Vaststelling Programma Transportbesparing (6e aanvraagperiode)

11 februari 2005

Nr. HDJZ/S&W/2005-302

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 2 van de Subsidieregeling milieu- en energie-efficiency in het goederenvervoer 2002;

Besluit:

Vast te stellen het navolgende Programma Transportbesparing (6e aanvraagperiode):

1. Inleiding

Het Programma Transportbesparing is een programma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling milieu- en energie-efficiency in het goederenvervoer (SMEG). De bepalingen van de SMEG zijn van toepassing op de indiening en behandeling van de in het kader van dit programma in te dienen aanvragen, welke bepalingen op enige specifieke onderdelen in dit programma nader uitgewerkt zijn. Het Programma Transportbesparing is gericht op de in de Nota Mobiliteit, het Nationaal Milieubeleidsplan 4 en de Nota Milieu en Economie geformuleerde doelstelling van de regering om de milieubelasting door het goederenvervoer in de periode tot het jaar 2010 aanzienlijk te beperken. Het Programma Transportbesparing kent een looptijd van acht jaar (van 2000 tot en met 2007) en wordt opgedeeld in afzonderlijke aanvraagperioden. Dit betreft de zesde aanvraagperiode.

De afgelopen jaren is het goederenvervoer fors gestegen. Naar verwachting zal het ook de komende jaren toenemen. Dit leidt tot een vermindering van de bereikbaarheid en heeft negatieve effecten voor het milieu en de veiligheid. Op diverse manieren is geprobeerd om deze negatieve effecten te beperken of te verminderen. Transportbesparing onderscheidt zich van de andere beleidslijnen doordat het zich richt op het verminderen van de vraag naar goederenvervoer, zonder de economische ontwikkeling te beperken. Het betreft projecten waarmee door de innovatie van een fysiek product of productieproces een vermindering van het aantal ritkilometers wordt gerealiseerd.

De doelstellingen van het programma zijn:

– reductie van de negatieve effecten van het goederenvervoer (bereikbaarheid, milieu, veiligheid);

– het verkrijgen van, of overdragen van vernieuwende voorbeelden en daarmee stimuleren van een sterker bewustzijn voor het begrip transportbesparing bij producenten en verladers;

– het verkrijgen van informatie voor het Ministerie van Verkeer en Waterstaat over kansen voor beleid op het gebied van transportbesparing.

De belangrijkste doelgroepen van dit programma zijn producenten, verladers en brancheorganisaties.

Ten behoeve van transportbesparing kunnen twee clusters van mogelijke maatregelen worden onderscheiden:

– Beperken van te verplaatsen volume en/of gewicht.

Hieronder kunnen, onder andere, projecten vallen die zich richten op het verminderen van de verplaatsing van lucht en water, het herontwerpen van producten door het gebruik van lichtere materialen of het gebruik van elektronische informatiedragers.

– Het reduceren van de afstand van de te vervoeren goederen.

Hieronder kunnen, onder andere, projecten vallen die zich richten op innovaties in de productieketen of samenwerking met andere partijen uit de keten, met als gevolg productie op locatie of tussenbewerkingen die vervallen.

In dit programma wordt verstaan onder:

– De Minister: de Minister van Verkeer en Waterstaat.

– Een samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee natuurlijke personen of rechtspersonen, waarvan ten minste één een onderneming in stand houdt, niet zijnde een samenwerkingsverband waarvan de deelnemers te beschouwen zijn als behorend tot eenzelfde onderneming.

– Een brancheorganisatie: een niet-publiekrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die blijkens zijn statuten als doel heeft het behartigen van de belangen van ondernemers die behoren tot eenzelfde bedrijfstak, of een samenhangend deel daarvan en die niet bedrijfsmatig werkzaam is.

– Een groep: een economische eenheid waarin organisatorisch zijn verbonden:

a. een natuurlijk persoon of privaatrechtelijk rechtspersoon, die direct of indirect:

– meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,

– volledig aansprakelijk vennoot is van, of

– overwegende zeggenschap heeft over één of meer rechtspersonen of vennootschappen, en

b. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen.

2. Projecten

Voor subsidiëring op grond van dit programma komen in aanmerking:

a. een rechtspersoon die een project uitvoert;

b. een onderneming, niet zijnde een rechtspersoon, die als zodanig staat ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en die een project uitvoert;

c. een samenwerkingsverband dat een project uitvoert;

d. een brancheorganisatie die een project uitvoert.

De projecten worden voor eigen rekening en risico uitgevoerd. In het geval van een samenwerkingsverband worden de projecten voor eigen rekening en risico van elke deelnemer aan dit verband uitgevoerd.

Voor subsidiëring komen uitsluitend in aanmerking transportbesparingsprojecten in de zin van:

Haalbaarheidsprojecten

Een haalbaarheidsproject is een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden om ten behoeve van een rechtspersoon, een onderneming, een branche, keten of cluster van ondernemingen binnen een termijn van 5 jaar transportbesparende maatregelen in te voeren. De maximale projectduur bedraagt één jaar.

Demonstratieprojecten

Een demonstratieproject is een samenhangend geheel van activiteiten, gericht op het (laten) maken én uitvoeren van een concreet implementatieplan voor het invoeren van transportbesparingsmaatregelen alsmede de daarmee samenhangende activiteiten die gericht zijn op het demonstreren van de voorzieningen en de resultaten. Het gaat om de daadwerkelijke toepassing en het demonstreren van de resultaten van de toepassing. De maximale projectduur bedraagt twee jaar.

Haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten worden beoordeeld volgens de tendermethodiek, inclusief advisering van een commissie van externe deskundigen.

Kennisoverdrachtprojecten

Een kennisoverdrachtproject kan alleen worden aangevraagd door een brancheorganisatie of een samenwerkingsverband die het project ook uitvoert of laat uitvoeren. De maximale projectduur bedraagt twee jaar.

Een kennisoverdrachtproject is een samenhangend geheel van activiteiten, gericht op het overdragen van kennis van vernieuwende voorbeelden op het terrein van transportbesparing. Onder kennis wordt verstaan informatie over en ervaringen met specifieke maatregelen die leiden tot transportbesparing.

Het gaat om voorlichtingsprojecten over transportbesparing waarbij een branche, cluster, keten of ander samenwerkingsverband systematisch wordt gewezen op de mogelijkheden van transportbesparing aan de hand van concrete maatregelen, voorbeelden en methodieken.

De uitvoering van het transportbesparingsproject wordt binnen drie maanden na de beslissing op de aanvraag gestart. Van de hierboven genoemde termijnen kan alleen afgeweken worden na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Minister.

3. Programmabeheerder

Het agentschap van het Ministerie van Economische Zaken ‘SenterNovem’ is aangewezen als programmabeheerder als bedoeld in artikel 1 onder b van de SMEG en is door de Minister gemandateerd om dit programma uit te voeren.

4. Aanvragen

Subsidieaanvragen voor haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten in het kader van de zesde tender van het Programma Transportbesparing moeten zijn ontvangen in de periode vanaf het moment van inwerkingtreding tot uiterlijk 13 juni 2005. Aanvragen kunnen worden ingediend bij: SenterNovem, Postbus 93144, 2509 AC Den Haag.

Subsidieaanvragen voor kennisoverdrachtprojecten in het kader van het Programma Transportbesparing 2005 dienen uiterlijk 3 oktober 2005 te zijn ontvangen. Aanvragen die niet tijdig ontvangen zijn, worden niet in behandeling genomen. De subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier dat bij SenterNovem verkrijgbaar is. Ook nadere informatie over dit subsidieprogramma is verkrijgbaar bij SenterNovem. Naast een plan van aanpak, hierna toegelicht, dienen ook alle overige bescheiden genoemd in het aanvraagformulier mede te worden opgestuurd. Het plan van aanpak ten aanzien van elk van de drie soorten projecten bevat in ieder geval de hieronder bedoelde informatie.

– de achtergrond van het project;

– het doel van het project;

– de doelgroep van het project;

– de beschrijving en de aanpak van het project;

– de projectfasering en de fasering van de gemaakte kosten en een prognose van de kasgelden;

– een uitgewerkte projectbegroting;

– een uitwerking van de bijdrage van het project aan de doelstellingen van het Programma Transportbesparing conform de beoordelingscriteria.

5. Behandeling van en beslissing op aanvragen

De Minister geeft op de aanvraag een beschikking binnen zestien weken na afloop van de in artikel 4 genoemde indieningstermijn. Indien de beschikking niet binnen zestien weken kan worden gegeven, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien.

De Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:

– indien de aanvraag niet voldoet aan dit programma;

– indien hij het onaannemelijk acht dat het project binnen de in het plan van aanpak gestelde termijn kan worden uitgevoerd;

– indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen het project al is gestart.

Daarnaast wordt afwijzend beslist in de gevallen, bedoeld in de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5.1. Haalbaarheids- en demonstratieprojecten

Met betrekking tot de beoordeling van haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten adviseert de Commissie Transportbesparing (hierna: de Commissie) de Minister over de aanvragen terzake van de projecten die niet op een van de onder art. 5 bedoelde gronden zijn afgewezen. De Commissie bestaat, naast de voorzitter, uit twee tot zes personen. De samenstelling is bekendgemaakt in de Staatscourant (Stcrt. 2000, 108 en Stcrt. 2001, 51). De herbenoeming van de leden is bekendgemaakt in de Staatscourant (Stcrt. 2004, 17). De voorzitter en de leden zijn voor een termijn van vier jaar benoemd. Ze zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.

Een lid van de Commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van het advies indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag. De Commissie stelt haar eigen werkwijze vast. De Minister kan waarnemers aanwijzen die het recht hebben de vergaderingen van de Commissie bij te wonen, en voorziet in het secretariaat van de Commissie.

In afwijking van artikel 8, tweede lid van de SMEG worden deze aanvragen niet behandeld in volgorde van binnenkomst, maar op basis van een tendersysteem. De Commissie adviseert in elk geval tot afwijzing:

– in het geval niet wordt voldaan aan de artikelen 1 en 3 van de SMEG;

– in het geval dat de voorgestelde innovatie niet nieuw is voor Nederland of geen betrekking heeft op een voor Nederland nieuwe toepassing van de voorgestelde innovatie. Onder innovatie wordt verstaan een vernieuwing van het voorgestelde fysieke product of productieproces.

De Commissie rangschikt de aanvragen die niet door de Minister zijn afgewezen, dan wel waarvoor door de Commissie geen advies tot afwijzing is gegeven, zodanig dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het project meer bijdraagt aan de volgende criteria:

a. Effect van het project op het milieu. Het betreft de mate waarin een vermindering optreedt van de uitstoot van CO2 en NOx door reductie van ritkilometers als gevolg van het project en de wijze waarop dit aannemelijk wordt gemaakt (rekenmethode). En de mate waarin positieve dan wel negatieve neveneffecten (voor veiligheid en gebruik van materialen, energie, water, geluid en het ontstaan van afval) optreden ten gevolge van het project.

b. De innovativiteit van het project.

De mate van vernieuwing van de voorgestelde product- of procesinnovatie.

c. Slaagkans van het project. Toetsing vindt plaats op de volgende onderdelen:

– Technisch risico. Indien er sprake is van een (proef)project met een zeker technisch gehalte in de maatregelen gaat het om de mate waarin de technische risico’s in de ogen van de Commissie door de voorgestelde projectaanpak en het voorgestelde projectteam kunnen worden weggenomen.

– Organisatorische risico’s. Hierbij gaat het om de mate waarin de relevante partijen uit de keten die noodzakelijk zijn om het project en de implementatie van de voorgestelde maatregel tot een succes te maken, bij het project betrokken zijn.

– Financiële risico’s. Hierbij gaat het om de vraag welke kostenbesparing mag worden verwacht naar aanleiding van het project, welke (investerings)kosten daar tegenover staan en op welke termijn de (investerings)kosten worden terugverdiend.

d. De mate waarin de projectresultaten worden toegepast, zowel binnen de onderneming(en) van de bij het project betrokken projectpartner(s) als elders in de markt. Het gaat hier om de vragen in hoeverre de projectresultaten in ogenschouw worden genomen bij toekomstige investeringsbeslissingen, hoeveel andere bedrijven in de branche de voorgestelde maatregel kunnen implementeren, in hoeveel branches de maatregel kan worden doorgevoerd en wat de totale potentiële transportbesparing (ritkilometers per jaar) is.

De aanvrager verklaart bekend te zijn met de inhoud van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en verklaart zich te zullen inspannen deze naar vermogen in zijn onderneming toe te passen1 .

Bij het opstellen van de rangschikking wegen alle genoemde criteria even zwaar.

De Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de door de Commissie voorgestelde rangschikking. De Minister kan afwijken van het advies van de Commissie als hij van mening is dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel in strijd is met de SMEG of dit programma. De Minister zal in de regel dan ook subsidie verlenen, beginnend bij de hoogst gerangschikte aanvraag tot dat het subsidieplafond is bereikt.

5.2. Kennisoverdrachtprojecten

Aanvragen voor kennisoverdrachtprojecten worden door de Minister beoordeeld. Conform artikel 8 eerste en tweede lid van de SMEG geldt hierbij het zogenaamde ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’-principe. Als datum van ontvangst geldt de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften voor indiening.

Ten einde voor honorering in aanmerking te komen, dient een kennisoverdrachtproject te passen binnen de doelstellingen van dit programma en in ieder geval ook te voldoen aan de volgende criteria:

a. Reële slaagkans van het project. Hierbij wordt vooral gekeken naar de expertise en capaciteiten van de aanvrager en naar de organisatorische en financiële haalbaarheid van het project.

b. Het moet gaan om daadwerkelijk en actief overdragen van kennis. Hierbij kan worden gedacht aan het organiseren van voorlichtingsdagen, workshops, presentaties, cursussen en dergelijke. Het enkel genereren van kennis of ter beschikking stellen van informatie is niet voldoende.

c. De totale kosten van het project dienen in redelijke verhouding te staan tot de beoogde baten van het project, die tot uitdrukking komen in de doelstelling van het project.

6. Subsidiabele kosten

Haalbaarheidsprojecten

Als projectkosten voor haalbaarheidsprojecten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het haalbaarheidsproject toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door een subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten:

a. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het bruto jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolommen 3 en 4 van de loonstaat van het betrokken personeel, exclusief volledige winstafhankelijke uitkeringen, verhoogt met het wettelijke dan wel op de grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1600 productieve uren per jaar;

b. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;

c. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;

d. een opslag voor algemene kosten, groot 30% van de onder a bedoelde kosten.

Demonstratieprojecten

Als projectkosten voor demonstratieprojecten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het demonstratieproject toe te rekenen, na indiening van de aanvraag door een subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten:

a. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het bruto jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolommen 3 en 4 van de loonstaat van het betrokken personeel, exclusief volledige winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met het wettelijke dan wel op de grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1600 productieve uren per jaar;

b. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;

c. de kosten van aangeschafte machines en apparatuur, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het samenwerkingsproject toe te rekenen leasetermijnen, met uitzondering van financieringskosten, of afschrijvingstermijnen, berekend op basis van de historische aanschafwaarde exclusief winstopslag bij transacties binnen een groep, een lineaire afschrijvingsmethode en een levensduur van vijf jaar;

d. kosten van nieuw te bouwen gebouwen, dan wel aan te kopen gebouwen, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project en gedurende de uitvoering van het project uitsluitend dienstbaar zijn aan het project. Voor het bepalen van de subsidiabele kosten van deze gebouwen wordt de voorgenomen projectduur afgezet tegen de afschrijvingstermijn. De hieruit volgende verhouding is het deel van de totale bouwkosten, dan wel aankoopkosten, dat als subsidiabele projectkosten wordt gezien. Hierbij wordt uitgegaan van een afschrijvingstermijn van 20 jaar;

e. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en andere rechtstreeks aan het project toe te rekenen activiteiten met inbegrip van voor het project noodzakelijke, rechtstreeks aan het project toe te rekenen kosten betreffende aangekochte technische kennis en octrooien, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;

f. een opslag voor algemene kosten, groot 30% van de onder a. bedoelde kosten.

Kennisoverdrachtprojecten

Als projectkosten voor kennisoverdrachtprojecten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het kennisoverdrachtproject toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door een subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten:

a. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het bruto jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolommen 3 en 4 van de loonstaat van het betrokken personeel, exclusief volledige winstafhankelijke uitkeringen, verhoogt met het wettelijke dan wel op de grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1600 productieve uren per jaar;

b. aan derden ten behoeve van het project verschuldigde kosten, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;

c. een opslag voor algemene kosten, groot 30% van de onder a. bedoelde kosten.

Voor alle projecten geldt dat de kosten in aanmerking worden genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt deze omzetbelasting niet kan verrekenen met door hem af te dragen omzetbelasting.

7. Subsidiebedragen

Per deelproject gelden de volgende percentages:

Haalbaarheidsprojecten

Rechtspersonen en ondernemingen, niet zijnde een rechtspersoon, die als zodanig staan ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel: 75% van de subsidiabele projectkosten, met een subsidiemaximum van € 30.000,–.

Samenwerkingsverbanden en brancheorganisaties: 75% van de subsidiabele projectkosten, met een subsidiemaximum van € 70.000,–.

Indien de aanvrager een kleine of middelgrote onderneming betreft in de zin van verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10), of indien het gehele samenwerkingsverband bestaat uit louter kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van genoemde verordening, kan het percentage tot 85% worden verhoogd, voorzover de subsidiemaxima van respectievelijk € 30.000,– en € 70.000,– niet worden overschreden.

Demonstratieprojecten

Rechtspersonen, ondernemingen niet zijnde een rechtspersoon die als zodanig staan ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, samenwerkingsverbanden en brancheorganisaties: 25% van de subsidiabele projectkosten, met een subsidiemaximum van € 160.000,–.

Indien de aanvrager een kleine of middelgrote onderneming betreft in de zin van de verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10), of indien het gehele samenwerkingsverband bestaat uit louter kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van genoemde verordening, kan het percentage tot 35% worden verhoogd, voorzover het subsidiemaximum van € 160.000,– niet wordt overschreden.

Kennisoverdrachtprojecten

Samenwerkingsverbanden en brancheorganisaties: 75% van de subsidiabele projectkosten, met een maximum van € 80.000,–.

Indien ter zake van het project of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of de Commissie van de Europese gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totaal van subsidiebedragen niet meer bedraagt dan de hierboven in de overeenkomende gevallen genoemde percentages.

De Minister wijst subsidieaanvragen af voorzover door verstrekking van de gevraagde subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.

8. Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor de zesde aanvraagperiode van het Programma Transportbesparing bedraagt € 1.000.000,– voor haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten gezamenlijk en € 400.000,– voor kennisoverdrachtprojecten.

9. Rapportages, voorschotten en eindafrekening

Ten opzichte van de SMEG gelden de volgende afwijkende regels met betrekking tot rapportages, voorschotten en declaraties:

a.1. Van het bedrag, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel d van de SMEG, kan maximaal 50% bij wijze van voorschot worden verleend op basis van kasprognoses voor de totale duur van het project, voorzover de in enig begrotingsjaar beschikbare kasruimte dit toelaat. Het verzoek om uitbetaling van een voorschot moet binnen vier maanden na ontvangst van de beschikking tot subsidieverlening worden ingediend met gebruikmaking van een bij de programmabeheerder verkrijgbaar formulier. Hierbij geldt dat er nog geen kosten gemaakt en betaald hoeven te zijn in het kader van het haalbaarheids-, demonstratie- of, kennisoverdrachtproject.

a.2. Demonstratie- en kennisoverdrachtprojecten: Voor de uitbetaling van nog eens 30% van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag kan een tweede verzoek tot voorschot worden ingediend bij de programmabeheerder, op het moment dat daadwerkelijk kosten zijn gemaakt en betaald. Indien geen gebruik is gemaakt van de eerste voorschotmogelijkheid geldt dat het percentage van 30 vervangen wordt door 80.

Verzoeken om uitbetaling van een tweede voorschot dienen schriftelijk te worden ingediend met gebruikmaking van een bij de programmabeheerder verkrijgbaar formulier. Het verzoek gaat vergezeld van alle bescheiden die blijkens de beschikking tot subsidieverlening met het verzoek moeten worden meegezonden. Uitbetaling van (delen van) het voorschot wordt geweigerd indien de hiervoor bedoelde bescheiden ontbreken. Uitbetaling van het tweede voorschot bij demonstratie- en kennisoverdrachtprojecten is slechts mogelijk indien de subsidieontvanger kan aantonen dat op het moment van indiening van het verzoek de geprognosticeerde projectkosten reeds zijn gemaakt en betaald.

b. De subsidieontvanger brengt na afloop van een periode van zes maanden schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het demonstratie- of kennisoverdrachtproject. Tevens dient de subsidieontvanger een declaratie in, waaruit de daadwerkelijke gemaakte en betaalde kosten blijken.

c. Binnen één maand na afloop van de uitvoering van het haalbaarheidsproject dient de subsidieontvanger een eindrapportage in die betrekking heeft op het haalbaarheidsproject, alsmede een einddeclaratie met accountantsverklaring conform het controleprotocol dat door de programmabeheerder wordt verstrekt.

d. Binnen drie maanden na afloop van de uitvoering van het demonstratie- of kennisoverdrachtproject dient de subsidieontvanger een eindrapportage in die betrekking heeft op het demonstratie- of kennisoverdrachtproject, alsmede een einddeclaratie met accountantsverklaring conform het controleprotocol dat door de programmabeheerder wordt verstrekt.

10. Openbaarheid projectresultaten

De subsidieontvanger geeft bij het uitvoeren van het transportbesparingsproject op de in de subsidiebeschikking aangegeven manier bekendheid aan het feit dat het project wordt uitgevoerd in het kader van het Programma Transportbesparing van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. De subsidieontvanger zal daarbij ingaan op de achtergronden en doelstellingen van het Programma Transportbesparing. Daarnaast zal de subsidieontvanger in het kader van de uitvoering van het Programma Transportbesparing medewerking aan de volgende zaken:

– het tot stand komen van een samenvatting bij aanvang van het project, die openbaar gemaakt kan worden;

– het verzorgen van minstens één presentatie over het project tijdens een voorlichtingsbijeenkomst, seminar of andere bijeenkomst;

– het tot stand komen van een samenvatting na afronding van het project, die openbaar gemaakt kan worden.

11. Overige verplichtingen

Voor de overige verplichtingen wordt verwezen naar de verplichtingen voortvloeiend uit de SMEG.

12. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 2 dagen na publicatie in de Staatscourant.

Dit programma zal in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, K.M.H. Peijs.

  • 1

    Deze richtlijnen zijn te vinden op www.oesorichtlijnen.nl.

Naar boven