Wijziging Arbeidsomstandighedenregeling

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2005, Directie Arbeidsomstandigheden, nr. ARBO/P&G/2005/103015, houdende enkele wijzigingen van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met certificering asbestbedrijven

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 1.5a en 1.5e van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

Besluit:

Artikel I

De Arbeidsomstandighedenregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Het opschrift van paragraaf 4.6 komt te luiden: ‘Certificatiebepalingen arbeid met asbest en crocidoliet’.

B

Artikel 4.27 komt te luiden:

Artikel 4.27

Afgifte certificaten

Een certificaat wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, door een certificerende instelling, afgegeven indien:

a. in geval van het certificaat, bedoeld in artikel 4.54a, derde lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in het SCA Certificatieschema SBC-BRL 5052, ‘Asbestinventarisatie’, 1998-06-01;

b. in geval van het certificaat, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in het SCA Certificatieschema SBC-BRL 5050 ‘Asbestverwijdering’, 1999-06-01;

c. in geval van het certificaat, bedoeld in artikel 4.54d, derde lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in het SCA Certificatieschema SC-510 ‘Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering’, juli 2005.

C

Paragraaf 4.7 vervalt.

D

Na artikel 9.2e wordt een artikel met opschrift toegevoegd, luidende:

Artikel 9.2f

Overgangsbepaling certificering arbeid met asbest en crocidoliet

1. Certificaten die bij de toepassing van het Asbest-verwijderingsbesluit zijn afgegeven op basis van de certificatieschema’s, genoemd in artikel 4.27, onderdeel a of b, worden voor de geldigheidsduur die is vastgesteld bij de afgifte ervan, doch maximaal voor een periode van drie jaar, aangemerkt als een certificaat als bedoeld in artikel 4.54a, derde lid, onderscheidenlijk artikel 4.54d, eerste lid, van het besluit.

2. Indien de geldigheidsduur van een certificaat als bedoeld in het eerste lid is verstreken en de instelling die het betreffende certificaat heeft afgegeven op grond van het derde lid is aangewezen als certificerende instelling, kan de geldigheidsduur door deze instelling worden verlengd voor maximaal een periode van een jaar.

3. Behalve indien de aanwijzing, bedoeld in artikel 1.5a van het besluit, is ingetrokken, wordt een instelling tot uiterlijk 1 juli 2007 aangemerkt als een certificerende instelling als bedoeld in artikel 4.54a, derde lid, onderscheidenlijk artikel 4.54d, eerste lid, van het besluit, indien op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 12 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005:

a. een of meer certificaten als bedoeld in het eerste lid, afgegeven door de betreffende instelling, van kracht is of zijn;

b. een overeenkomst tussen de instelling en de Stichting Certificatie Asbest te Bennekom met betrekking tot de toepassing van een of meer schema’s, bedoeld in artikel 4.27, onderdeel a of b, van kracht is;

c. de instelling aan de Europese norm EN 45011 voldoet voor de toepassing van de certificatieschema’s genoemd in het eerste lid;

d. de instelling de minister heeft gemeld voor toepassing van dit lid in aanmerking te willen komen en heeft verklaard te voldoen aan de onderdelen a tot en met c.

Artikel II

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 12 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 in werking treedt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 16 december 2005.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H.A.L. van Hoof.

Toelichting

Algemeen

De regelingen met betrekking tot de wettelijk verplichte asbestcertificatie zullen met de inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005, waarbij ook het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) is gewijzigd, aanzienlijk worden veranderd.

Deze wijzigingen zijn ingegeven door de ervaringen die met de op dit moment bestaande regelingen zijn opgedaan, die er op wijzen dat:

a. er behoefte is aan een betere coördinatie van de verschillende regelingen, die tot nu toe gedeeltelijk onder VROM-regime, en gedeeltelijk onder SZW-regime worden uitgevoerd, en

b. handhaving van de bestaande regels door de ingeschakelde private instellingen voor certificatie en accreditatie vragen opriep.

De voorgestelde wijzigingen beogen ten aanzien van beide aspecten verbeteringen aan te brengen. Verbeteringen die nodig zijn gezien de grote gezondheidsrisico’s die met het omgaan met asbest tijdens het sloopproces zijn gemoeid. Tevens echter ligt het in de lijn der verwachtingen dat in de komende tijd veel gebouwen gesloopt zullen worden, die enkele decennia geleden werden gebouwd, en waarbij asbest werd gebruikt.

In de huidige regeling dient het asbestverwijderingsbedrijf iemand in dienst te hebben die optreedt als Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (DTA). Deze persoon dient wettelijk gecertificeerd te zijn. Het betreft een onder het Ministerie van SZW uitgevoerde regeling.

Daarnaast zijn er, onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van VROM sinds enige jaren twee regelingen van kracht, op grond waarvan bedrijven die asbest inventariseren dan wel verwijderen in het bezit dienen te zijn van een certificaat dat een bepaald keurmerk draagt.

In de nieuwe opzet blijft de certificatieverplichting met betrekking tot DTA bestaan, zij het onder gewijzigde voorwaarden. Het betreft met name een aanscherping en concretisering van de eisen voor verlening van het certificaat, waaraan in de praktijk behoefte bleek te bestaan.

In de nieuwe opzet worden de twee VROM-certificatieschema’s voor bedrijven die asbest inventariseren, respectievelijk verwijderen, ondergebracht in de SZW-regelgeving.

Deze overgang is ingegeven door de behoefte alle regelingen met betrekking tot de certificatie van asbestgerelateerde werkzaamheden, uit een oogpunt van optimale coördinatie bij één ministerie te beleggen. De link met arbeidsomstandigheden biedt daartoe de meeste aanleiding.

Naast de overgang van de regeling van de certificatie van VROM naar SZW wordt de opzet gewijzigd. Dit heeft betrekking op het feit dat in de nieuwe situatie een certificerende instelling, op eigen verzoek, moet zijn aangewezen door de Minister van SZW. Hierbij gaat het om wettelijke certificatie.

In de opzet zoals was vastgelegd in de VROM-regeling was niet voorzien in een dergelijke aanwijzing; vertrouwd werd op de private certificatie- en accreditatiestructuur. In de praktijk bleek echter dat de handhaving van de regels te wensen overliet.

In de voorgestelde regeling wordt voortgebouwd op het SZW-beleid met betrekking tot het beleggen van de verantwoordelijkheden waar ze horen te liggen. Dit komt met name tot uitdrukking in de rol die private partijen spelen bij drie functies:

a. Een Centraal College van Deskundigen (CCvD) stelt een of meer privaatrechtelijke certificatieschema’s op. Een dergelijk schema bevat o.a. de certificatie-eisen waaraan betrokken bedrijven en personen dienen te voldoen, en de procedures op basis waarvan deze eisen wordt getoetst. Via een statische verwijzing in de regelgeving kan het werk van dit CCvD een publiekrechtelijk rechtsgevolg krijgen.

Mede gezien zijn de facto functie van ‘opsteller’ van regels die vervolgens een publiekrechtelijk rechtsgevolg kunnen krijgen, dient het CCvD een evenwichtige vertegenwoordiging te kennen van belanghebbende partijen. Het betreft de partijen die betrokken zijn bij de uitvoering van het certificatieschema, zoals opdrachtgevers en bedrijven die asbest inventariseren of verwijderen. In dit samenstellingsvereiste is, in geval gebruik wordt gemaakt van (inter)nationale normen zoals bij CE-markering, al voorzien vanuit de normalisatie-instellingen zelf. Nu het CCvD een vergelijkbare functie krijgt, dient hierin uitdrukkelijk te worden voorzien.

De Stichting Certificatie Asbest (SCA) te Bennekom fungeert als beheersstichting, waarbinnen het CCvD functioneert. Het CCvD wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter. De vereisten voor de samenstelling en bevoegdheid van het CCvD zijn statutair vastgelegd.

Een bestuursconvenant tussen het Ministerie van SZW en de SCA is in voorbereiding, en zal naar verwachting tegelijk met het van kracht worden van de onderhavige wijzigingsregeling in werking kunnen treden. De inhoud van dit bestuursconvenant zal beperkt van strekking zijn. Naast enkele bepalingen met een ‘technisch’ karakter, zoals definities en het inrichten van een informatiepunt door SCA, valt te denken aan de samenstelling van het CCvD (evenwichtige vertegenwoordiging van belanghebbende partijen), en de bepaling dat de beheersstichting en het CCvD zich dienen te onthouden van alle activiteiten die de coördinerende rol van het CCvD kunnen schaden.

b. Een tweede functie waar private partijen bij zullen worden betrokken betreft het verlenen van certificaten.

In het gewijzigde Arbobesluit en ter uitwerking hiervan de onderhavige wijziging van de Arboregeling is voorgeschreven dat de bedoelde werkzaamheden (asbestinventarisatie respectievelijk – verwijdering) moeten worden verricht door een bedrijf dat beschikt over een certificaat. Het betreft een certificaat als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (hierna: Arbowet 1998) en moet worden afgegeven door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of een door deze minister aangewezen instelling. Hiermee wordt voor de overgang van de regeling van VROM naar SZW aangesloten bij de bestaande SZW wet- en regelgeving. Voorzien is dat de certificaten door een of meer certificerende instelling(en), op basis van de bovengenoemde certificatieschema’s worden verleend.

Aanwijzing door de Minister van SZW betekent dat deze instellingen een ZBO-status krijgen. Voorzover het hun deelname aan de uitvoering van de onderhavige regelgeving betreft, fungeren ze daarmee niet als private instellingen.

c. Het toezicht op de certificerende instellingen.

Een belangrijke rol in het toezicht op de certificerende instellingen zoals dat vanuit SZW gestalte zal krijgen ligt bij de Inspectie Werk en Inkomen (IWI). Maar ook in het toezicht zal een private partij een duidelijke rol spelen. In lijn met het bovengenoemde nieuwe kabinetsstandpunt met betrekking tot accreditatie en certificatie, kan voor het toezicht op de certificerende instellingen de Raad voor Accreditatie (RvA), te Utrecht, ingeschakeld worden. De wijzigingen in het nieuwe kabinetsstandpunt blijken hieruit dat een accreditatie van de RvA gezien wordt als een zwaarwegend advies, hetgeen ruimte laat aan de overheid om beslissingen te nemen omtrent aanwijzing met inbegrip van aanvullingen of afwijkingen van de RvA-accreditatie. Belangrijk voorbeeld van een dergelijke aanvulling betreft de verplichting tot het voldoen aan de eisen die de ZBO-status met zich meebrengt. De RvA blijft een instelling die privaatrechtelijke opereert, en het voldoen aan ZBO-eisen vormt geen onderdeel van de reguliere RvA-accreditatie eisen.

Een overeenkomst tussen het Ministerie van SZW en de RvA, voortbouwend op de al bestaande overeenkomst tussen het kabinet en de RvA, is in voorbereiding.

De regeling met betrekking tot de aanwijzing van de certificerende instellingen, gebaseerd op art. 1.5a van het Arbobesluit, is eveneens in voorbereiding. Hierin zullen de voorwaarden voor aanwijzing worden vastgelegd, onder meer betrekking hebbend op onafhankelijkheid, deskundigheid, en het bestuursrechtelijk naar behoren functioneren, alsmede de rol van de diverse partijen die in de aanwijzing van en het toezicht op de certificerende instellingen een rol spelen.

Overgangsbepaling

Deze regeling bevat voorts een overgangsbepaling:

– wat betreft de nog onder het VROM-regime afgegeven certificaten, deze blijven, behoudens een tussentijdse intrekking die altijd mogelijk blijft, geldig gedurende de geldigheidsperiode die bij afgifte was bepaald, doch maximaal drie jaar;

– als de geldigheidsperiode afloopt op het moment dat de instelling die het certificaat afgaf, nog is aangewezen op grond van de vereenvoudigde procedure (zie onderstaand), kan verlenging slechts plaatsvinden voor maximaal één jaar;

– omdat de regeling op grond waarvan SZW de certificerende instellingen zal aanwijzen nog niet gereed is, voorziet de overgangsregeling in een vereenvoudigde procedure voor aanwijzing. Deze komt erop neer dat de instellingen die onder het VROM-regime al actief waren, en al een beoordeling van hun functioneren hadden ondergaan, de betreffende activiteiten, als ze de wens daartoe te kennen geven, onder SZW-regime voorlopig kunnen voortzetten. Uiteraard is ook wat deze aanwijzingen betreft, tussentijdse intrekking altijd mogelijk.

De overgangsregeling loopt uiterlijk 1 juli 2007 af. Deze datum is gekozen met het oog op de tijd die nodig is voor de aanwijzing van de instellingen op basis van de nieuwe regeling.

Artikelsgewijs

Artikel I

A (Opschrift paragraaf)

De wijziging van het opschrift reflecteert de verbreding van de aanpak die in de nieuwe regeling is vastgelegd.

B (Artikel 4.27)

Gezien het feit dat de Arboregeling wordt uitgebreid met certificatie van bedrijven die asbest inventariseren respectievelijk verwijderen, wordt thans in artikel 4.27 ook verwezen naar certificatieschema’s die van toepassing zijn op deze activiteiten.

Deze certificatieschema’s worden door belanghebbende partijen in een (Centraal) College van Deskundigen (CCvD) van de Stichting Certificatie Asbest (SCA) te Bennekom, opgesteld.

Het certificatieschema combineert de algemene delen van een certificatiesysteem met de voor het onderwerp specifieke onderdelen daarvan, zoals de deskundigheidsvereisten voor het verrichten van een bepaalde taak. Een certificatieschema bevat o.a.:

– het onderwerp van de certificatie, en de eisen die de certificatie daaraan stelt;

– de wijze waarop kan worden getoetst of aan deze eisen wordt voldaan;

– welke gegevens ter beschikking dienen te worden gesteld;

– de, behoudens tussentijdse intrekking, geldigheidsduur van het certificaat; vaak 3 of 4 jaar;

– inhoud en lay-out van het certificaat.

De SCA sluit met de aangewezen certificerende instellingen een standaardcontract op privaatrechtelijke basis, waarin wordt vastgelegd dat de instellingen voor de onderhavige activiteiten allemaal dezelfde certificatieschema’s gebruiken. Hierin komt de coördinerende functie van het CCvD tot uitdrukking. Door het gebruik van een modelcertificaat wordt zekergesteld dat de certificaten van de verschillende aangewezen instellingen voldoende overeenstemmen om herkenbaarheid in de markt te bevorderen.

De genoemde verwijzing in de regelgeving naar de certificatieschema’s vindt statisch plaats, dat wil zeggen dat wordt verwezen naar een document van een bepaalde datum eventueel met een identificatienummer. Een statische verwijzing brengt met zich mee dat wanneer de van oorsprong private regeling later door private partijen wordt gewijzigd, dit niet zonder meer publiekrechtelijke gevolgen met zich meebrengt. Hiervoor is nodig dat ook de verwijzing naar deze regeling in de Arboregeling wordt gewijzigd.

C (Paragraaf 4.7; artikel 4.30)

In artikel 4.30 waren bepaalde werkzaamheden met asbest uitgezonderd van het asbest sloopregime. Bij de uitgezonderde werkzaamheden gaat het om veel voorkomende en relatief eenvoudige handelingen waarbij de risico’s voor mens en milieu gering zijn. Aangezien de uitgezonderde werkzaamheden en het hiervoor geldende arbeidshygiënische regime thans zijn opgenomen in artikel 4.54c van het besluit wordt artikel 4.30 geschrapt.

D (Artikel 9.2f)

In dit artikel is het overgangsrecht geregeld in verband met de inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.

In het eerste lid is geregeld dat certificaten met betrekking tot asbestinventarisatie en asbestverwijdering die zijn afgegeven op grond van het vervallen Asbest-verwijderingsbesluit, gedurende een bepaalde tijd aangemerkt worden als certificaten als bedoeld in het gewijzigde Arbobesluit, zodat ze niet automatisch komen te vervallen. Als voorwaarden gelden dat:

– bij de afgifte van deze certificaten een van de certificatieschema’s is gehanteerd zoals vermeld in artikel 4.27, onderdeel a of b;

– de gelijkstelling geldt, behoudens tussentijdse intrekking, voor de duur van het lopende certificaat zoals bepaald bij de afgifte ervan, doch maximaal 3 jaar.

Het tweede lid regelt de situatie dat de instelling die over verlenging van het certificaat moet beslissen, slechts tijdelijk is aangewezen op grond van diens activiteiten onder het ‘oude’ regime, dat wil zeggen de situatie bedoeld in het derde lid.

Omdat de betreffende instelling de beoordeling door of namens het Ministerie van SZW nog niet heeft ondergaan, wordt de geldigheidsduur van het lopende certificaat van rechtswege verlengd totdat op een nieuwe aanvraag is beslist. Deze verlenging betreft echter maximaal één jaar. Zodra de certificerende instelling onder het nieuwe regime is aangewezen, kan deze het certificaat verlengen voor de in het certificatieschema vastgelegde periode.

Het derde lid bepaalt dat certificerende instellingen die ten tijde van het in werking treden van de nieuwe regeling al actief waren in de VROM-regelingen, via een vereenvoudigde procedure aangewezen kunnen worden, als zij tijdig de wens daartoe te kennen hebben gegeven, en aan de volgende voorwaarden voldoen:

– de instelling heeft ten minste één certificaat op het (de) onderhavige werkterrein(en) afgegeven, dat ten tijde van de overgang van VROM naar SZW nog geldig is;

– de instelling heeft op het moment van overgang van VROM naar SZW een overeenkomst met de Stichting Certificatie Asbest te Bennekom (SCA), met betrekking tot het gebruik van de relevante certificatieschema’s;

– de instelling voldoet met betrekking tot de toepassing van een of beide certificatieschema(’s) op de onderhavige werkterrein(en) aan de EN 45011. Dit is de internationaal gehanteerde norm waaraan certificerende instellingen dienen te kunnen voldoen. Een RvA-accreditatie voor toepassing van de certificatieschema’s voor asbestinventarisatie resp. -verwijdering, geldt daarbij als een zwaarwegend advies met betrekking tot het voldoen aan deze norm.

Wanneer een instelling voor deze vereenvoudigde procedure in aanmerking wil komen dan moet dit worden gemeld aan de Minister van SZW, uiterlijk op het moment dat de wijzigingen in het Arbobesluit die zijn aangebracht in het Asbestverwijderingsbeluit 2005, in werking zijn getreden. Hierbij dient te worden verklaard dat aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan.

Artikel II

De onderhavige regeling is een nadere aanpassing van de wijziging van artikel 12 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. De besluitvorming met betrekking tot die wijziging is recentelijk totstandgekomen, maar de precieze datum van inwerkingtreding is nog niet bekend. Daarom is in de tekst van Artikel II, over het moment van inwerkingtreding, gekozen voor een bewoording die geen datum noemt, maar verwijst naar de datum van inwerkingtreding van het genoemde artikel 12.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H.A.L. van Hoof

Naar boven