Onteigening in de gemeente Groesbeek

Besluit van 1 december 2005, no. 05.004489 tot gedeeltelijke goedkeuring van het besluit van de raad van Groesbeek van 24 februari 2005, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 oktober 2005, no. MJZ 2005178126, Directie Juridische Zaken, afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Gelezen de brieven van burgemeester en wethouders van Groesbeek van 7 maart 2005, kenmerk RO/GZ/BRS/20050079, van 7 juni 2005, kenmerk RO/GZ/BRS/20050176, van 29 september 2005, kenmerk VR/GZ/BRS/20050288 en van 3 oktober 2005, kenmerk VR/GZ/BRS/20050289.

Gelet op de Wet uniforme voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2005, 54) en de Aanpassingswet uniforme voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2005, 320), welke op 1 juli 2005 in werking zijn getreden, is op grond van artikel IV van het in de eerstgenoemde wet opgenomen overgangsrecht het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op deze procedure van toepassing.

Gelet op Titel IV van de onteigeningswet, Titel V van de Gemeentewet en Titel 10.2 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad van State gehoord (advies van 17 november 2005, no. W08.05.0472/V).

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 november 2005, no. MJZ 2005206266, Directie Juridische Zaken, afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Beschikken bij dit besluit over de goedkeuring van het besluit van de raad van Groesbeek van 24 februari 2005, tot onteigening ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder 1°, van de onteigeningswet, ten name van die gemeente, van de bij dat besluit aangewezen gedeelten van de percelen kadastraal bekend gemeente Groesbeek, sectie O, nos. 136, 137, 129, 182, 127, 125, 124, 123, 181, 180, 69, 80, 78, 62, 57, 72, 62, 61, 73, 53, 52, 74, 47, 25, 24, 22 en 19, sectie N, no. 196 en sectie I, nos. 3176 en 3374.

Overwegingen

Het raadsbesluit tot onteigening.

Ingevolge voornoemd artikel 77 van de onteigeningswet kan onteigening plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan.

De ter onteigening aangewezen percelen zijn begrepen in het bestemmingsplan ‘Fietspad Wylerbaan’ van de gemeente Groesbeek. Dit bestemmingsplan is op 26 augustus 2004 vastgesteld door de raad van Groesbeek en op 8 maart 2005 goedgekeurd door gedeputeerde staten van Gelderland.

In verband met het feit dat ten tijde van het nemen van het raadsbesluit tot onteigening voornoemd bestemmingsplan nog niet onherroepelijk was goedgekeurd, is in het raadsbesluit onder meer bepaald dat:

a) eerst tot dagvaarding zal worden overgegaan indien en voor zover het bestemmingsplan ‘Fietspad Wylerbaan’ ten aanzien van de in dit besluit bedoelde percelen onherroepelijk is goedgekeurd, en,

b) het onteigeningsbesluit vervalt, indien en voor zover in hoogste instantie goedkeuring wordt onthouden aan delen van dit bestemmingsplan, welke betrekking hebben op de in dit besluit genoemde percelen.

Noodzaak en urgentie

De ter onteigening begrepen gronden zijn in het bovenbedoelde bestemmingsplan aangewezen voor de bestemming ‘Verkeersdoeleinden’. Blijkens artikel 3 van de voorschriften van het bestemmingsplan ‘Fietspad Wylerbaan’ omvat deze bestemming: voorzieningen ten behoeve van snelverkeer en langzaam verkeer, groenvoorzieningen, bermsloten, en voorzieningen van openbaar nut, een en ander met de bijbehorende voorzieningen.

Het bestemmingsplan voorziet in verband met de vergroting van de verkeersveiligheid in de aanleg van een vrijliggend fietspad aan de zuidoost-zijde van de bestaande Wylerbaan. Deze weg zal tevens op twee plaatsen gereconstrueerd moeten worden in verband met de aantakking van het fietspad. Bij de uitvoering van het werk worden tevens voorzieningen getroffen ten behoeve van de waterafvoer en de berging. Uit de aan Ons overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat de door onteigening te verwerven gronden bezwaarlijk kunnen worden gemist bij de uitvoering van het bestemmingsplan. Uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve waarvan wordt onteigend, is voorzien voor het jaar 2006.

Bedenkingen

Het raadsbesluit tot onteigening heeft overeenkomstig artikel 84, eerste lid, van de onteigeningswet, met ingang van 9 maart 2005 gedurende vier weken voor een ieder ter inzage gelegen op de secretarie van de gemeente Groesbeek.

Binnen deze termijn zijn tegen het raadsbesluit bij Ons schriftelijk bedenkingen naar voren gebracht door:

a) W.J.M. Langen,

b) M.B.J.F. Theunissen en S. G. Blasweiler,

c) A.M.J. Eeren, G.A.M. Eeren - Verbeet en M.G.M. Eeren, en

d) J.M.M. Hermens namens T.M. Boerman - Kersten, allen te Groesbeek.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 86 van de onteigeningswet zijn de reclamanten in de gelegenheid gesteld hun bedenkingen mondeling toe te lichten.

W.J.M. Langen, verder te noemen: de reclamant onder a), is huurder/gebruiker van de woning gelegen op het gedeeltelijk mede in de onteigening begrepen perceel kadastraal bekend gemeente Groesbeek, sectie O, no. 73 / grondplannummer 21. Hij heeft bezwaren tegen de maatvoering van het fietspad, in relatie tot de afmetingen van zijn voortuin van waaruit hij met zijn auto de Wylerbaan opdraait. Ter bevordering van de verkeersveiligheid ter hoogte van zijn uitrit, stelt hij voor om het dwarsprofiel van het fietspad te versmallen van 4.95 m. naar 4.00 m. Zo daaraan tegemoet kan worden gekomen, is hij bereid tot verkoop van de voor die variant door de gemeente te verwerven grond. Ten aanzien van de bedenkingen van de reclamant onder a) merken Wij op dat blijkens de brief van burgemeester en wethouders van Groesbeek van 3 oktober 2005 inmiddels met de reclamant onder a) minnelijke overeenstemming is bereikt over de verkoop van het onderwerpelijke perceelsgedeelte aan de gemeente. Om die reden stelt de gemeente niet langer prijs op onteigening daarvan. De bedenkingen van de reclamant onder a) behoeven daarom geen verdere beschouwing.

M.B.J.F. Theunissen, gerechtigde op het gedeeltelijk mede in de onteigening begrepen perceel kadastraal bekend gemeente Groesbeek, sectie O, no.180 / grondplannummer 11, en S. G. Blasweiler, verder te noemen de reclamanten onder b), voeren in hun bedenkingen tegen het raadsbesluit tot onteigening een brede scala van bezwaren aan, die samengevat als volgt zijn weer te geven.

De reclamanten onder b) stellen dat de raad onbevoegd is tot het vaststellen van een onteigeningsplan, nu daaraan geen onherroepelijk goedgekeurd bestemmingsplan ten grondslag ligt, ook al is er in het besluit een voorbehoud gemaakt terzake de goedkeuring. De reclamanten onder b) baseren zich daarbij op artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1, eerste lid, van het Eerste protocol van het EVRM en in samenhang daarmee op het Van Benthem -arrest van de Hoge Raad. Kort gezegd menen zij dat niet de Kroon, maar de (burgerlijke) rechter het oordeel toekomt over de vraag of het voorbehoud rechtens correct is.

Ten aanzien van deze bedenkingen overwegen Wij in de eerste plaats, dat de procedure die op grond van de onteigeningswet dient te worden gevolgd bij voorgenomen eigendomsontneming, in overeenstemming is met het van toepassing zijnde verdragsrecht en nationaal recht. Het is in dat kader aan de burgerlijke rechter, om in de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure over Ons besluit zo nodig een oordeel uit te spreken. In de tweede plaats zijn Wij van oordeel dat op grond van bestendige uitspraken van de Kroon en jurisprudentie van de burgerlijke rechter in onteigeningszaken, het er voor moet worden gehouden dat de gemeenteraad ingeval van een nog niet onherroepelijk goedgekeurd bestemmingsplan bevoegd is en in beginsel kan overgaan tot het nemen van een onteigeningsbesluit. Voor zover de reclamanten onder b) in het EVRM als zodanig een beletsel zien om tot onteigening over te gaan, wijzen Wij er op dat in artikel 1, eerste lid, van het Eerste protocol van het EVRM, onder meer is bepaald dat niemand van zijn eigendom zal worden beroofd, behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De in het EVRM terzake vastgelegde beginselen zijn in het Nederlandse recht verankerd in onder meer artikel 14 van de Grondwet en in de onteigeningswet.

De reclamanten onder b) stellen dat de onteigende gronden niet slechts strekken tot de aanleg van een fietspad, maar ook de reconstructie betreffen van de Wylerbaan. De gemeente geeft hierover een verkeerde voorstelling van zaken. De reclamanten onder b) kunnen zich ook niet verenigen met de ruimtelijke onderbouwing van het bestemmingsplan. Daarom voldoet het raadsbesluit tot onteigening niet aan de toetsingsmaatstaf van een goede ruimtelijke ordening. De reclamanten onder b) zijn tevens van mening dat het bestemmingsplan de eindstreep niet zal halen wegens het ontbreken van een milieueffectrapportage, een akoestisch onderzoek en een onderzoek naar de luchtkwaliteit.

Ten aanzien van deze bedenkingen overwegen Wij vooreerst, dat uit de stukken blijkt dat aard en strekking van het werk waarvoor wordt onteigend duidelijk zijn aangegeven in de voorgeschreven publicaties. Ons is voorts niet gebleken dat voor het werk geen deugdelijke grondslag in het bestemmingsplan zou bestaan. Daarnaast overwegen Wij dat de bedenkingen van de reclamanten onder b), voor zover die zich tegen het bestemmingsplan zelf richten, dit met inbegrip van de door de reclamanten onder b) genoemde rapportages en onderzoeken, uitsluitend naar voren kunnen worden gebracht in de daarvoor voorgeschreven procedures op voet van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

De reclamanten onder b) zijn van mening dat het aan een zorgvuldige voorbereiding overeenkomstig -onder meer- de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft ontbroken. De reclamanten onder b) merken op, dat de gemeente in haar reactie op hun zienswijzen niet verder komt dan dat volgens haar op grond van C onder 1, in de Bijlage van de Awb, deze wet niet van toepassing is voor de onteigeningswet. De reclamanten onder b) wijzen echter op de schakelbepaling 3:1, lid 2, van de Awb, waardoor de afdelingen 3.2 tot en met 3.5 van toepassing blijven op de handelingen van een bestuursorgaan. Bovendien is het vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat een bestuursorgaan bij elke (rechts)handeling gebonden blijft aan de beginselen van behoorlijk bestuur.

Te dien aanzien merken Wij op, dat de Awb, blijkens onderdeel C, onder 1, van de Bijlage bij die wet, niet van toepassing is voor wat betreft het kunnen instellen van bezwaar en beroep tegen besluiten op grond van de onteigeningswet. Uit artikel 77 van de onteigeningswet volgt, dat de Awb van toepassing is op de voorbereiding van het raadsbesluit tot onteigening. Voor het overige rust op het gemeentebestuur in algemene zin de plicht te handelen in overeenstemming met de -al dan niet gecodificeerde- algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Wat er overigens zij van de gemeentelijke reactie op de zienswijzen van de reclamanten onder b), Ons is uit de stukken, noch uit het ingestelde onderzoek gebleken, dat de totstandkoming van het raadsbesluit tot onteigening niet zou voldoen aan de daaraan door de Awb gestelde eisen. In zoverre kunnen de bedenkingen er niet toe leiden dat aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk de goedkeuring wordt onthouden.

De reclamanten onder b) stellen voorts in hun bedenkingen, dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt zolang het bestemmingsplan niet onherroepelijk is goedgekeurd. Tevens zou niet zijn voldaan aan het criterium publiek belang en ontbreekt in het algemeen dan ook de urgentie aan de onteigening.

Wij zijn, mede onder verwijzing naar hetgeen Wij hiervoor in Ons oordeel over de relatie tussen de onteigening en het bestemmingsplan hebben opgemerkt, van oordeel, dat nu de op korte termijn -te weten in 2006- voorgenomen uitvoering van het werk waarvoor wordt onteigend plaats vindt overeenkomstig het bestemmingsplan, de noodzaak en de urgentie van de onteigening in het publiek belang gegeven zijn. Dat de reclamanten onder b) met name in hun zienswijze hebben aangegeven het niet eens te zijn met de uitgangspunten van de raad met betrekking tot de vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan, kan in deze procedure verder geen rol spelen. Voornoemde bezwaren van de reclamanten onder b) kunnen uitsluitend worden ingebracht in de daarvoor op voet van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voorgeschreven procedures.

Tot slot zijn de reclamanten onder b) van mening dat punt 6 van het raadsbesluit tot onteigening strijdt met de Wet openbaarheid van bestuur. De gemeente motiveert volgens de reclamanten onder b) ten onrechte niet waarom zij heeft besloten de stukken met betrekking tot de onderhandelingen met de onderscheidene eigenaren niet ter inzage te zullen leggen. Het betreft hier volgens de reclamanten onder b) een in het tweede lid van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur bedoelde relatieve uitzondering, welke gemotiveerd had moeten worden in het hiervorenbedoelde raadsbesluit.

Ten aanzien van deze bedenkingen overwegen Wij het volgende.Terzake heeft de gemeente toepassing gegeven aan het tweede lid van artikel 3:11 van de Awb, waarbij bij de terinzagelegging van stukken de Wet openbaarheid van bestuur van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. In het raadsbesluit heeft het gemeentebestuur naar Ons oordeel, gelet op de noodzaak van het minnelijk overleg, in redelijkheid kunnen besluiten dat de aard van de stukken met betrekking tot de onderhandelingen met grondeigenaren, noopt tot het niet mede ter inzage leggen van die stukken. Wij zijn van oordeel dat de bezwaren in wezen zijn gericht tegen de door de gemeente gebezigde toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur. Deze bedenkingen kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Derhalve kan deze bedenking van formele aard er dan ook niet toe leiden dat aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk de goedkeuring wordt onthouden.

Concluderend zijn Wij van oordeel dat de door de reclamanten onder b) aangevoerde bedenkingen niet kunnen leiden tot gehele of gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan het raadsbesluit tot onteigening.

A.M.J. Eeren e.a, verder te noemen de reclamant onder c), is met zijn gezin bewoner van de woning Wylerbaan 16, gelegen op het gedeeltelijk mede in de onteigening begrepen perceel kadastraal bekend gemeente Groesbeek, sectie O, no. 125 / grondplannummer 6. De woning is eigendom van P.G.M. Verbeet te Groesbeek. Onder verwijzing naar zijn bij de raad ingediende zienswijze voert de reclamant onder c) aan dat de gemeente vanaf 12 november 2003, dan wel vanaf 12 december 2003 met hem geen overleg meer heeft gepleegd. De gemeente heeft de onderhandelingen eenzijdig afgebroken. De reclamant onder c) meent dat dit een onrechtmatige daad jegens hem inhoudt. De gemeente is onwillig om tot een minnelijke regeling te komen. Daardoor wordt niet voldaan aan het noodzaak-vereiste.

Uit de stukken en het ingestelde onderzoek is Ons gebleken dat sinds november 2002 wordt onderhandeld over de grond die nodig is voor de aanleg van het geplande fietspad. In die onderhandelingen is een drietal opties aan de orde geweest: optie 1: verlegging weg en fietspad, optie 2: afbraak en herbouw woning en optie 3: versmalling voortuin. De gemeente Groesbeek heeft uiteindelijk gekozen voor laatstgenoemde optie. De reclamant onder c) is het daar niet mee eens en wil dat optie 2, afbraak en herbouw van zijn woning, wordt verwezenlijkt. Met deze optie is ca. Euro 200.000,- gemoeid, tegen ca. Euro 24.000,- in optie 3. Reclamant onder c) stelt dat daarover tussen hem en de gemeente een mondelinge overeenkomst is gesloten. Dit zou blijkens hetgeen de reclamant onder c) ter gelegenheid van het horen als bedoeld in artikel 86 van de onteigeningswet naar voren heeft gebracht, in juli 2003 zijn overeengekomen. De gemeente is deze overeenkomst volgens hem niet nagekomen, maar heeft bij brief van 12 december 2003 een andere overeenkomst aangeboden, namelijk een bedrag van ca. Euro 24.000,- en een vergoeding voor gemaakte architectenkosten ten belope van Euro 1.600,-. Deze brief behelst een aanbod aan de reclamant onder c), gebaseerd op de eerdergenoemde optie 3. De reclamant onder c) blijft echter, zoals eerder opgemerkt, van mening dat de gemeente de afspraken uit juli 2003 gestand moet doen en weigert verder in te gaan op het bod in het kader van optie 3. Hij overweegt terzake een civiele procedure tegen de gemeente aan te spannen.

Ten aanzien van deze bedenkingen overwegen Wij dat het wettelijke vereiste van artikel 17 van de onteigeningswet, inhoudende dat de onteigenende partij hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst tracht te verkrijgen, betrekking heeft op de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure. Niettemin is dit in de daaraan voorafgaande administratieve fase van de onteigeningsprocedure één van de criteria waaraan door Ons zo nodig wordt getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Gelet op het karakter van onteigening als uiterste middel, zijn Wij van oordeel dat ten opzichte van de burger eerst van dit middel - door het opstarten van de administratieve fase - mag worden gebruikgemaakt, indien langs minnelijke weg redelijkerwijs niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming is te komen. Aan deze eis is naar Ons oordeel - in het kader van onteigeningen bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet - in het algemeen genoegzaam voldaan, indien voor de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan een aanvang met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving is gemaakt en ten tijde van het nemen van het raadsbesluit tot onteigening voldoende aannemelijk is dat die onderhandelingen vooralsnog niet tot het gewenste resultaat zullen leiden. Alsdan kan een gemeente - teneinde op een redelijk tijdstip tot uitvoering van het desbetreffende bestemmingsplan te kunnen overgaan - in beginsel tot onteigening besluiten. Het zou te ver gaan de eis te stellen, dat partijen reeds ten tijde van de tervisielegging van het onteigeningsplan in eerste instantie moeten zijn ‘uitonderhandeld’. Wij zijn van mening, dat, zoals hiervoor beschreven, het voldoende is als op dit tijdstip met de onderhandelingen een aanvang is gemaakt en in de periode tot het nemen van het raadsbesluit tot onteigening genoegzaam is komen vast te staan, dat deze onderhandelingen niet tot het gewenste resultaat zullen leiden. Er is dus sprake van een tweevoudige verplichting tot onderhandelen van de partij die tot onteigening wenst over te gaan: vooreerst in het stadium van de administratieve fase van de onteigeningsprocedure en wel vóór de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan en vóórdat een raadsbesluit tot onteigening wordt genomen en vervolgens, na het nemen van het koninklijk besluit, en vóórdat tot dagvaarding als bedoeld in artikel 18 van de onteigeningswet, wordt overgegaan, zijnde het tijdstip waarop de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure aanvangt.

Uit de stukken en het ingestelde onderzoek is Ons niet gebleken dat niet zou zijn voldaan aan de hiervoor uiteengezette uitgangspunten. Naar Ons oordeel is tussen partijen in deze fase van de onteigeningsprocedure en in de fase voorafgaand aan de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan, voldoende onderhandeld. Daarbij stond het de gemeente vrij om een aantal opties te hanteren. Nu het ten tijde van het nemen van het raadsbesluit voldoende aannemelijk was dat minnelijke verwerving voorlopig niet tot de mogelijkheden behoort, heeft de raad teneinde op een redelijk tijdstip tot de uitvoering van het bestemmingsplan te kunnen overgaan, tot onteigening kunnen besluiten.

Gelet op het vorenstaande kunnen de bedenkingen van de reclamant onder c) er niet toe leiden, dat aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk de goedkeuring wordt onthouden.

T. M. Boerman-Kersten, verder te noemen de reclamante onder d) is rechthebbende op de gedeeltelijk mede in de onteigening begrepen percelen kadastraal bekend gemeente Groesbeek, sectie O, nos. 129 / grondplannummer 3, en 136 / grondplannummer 1. Zij geeft aan dat zij geen problemen heeft met de aanleg van een fietspad, mits wordt gekozen voor een integrale oplossing van een reeds jaren bestaand probleem met betrekking tot de afwatering van haar perceel. Het hemelwater dat daarover zijn weg zoekt, is afkomstig van de Wylerbaan. Om het probleem (ook financieel) goed te kunnen oplossen, moet de gemeente haar gehele perceel aankopen. Daarnaast stelt de reclamante onder d) dat de Wylerbaan in toenemende mate wordt gebruikt door sluipverkeer en dat de gemeente daar niet regelend in optreedt. Ook dienen aspecten als planschadevergoeding bij de onderhandelingen te worden betrokken.

Ten aanzien van deze bedenkingen overwegen Wij dat voor zover deze betrekking hebben op het gebruik als zodanig van de Wylerbaan, dit gebruik in de eerste plaats door de gemeente kan worden geregeld met gebruikmaking van de wegenverkeerswetgeving. Deze bedenkingen kunnen in zoverre dan ook niet worden betrokken in deze procedure op voet van de onteigeningswet. Voor zover de bedenkingen van planologische aard zijn, behoren zij te worden ingebracht in de daarvoor voorgeschreven procedures op voet van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Datzelfde geldt voor het bezwaar inzake planschadevergoeding. Met betrekking tot de oplossing van de problematiek van de waterhuishouding zijn Wij van oordeel dat deze eveneens zijn beslag heeft gevonden in het bestemmingsplan en dat bezwaren met betrekking tot die oplossing dan ook hadden moeten worden ingebracht in de hierboven reeds genoemde planologische procedures. Gelet op het vorenstaande kunnen de bedenkingen van de reclamante onder d) niet leiden tot het geheel of gedeeltelijk onthouden van goedkeuring aan het raadsbesluit tot onteigening.

Overige overwegingen

Met hun brieven van 7 juni 2005, kenmerk RO/GZ/BRS/20050176, van 29 september 2005, kenmerk VR/GZ/BRS/20050288 en van 3 oktober 2005, kenmerk VR/GZ/BRS/20050289, hebben burgemeester en wethouders van Groesbeek aangegeven dat de gemeente wegens tussentijdse minnelijke verwerving niet langer prijs stelt op het door onteigening in eigendom verkrijgen van een aantal in bovengenoemde brieven aangegeven perceelsgedeelten. In verband hiermee bestaan er voor Ons termen om aan het raadsbesluit tot onteigening in zoverre de goedkeuring te onthouden.

Uit de stukken en het ingestelde onderzoek is Ons gebleken dat het grondplannummer 34, waarin is begrepen het mede in de onteigening begrepen gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente Groesbeek, sectie I no. 3176, is gelegen buiten de begrenzing van het bestemmingsplan ‘Fietspad Wylerbaan’. Om die reden dient dan ook in zoverre aan het raadsbesluit tot onteigening de goedkeuring te worden onthouden.

Ten aanzien van de overige in het onteigeningsplan begrepen gronden moet het in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Groesbeek worden geacht, dat zij de eigendom van die in het raadsbesluit begrepen percelen verkrijgt. Er bestaan ook overigens geen termen aan genoemd raadsbesluit de goedkeuring te onthouden.

Beslissing

Wij hebben goedgevonden en verstaan:

het besluit van de raad van Groesbeek van 24 februari 2005 goed te keuren, met uitzondering van de in de onteigening mede begrepen gedeelten van de percelen kadastraal bekend gemeente Groesbeek, sectie O, nos. 22, 25, 47, 52, 53, 73, 74, 127 en 182, alsmede sectie I, no. 3176, aan welke gedeelten van het raadsbesluit de goedkeuring wordt onthouden.

Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met het raadsbesluit in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

’s-Gravenhage, 1 december 2005.
Beatrix.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,S.M. Dekker.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,J.W. Remkes.

Raadsbesluit

De raad der gemeente Groesbeek;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groesbeek van 7 december 2004;

besluit:

1. over te gaan tot het voeren van de administratieve onteigeningsprocedure conform titel IV van de Onteigeningswet ten name van de gemeente Groesbeek, ten behoeve van de realisatie van het bestemmingsplan Fietspad Wylerbaan en dus te besluiten tot onteigening ten name van de gemeente Groesbeek van de op de grondtekening en de lijst van te onteigenen onroerende zaken en beperkte rechten aangegeven eigendommen;

2. ten name van de gemeente Groesbeek te procederen:

- in voorkomende gevallen tot benoeming van derden als bedoeld in artikel 20 van de Onteigeningswet;

- tot opneming door deskundigen voor de aanvraag van het geding als bedoeld in artikel 54a Onteigeningswet;

- tot onteigening (in eerste aanleg - zonodig in hoger beroep en cassatie - als eisende danwel verwerende partij) indien en en voorzover bovenvermelde percelen niet bij minnelijke verwerving in eigendom kunnen worden verkregen;

3. niet over te gaan tot eventuele gerechtelijke onteigening - als bedoeld in artikel 18 Onteigeningswet - alvorens het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden;

4. wanneer de goedkeuring door Gedeputeerde Staten van Gelderland geheel of gedeeltelijk aan het bestemmingsplan wordt onthouden, of wanneer Gedeputeerde Staten door middel van haar wijzigingsbevoegdheid de bestemmingsplankaart wijzigt, voor die delen waarop het vorenstaande van toepassing is dit besluit als vervallen te verklaren;

5. wanneer het bestemmingsplan Fietspad Wylerbaan door de Raad van State gedeeltelijk of geheel wordt vernietigd, voor die delen waarvan het bestemmingsplan is vernietigd, dit besluit tot onteigening als vervallen te verklaren;

6. de stukken betrekking hebbende op de onderhandelingen met gerechtigden, op basis van artikel 10 van de Wet Openbaarheid van bestuur, niet voor een ieder ter inzage te leggen.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad der gemeente Groesbeek op 24 februari 2005.

De raadsgriffier.

De voorzitter.

Grond plan nummer

Te onteigenen grootte

Van de Onroerende zaak bij het Kadaster bekend als

 
    

Cultuurtoestand

Ter grootte van

Gemeente

Sectie Nummer

Ten name van

Woonplaats

 

ha

a

ca

 

ha

a

ca

    

1

0

07

70

Terrein (akkerbouw)

2

72

95

Groesbeek

O 136

1/1 eigendom van mevrouw Theodora Maria Kersten weduwe van de heer Evert Johannes Boerman

Groesbeek

2

0

01

76

Wonen, terrein (grasland)

2

77

50

Groesbeek

O 137

1/1 eigendom van de heer Antonius Gerardus Canisius Herman Janssen

Groesbeek

3

0

11

47

Terrein (akkerbouw)

0

99

65

Groesbeek

O 129

1/1 eigendom van mevrouw weduwe Theodora Maria Kersten van de heer Evert Johannes Boerman

Groesbeek

4

0

01

37

Wonen (agrarisch),

34

28

80

Groesbeek

O 182

1/1 eigendom van de heer

Groesbeek

    

terrein (grasland)

(geschat)

 

(ged.)

Johannes Andreas Maria Poelen gehuwd met mevrouw Antoinette Geertruida Maria Ebbers

 
    

Erf, tuin

0

02

00

Groesbeek

O 182

1/1 eigendom van mevrouw

Groesbeek

     

(geschat)

 

(ged.)

Petronella Maria Wijnhoven weduwe van de heer Wilhelmus Gerardus Poelen

 

5

0

00

43

Terrein (akkerbouw)

0

05

95

Groesbeek

O 127

1/1 eigendom van de heer Johannes Andreas Maria Poelen gehuwd met mevrouw Antoinette Geertruida Maria Ebbers

Groesbeek

6

0

02

05

Berging-stalling (garage-schuur), terrein (grasland)

0

25

85

Groesbeek

O 125

1/1 eigendom van de heer Petrus Gerardus Verbeet (overleden) gehuwd met mevrouw Catharina Bons

Groesbeek

7

0

01

35

Wonen, erf, tuin

0

18

70

Groesbeek

O 124

1/1 eigendom van de heer Petrus Gerardus Leonardus Verbeet gehuwd met mevrouw Wilhelmina Helena Hendrina Peters

Groesbeek

8

0

00

20

Terrein (akkerbouw)

0

08

25

Groesbeek

O 123

1/2 eigendom van de heer Petrus Gerardus Leonardus Verbeet gehuwd met mevrouw Wilhelmina Helena Hendrina Peters

Groesbeek

          

1/2 eigendom van mevrouw Wilhelmina Helena Hendrina Peters gehuwd met de heer Petrus Gerardus Leonardus Verbeet

Groesbeek

9

0

01

09

Wonen (agrarisch),

34

28

80

Groesbeek

O 182

1/1 eigendom van de heer

Groesbeek

    

terrein (grasland)

(geschat)

 

(ged.)

Johannes Andreas Maria Poelen gehuwd met mevrouw Antoinette Geertruida Maria Ebbers

 
    

Erf, tuin

0

02

00

Groesbeek

O 182

1/1 eigendom van mevrouw

Groesbeek

     

(geschat)

 

(ged.)

Petronella Maria Wijnhoven weduwe van de heer Wilhelmus Gerardus Poelen

 

10

0

00

20

Wonen, erf, tuin

0

32

85

Groesbeek

O 181

1/2 eigendom belast met gebruik en bewoning van de heer Bernardus Rutgerus Jacobus Maria Verbeet gehuwd met mevrouw Carmelita Juliana Maria Theresita Parisius

Groesbeek

          

1/2 eigendom belast met gebruik en bewoning van mevrouw Carmelita Juliana Maria Theresita Parisius gehuwd met de heer Bernardus Rutgerus Jacobus Maria Verbeet

Groesbeek

          

Onbekend aandeel in gebruik en bewoning van de heer Bernardus Johannes Verbeet weduwnaar van mevrouw Theodora Maria Peters

Groesbeek

          

Onbekend aandeel in gebruik en bewoning van mevrouw Theodora Maria Peters in leven gehuwd met de heer Bernardus Johannes Verbeet

Groesbeek

11

0

03

00

Terrein (akkerbouw)

0

90

35

Groesbeek

O 180

1/1 eigendom van mevrouw Maria Berdina Johanna Fredy Theunissen

Groesbeek

12

0

01

41

Terrein (natuur)

2

24

40

Groesbeek

O 69

1/1 eigendom van Staatsbosbeheer

Driebergen Rijsenburg

13

0

02

00

Terrein (natuur)

0

04

70

Groesbeek

O 80

1/1 eigendom van Staatsbosbeheer

Driebergen Rijsenburg

14

0

00

46

Terrein (natuur)

0

12

00

Groesbeek

O 78

1/1 eigendom van Staatsbosbeheer

Driebergen Rijsenburg

15

0

24

03

Wonen (agrarisch), terrein (grasland)

18

50

95

Groesbeek

O 62

1/1 eigendom van de heer Bernardus Johannes Lamers gehuwd met mevrouw Elisabeth Maria Everdina Thijssen

Groesbeek

16

0

00

56

Wonen

0

09

60

Groesbeek

O 57

1/1 eigendom van de heer Antonius Maria Johannes Eeren gehuwd met mevrouw Gerarda Anna Maria Verbeet

Groesbeek

17

0

00

05

Terrein (akkerbouw)

0

00

80

Groesbeek

O 72

1/2 eigendom van de heer Antonius Maria Johannes Eeren gehuwd met mevruw Gerarda Anna Maria Verbeet

Groesbeek

          

1/2 eigendom van mevrouw Gerarda Anna Maria Verbeet gehuwd met de heer Antonius Maria Johannes Eeren

Groesbeek

18

0

02

57

Wonen (agrarisch), terrein (grasland)

18

50

95

Groesbeek

O 62

1/1 eigendom van de heer Bernardus Johannes Lamers gehuwd met mevrouw Elisabeth Maria Everdina Thijssen

Groesbeek

19

0

09

53

Wonen (agrarisch), terrein (grasland)

25

01

15

Groesbeek

O 61

1/2 eigendom van de heer Jan Willem Herman Emil Daamen

Groesbeek

          

1/2 eigendom van de heer Herman Otto Theodoor August Daamen

Groesbeek

20

         

Vervallen

 

21

0

05

93

Wonen, erf, tuin

1

30

35

Groesbeek

O 73

1/2 eigendom van mevrouw Yvonne Jacoba Aafke Maria Langen

Amsterdam

          

1/2 eigendom van de heer Dagobert Adrianus Gerardus Othello Langen

Nijmegen

22

0

09

17

Berging-stalling (garage-schuur), terrein (grasland)

8

86

70

Groesbeek

O 53

5/8 eigendom van mevrouw Elisabeth Anna Maria Thijssen weduwe van de heer Johannes Theodorus Ambrosius Kuijpers

Groesbeek

          

1/8 eigendom van de heer Eduard Henri Johannes Kuijpers

Groesbeek

          

1/8 eigendom van mevrouw Jacqueline Sophia Helena Kuijpers

Groesbeek

          

1/8 eigendom van de heer Hendrikus Johannes Maria Kuijpers

Groesbeek

23

0

01

40

Wonen (agrarisch), erf, tuin

0

14

25

Groesbeek

O 52

1/1 eigendom van de heer Lambertus Johannes Wilhelmus Janssen

Groesbeek

24

0

00

02

Wegen

0

00

10

Groesbeek

O 74

1/1 eigendom van de heer Lambertus Johannes Wilhelmus Janssen

Groesbeek

25

0

00

17

Wegen

0

16

85

Groesbeek

O 47

1/14 eigendom van de heer Johannes Lambertus Joseph Janssen gehuwd met mevrouw Johanna Hendrika Maria de Haardt

Wijchen

          

5/14 eigendom van mevrouw Elisabeth Anna Maria Thijssen weduwe van de heer Johannes Theodorus Ambrosius Kuijpers

Groesbeek

          

1/14 eigendom van de heer Eduard Henri Johannes Kuijpers

Groesbeek

          

1/14 eigendom van mevrouw Jacqueline Sophia Helena Kuijpers

Groesbeek

          

1/14 eigendom van de heer Hendrikus Johannes Maria Kuijpers

Groesbeek

          

1/14 eigendom van mevrouw Maria Theodora Sophia Janssen weduwe van de heer Petrus Laurentius Maria Oomen

Groesbeek

          

1/14 eigendom van mevrouw Theodora Maria Elisabeth Janssen

Groesbeek

          

1/14 eigendom van de heer Lambertus Johannes Wilhelmus Janssen

Groesbeek

          

1/14 eigendom van mevrouw Josephina Maria Elisabeth Janssen

Groesbeek

          

1/14 eigendom van mevrouw Carolina Gemma Lucia Maria Janssen

Groesbeek

26

0

04

11

Terrein (akkerbouw)

5

07

60

Groesbeek

O 25

1/14 eigendom van de heer Johannes Lambertus Joseph Janssen gehuwd met mevrouw Johanna Hendrika Maria de Haardt

Wijchen

          

5/14 eigendom van mevrouw Elisabeth Anna Maria Thijssen weduwe van de heer Johannes Theodorus Ambrosius Kuijpers

Groesbeek

          

1/14 eigendom van de heer Eduard Henri Johannes Kuijpers

Groesbeek

          

1/14 eigendom van mevrouw Jacqueline Sophia Helena Kuijpers

Groesbeek

          

1/14 eigendom van de heer Hendrikus Johannes Maria Kuijpers

Groesbeek

          

1/14 eigendom van mevrouw Maria Theodora Sophia Janssen weduwe van de heer Petrus Laurentius Maria Oomen

Groesbeek

          

1/14 eigendom van mevrouw Theodora Maria Elisabeth Janssen

Groesbeek

          

1/14 eigendom van de heer Lambertus Johannes Wilhelmus Janssen

Groesbeek

          

1/14 eigendom van mevrouw Josephina Maria Elisabeth Janssen

Groesbeek

          

1/14 eigendom van mevrouw Carolina Gemma Lucia Maria Janssen

Groesbeek

27

0

02

89

Terrein (akkerbouw)

1

95

95

Groesbeek

O 24

1/1 eigendom van de heer Theodor Heinrich Euwens

Kleve (Duitsland)

28

         

Vervallen

 

29

0

00

67

Wonen, erf, tuin

0

27

75

Groesbeek

O 22

1/2 eigendom van de heer Franciscus Adrianus Maria Geurts gehuwd met mevrouw Rosa Laetitia Maria Louise Fuchs

Groesbeek

          

1/2 eigendom van mevrouw Rosa Laetitia Maria Louise Fuchs gehuwd met de heer Franciscus Adrianus Maria Geurts

Groesbeek

30

0

04

98

Terrein (akkerbouw)

7

40

30

Groesbeek

O 19

1/1 eigendom van de heer Theodor Heinrich Euwens

Kleve (Duitsland)

31

         

Vervallen

 

32

0

14

08

Terrein (akkerbouw)

3

46

45

Groesbeek

N 196

1/1 eigendom van de heer Theodor Heinrich Euwens

Kleve (Duitsland)

33

         

Vervallen

 

34

0

00

23

Bedrijvigheid (horeca), erf, tuin

0

21

25

Groesbeek

I 3176

1/1 eigendom van mevrouw Mathilda Agnes de Graaf weduwe van de heer Antonius Franciscus Hendrikus Fleuren

Groesbeek

35

0

00

51

Wegen

0

85

30

Groesbeek

I 3374

1/1 eigendom van de Gemeente Groesbeek

Groesbeek

Naar boven