Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2005, 251 pagina 29Overig

Bijstellingsregeling 2006

6 december 2005

Nr. DDB 2005/35M

Directoraat-Generaal Voor Fiscale Zaken, Directie Directe Belastingen

De Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op afdeling 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de artikelen 31 en 33 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, artikel 35a van de Successiewet 1956, artikel 8 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen, artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken;

Besluit:

Artikel I

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2.10 worden de bedragen in de tarieftabel zodanig vervangen dat die tabel komt te luiden:

Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

I

II

III

IV

€ 17 046

1,55%

€ 17 046

€ 30 631

€ 264

9,10%

€ 30 631

€ 52 228

€ 1 500

42%

€ 52 228

€ 10 570

52%

B

In artikel 3.19, tweede lid, worden ‘1,40%’ en ‘€ 21 250’ vervangen door 1,45% respectievelijk € 21 700.

C

In artikel 3.41, tweede lid, worden de bedragen zodanig vervangen dat de tekst van dat voorschrift komt te luiden:

2. Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van:

meer dan

maar niet meer dan

bedraagt het percentage

€ 2 100

0

€ 2 100

€ 35 000

25

€ 35 000

€ 67 000

22

€ 67 000

€ 98 000

15

€ 98 000

€ 131 000

10

€ 131 000

€ 163 000

6

€ 163 000

€ 195 000

3

€ 195 000

€ 229 000

3

€ 229 000

€ 261 000

0

€ 261 000

€ 293 000

0

€ 293 000

0

D

Artikel 3.42 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt ‘€ 2000’ vervangen door: € 2100.

2. In het vierde lid, wordt ‘€ 107 000 000’ telkens vervangen door: € 108 000 000.

E

In artikel 3.42a, derde lid, wordt ‘€ 2000’ vervangen door: € 2100.

F

In artikel 3.47, eerste lid, wordt ‘€ 2000’ vervangen door: € 2100.

G

In artikel 3.68, eerste lid, wordt ‘€ 10 951’ vervangen door: € 11 050.

H

Artikel 3.76 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid worden de bedragen zodanig vervangen dat de tekst van dat voorschrift komt te luiden:

2. Bij een winst

gelijk aan of meer dan

maar minder dan

bedraagt de zelfstandigenaftrek

€ 13 150

€ 8885

€ 13 150

€ 15 255

€ 8260

€ 15 255

€ 17 360

€ 7638

€ 17 360

€ 49 720

€ 6807

€ 49 720

€ 51 825

€ 6213

€ 51 825

€ 53 935

€ 5556

€ 53 935

€ 56 030

€ 4903

€ 56 030

€ 4310

2. In het derde lid wordt ‘€ 1969’ vervangen door: € 1987.

I

Artikel 3.77 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 11 154’ vervangen door: € 11 255.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 5577’ vervangen door: € 5628.

3. In het vierde lid wordt ‘€ 13 251’ vervangen door: € 13 371.

J

Artikel 3.87 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid worden de bedragen in de tabel zodanig vervangen dat die tabel komt te luiden:

Bij een reisafstand per openbaar vervoer

van meer dan

maar niet meer dan

op jaarbasis

10 km

10 km

15 km

€ 396

15 km

20 km

€ 529

20 km

30 km

€ 888

30 km

40 km

€ 1101

40 km

50 km

€ 1437

50 km

60 km

€ 1598

60 km

70 km

€ 1773

70 km

80 km

€ 1834

80 km

€ 1859

2. In het vijfde lid, onderdeel b, worden ‘€ 0,20’ en ‘€ 1842’ vervangen door € 0,21, respectievelijk € 1859.

3. In het zesde lid wordt ‘€ 1842’ vervangen door: € 1859.

K

In artikel 3.97, tweede lid, onderdeel a, wordt ‘€ 3821’ vervangen door: € 3902.

L

Artikel 3.112 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 8750’ vervangen door: € 8900.

2. In het vijfde lid wordt ‘€ 8750’ vervangen door: € 8900.

M

In artikel 3.114, eerste lid, wordt ‘€ 3821’ vervangen door: € 3902.

N

In artikel 3.118, eerste lid, worden ‘€ 139 500’ en ‘€ 31 700’ vervangen door € 140 500, respectievelijk € 31 900.

O

In artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, wordt ‘€ 18 990’ vervangen door: € 19 161.

P

Artikel 3.127 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘€ 6332’ telkens vervangen door ‘€ 6389’ en wordt ‘€ 12 508’ vervangen door ‘€ 12 621’.

2. In het derde lid worden ‘€ 10 719’ en ‘€ 147 253’ vervangen door € 10 816, respectievelijk € 148 579.

Q

Artikel 3.129 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, wordt ‘€ 401 599’ vervangen door: € 405 214.

2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘€ 200 804’ vervangen door: € 202 612.

3. In het tweede lid, onderdeel c, wordt ‘€ 100 407’ vervangen door: € 101 311.

R

Artikel 5.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 19 522’ vervangen door: € 19 698.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 39 044’ vervangen door: € 39 396.

3. In het vierde lid worden ‘€ 19 522’, ‘€ 39 044’ en ‘€ 2607’ vervangen door respectievelijk € 19 698, € 39 396 en € 2631.

S

Artikel 5.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘€ 258 351’ vervangen door: € 260 677.

2. In het eerste lid worden de bedragen van de tabel in de laatste volzin zodanig vervangen dat de tekst komt te luiden:

Bij een inkomen uit werk en woning vóór inachtneming van de persoonsgebonden aftrek van:

meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de ouderentoeslag

€ 13 326

€ 26 076

€ 13 326

€ 18 539

€ 13 038

€ 18 539

nihil

3. In het tweede lid worden ‘€ 258 351’ en ‘€ 516 702’ vervangen door € 260 677, respectievelijk € 521 354.

T

In artikel 5.10, onderdeel a, wordt ‘€ 6332’ telkens vervangen door: € 6389.

U

Artikel 5.13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 52 110’ vervangen door: € 52 579.

2. In het derde lid wordt ‘€ 104 220’ vervangen door: € 105 158.

V

Artikel 5.16 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 52 110’ vervangen door: € 52 579.

2. In het derde lid wordt ‘€ 104 220’ vervangen door: € 105 158.

W

In artikel 6.18, tweede lid worden ‘€ 27 727’, ‘€ 41 592’ en ‘€ 55 454’ telkens vervangen door respectievelijk € 27 977, € 41 967 en € 55 954.

X

In artikel 6.20, tweede lid, wordt ‘€ 787’ vervangen door: € 795.

Y

Artikel 6.20a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 311’ vervangen door: € 314.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 787’ vervangen door: € 795.

Z

In artikel 6.21, tweede lid, wordt ‘€ 787’ vervangen door: € 795.

AA

Artikel 6.22 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 311’ vervangen door: € 314.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 787’ vervangen door: € 795.

AB

Artikel 6.24 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, worden ‘€ 6902’ en ‘€ 773’ vervangen door € 6964, respectievelijk € 780.

2. In het tweede lid, onderdeel b, worden ‘€ 6902’ en ‘€ 53 750’ vervangen door € 6964, respectievelijk € 54 241.

3. In het tweede lid, onderdeel c, worden ‘€ 53 750’ en ‘€ 6020’ vervangen door € 54 241, respectievelijk € 6075.

4. In het derde lid worden ‘€ 6902’, ‘€ 13 804’, ‘€ 773’ en ‘€ 1546’ vervangen door respectievelijk € 6964, € 13 928, € 780 en € 1560.

AC

In artikel 6.31, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘€ 12 500’ vervangen door: € 12 750.

AD

In artikel 8.10, tweede lid, wordt ‘€ 1894’ vervangen door: € 1912.

AE

Artikel 8.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, worden ‘1,778%’ en ‘€ 144’ vervangen door 1,795%, respectievelijk € 146.

2. In het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, worden ‘11,867%’ en ‘€ 8101’ vervangen door 12,421%, respectievelijk € 8132.

3. In het tweede lid, derde volzin, wordt ‘€ 1344’ vervangen door: € 1357.

4. In het derde lid, onderdeel a, worden ‘14,410%’ en ‘€ 1589’ vervangen door 14,954%, respectievelijk € 1604.

5. In het derde lid, onderdeel b, worden ‘16,933%’ en ‘€ 1832’ vervangen door 17,467%, respectievelijk € 1849.

6. In het derde lid, onderdeel c, worden ‘19,466%’ en ‘€ 2076’ vervangen door 19,990%, respectievelijk € 2095.

AF

Artikel 8.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘€ 60 447’ vervangen door: € 60 992.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 112’ vervangen door: € 114.

AG

Artikel 8.14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘€ 4366’ vervangen door: € 4405.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 228’ vervangen door: € 231.

AH

In artikel 8.14a, tweede lid, wordt ‘€ 447’ vervangen door: € 452.

AI

In artikel 8.15, tweede lid, wordt ‘€ 1401’ vervangen door: € 1414.

AJ

In artikel 8.16, tweede lid, wordt ‘€ 1401’ vervangen door: € 1414.

AK

In artikel 8.16a, tweede lid, wordt ‘€ 639’ vervangen door: € 645.

AL

Artikel 8.17 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 30 778’ vervangen door: € 31 056.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 454’ vervangen door: € 459.

AM

In artikel 8.18, tweede lid, wordt ‘€ 287’ vervangen door: € 290.

AN

In artikel 8.18a, tweede lid, wordt ‘€ 183’ vervangen door: € 185.

AO

In artikel 9.4, eerste lid, wordt ‘€ 40’ vervangen door: € 41.

AP

Artikel 10.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onderdeel a, wordt ‘€ 388’ vervangen door: € 392.

2. In het vijfde lid, onderdeel a, wordt ‘€ 388’ vervangen door: € 392.

Artikel II

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 14, derde lid, wordt ‘€ 20 791’ vervangen door: € 20 882.

B

Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onderdeel a, wordt ‘€ 20 025’ vervangen door: € 20 111.

2. In het derde lid, onderdeel b, wordt € 23 012’ vervangen door: € 23 118.

Artikel III

De Successiewet 1956 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 24, eerste lid, worden de bedragen in de tarieftabel zodanig vervangen dat die tabel komt te luiden:

Gedeelte van de belaste verkrijging

Indien geërfd of verkregen wordt door:

  

I. echtgenoot, kinderen, afstammelingen in tweede of verdere graad of een verkrijger als bedoeld in het tweede lid1

II. broers, zusters, bloedverwanten in de rechte opgaande lijn

III. andere verkrijgers, uitgezonderd de rechtspersonen bedoeld in het vierde lid

  

a

b

a

b

a

b

1 Voor afstammelingen in de tweede of verdere graad bedraagt de belasting het ingevolge deze kolom verschuldigde, vermeerderd met 60% daarvan.

0–

21 703

0

5

0

26

0

41

21 703–

43 401

1 085

8

5 642

30

8 898

45

43 401–

86 792

2 820

12

12 151

35

18 662

50

86 792–

173 575

8 026

15

27 337

39

40 357

54

173 575–

347 141

21 043

19

61 182

44

87 219

59

347 141–

867 836

54 020

23

137 551

48

189 622

63

867 836 en het hogere bedrag van de belaste verkrijging

73 779

27

387 484

53

517 659

68

B

Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder 4°, onderdeel a, wordt ‘€ 503 273’ vervangen door: € 507 803.

2. In het eerste lid, onder 4°, onderdeel b, worden ‘€ 4303’, ‘€ 8602’ en ‘€ 12 904’ vervangen door respectievelijk € 4342, € 8680 en € 13 021.

3. In het eerste lid, onder 4°, onderdeel c, wordt ‘€ 8602’ vervangen door: € 8680.

4. In het eerste lid, onder 4°, onderdeel d, worden ‘€ 8602’ en ‘€ 25 805’ vervangen door € 8680, respectievelijk € 26 038.

5. In het eerste lid, onder 4°, onderdeel e, worden ‘€ 503 273’, ‘€ 251 638’, ‘€ 201 307’, ‘€ 150 979’ en ‘€ 100 650’ vervangen door respectievelijk € 507 803, € 253 903, € 203 119, € 152 338 en € 101 556.

6. In het eerste lid, onder 4°, onderdeel f, wordt ‘€ 43 007’ vervangen door: € 43 395.

7. In het eerste lid, onder 6°, wordt ‘€ 8602’ vervangen door: € 8680.

8. In het eerste lid, onder 7°, wordt ‘€ 1865’ vervangen door: € 1882.

9. In het tweede lid worden ‘€ 12 904’ en ‘€ 8602’ vervangen door € 13 021, respectievelijk € 8680.

10. In het derde lid worden ‘€ 143 793’ en ‘€ 71 902’ vervangen door € 145 088, respectievelijk € 72 550.

C

Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder 5°, wordt ‘€ 4303’ telkens vervangen door ‘€ 4342’ en wordt ‘€ 21 506’ vervangen door ‘€ 21 700’.

2. In het eerste lid, onder 7°, wordt ‘€ 2582’ vervangen door: € 2606.

Artikel IV

De Kostenwet invordering rijksbelastingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2 wordt ‘€14’ vervangen door: € 13.

B

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden ‘€ 35’ en ‘€ 10 295’ vervangen door € 34, respectievelijk € 10 140.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 14’ vervangen door: € 13.

3. In het derde lid wordt ‘€ 14’ vervangen door: € 13.

C

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden ‘€ 62’ en ‘€ 14’ vervangen door € 61, respectievelijk € 13.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 14’ vervangen door: € 13.

3. In het derde lid wordt ‘€ 5’ vervangen door: € 4.

Artikel V

In artikel 7, vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt ‘€ 4100’ vervangen door: € 4137.

Artikel VI

In artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken worden ‘€ 132 385 917’, ‘€ 52 954 367’ en ‘€ 19 857 887’ vervangen door respectievelijk € 135 033 635, € 54 013 454 en € 20 255 045.

In artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken wordt ‘€ 10 317’ telkens vervangen door: € 10 523.

Artikel VIII

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.

2. Deze regeling wordt aangehaald als: Bijstellingsregeling 2006.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Financiën, J.G. Wijn.

Toelichting

Algemeen

Deze regeling geeft uitvoering aan de indexeringsvoorschriften, neergelegd in afdeling 10.1, van de Wet IB 2001, de artikelen 31 en 33 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, artikel 35a van de Successiewet 1956, artikel 8 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen, artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken. De voor de inkomstenbelasting toegepaste indexering aan de hand van de in de artikelen 10.1 en 10.7 van de Wet IB 2001 bedoelde tabelcorrectie is ook van belang voor de loonbelasting. De artikelen 20a, tweede lid, en 22d van de Wet op de loonbelasting 1964 schrijven voor dat de in die artikelen vermelde bedragen en percentages bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege worden vervangen door de overeenkomstige bedragen en percentages van de artikelen 2.10, 8.10, 8.11, 8.16a, 8.17, 8.18 en 8.18a van de Wet IB 2001.

Toepassing tabelcorrectiefactor

De bedragen die worden aangepast ingevolge artikel I, onderdelen A, C tot en met J, N tot en met AB, AD, AE, eerste lid en derde tot en met zesde lid, en AF tot en met AP, artikel III en artikel V zijn bijgesteld op basis van de op de voet van artikel 10.2 van de Wet IB 2001 bepaalde tabelcorrectiefactor van 1,009.

In deze regeling (artikel I, onderdeel AN en artikel V) vindt voor het eerst bijstelling plaats met betrekking tot de levensloopverlofkorting (artikel 8.18a Wet IB 2001) en het in artikel 7, vijfde lid, van de Wet inkomensafhankelijke regelingen genoemde bedrag, zijnde de drempel voor het in aanmerking nemen van een toetsingsinkomen van bepaalde medebewoners bij de bepaling van de draagkracht van belanghebbende. Na bijstelling worden de bedragen naar boven afgerond op hele euro’s.

Bijstelling van de bedragen en percentages van de bijtelling privé-gebruik woning, het eigenwoningforfait, de kamerverhuurvrijstelling en de vermindering van de uitgaven voor monumentenpanden

De bijstelling van de bedragen en percentages van de bijtelling privé-gebruik woning (artikel 3.19 Wet IB 2001), het eigenwoningforfait (artikel 3.112 Wet IB 2001), de kamerverhuurvrijstelling (artikelen 3.97 en 3.114 Wet IB 2001) en de vermindering van de uitgaven voor monumentenpanden (artikel 6.31 Wet IB 2001) vindt plaats ingevolge de artikelen 10.3, 10.4 en 10.6 van de Wet IB 2001. Bijstelling vindt plaats op basis van de verhouding van het indexcijfer woninghuren over juli 2005 tot dat cijfer over juli 2004. Dit resulteert in een bijstelling met de factor 116,2/113,8.

1. Bijstelling bedrag en percentages privé-gebruik woning (artikel 3.19 Wet IB 2001) – artikel I, onderdeel B, van deze regeling

Het in artikel 3.19, tweede lid, laatstvermelde percentage en het in dat lid laatstvermelde bedrag luiden na bijstelling 1,4627%, respectievelijk € 21 737. Ingevolge artikel 10.5, eerste lid, vindt afronding plaats op 1,45%, respectievelijk € 21 700. Als basis voor de bijstelling voor 2007 gelden het genoemde niet-afgeronde percentage en niet-afgeronde bedrag. Bijstelling van de vier eerstvermelde percentages op basis van artikel 10.3, zevende lid, leidt niet tot aanpassingen voor 2006.

2. Bijstelling bedrag en percentages eigenwoningforfait (artikel 3.112 Wet IB 2001) – artikel I, onderdeel L, van deze regeling

Het in artikel 3.112, eerste lid, laatstvermelde percentage luidt na bijstelling 0,6159%. Het in dat lid laatstvermelde bedrag en het in het vijfde lid vermelde bedrag luiden na bijstelling € 8948. Ingevolge artikel 10.5, eerste lid, Wet IB 2001 vindt afronding plaats op 0,60%, respectievelijk € 8900. Als basis voor de bijstelling voor 2007 gelden het genoemde niet-afgeronde percentage en niet-afgeronde bedrag. Bijstelling van de in het eerste lid eerstvermelde percentages (artikel 10.3, vijfde lid) en het percentage in het vijfde lid (artikel 10.3, zesde lid) leidt niet tot aanpassingen voor 2006.

3. Bijstelling bedrag kamerverhuurvrijstelling (artikelen 3.97 en 3.114 Wet IB 2001) – artikel I, onderdelen K en M, van deze regeling

Bijstelling van het bedrag van de kamerverhuurvrijstelling resulteert in een bedrag voor 2006 van € 3902.

4. Bijstelling bedrag en percentage van de vermindering van de uitgaven voor monumentenpanden (artikel 6.31 Wet IB 2001) – artikel I, onderdeel AC, van deze regeling

Het in artikel 6.31, eerste lid, onderdeel a, vermelde percentage en het aldaar laatstgenoemde bedrag luiden na bijstelling 0,8469%, respectievelijk € 12 789. Ingevolge artikel 10.5, eerste lid, van de Wet IB 2001 vindt afronding plaats op 0,80%, respectievelijk € 12 500. Als basis voor de bijstelling voor 2007 gelden het genoemde niet-afgeronde percentage en niet-afgeronde bedrag.

Indexering inkomensgrens en percentages arbeidskorting

De in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, van de Wet IB 2001 vermelde percentages en het aldaar in onderdeel b vermelde bedrag worden bijgesteld op basis van artikel 10.7 van genoemde wet en zijn opgenomen in artikel I, onderdeel AE, eerste en tweede lid, van deze regeling.

Het in onderdeel b vermelde bedrag wordt gesteld op het fiscale equivalent van 50% van het volwassenen-minimumloon per 1 januari 2006: € 8132. Het percentage van genoemd onderdeel a wordt berekend door het bedrag van de arbeidskorting genoemd in onderdeel a (voor 2006 na bijstelling op basis van artikel 10.1: € 146) te delen door het eerder genoemde bedrag van € 8132. Het percentage van genoemd onderdeel b wordt berekend door het verschil tussen het bedrag van de maximale arbeidskorting genoemd in artikel 8.11, tweede lid, laatste volzin (voor 2006: € 1357) en het eerder genoemde bedrag van € 146 te delen door het verschil van het fiscale equivalent van 108% van het volwassenen-minimumloon, verhoogd met € 392 (is € 17882) en het fiscale equivalent van 50% van het volwassenen-minimumloon (€ 8132), in cijfers (1357-146)/(17882-8132) = 12,421%. Aanpassing van de percentages van het derde lid, onderdelen a, b en c, vindt op overeenkomstige wijze plaats waarbij het bedrag van € 1357 telkens wordt vervangen door de in die onderdelen genoemde bedragen van de arbeidskorting.

Aanpassing van verschillende bedragen van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen

In artikel II van deze regeling worden een aantal bedragen van de afdrachtvermindering en de toetslonen van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen aangepast. De bedragen van de afdrachtvermindering onderwijs opgenomen in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van genoemde wet die normaliter zouden moeten worden aangepast met toepassing van artikel 30, zijn tot en met het jaar 2007 bevroren op grond van artikel IV, onderdeel A.5 en artikel VI van de Wet overige fiscale maatregelen 2004.

De aanpassing van de toetslonen van de afdrachtvermindering onderwijs vindt plaats ingevolge artikel 31 van genoemde wet. Ingevolge artikel 33, vierde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen worden de toetslonen van de per 1 januari 2003 vervallen afdrachtvermindering langdurig werklozen, waarvoor in genoemd artikel overgangsrecht is vastgelegd, aangepast. Het toetsloon voor de afdrachtvermindering onderwijs wordt gesteld op het fiscale equivalent van 130% van het volwassenen-minimumloon per 1 januari 2006. De toetslonen voor de afdrachtvermindering langdurig werklozen worden gesteld op het fiscale equivalent van 125%, respectievelijk 144,5% van het volwassenen-minimumloon per 1 januari 2006.

Aanpassing bedragen in de Kostenwet invordering rijksbelastingen

De bijstelling van een aantal bedragen in de artikelen 2, 3 en 4 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen vindt plaats op basis van de op de voet van artikel 8 van deze wet bepaalde correctiefactor. Deze factor wordt berekend uit de indexcijfers van de ‘CAO-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen, CAO-sector overheid’ van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

De voor de bepaling van de correctiefactor relevante indexcijfers over de maanden juli tot en met december 2004 zijn, met toepassing van het derde lid, eerste en tweede volzin, van genoemd artikel 8, ontleend aan de publicatie van de relevante indexcijfers in het nummer van het Statistisch Bulletin van 14 juli 2005, waarin het indexcijfer over de maand juni 2005 voor het eerst, al dan niet voorlopig had moeten worden gepubliceerd. Met toepassing van het derde lid, derde en vierde volzin, van genoemd artikel 8 zijn de voor de bepaling van de tabelcorrectiefactor relevante indexcijfers ontleend aan het nummer van het Statistisch Bulletin waarin deze indexcijfers voor het eerst zijn gepubliceerd, te weten het nummer van het Statistisch Bulletin van 10 november 2005.

De correctiefactor waarmee de in artikel 8, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen genoemde bedragen per 1 januari 2006 worden bijgesteld is, rekening houdend met rekenkundige afronding op 3 decimalen: 0,999. Ingevolge artikel XXI van de Wet overige fiscale maatregelen 2004 dient deze factor verlaagd te worden met 0,014, waardoor voor 2006 een correctiefactor resulteert van 0,985. Deze verlaging met 0,014 houdt verband met de in laatstgenoemde wet opgenomen maatregelen van het betekenen van dwangbevelen per post. De wijzigingen in de bedragen zijn opgenomen in artikel IV van deze regeling. Als basis voor de bijstelling voor 2007 gelden de na bijstelling voor 2006 op 2 decimalen rekenkundig afgeronde bedragen.

Aanpassing bedragen artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken en artikel 5 van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken

De bedragen van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken worden bijgesteld aan de hand van de door het Centraal planbureau in het Centraal Economisch Plan gepubliceerde verwachte ‘prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie’ voor het kalenderjaar, verhoogd met een volume-opslag van 0,75%. Volgens genoemde publicatie bedraagt de prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie voor het jaar 2006 1,25%, zodat inclusief volume-opslag, de bedragen dienen te worden bijgesteld met 2%. In artikel VI van deze regeling worden de bedragen voor 2006 achtereenvolgens gesteld op € 135 033 635, € 54 013 454 en € 20 255 045. In de toelichting bij artikel 5 van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken is aangegeven dat het in dat artikel vermelde bedrag de indexering volgt van het macro kostenforfait. In artikel VII van deze regeling wordt het onderhavige bedrag gesteld op € 10 523.

Bedragen in deze regeling die per 1 januari 2006 bij wet nader worden gewijzigd

De hierna genoemde bij deze regeling bijgestelde bedragen in de Wet inkomstenbelasting 2001 zullen na die bijstelling per 1 januari 2006 door de Wet tot wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2006) worden vervangen door andere:

– Het schijventarief van artikel 2.10 (artikel I, onderdeel A, van deze regeling): het tarief met ingang van 1 januari 2006 is opgenomen in artikel I, onderdeel A, van het Belastingplan 2006;

– In artikel I, onderdeel O, van het Belastingplan 2006 wordt de regeling van de drempel voor de aftrek buitengewone uitgaven van artikel 6.24, tweede lid, gewijzigd in die zin dat het drempelpercentage wordt verhoogd tot 11,5%, in verband waarmee het met de drempel van € 780 corresponderende drempelinkomen wordt gesteld op € 6783. Voorts komen de maximale drempel (voor 2005 € 6020) en het daarmee corresponderende drempelinkomen te vervallen. Van de in artikel I, onderdeel AB, van deze regeling opgenomen bedragen gaan alleen het in het eerste lid opgenomen bedrag van € 780 en de in het vierde lid opgenomen bedragen van € 780 en € 1560 voor 2006 gelden;

– Het bedrag van de algemene heffingskorting van artikel 8.10, tweede lid (artikel I, onderdeel AD, van deze regeling) wordt volgens artikel I, onderdeel T, van het Belastingplan 2006 verhoogd met € 78 tot € 1990;

– De kinderkorting en de aanvullende kinderkorting (artikelen 8.12 en 8.13) worden gestroomlijnd. De nieuwe regeling is opgenomen in artikel I, onderdeel U, van het Belastingplan 2006. De bedragen, opgenomen in artikel I, onderdeel AF, van deze regeling zullen voor 2006 niet gaan gelden;

– Het bedrag van de combinatiekorting van artikel 8.14, tweede lid (artikel I, onderdeel AG, van deze regeling) wordt volgens artikel I, onderdeel W, van het Belastingplan 2006 verlaagd met € 85 tot € 146;

– Het bedrag van de aanvullende combinatiekorting van artikel 8.14a, tweede lid (artikel I, onderdeel AH, van deze regeling) wordt volgens artikel I, onderdeel X, van het Belastingplan 2006 verhoogd met € 156 tot € 608;

– De inkomensgrens voor de ouderenkorting artikel 8.17, eerste lid, wordt volgens artikel I, onderdeel Y.1 van het Belastingplan 2006 verhoogd met € 200 tot € 31 256. Voorts wordt het bedrag van de ouderenkorting van het tweede lid, volgens artikel I, onderdeel Y.2 van het Belastingplan 2006 verlaagd met € 85 tot € 374 (artikel I, onderdeel AL, van deze regeling);

– Het bedrag van de alleenstaande ouderenkorting van artikel 8.18, tweede lid (artikel I, onderdeel AM, van deze regeling) wordt volgens artikel I, onderdeel Z, van het Belastingplan 2006 verhoogd met € 272 tot € 562.

De Staatssecretaris van Financiën,

J.G. Wijn