Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2005, 251 pagina 31Overig

Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Den Haag, 12 december 2005

Nr. DB 2005-129 M

Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen

De Staatssecretaris van Financiën,

Handelende wat artikel 6, tweede en derde lid, betreft, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en wat artikel 47 betreft, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op de artikelen 6, tweede en derde lid, 8, zevende lid, 17, tweede lid, 25, tweede lid, 31, tweede lid, en 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;

Besluit:

Artikel 1

Reikwijdte

Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 6, tweede en derde lid, 8, zevende lid, 17, tweede lid, 25, tweede lid, 31, tweede lid, en 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 2

Definities

Deze regeling verstaat onder wet: Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

Artikel 3

Gelijkstelling met gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens

1. Iemand die niet in Nederland woont, wordt in ieder geval geacht op zijn woonadres te zijn ingeschreven in een naar aard en strekking met de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens overeenkomende administratie buiten Nederland, indien:

a. hij vanwege zijn functie of vanwege de functie van een van de tot zijn huishouden behorende personen niet kan of niet hoeft te worden ingeschreven in een naar aard en strekking met de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens overeenkomende administratie buiten Nederland;

b. blijkt dat hij niet woont op het adres waarop hij is ingeschreven in de bevolkingsadministratie in zijn woonland;

c. zijn woonland geen of geen naar aard en strekking met de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens overeenkomende administratie voert.

2. Iemand die in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens niet op zijn woonadres is ingeschreven, wordt in ieder geval geacht daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven, indien:

a. hij een vreemdeling is als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet;

b. hij of een tot zijn huishouden behorende persoon op grond van artikel 32 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens in verband met zijn bijzondere verblijfsrechtelijke status niet in aanmerking komt voor inschrijving, met dien verstande dat voor degenen die zijn opgenomen in de door het Ministerie van Buitenlandse Zaken gevoerde Protocollaire Basisadministratie, het in deze administratie opgenomen woonadres geldt;

c. blijkt dat sprake is van een onjuiste inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens voor de periode tot aan de datum van adreswijziging als bedoeld in artikel 47, derde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;

d. hij zich overeenkomstig artikel 65 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens binnen 5 dagen na de aanvang van zijn verblijf op zijn woonadres heeft laten inschrijven bij de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

Artikel 4

Herleiding toetsingsinkomen

Het verzoek, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de wet, kan worden gedaan tot het tijdstip waarop de toekenning van de tegemoetkoming over het desbetreffende berekeningsjaar onherroepelijk is geworden.

Artikel 5

Melding wijziging omstandigheden

1. Indien een voorschot op de tegemoetkoming is verleend en zich in het berekeningsjaar een wijziging van de omstandigheden voordoet waarmee bij het verlenen van het voorschot geen rekening is gehouden en die leidt tot beëindiging dan wel verlaging van de tegemoetkoming doet de belanghebbende daarvan binnen vier weken schriftelijk dan wel elektronisch mededeling aan de Belastingdienst/Toeslagen.

2. De wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, zijn:

a. het aangaan of het beëindigen van het partnerschap;

b. een verhoging van het geschatte toetsingsinkomen die leidt tot een verlaging van de tegemoetkoming over het berekeningsjaar van meer dan € 100;

c. een verhuizing van de belanghebbende, diens partner of een medebewoner naar of vanaf een buiten Nederland gelegen woonadres dan wel tussen twee buiten Nederland gelegen woonadressen.

3. Indien er een voorschot huurtoeslag is verleend, wordt als een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid tevens aangemerkt:

a. een wijziging in de huurprijs;

b. het aangaan van of het beëindigen van een huurcontract, waaronder begrepen een schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, onder 2°, van de wet;

c. een verandering van verhuurder;

d. een verhoging van het geschatte vermogen van de belanghebbende, diens partner of een medebewoner waardoor over het berekeningsjaar vermoedelijk voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking zal worden genomen;

e. de komst of het vertrek van een medebewoner.

4. Indien er een voorschot zorgtoeslag is verleend, wordt als een omstandigheid als bedoel in het eerste lid tevens aangemerkt de beëindiging van de zorgverzekering of een opschorting van die verzekering als bedoeld in artikel 24 van de Zorgverzekeringswet.

5. Indien er een voorschot kinderopvangtoeslag is verleend, wordt als een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid tevens aangemerkt:

a. een wijziging in het aantal uren genoten kinderopvang door een kind van de belanghebbende of van zijn partner;

b. een wijziging in het soort genoten kinderopvang door een kind van de belanghebbende of van zijn partner;

c. een wijziging van het geregistreerde kindercentrum of geregistreerde gastouderbureau;

d. een wijziging in de uurprijs;

e. een wijziging van de vrije vergoeding of verstrekking door de werkgever ter zake van kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 16c van de Wet op de loonbelasting 1964;

f. een wijziging van de tegemoetkoming van de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 22 onderscheidenlijk artikel 29, van de Wet kinderopvang.

Artikel 6

Gegevensverkeer bij betaling op andere bankrekening

Indien op grond van artikel 25, eerste lid, van de wet de uitbetaling van een voorschot of een tegemoetkoming plaatsvindt op een andere bankrekening dan die van de belanghebbende of diens partner, vindt het gegevensverkeer met betrekking tot de uitbetaling tussen de Belastingdienst/Toeslagen en die rekeninghouder plaats met gebruikmaking van het sociaal-fiscaalnummer van de belanghebbende.

Artikel 7

Uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen

1. De Belastingdienst/Toeslagen stelt de belanghebbende in de gelegenheid een terugvordering te betalen in maandelijkse termijnen van € 40 mits hij voldoet aan door de Belastingdienst/Toeslagen nader te stellen voorwaarden.

2. De Belastingdienst/Toeslagen kan ambtshalve een betaling in termijnen bewerkstelligen door middel van verrekening van de terugvordering met aan dezelfde belanghebbende periodiek uit te betalen bedragen. Indien een verrekening als bedoeld in de vorige volzin plaats vindt, wordt het totaal van de maandelijks aan de belanghebbende uit te betalen bedragen met ten hoogste € 40 verminderd.

3. Een betaling van de terugvordering in maandelijkse termijnen eindigt uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de terugvordering geldende betalingstermijn 24 maanden zijn verstreken. Indien de omvang van de terugvordering betaling in 24 maandelijkse termijnen van € 40 niet toelaat, kan de Belastingdienst/Toeslagen, in afwijking van het eerste en tweede lid, een betaling in maandelijkse termijnen van meer dan € 40 verlangen.

4. Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn de terugvordering overeenkomstig de voorgaande leden te betalen kan de Belastingdienst/Toeslagen, in afwijking in zoverre van de voorgaande leden, een betaling in termijnen toestaan gebaseerd op de betalingscapaciteit. De berekening van de betalingscapaciteit vindt plaats op de voet van artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, met dien verstande dat de Belastingdienst/Toeslagen het netto-besteedbare inkomen van de belanghebbende vermeerdert met het netto-besteedbare inkomen van de persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek als partner in de zin van artikel 3 van de wet kan worden beschouwd.

5. Een betalingsregeling als bedoeld in het vierde lid wordt niet toegestaan indien de belanghebbende of de in dat lid bedoelde partner over voldoende vermogen in de zin van artikel 12 van de Uitvoeringregeling Invorderingswet 1990 beschikken voor de voldoening van de terugvordering, met dien verstande dat bevoorrechte schulden op het vermogen in mindering worden gebracht.

6. De voorgaande leden zijn niet van toepassing indien het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner.

Artikel 8

Uitstel van betaling in verband met bezwaar

1. Indien de belanghebbende tijdig een gemotiveerd bezwaar heeft ingediend tegen de terugvordering dan wel beroep of hoger beroep heeft ingediend tegen de uitspraak op een bezwaar, verleent de Belastingdienst/Toeslagen uitstel van betaling van de terugvordering tot het moment waarop op het bezwaar, het beroep of hoger beroep is beslist.

2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing indien bezwaar, beroep, hoger beroep of beroep in cassatie is ingediend tegen een aanslag inkomstenbelasting die bepalend is voor de draagkracht waarmee bij de terugvordering rekening is gehouden.

Artikel 9

Hardheidsclausule

1. Artikel 7, derde en vierde lid, van de wet blijft op verzoek van de belanghebbende buiten toepassing ten aanzien van degene bij wie over het berekeningsjaar geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking zou worden genomen indien de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zou worden verminderd met:

a. bezittingen die zijn opgekomen:

1°. van de zijde van een pleegkind;

2°. van de zijde van een minderjarig kind en waarover zowel de belanghebbende, diens partner, een eventuele medebewoner, alsook het kind niet kan beschikken;

b. een bedrag ter grootte van de navolgende eenmalige uitkeringen die in het berekeningsjaar of in enig eerder jaar zijn ontvangen:

1°. immateriële schadevergoedingen;

2°. schadevergoedingen die door de overheid, het Nederlandse Rode Kruis, of fabrikanten van farmaceutische producten zijn betaald aan hemofiliepatiënten die met het aids-virus zijn besmet;

3°. vergoedingen ingevolge de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (Stcrt. 2000, 16), die zijn uitgekeerd aan de slachtoffers zelf;

4°. uitkeringen van de Stichting Maror-gelden Overheid, opgericht op 1 december 2000, gevestigd te Amsterdam;

5°. uitkeringen van de Stichting Het Gebaar, opgericht op 19 november 2001, gevestigd te ’s-Gravenhage;

6°. uitkeringen van de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, opgericht op 3 november 2000, gevestigd te Tilburg;

7°. uitkeringen van de Stichting Joods Humanitair Fonds, opgericht op 31 januari 2002, gevestigd te ’s-Gravenhage;

8°. uitkeringen van de Stichting Individuele Maror Gelden, opgericht op 1 december 2000, gevestigd te Amsterdam;

9°. uitkeringen van de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa, opgericht op 22 november 1999, gevestigd te ’s-Gravenhage;

10°. uitkeringen van de Stichting Individuele Bankaanspraken Sjoa, opgericht op 11 maart 2002, gevestigd te ’s-Gravenhage;

11°. uitkeringen van de Stichting Individuele Effectenaanspraken Sjoa, opgericht op 22 november 1999, gevestigd te ’s-Gravenhage.

2. Het eerste lid, onderdeel b, onder 4° tot en met 11°, is eveneens van toepassing ingeval de genoemde uitkeringen zijn verstrekt aan nabestaanden van de gerechtigden.

3. Het in het eerste lid bedoelde verzoek kan worden gedaan tot het tijdstip dat de toekenning van de tegemoetkoming over het desbetreffende berekeningsjaar onherroepelijk is geworden.

4. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.

Artikel 11

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Financiën, J.G. Wijn.

Toelichting

Algemeen

Inleiding

De Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) bevat een aantal voorschriften waaraan bij ministeriële regeling uitwerking zal worden gegeven. Het betreft voorschriften met betrekking tot de gelijkstelling van het feitelijk woonadres met een inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (artikel 6 van de Awir, hierna aan te duiden als: de wet), het herleiden van het toetsingsinkomen bij beëindiging van het partnerschap of medebewonerschap in de loop van het berekeningsjaar (artikel 8 van de wet), het melden van relevante wijzigingen in de omstandigheden die leiden tot een lagere toeslag (artikel 17 van de wet), gegevensverkeer bij betaling op een andere bankrekening (artikel 25 van de wet), het verlenen van uitstel van betaling (artikel 31 van de wet) alsmede het toepassen van het hardheidsclausulebeleid op het vermogen (artikel 47 van de wet). De onderhavige ministeriële regeling dient tot vaststelling van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

Administratieve lasten en uitvoeringskosten Belastingdienst/Toeslagen

Gezien het feit dat de onderhavige uitvoeringsregeling voortvloeit uit de vaststelling van de Awir zijn de effecten daarvan op de administratieve lasten reeds meegenomen bij de in de memorie van toelichting bij het betreffende wetsvoorstel vermelde gevolgen voor de administratieve lasten. De daar vermelde effecten zijn namelijk, conform de bestaande praktijk, inclusief de effecten van met de wetswijzigingen samenhangende lagere regelgeving. Hetzelfde geldt voor de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst/Toeslagen.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Reikwijdte

Deze bepaling noemt de artikelen in de wet waarop de in de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen opgenomen bepalingen zijn gebaseerd.

Artikel 2. Definities

In artikel 2 worden de voor de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van belang zijnde begrippen gedefinieerd. Op dit moment beperkt de bepaling zich tot een definitie van het begrip ‘wet’, zijnde de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

Artikel 3. Gelijkstelling met gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens

In de wet is bepaald dat een persoon alleen als partner of medebewoner in aanmerking kan worden genomen als deze persoon bij de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven. Buitenlandse administraties worden op basis van artikel 6, eerste lid, van de wet gelijkgesteld met de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

Artikel 3, eerste lid, heeft betrekking op een drietal situaties waarin een niet in Nederland wonende persoon zich niet heeft ingeschreven c.q. niet heeft kunnen inschrijven dan wel onjuist is ingeschreven in een naar aard en strekking met de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens overeenkomende administratie buiten Nederland (artikel 6, tweede lid, van de wet). Allereerst kan dit zich voordoen bij bepaalde functionarissen, bijvoorbeeld personeel verbonden aan een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging en uitgezonden militairen werkzaam op NAVO-bases in het buitenland. Dit personeel wordt op grond van internationale regelingen niet ingeschreven in de bevolkingsadministratie van het werkland. Artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bepaalt dat deze personen, alsmede hun gezinsleden voor wie ook geen inschrijvingsverplichting geldt, geacht worden op hun (feitelijke) woonadres te zijn ingeschreven in een naar aard en strekking met de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens overeenkomende administratie buiten Nederland.

Artikel 3, eerste lid, onderdeel b, regelt dat iemand die niet in Nederland woont en die op een onjuist adres in de bevolkingsadministratie van zijn woonland is ingeschreven, geacht wordt op zijn woonadres te zijn ingeschreven in een naar aard en strekking met de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens overeenkomende administratie buiten Nederland. Met deze bepaling wordt voorkomen dat het inkomen van de partner buiten beschouwing blijft bij de draagkrachtbepaling uitsluitend vanwege het feit dat die partner zich ten onrechte niet heeft laten inschrijven in de bevolkingsadministratie van het woonland.

Artikel 3, eerste lid, onderdeel c, regelt de situatie dat het woonland van belanghebbende geen bevolkingsadministratie voert. Ook in dergelijke gevallen is het (feitelijke) woonadres bepalend.

Artikel 3, tweede lid, geeft nadere regels voor een aantal situaties waarin het feitelijke woonadres van iemand die in Nederland woont gelijk wordt gesteld met een inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (artikel 6, derde lid, van de wet). Het kan dan gaan om:

1. situaties waarin de partner of medebewoner niet op hetzelfde adres als de belanghebbende is ingeschreven maar daar feitelijk wel woont, of

2. situaties waarin een persoon wel op hetzelfde adres als de belanghebbende staat ingeschreven maar daar niet woont.

In beide gevallen geldt dat door uit te gaan van het feitelijke woonadres de draagkracht op een juiste manier kan worden vastgesteld.

Artikel 3, tweede lid, onderdeel a, ziet op vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven. Voor deze groep wordt het (feitelijke) woonadres gelijkgesteld met een inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

Artikel 3, tweede lid, onderdeel b, ziet op personen die op grond van hun bijzondere verblijfsrechtelijke status niet in aanmerking komen voor inschrijving in de Nederlandse gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Ook voor hen en hun gezinsleden geldt het feitelijke woonadres als het woonadres waarop zij op grond van artikel 6, derde lid, van de wet geacht worden te zijn ingeschreven. Een speciale regeling is getroffen voor personeelsleden van internationale organisaties, ambassades en consulaten. Voor hen geldt het woonadres zoals dat is opgenomen in de door de Minister van Buitenlandse Zaken gevoerde Protocollaire Basisadministratie. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken beschikt voor wat betreft de ambassades en consulaten over de relevante gegevens van uitgezondenen en overige duurzaam in Nederland verblijvenden. Hetzelfde geldt voor medewerkers van internationale organisaties waarmee het Ministerie van Buitenlandse Zaken een overeenkomst heeft. De gegevens worden – overigens ook nu al – iedere twee weken aan Belastingdienst/Haaglanden, kantoor Rijswijk, verschaft. De in dit bestand opgenomen gegevens bepalen feitelijk het woonadres. Aldus fungeert dit bestand als een schaduwbasisadministratie.

Artikel 3, tweede lid, onderdeel c, ziet op gevallen waarin een partner of medebewoner zich ten onrechte niet bij de belanghebbende in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft laten inschrijven (hetzelfde kan zich overigens ook voordoen ten aanzien van kinderen). Een dergelijke persoon kwalificeert niet als partner/medebewoner in de zin van de wet met als gevolg dat bij de draagkrachtbepaling geen rekening wordt gehouden met het toetsingsinkomen van deze persoon. Over het algemeen zal dit ertoe leiden dat een te hoge toeslag wordt verleend. In al deze gevallen is sprake van een onjuiste inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens die leidt tot een onjuiste vaststelling van de draagkracht. Artikel 3, tweede lid, onderdeel c, repareert dit door als de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is aangepast, deze correctie voor de toepassing van de Awir met terugwerkende kracht te laten gelden.

Ook de omgekeerde situatie is mogelijk. Het kan hier gaan om bijv. ex-partners of ‘spookbewoning’. Het komt voor dat ex-partners zich niet laten uitschrijven uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of dat mensen zich op een willekeurig adres laten inschrijven (bijv. om een parkeervergunning te verkrijgen), maar daar feitelijk niet wonen. Ook hier geldt dat zodra de adreswijziging in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is doorgevoerd, met terugwerkende kracht het feitelijke woonadres als inschrijvingsadres geldt. Hierdoor telt de betrokkene niet mee bij de vaststelling van de draagkracht.

Artikel 3, tweede lid, onderdeel d, regelt dat een inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens binnen vijf dagen na aanvang van het verblijf eveneens met terugwerkende kracht in aanmerking wordt genomen. Deze bepaling is ontleend aan artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de Huursubsidiewet zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Aanpassingswet Awir.

Artikel 4. Herleiding toetsingsinkomen

Artikel 8, vierde lid, van de wet biedt de mogelijkheid dat de belanghebbende verzoekt om een lager toetsingsinkomen van zijn partner in aanmerking te nemen als in de loop van het berekeningsjaar het partnerschap is beëindigd (bij beëindigen van medebewonerschap geldt op basis van het vijfde lid van artikel 8 van de wet eenzelfde bepaling).

In dat geval worden bepaalde inkomensbestanddelen die de partner na die beëindiging heeft genoten niet in aanmerking genomen, en wordt het belastbare loon dat tot de beëindiging is genoten tijdsevenredig herleid naar een jaarloon. Op die wijze worden grote inkomensstijgingen bij de partner na de beëindiging van het partnerschap geneutraliseerd.

Het verzoek kan worden gedaan tot het tijdstip waarop de toekenning van de tegemoetkoming over het desbetreffende berekeningsjaar onherroepelijk is geworden. Dit is geregeld in artikel 4.

Artikel 5. Melding wijziging omstandigheden

Dit artikel bevat een opsomming van door de belanghebbende te melden wijzigingen van omstandigheden die van invloed zijn op de hoogte van het voorschot. Uitgangspunt is dat gegevens die de Belastingdienst/Toeslagen van derden krijgt niet nog een keer door de belanghebbende hoeven te worden gemeld. Het gaat dus uitsluitend om wijzigingen die de Belastingdienst/Toeslagen niet op andere wijze al bekend zijn.

Het eerste lid beperkt de meldingsplicht tot wijzigingen die leiden tot een beëindiging dan wel verlaging van de tegemoetkoming. Hiermee wordt voorkomen dat belanghebbenden bij de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming geconfronteerd zouden worden met een terugvordering doordat in de loop van het berekeningsjaar te hoge voorschotten zijn uitbetaald. Indien een wijziging leidt tot een hogere tegemoetkoming ligt een meldingsplicht minder voor de hand. Het is dan aan belanghebbenden zelf te oordelen of dit moet leiden tot een hoger voorschot dan wel een hogere definitieve tegemoetkoming. De meldingstermijn van vier weken is gebaseerd op de termijn die wordt gehanteerd voor de regeling zoals die in de inkomstenbelasting voor de voorlopige teruggaaf geldt.

Het tweede lid regelt dat de meldingsplicht zich voor wat betreft wijzigingen van het toetsingsinkomen beperkt tot situaties waarin dit tot een verlaging van de tegemoetkoming van meer dan € 100 leidt. Hiermee wordt voorkomen dat belanghebbende iedere geringe inkomenswijziging zou moeten melden bij de Belastingdienst/Toeslagen. Een andere omstandigheid die moet worden gemeld is het aangaan of beëindigen van partnerschap alsmede verhuizingen naar, van of in het buitenland.

Het derde, vierde en vijfde lid bevatten een opsomming van de specifieke wijzigingen die voor de huur-, zorg- en kinderopvangtoeslag moeten worden doorgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen.

Artikel 6. Gegevensverkeer bij betaling op andere bankrekening

Met het bepaalde in artikel 6 wordt bewerkstelligd dat in de situatie waarin de belanghebbende op grond van artikel 25, eerste lid, van de wet, een tegemoetkoming laat uitbetalen op een ander bankrekeningnummer dan dat van belanghebbende of zijn partner, het gegevensverkeer met betrekking tot die uitbetaling tussen de rekeninghouder en de Belastingdienst/Toeslagen plaatsvindt met vermelding van het sociaal-fiscaalnummer van de belanghebbende. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het gebruik van het sociaal-fiscaalnummer in de contacten tussen de Belastingdienst/Toeslagen en de verhuurder in de situatie waarin de huurtoeslag van belanghebbende rechtstreeks wordt uitbetaald aan de verhuurder.

Artikel 7. Uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen

Artikel 7 geeft de mogelijkheden weer die de Belastingdienst/Toeslagen biedt om een teruggevorderd bedrag door middel van een betalingsregeling te voldoen. Daarbij geldt overigens de regel van artikel 29 van de wet dat in het geval van betaling na de vervaldag van de terugvordering rente in rekening wordt gebracht.

De betalingsregeling beschreven in het eerste en tweede lid wordt in beginsel standaard, dat wil zeggen zonder nader onderzoek in te stellen, door de Belastingdienst/Toeslagen aangeboden aan de belanghebbende die een teruggevorderd bedrag moet betalen. Deze betalingsregeling (hierna: de standaardregeling) gaat uit van een af te lossen bedrag van € 40 per maand. Voor de korte termijn, in ieder geval gedurende het jaar 2006, zal voor de standaardregeling steeds een werkwijze worden gehanteerd overeenkomstig het eerste lid en niet de ambtshalve verrekening met een verleend voorschot zoals beschreven in het tweede lid. De korte termijn werkwijze brengt met zich mee dat als de belanghebbende in aanmerking wil komen voor de standaardregeling, hij een schriftelijk verzoek daartoe moet indienen. De Belastingdienst/Toeslagen stuurt hem dan een uitstelbeschikking toe met de mededeling dat de betalingsregeling wordt toegestaan op voorwaarde dat de belanghebbende maandelijks € 40 overmaakt (via de bank) totdat het bedrag van de terugvordering, inclusief rente, is voldaan.

Het voornemen is om de standaardregeling op de langere termijn volledig geautomatiseerd te gaan uitvoeren. Dat zal echter pas mogelijk zijn als het nieuwe geautomatiseerde inningssysteem van de Belastingdienst en de Belastingdienst/Toeslagen, waaraan momenteel nog wordt gewerkt, in gebruik wordt genomen. In de geautomatiseerde uitvoering van de standaardregeling zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van het feit dat de meeste mensen die met een terugvordering geconfronteerd worden tegelijkertijd maandelijks een bedrag of eventueel meerdere bedragen van de Belastingdienst/Toeslagen of de Belastingdienst uitbetaald krijgen in de vorm van een verleend voorschot op de tegemoetkoming of een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting. Verrekening tussen beide bedragen op grond van artikel 30 van de wet ligt dan voor de hand en is voor beide partijen het meest praktisch. Als uitgangspunt geldt dat er maandelijks niet meer dan € 40 wordt verrekend. Omdat de Belastingdienst/Toeslagen daar uit eigen beweging toe kan besluiten, is het in dat geval ook niet langer nodig dat belanghebbende een apart verzoek indient voor een betalingsregeling. Het tweede lid voorziet in deze mogelijkheid. Alleen als er geen of onvoldoende uit te betalen bedragen zijn om mee te verrekenen zal de belanghebbende automatisch een aanbod krijgen om een maandelijkse aflossing door middel van een girale betaling via de bank tot stand te brengen.

Thans is nog niet exact aan te geven hoe de systematiek van verrekening zal worden vormgegeven in het nieuwe systeem en moet volstaan worden met het geven van een – gestileerd – voorbeeld van een manier waarop een en ander gestalte kan krijgen:

Voorbeeld

De heer Pietersen ontvangt in 2008 een voorschot huurtoeslag van € 1200, uit te betalen in 12 termijnen van € 100 per maand. In 2008 krijgt Pietersen echter ook een terugvordering huurtoeslag over het jaar 2007 van € 160. De heer Pietersen maakt gebruik van de standaardregeling van € 40 per maand. De Belastingdienst/Toeslagen verrekent de terugvordering van € 160 zodanig dat Pietersen in 2008 gedurende 4 maanden € 60 (in plaats van € 100) aan huurtoeslag ontvangt.

Op grond van het derde lid is de looptijd van de standaardregeling begrensd tot 24 maanden na de vervaldag zoals die is vermeld op de terugvorderingsbeschikking. Dat houdt in dat indien de omvang van het teruggevorderde bedrag zodanig is dat het totale bedrag niet in 24 maandelijkse termijnen van € 40 kan worden betaald, het maandelijks af te lossen bedrag wordt aangepast. Zo zal een teruggevorderd bedrag van € 1200 bijvoorbeeld in 24 maandelijkse termijnen van € 50 moeten worden betaald. Een en ander geldt ook indien betaling plaats vindt door middel van verrekening met een voorschot op de tegemoetkoming.

Zolang de geautomatiseerde uitvoering van de standaardregeling niet mogelijk is zal de belanghebbende, naast de standaardregeling, tevens de mogelijkheid worden geboden om via de Belastingtelefoon, telefonisch uitstel van betaling aan te vragen. Deze vorm van uitstel van betaling houdt in dat gedurende een periode van 4 maanden, te rekenen vanaf de vervaldag, een opschorting van de betalingsverplichting plaats vindt. Het te betalen bedrag moet dan wel binnen die periode volledig zijn betaald. Deze faciliteit zal, vanwege het tijdelijke karakter ervan, niet in deze regeling maar in een beleidsvoorschrift worden opgenomen. Voor wat betreft de voorwaarden die gelden om voor deze vorm van uitstel van betaling in aanmerking te komen zal worden aangesloten op de voorwaarden zoals die nu voor de invordering van belastingschulden gelden.

Op de terugvorderingsbeschikking die wordt verzonden zal de belanghebbende worden gewezen op de verschillende mogelijkheden die er zijn om een betalingsregeling te treffen.

Het vierde lid biedt de mogelijkheid om in daartoe aanleiding gevende situaties een andere betalingsregeling te treffen dan de standaardregeling. Een andere regeling wordt slechts toegestaan als de belanghebbende daar nadrukkelijk om verzoekt én de benodigde informatie verstrekt aan de Belastingdienst/Toeslagen om te kunnen beoordelen of er sprake is van onvoldoende betalingscapaciteit om een maandelijkse aflossing overeenkomstig de standaardregeling te kunnen verrichten.

Als maatstaf voor de beoordeling of iemand over voldoende betalingscapaciteit beschikt geldt, kort samengevat, het uitgangspunt dat mensen niet gedwongen worden tot terugbetaling voorzover zij daardoor minder dan 90% van de voor hen geldende bijstandsnorm aan besteedbaar inkomen overhouden. De beschikbare financiële ruimte boven deze grens dient te worden aangewend voor de terugbetaling. Ook voor deze regeling geldt dat het op de betalingscapaciteit gebaseerde af te lossen bedrag gedurende maximaal 24 maanden wordt opgeëist.

Het vierde lid bevat nadere voorschriften voor de wijze van berekening van de betalingscapaciteit en het daarvoor in aanmerking te nemen inkomen. Die berekening is gebaseerd op de regels voor de berekening van de betalingscapaciteit zoals die ook voor de invordering van belastingschulden gelden met dien verstande dat voor wat betreft de berekening van de betalingscapaciteit ook het netto-besteedbare inkomen van de partner in de zin van de wet in aanmerking wordt genomen. De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 gaat voor de berekening van de betalingscapaciteit van de ‘partner’ namelijk uit van de echtgenoot bedoeld in de Wet werk en bijstand.

In het vijfde lid is bepaald, overeenkomstig het uitgangspunt zoals dat ook voor de invordering van belastingschulden geldt, dat het beschikken over vermogen een uitsluitingsgrond vormt om in aanmerking te komen voor een betalingsregeling die rekening houdt met de betalingscapaciteit.

Artikel 12 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 geeft aan wat onder het begrip vermogen moet worden begrepen en wijst aan welke bezittingen daar niet toe worden gerekend.

Het zesde lid tenslotte, geeft aan dat niet de mogelijkheid wordt geboden om een teruggevorderd bedrag met behulp van een betalingsregeling te betalen indien het ontstaan van die terugvordering kan worden toegerekend aan de opzet of grove schuld van de belanghebbende of zijn partner. Deze bepaling zal veelal toepassing vinden indien de Belastingdienst/Toeslagen naast een terugvordering tevens een boete heeft opgelegd op grond van artikel 40, tweede lid, van de wet maar is daar niet toe beperkt. Ook indien sprake is van een terugvordering die niet voortvloeit uit de herziening van een toegekende tegemoetkoming kan een belanghebbende niet voor een betalingsregeling in aanmerking komen als er sprake is van opzet of grove schuld met betrekking tot het ontstaan van die terugvordering.

Voor door de belanghebbende verschuldigde bedragen terzake van een opgelegde boete of rente die in rekening is gebracht op grond van artikel 27 van de wet geldt overigens hetzelfde uitstelregime zoals dat voor de terugvordering wordt toegepast in verband waarmee de boete is opgelegd of rente is berekend.

Artikel 8. Uitstel van betaling in verband met bezwaar

Het eerste lid regelt dat uitstel van betaling wordt verleend in het geval de belanghebbende zich in rechte verzet tegen de terugvorderingsbeschikking. Zijn bezwaarschrift moet dan wel vóór het verstrijken van de bezwaartermijn zijn ingediend en zijn voorzien van de gronden van het bezwaar. Een en ander brengt met zich mee dat voor een niet-ontvankelijk bezwaar in de regel geen uitstel van betaling zal worden verleend.

Door uitstel van betaling te verlenen worden invorderingsmaatregelen voorkomen die normaal gesproken zouden plaats vinden omdat de terugvordering niet binnen de wettelijke betaaltermijn wordt betaald.

Het tweede lid voorziet in het automatisch verlenen van uitstel van betaling voor een terugvordering zolang er sprake is van een (fiscale) rechtsgang die wordt gevolgd met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting die aan de terugvordering ten grondslag ligt.

Artikel 9. Hardheidsclausule

In artikel 9 worden de maatregelen neergelegd die zijn getroffen voor groepen van gevallen waarin toepassing van de vermogenstoets van artikel 7, derde of vierde lid, van de wet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. In het Besluit op de huurtoeslag is uitvoering gegeven aan de regeling van artikel 55, vijfde lid, van de Wet op de huurtoeslag, waarbij is bepaald dat het tot en met 2005 door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gevormde hardheidsclausulebeleid met betrekking tot inkomen en medebewoners bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgelegd.

Ingevolge artikel 7, derde en vierde lid, van de wet bestaat geen recht op een tegemoetkoming, als bij een van de bewoners (aanvrager, diens eventuele partner en medebewoners) die bepalend zijn voor de draagkracht van het huishouden, voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking wordt genomen. Artikel 47 bevat de mogelijkheid om daarvan bij ministeriële regeling af te wijken bij onbillijkheden van overwegende aard. Blijkens de toelichting op artikel 47 van de wet wordt hiermee een hardheidsclausule ingevoerd voor situaties waarin de vermogenstoets ertoe zou leiden dat in strijd met de bedoeling van de wetgever geen of een lagere tegemoetkoming zou worden toegekend.

De afwijkingen op grond van de hardheidsclausule hebben de vorm van een fictieve vermindering van de rendementsgrondslag voor de toepassing van de vermogenstoets. In gevallen waarin de belanghebbende, zijn partner, of een medebewoner de bijzondere vermogensbestanddelen bezitten die in artikel 9, eerste lid, zijn genoemd, wordt op verzoek de vermogenstoets toegepast alsof de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen deze bestanddelen niet zou bevatten. Als op basis van deze lagere rendementsgrondslag geen inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking zou worden genomen, leidt de vermogenstoets niet tot uitsluiting van de tegemoetkoming.

Overigens geldt deze hardheidsclausule momenteel alleen voor de huurtoeslag, aangezien alleen voor de toekenning van die toeslag een vermogenstoets wordt toegepast.

Uit de toelichting op artikel 47 van de wet blijkt dat het de bedoeling is het vermogen van pleegkinderen buiten beschouwing te laten om te voorkomen dat door dat vermogen voordeel uit sparen en beleggen zou ontstaan en daarom geen recht op een tegemoetkoming bestaat (Kamerstukken II 2004/05, 29 764, nr. 32). In artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, is deze uitzondering neergelegd.

Artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, bevat de bepaling dat bij de vermogenstoets bezittingen buiten aanmerking kunnen blijven die zijn opgekomen van de zijde van een minderjarig kind, en waarover noch de belanghebbende, noch diens partner, noch een medebewoner kan beschikken. Ook het minderjarige kind moet dus niet kunnen beschikken over die bezittingen. Deze bezittingen kunnen bijvoorbeeld staan op een bankrekening waarop een clausule rust dat de ouders er geen beschikking over hebben (bijvoorbeeld tot het moment dat het kind meerderjarig is). Ook kan het gaan om vermogen van minderjarige kinderen waarbij door een rechter goedgekeurd moet worden of van de bezittingen van dat kind kosten mogen worden betaald, de zogeheten BEM-clausules.

Artikel 9, eerste lid, onderdeel b, noemt een aantal eenmalige uitkeringen die in het berekeningsjaar of in enig ander jaar zijn ontvangen, waarvan de bedragen bij de vermogenstoets buiten aanmerking kunnen blijven.

Ten eerste wordt hierbij gedacht aan immateriële schadevergoedingen (artikel 9, eerste lid, onderdeel b, onder 1°). Immateriële schadevergoedingen spelen bijvoorbeeld een rol in situaties waarbij naar aanleiding van een ongeval een schadevergoeding is uitgekeerd. Alleen het gedeelte dat daadwerkelijk als smartengeld is verstrekt mag dan voor de vermogenstoets op de rendementsgrondslag in mindering worden gebracht.

Onder 2° en 3° van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, wordt een tweetal eenmalige uitkeringen genoemd die zijn uitgekeerd als schadevergoeding: de vergoeding aan hemofiliepatiënten en de vergoeding aan asbestslachtoffers. Zoals uit het tweede lid van artikel 9 blijkt, geldt de afwijkende regeling alleen voor de slachtoffers zelf.

In onderdeel b, onder 2°, gaat het om de schadevergoedingen die door de overheid, het Nederlandse Rode Kruis of fabrikanten van farmaceutische producten zijn uitbetaald aan hemofiliepatiënten die met het aids-virus zijn besmet. Onderdeel b, onder 3° regelt het in mindering brengen van vergoedingen op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS-regeling) die zijn uitgekeerd aan asbestslachtoffers. Deze uitkering betreft een eenmalige tegemoetkoming in de immateriële schade van slachtoffers die door beroepsmatige blootstelling aan asbest maligne mesothelioom hebben ontwikkeld en geen verhaalbare vordering hebben.

In artikel 9, eerste lid, onderdeel b, onder 4° tot en met 11°, is een aantal uitkeringen opgenomen, uitbetaald in het kader van de tegoeden van de Tweede Wereldoorlog. In de regeringsreactie inzake de tegoeden Tweede Wereldoorlog, die bij brief van 21 maart 2000 aan de Tweede Kamer is gestuurd (Kamerstukken II, 1999/2000, 25 839, nr. 13) is destijds toegezegd dat de aan de onderscheiden gemeenschappen (de Joodse, de Sinti en Roma en de Indische) ter beschikking gestelde gelden, onbelast zijn en dat er geen korting zal plaatsvinden op inkomensafhankelijke regelingen. In de ministeriële ad hoc Commissie Tegoeden Tweede Wereldoorlog van 18 oktober 2000 is vervolgens besloten om de vermogenstoets bij onder meer de Huursubsidiewet (nu: Wet op de huurtoeslag) afwijkend toe te passen op de bedoelde uitkeringen.

In het tweede lid van artikel 9 is bepaald dat deze afwijkende regeling ook geldt voor nabestaanden aangezien vele vervolgingsslachtoffers zelf zijn overleden.

Het gaat om vergoedingen uitbetaald door de volgende stichtingen: Stichting Maror-gelden Overheid, Stichting Het Gebaar, Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, Stichting Joods Humanitair Fonds, Stichting Individuele Maror Gelden, Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa, Stichting Individuele Bankaanspraken Sjoa en de Stichting Individuele Effectenaanspraken Sjoa.

In artikel 9, derde lid, is bepaald dat een verzoek om de bewuste vermogensbestanddelen buiten beschouwing te laten kan worden gedaan tot het moment waarop de toekenning van de toeslag over het desbetreffende berekeningsjaar onherroepelijk is geworden. Ook indien niet reeds eerder een beroep op de hardheidsclausule is gedaan, maar het de Belastingdienst/Toeslagen anderszins bekend is dat belanghebbende in aanmerking komt voor toepassing van het hardheidsclausulebeleid, kan de Belastingdienst/Toeslagen belanghebbende hierop attenderen.

In artikel 9, vierde lid, is ten slotte bepaald dat een dergelijk verzoek wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren. Het is dus niet nodig dat het verzoek jaarlijks wordt herhaald.

Artikel 10. Inwerkingtreding

Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze regeling. De inwerkingtreding is vastgesteld op 1 januari 2006, de datum waarop het eerste berekeningsjaar van de Awir een aanvang neemt.

Artikel 11. Citeertitel

In deze bepaling is als citeertitel opgenomen: Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

De Staatssecretaris van Financiën,

J.G. Wijn