Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst 2005

Besluit van de Minister van Justitie van 31 oktober 2005, nr. 5383533/505/CBK, houdende de aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Belastingdienst

De Minister van Justitie,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën;

Gelet op artikel 142, eerste lid, onder c van het Wetboek van Strafvordering, artikel 142, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, en het Besluit Buitengewoon opsporingsambtenaar;

Besluit:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Belastingdienst: de belastingkantoren, genoemd in artikel 1a, onder a, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, de Belastingdienst/Centrale Administratie en de Belastingdienst/Toeslagen.

b. buitengewoon opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 2.

Artikel 2

De personen werkzaam bij de Belastingdienst in de functie van verbalisant of fraudecoördinator zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.

Artikel 3

Maximaal 500 personen zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.

Artikel 4

1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld:

a. bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990;

b. bij of krachtens de wetten waarvan de uitvoering bij of krachtens de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet suvi) is opgedragen aan het UWV (vanaf 1 januari 2006 ook: Belastingdienst);

c. in de artikelen 161 sexies, 161 septies, 177, 177a, 179, 180, 181, 182, 184, 185, 189, 194, 197, 197a, 197b, 197c, 197d, 198, 225, 226, 227, 227a, 227b, 228, 229, 231, 266, 321, 322, 323a, 326, 340, 341, 342, 343, 344, 345, 347, 348, 350a, 350b, 362, 363, 416, 417, 417bis, 435, onder 4, 442, 447b, 447c, 447d en 447e van het Wetboek van Strafrecht, voor zover het feit van belang is voor de toepassing van wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen, met de uitvoering waarvan de Belastingdienst krachtens de wet is belast, dan wel voor de uitvoering van andere taken, voor het verrichten waarvan de Belastingdienst krachtens de Wet suwi de goedkeuring heeft gekregen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

d. andere strafbare feiten, indien en voorzover zij in een concreet opsporingsonderzoek door een Officier van Justitie daarmee worden belast, voor de duur van het onderzoek.

2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van Nederland.

Artikel 5

1. Als toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de hoofdofficier van justitie te ’s-Gravenhage.

2. Als direct toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen het bestuur van ’s Rijks belastingen.

Artikel 6

1. Aan de buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 2, is ontheffing verleend van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, onder de navolgende voorwaarden:

a. de buitengewoon opsporingsambtenaar is bekwaam indien hij met goed gevolg een opleiding tot verbalisant dan wel fraudecoördinator Belastingdienst heeft voltooid;

b. de onder a. bedoelde opleiding omvat ten minste het niveau van de relevante eindtermen zoals vastgesteld bij de Circulaire bekwaamheidseisen buitengewoon opsporingsambtenaar, en is onderworpen aan goedkeuring door de Minister van Justitie;

c. de toetsing van de buitengewoon opsporingsambtenaar geschiedt door een toetsingscommissie waarin een lid van het Openbaar Ministerie is vertegenwoordigd;

d. door middel van een systeem van periodieke bijscholing wordt gewaarborgd dat het door de buitengewoon opsporingsambtenaar verworven kennisniveau gehandhaafd blijft.

2. De buitengewoon opsporingsambtenaar die slechts belast is met het opmaken van processen-verbaal, waarbij hij geen verklaringen van verdachten of getuigen behoeft op te nemen, is ontheffing verleend van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar.

Artikel 7

De Directeur-Generaal Belastingdienst brengt jaarlijks, vóór 1 april over het jaar daaraan voorafgaand aan de Minister van Justitie verslag uit over:

a. het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat op 31 december werkzaam was bij de Belastingdienst;

b. de door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte activiteiten;

c. de stand van zaken met betrekking tot de opleiding en bijscholing, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door de minister van Justitie goedgekeurde examen en hoeveel personen in dat jaar voor dat examen zijn geslaagd;

d. het aantal klachten dat jegens buitengewoon opsporingsambtenaren is ingediend.

Artikel 8

De buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Belastingdienst draagt bij de uitoefening van zijn taak als buitengewoon opsporingsambtenaar bij zich het legitimatiebewijs zoals vastgesteld in de Kaderregeling legitimatiebewijs Belastingdienst.

Artikel 9

De op naam gestelde akten van opsporingsbevoegdheid en beëdiging en de overige benoemingsbescheiden, afgegeven mede op basis van de in artikel 10 genoemde besluiten, worden voor de duur van hun geldigheid, geacht te zijn akten en overige benoemingsbescheiden afgegeven mede op basis van het onderhavige besluit.

Artikel 10

Het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst 19951 wordt ingetrokken.

Artikel 11

Deze regeling treedt in werking met ingang van 6 november 2005 en vervalt met ingang van 6 november 2010.

Artikel 12

Deze regeling wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst 2005.

Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.

Den Haag, 31 oktober 2005.
De Minister van Justitie,
namens deze:
hoofd Bureau Juridische en Beleidsondersteunende Aangelegenheden, R.R. Joesoef Djamil.

Toelichting

Per 6 november 2005 vervalt het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst 1995. Ik acht de noodzaak tot het aanwijzen van buitengewoon opsporingsambtenaren nog aanwezig. Onderhavig besluit strekt ertoe de opsporingsbevoegdheid met vijf jaar te verlengen. Besloten is het besluit integraal te herzien, aangezien er een aantal redactionele wijzigingen is doorgevoerd. Bovendien is rekening gehouden met de gevolgen van de Wet financiering sociale verzekeringen, als gevolg waarvan per 1 januari 2006 de heffing van premies overgaat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen naar de Belastingdienst. De hierop betrekking hebbende strafbepalingen zullen vanaf die datum worden gehandhaafd door de Belastingdienst.

De Minister van Justitie

namens deze:

hoofd Bureau Juridische en Beleidsondersteunende Aangelegenheden,

R.R. Joesoef Djamil

  • 1

    Stcrt. 1995, 222; laatstelijk gewijzigd bij besluit van 30 oktober 2000, Stcrt. 2000, 211.

Naar boven