent is over al haar activiteiten in het kader van de uitvoering van de regeling kinderopvang verantwoording verschuldigd aan CAO-partijen.
De werknemer kan rechtsstreeks bij Kintent informatie inwinnen over de Regeling Kinderopvang. Indien de werknemer in aanmerking wenst te komen voor een bijdrage voor het huren van een kindplaats, stuurt Kintent hiertoe een aanvraagformulier voor kinderopvang, twee werkgeversverklaringen (voor werknemer en partner), alsmede informatie over de hoogte van de eigen bijdrage en de te volgen procedure.
Om in aanmerking te komen voor het huren van een kindplaats dient de werknemer aan de volgende voorwaarden te voldoen.:
1. De werknemer dient per kind een aanvraag in bij Kintent door middel van het aanvraagformulier voor kinderopvang en twee werkgeversverklaringen (werknemer en partner).
2. De aanvraag zal slechts gehonoreerd worden voorzover de middelen van het fonds toereikend zijn.
3. De werknemer draagt bij in de kosten conform de door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gehanteerde tabellen.
Statuten van de te Amsterdam gevestigde stichting: Stichting Vrijwillig Vervroegd uittreden voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen.
1. De stichting draagt de naam: Stichting Vrijwillig Vervroegd uittreden voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen.
Zij wordt bij afkorting ook genoemd: SVM.
2. Zij heeft haar zetel in de gemeente Amsterdam.
Voor de toepassing van deze statuten en reglementen wordt verstaan onder:
Stichting: de in artikel 1 genoemde stichting.
CAO: de geldende collectieve arbeidsovereenkomst voor de Mortelen Morteltransportondernemingen met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bijlagen.
Bedrijfstak: de bedrijfstak waarin ondernemingen, waarop de CAO van toepassing is, actief zijn.
Bestuur: het bestuur van de stichting als bedoeld in artikel 10.
Organisaties: de organisaties van werkgevers en werknemers, partij bij de CAO.
Werkgeverslid: het bestuurslid aangewezen of door de Vereniging van Ondernemingen van Betonmortelfabrikanten, gevestigd te Driebergen, of door haar rechtsopvolger(s), namens de werkgeversorganisatie(s), partij bij de CAO.
Werknemerslid: het bestuurslid aangewezen of door FNV Bouw, gevestigd te Woerden, of door de Hout- en Bouwbond CNV, gevestigd te Odijk, of door hun respectievelijke danwel gezamenlijke rechtsopvolgers, namens de werknemersorganisaties, partij bij de CAO.
Vrijwillig vervroegd uittreden: het vrijwillig vervroegd geheel of gedeeltelijk beëindigen van een dienstbetrekking in de bedrijfstak door een werknemer overeenkomstig het bepaalde in de CAO.
Deelnemer: de deelnemer aan de regeling is de werknemer die gebruik maakt van de mogelijkheid om vrijwillig vervroegd uit het arbeidsproces te treden overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in de CAO.
De statuten: deze statuten.
Reglementen: de reglementen als bedoeld in artikel 18.
Het doel van de stichting is: het doen van Vut-uitkeringen aan de deelnemers overeenkomstig het bepaalde in artikel 29 en Bijlage II van de CAO; het verstrekken van aanvullingen op Vut-uitkeringen aan de deelnemers overeenkomstig het bepaalde in artikel 29 en Bijlage IIA van de CAO; het verstrekken van aanvullingen op VUT- en Pensioenuitkeringen voor werknemers van 55 jaar en ouder die werkzaam zijn in een vierdaagse werkweek overeenkomstig het bepaalde in artikel 8A van de CAO.
De stichting tracht haar doel te bereiken door:
a. het innen en beheren van gelden in overeenstemming met het bepaalde in de statuten en reglementen;
b. het doen van uitkeringen aan deelnemers overeenkomstig het gestelde in de statuten en reglementen;
c. andere wettige middelen, die tot het doel bevorderlijk kunnen zijn.
De stichting is op vijfentwintig maart negentienhonderd zevenennegentig opgericht.
De geldmiddelen van de stichting zullen worden gevormd door:
a. de door de werkgevers te storten respectievelijk af te dragen werkgevers- en werknemersbijdragen als bedoeld in artikel 29 van de CAO;
b. bijdragen van de overheid, indien en voorzover zij worden verleend;
c. alle overige haar toevallende baten en inkomsten.
Bijdrageplichtig zijn degenen, die krachtens artikel 29 van de CAO of anderszins verplicht zijn tot het geven van bijdragen aan de stichting.
1. De methode van de berekening van de bijdrage als bedoeld in artikel 7, alsmede de wijze van incassering daarvan, worden door de Organisaties vastgesteld na het bestuur te hebben gehoord.
2. De hoogte van de in het vorige lid bedoelde bijdragen wordt telkenjare door het bestuur van de stichting aan de hand van een begroting geschat en (voorlopig) vastgesteld. De begroting moet zijn ingericht en gespecificeerd volgens de in artikel 3 genoemde bestedingsdoelen. De begroting wordt direct ter beschikking gesteld aan partijen bij de CAO. De hoogte wordt pas definitief vastgesteld door het bestuur, nadat daaromtrent door partijen bij de CAO overeenstemming is bereikt.
3. De begroting is voor de bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers beschikbaar.
4. Tot gerechtelijke invordering der bijdragen wordt niet overgegaan dan krachtens besluit van het bestuur.
De uitkeringen aan de deelnemers geschieden op basis van de voorwaarden die door partijen in artikel 29 van de CAO zijn vastgesteld.
1. Het bestuur van de SVM bestaat uit zes leden.
2. De bestuursleden worden benoemd als volgt:
a. drie leden door de Vereniging van Ondernemingen van Betonmortelfabrikanten gevestigd te Driebergen;
b. twee leden door FNV Bouw, gevestigd te Woerden;
c. één lid door de Hout- en Bouwbond CNV, gevestigd te Odijk.
3. Iedere in het vorige lid genoemde organisatie kan één plaatsvervangend bestuurslid aanwijzen, die de hoedanigheid heeft van bestuurslid indien een bestuurslid, zoals bedoeld in lid 2, van dezelfde aanwijzende organisatie, niet in staat is deze taak uit te voeren.
4. De benoeming van een bestuurslid geschiedt voor onbepaalde tijd.
5. De organisatie die een bestuurslid benoemde, kan te allen tijde die benoeming intrekken en een ander in diens plaats tot bestuurslid benoemen.
6. Het bestuurslidmaatschap eindigt:
a. door overlijden;
b. door schriftelijk bedanken;
c. door onder curatelestelling of faillissement;
d. door vervanging van de organisatie, die het desbetreffende bestuurslid benoemde.
1. De werkgevers- en werknemersleden van het bestuur wijzen elk uit hun midden een lid aan die bij toerbeurt volgens een door het bestuur op te maken rooster, als voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van het bestuur optreden.
2. De werkgevers- en werknemersleden van het bestuur wijzen elk uit hun midden een lid aan die bij toerbeurt volgens een door het bestuur op te maken rooster, als secretaris en plaatsvervangend secretaris van het bestuur optreden.
1. Het bestuur heeft de gehele leiding van zaken en is bevoegd tot alle handelingen, de zaken van de stichting betreffende, voorzover daaromtrent bij of krachtens statuten en reglement(en) niet anders is bepaald.
2. Het bestuur is belast met het beheer van de bezittingen van de stichting en met de uitvoering van de statuten en reglement(en).
3. Het bestuur is bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen.
4. Het bestuur kan de uitoefening van onderdelen van zijn taak delegeren aan het dagelijks bestuur, bestaande uit één of meer werkgeversbestuursleden en een gelijk aantal werknemersbestuursleden. De gedelegeerde bevoegdheden worden uitgeoefend onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.
5. Het bestuur is niet bevoegd om middelen die geacht kunnen worden te zijn verkregen voor een bepaald doel, danwel daaraan moeten worden toegerekend, aan te wenden voor een ander doel. Indien niet vastgesteld kan worden aan welk doel een bepaald middel moet worden toegerekend, is het bestuur bevoegd om de bestemming daarvan te bepalen naar evenredigheid van de voor het lopende boekjaar voorziene uitgaven voor elk doel.
6. De stichting wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door het bestuur, alsmede door de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter tezamen.
1. Het bestuur is belast met het beheer van het fondsvermogen.
2. De beleggingen van de stichting zullen door het bestuur op zodanig wijze geschieden dat:
a. een redelijke spreiding naar aard en risico der bezittingen en interessen wordt verkregen;
b. een optimaal rendement wordt verkregen;
c. geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt gelopen. Daarenboven zal door het bestuur uit vermogenswinsten en/of opbrengsten een reserve worden gevormd ter dekking van het overblijvende risico van vermogensverliezen.
3. De aan de stichting toebehorende zaken worden, indien zij niet ten kantore worden gehouden, in bewaring gegeven bij een ingevolge de Wet Toezicht Kredietwezen geregistreerde instelling.
4. De kosten van beheer met betrekking tot een boekjaar komen ten laste van de rekening van lasten en baten over dat boekjaar.
5. Het bestuur kan zich terzake van het beheer laten adviseren.
1. Het bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter of ten minste twee bestuursleden dit nodig oordeelt/oordelen, doch tenminste twee keer per jaar.
2. De convocatie voor vergaderingen van het bestuur geschiedt, behoudens in spoedeisende gevallen ter beoordeling van de voorzitter, schriftelijk op een termijn van tenminste veertien dagen.
1. Opdat de stemverhouding tussen de twee in het bestuur vertegenwoordigde groeperingen, zijnde werkgevers- en werknemerszijde zo gelijk mogelijk blijft, kan het bestuur alleen besluiten nemen in een vergadering waarin van beide groeperingen ten minste één vertegenwoordigd bestuurslid aanwezig is. Een besluit als bedoeld in artikel 19 lid 1 kan slechts genomen worden met instemming van alle bestuursleden.
2. De bestuursleden brengen in beginsel ieder een gelijk aantal stemmen ter vergadering uit. Wanneer een of meer bestuursleden ter vergadering afwezig is (zijn) brengt (brengen) het (de) andere bestuurslid (leden), dezelfde groepering als de afwezige vertegenwoordigend, uit eigen hoofde de stem(men) van de afwezige(n) mede uit.
3. Voor zover in deze statuten niet anders is bepaald, kunnen geldige besluiten slechts worden genomen met gewone meerderheid der geldig uitgebrachte stemmen.
4. Over zaken wordt mondeling, over personen wordt schriftelijk gestemd.
5. Bij staking van stemmen wordt het voorstel in een volgende vergadering opnieuw aan de orde gesteld. Staken de stemmen wederom, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
6. Indien een bestuurslid niet ter vergadering aanwezig kan zijn, kan hij een medebestuurslid machtigen zijn stem uit te brengen door middel van een schriftelijke volmacht.
De stichting kan zijn administratieve en uitvoerende taken aan een andere organisatie opdragen, danwel in eigen beheer houden. De gedelegeerde bevoegdheden worden uitgeoefend onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.
1. Het boekjaar van de stichting valt samen met het kalenderjaar. In afwijking daarvan zal het eerste boekjaar eindigen op eenendertig december negentienhonderdzevenennegentig.
2. De boekhouding van de stichting wordt onder toezicht van een externe registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid gesteld, aan te wijzen door het bestuur. Deze accountant brengt elk jaar, of zoveel vaker als het bestuur nodig zal oordelen, verslag uit.
3. De externe register-accountant of accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid is gerechtigd tot inzage van alle boeken en bescheiden van de stichting. De waarden van de stichting moeten hem desverlangd worden getoond.
4. Het bestuur brengt na afloop van het boekjaar schriftelijk een jaarverslag uit.
5. Het in het vorige lid bedoelde verslag bevat:
a. een algemeen overzicht van de werkzaamheden van de stichting gedurende het afgelopen boekjaar;
b. een rekening en verantwoording omtrent het beheer van de stichting, bestaande uit een balans en een staat van lasten en baten vergezeld van een verklaring van de externe register-accountant of accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid terzake van zijn bevindingen bij de controle opgedaan. In de rekening en verantwoording zal voor elk doel afzonderlijk vermeld worden welke middelen en welke uitgaven aan dat doel moeten worden toegerekend;
c. het verslag moet zijn gespecificeerd en gecontroleerd door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid, uit welke stukken moet blijken dat de uitgaven conform de bestedingsdoelen genoemd in artikel 3 zijn gedaan;
d. in voorkomende gevallen, mededeling omtrent de wijzigingen die in de statuten en/of reglement hebben plaatsgehad.
6. Het jaarverslag wordt toegezonden aan de Organisaties.
7. Het jaarverslag wordt ter inzage van de bij de stichting betrokken werkgevers en werknemers neergelegd:
a. ten kantore van de stichting;
b. op een of meer door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen plaatsen.
8. Het jaarverslag wordt op aanvraag aan de bij de stichting betrokken bedrijven en werknemers toegezonden tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.
1. Het bestuur kan een of meer reglementen vaststellen; deze behoeven goedkeuring van de in artikel 10 genoemde organisaties.
2. De bepalingen van de reglementen mogen niet in strijd zijn met de bepalingen van deze statuten of met de wet.
1. Het bestuur is bevoegd deze statuten te wijzigen of de stichting te ontbinden na verkregen goedkeuring van partijen betrokken bij de CAO.
2. Een besluit als onder lid 1 bedoeld, kan slechts worden genomen met instemming van alle bestuursleden.
3. Een statutenwijziging treedt in werking nadat hiervan een notariële akte is opgemaakt.
4.
a. De leden van het bestuur zijn verplicht een authentiek afschrift van de wijziging, alsmede de gewijzigde statuten neer te leggen ten kantore van het openbaar stichtingenregister, gehouden bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Amsterdam.
b. Reglementen, alsmede de in de statuten en reglementen aangebrachte wijzigingen, zullen niet in werking treden, alvorens een volledig exemplaar van die stukken onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin, door het bestuur ondertekend, voor een ieder ter inzage is neer gelegd ter griffie van het kantongerecht binnen welks ressort de stichting is gevestigd.
5. Bij ontbinding van de stichting is het bestuur belast met de vereffening. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze statuten zoveel mogelijk van kracht.
6. Het besluit tot ontbinding van de stichting moet inhouden de bestemming van een eventueel batig saldo met dien verstande, dat een batig saldo moet worden bestemd voor een doel dat het meest overeenkomt met het doel van de stichting.
In alle gevallen, waarin niet door deze statuten of de reglementen van de stichting is voorzien, beslist het bestuur. De laatste wijziging van deze statuten vond plaats in de vergadering van het bestuur van 6 juni 2002.
Dictum II
De in dictum I opgenomen bepalingen zijn algemeen verbindend verklaard tot en met 31 maart 2005.
Dictum III
Voorzover de in dictum I opgenomen bepalingen strijdig zijn met bij of krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, prevaleren deze regelen.
Dictum IV
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 april 2005 en heeft geen terugwerkende kracht.
Dictum V
Dit besluit zal in een bijvoegsel bij de Staatscourant worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2005-39-CAO2763.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.