Vaststelling bedragen artikel 8, eerste lid, Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 16 november 2005, nr. ASEA/LIV/05/78276, houdende vaststelling van de bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag met ingang van 1 januari 2006

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikel 14, eerste en tiende lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag;

Besluit:

Artikel 1

Met ingang van 1 januari 2006 worden de bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, b en c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag onderscheidenlijk als volgt vastgesteld:

a. € 1272,60

b. € 293,70

c. € 58,74

Artikel 2

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 16 november 2005.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.J. de Geus.

Toelichting

Uitgangspunt van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) is dat de algemene welvaartsontwikkeling zo mogelijk ook tot uitdrukking moet komen in de inkomens van werknemers met minimumloon en uitkeringsgerechtigden. Dit uitgangspunt is vervat in de hoofdregel van artikel 14 van de WML dat uitgaat van een koppeling van het minimumloon en de sociale uitkeringen aan de gemiddelde contractloonontwikkeling.

In het najaarsakkoord van 14 oktober 2003 is afgesproken dat voor de jaren 2004 en 2005 ontkoppeld zou worden op basis van de wettelijke afwijkingsgronden zoals genoemd in art.14, vijfde lid van de WML. In hetzelfde akkoord is ook afgesproken dat de koppeling per 1 januari 2006 weer zou worden hersteld. De onderhavige regeling voorziet in het herstel van de koppeling per 1 januari 2006.

In artikel 14, eerste tot en met derde lid, van de WML wordt de aanpassing van het minimumloon geregeld. Hierbij wordt uitgegaan van het gemiddelde van de procentuele ontwikkeling van de contractlonen in de marktsector, de gepremieerde en gesubsidieerde sector, en bij de overheid, zoals dat door het CPB wordt berekend.

Het aanpassingspercentage is, conform hetgeen wettelijk is geregeld (in artikel 14 WML), als volgt vastgesteld. Uitgangspunt is de helft van de CPB-raming voor de contractloonstijging in 2006 zoals deze is gepubliceerd in de MEV 2006. Dit is 0,5 * 1,23 = 0,61. Dit bedrag wordt niet aangepast aan het zogenaamde naijleffect uit 2005 omdat in 2005 is ontkoppeld (cf. artikel 14, zevende lid). Het onafgeronde aanpassingspercentage bedraagt daarom 0,61. Dit wordt vermenigvuldigd met het (onafgeronde) wettelijk minimumloon zoals berekend voor de aanpassing per 1 juli 2005. Na (wettelijke) afronding bedraagt het bruto wettelijk minimumloon per 1 januari 2006 € 1272,60 per maand, € 293,70 per week en € 58,74 per dag. Het aanpassingspercentage na afronding is 0,62.

De hiermee corresponderende wettelijke minimumjeugdlonen bedragen op grond van de staffeling geregeld in het koninklijk besluit van 29 juni 1983 houdende vaststelling van een minimumjeugdloonregeling (Stb. 300) per 1 juli 2003:

Wettelijke minimumjeugdlonen per 1 juli 2003

Leeftijd

Staffelingspercentage

Per maand

Per week

Per dag

22 jaar

85

1081,70

249,60

49,92

21 jaar

72,5

922,65

212,90

42,58

20 jaar

61,5

782,65

180,60

36,12

19 jaar

52,5

668,10

154,20

30,84

18 jaar

45,5

579,05

133,65

26,73

17 jaar

39,5

502,70

116,00

23,20

16 jaar

34,5

439,05

101,30

20,26

15 jaar

30

381,80

88,10

17,62

Volgens artikel 12 van de WML is bij een kortere arbeidstijd dan de gebruikelijke het minimum(jeugd)loon naar evenredigheid lager. Dit is bijvoorbeeld van toepassing als werknemers in het kader van de partiële leerplicht een aantal dagen per week onderwijs volgen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A.J. de Geus

Naar boven