Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Verkeer en WaterstaatStaatscourant 2005, 209 pagina 11Overig

Oplegging gedoogplicht

Beschikking ingevolge de Belemmeringenwet Privaatrecht, houdende oplegging van de plicht tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van twee transportleidingen, een signaalkabel en drie elektriciteitskabels ten behoeve van de winning van steenzout door Frisia Zout B.V. te Harlingen.

Nummer DNN 2005/4797

De Minister van Verkeer en Waterstaat;

Gezien het verzoek van Frisia Zout B.V., gevestigd te Harlingen, van 8 november 2004, kenmerk brief\RWS128, aangevuld bij brief van 17 november 2004, referentie Directie/Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat 17.11.2004, teneinde

A. ingevolge artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht te beslissen dat:

1. dhr. A. Aukes te Pietersbierum, rechthebbende op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie F, nr. 525;

2. dhr. F. Bakker te Sexbierum, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie G, nrs. 871 en 872;

3. dhr. E.J. Bonnema te Groningen, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie F, nrs. 992 en 993, en sectie G, nrs. 871 en 872;

4. dhr. S. Bootsma te Pietersbierum, rechthebbende op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie F, nr. 388;

5. dhr. P.Dijkstra te Klooster Lidlum, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Tzummarum, sectie F, nrs. 243, 244 en321;

6. mevr. A.M.M. Faassen-van Rens te Klooster Lidlum, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie G, nrs. 732 en 734;

7. dhr. P.S Hollenga te Sexbierum, rechthebbende op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie G, nr. 811;

8. de Ned. Herv. Kerk Sexbierum te Sexbierum, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie F, nrs. 364, 524 en 525, en sectie G, nr. 811;

9. mts. J. Visser te Oosterbierum, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie G, nrs. 800, 801, 813, 814 en 1248;

10. mevr. D. Visser-van Dijk te Oosterbierum, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie G, nrs. 800, 801, 813, 814 en 1248;

11. dhr. J.G. Wijngaarden te Sexbierum, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie F, nrs. 992 en 993;

12. mevr. W. Wijngaarden-Zijlstra te Oosterbierum, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie G, nrs. 720, 722, 737, 738, 740 en 1151;

13. mevr. T. de Wind-Bonnema te Leeuwarden, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie F, nrs. 992 en 993, en sectie G, nrs. 871 en 872;

met wie voor de aanleg en instandhouding van twee transportleidingen, een signaalkabel en drie elektriciteitskabels ten behoeve van de winning van steenzout in de gemeente Franekeradeel, met bijbehorende werken geen overeenstemming is bereikt ter zake van het gebruik van deze onroerende zaken, behoudens recht op schadevergoeding, verplicht zijn de aanleg en instandhouding van die werken te gedogen overeenkomstig de stukken, die ter inzage hebben gelegen ter secretarie van de gemeente Franekeradeel;

B. ingevolge artikel 4, zesde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht te beslissen dat met de uitvoering van de werken niet kan worden gewacht, totdat de in het eerste lid van dat artikel genoemde termijn is verstreken of op het in dat lid bedoelde verzoekschrift is beslist;

Gezien:

- de overgelegde stukken en de ingekomen ambtsberichten;

- het advies van de minister van Economische Zaken van 23 september 2005, kenmerk E/EP/5030878;

Gehoord Gedeputeerde Staten van Fryslân, dat zij op dringend verzoek van Provinciale Staten afzien van een inhoudelijk advies (brief van 22 april 2005, kenmerk 588439);

Overwegende dat:

- voor de werken concessie is verleend bij Koninklijk Besluit van 2 september 2005, nr. 05.003128;

- het openbaar belang van de werken is erkend bij Koninklijk Besluit van 29 oktober 2004, nr. 040004037;

- weliswaar tegen het Koninklijk Besluit tot erkenning van het openbaar belang bezwaren zijn ingediend, maar dat dit als zodanig geen beletsel vormt tot het nemen van de gevraagde beslissingen, omdat de werking van het besluit niet wordt geschorst door het indienen van bezwaar;

- daarnaast de verwachting is gerechtvaardigd dat de ingebrachte bezwaren ongegrond zullen worden verklaard, gelet op het inmiddels in deze zaak uitgebrachte advies;

- Frisia Zout B.V. inmiddels overeenstemming heeft bereikt met de rechthebbenden genoemd onder 6 (mevr. A.M.M. Faassen-van Rens te Klooster Lidlum) en 12 (mevr. W. Wijngaarden-Zijlstra te Oosterbierum);

- dat Frisia Zout B.V. er niet in is geslaagd met de andere hierboven genoemde rechthebbenden omtrent het gebruik van de onroerende zaken tot overeenstemming te geraken;

Uit het proces-verbaal van de ingevolge artikel 2, vierde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op 24 januari 2005 in de gemeente Franekeradeel gehouden zitting blijkt dat bezwaren zijn ingediend dan wel zijn verwoord door

a. Mr. K. Jurriëns te Noordwijk, namens de hiervoor onder 1 t/m 5, 7 t/m 11 en 13 genoemde rechthebbenden;

b. mevr. W. Gelderblom te Tzummarum, die geen rechthebbende is op één van de genoemde onroerende zaken, maar wel eigenaresse is van een woning in het gebied waar bodemdaling optreedt als gevolg van de zoutwinning aldaar;

c. de heer F. Bakker, zijnde de hiervoor onder 2 genoemde rechthebbende;

d. de heer A. Aukes, zijnde de hiervoor onder 1 genoemde rechthebbende;

e. Mr. G. van der Spek, eveneens namens de hiervoor onder 1 t/m 5, 7 t/m 11 en 13 genoemde rechthebbenden.

Overwegende ten aanzien van de ingediende bezwaren:

1. De van de gemeente Franekeradeel ontvangen stukken waren niet compleet. (Mr. Jurriëns)

Zoals blijkt uit het verslag van de hoorzitting van 24 januari 2005 is met de heer Jurriëns afgesproken dat de ontbrekende stukken alsnog zullen worden toegestuurd en dat hij een termijn van 2 weken krijgt om daar schriftelijk op te reageren. Deze reactie zal bij het proces-verbaal van de zitting worden gevoegd. De heer Jurriëns heeft gereageerd bij brief van 6 februari 2005. Deze brief is overeenkomstig de afspraak bij het proces-verbaal gevoegd. Het gestelde in deze brief zal in deze overwegingen worden meegenomen als ware het ter hoorzitting naar voren gebracht.

Derhalve kan worden vastgesteld, dat belanghebbenden niet in hun belangen zijn geschaad. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt, dat van de z.g. voortoetsing door de hoofdingenieur-directeur van de betrokken Rijkswaterstaatsdirectie geen rapport pleegt te worden gemaakt. Het feit dat de procedure in gang is gezet, betekent reeds dat die voortoetsing positief is verlopen. De brief van de hoofdingenieur-directeur aan Gedeputeerde Staten (met instructieformulier) maakt geen deel uit van de ter inzage te leggen stukken.

2. Gezien het standpunt van de Provincie (Fryslân) is de voorzitter vooringenomen en niet objectief, en daardoor niet in staat om zijn rol als voorzitter in te vullen in de door de wetgever in artikel 2 BP opgedragen onderhandelingen tussen Frisia en de rechthebbenden. Nieuwe hoorzitting nodig? (Mr. Jurriëns/Mr. Van der Spek)

De wet schrijft voor (art. 2, 4e lid) dat er een zitting moet worden gehouden, waar bezwaren kunnen worden ingediend en overleg kan worden gepleegd met de verzoeker, onder leiding van een lid van Gedeputeerde Staten, door dat College aangewezen. In dit geval is de hoorzitting geleid door gedeputeerde T. Baas, die daarvoor is aangewezen door het College van Gedeputeerde Staten. Daarmee is aan de eisen van de wet voldaan.

Het is niet juist dat de wet aangeeft dat er tijdens de zitting onderhandeld moet worden. Zoals hiervoor is weergegeven moet er (naast het indienen van bezwaren) overleg kunnen worden gepleegd met verzoekster, i.c. Frisia Zout B.V. Een eventueel overleg vindt plaats tijdens de hoorzitting en dus onder voorzitterschap van de daartoe aangewezen Gedeputeerde, maar het is en blijft een overleg tussen een rechthebbende en de aanvraagster. De voorzitter heeft daarop geen directe invloed en dient zich te beperken tot het leiden van het gesprek.

Gelet op het vorenstaande vormt het feit dat de voorzittende Gedeputeerde dan wel het college van Gedeputeerde Staten bepaalde standpunten over de economische effecten van de zoutwinning als zodanig naar buiten hebben gebracht, geen reden het verzoek van Frisia B.V. wegens procedurele onjuistheden af te wijzen. Een nieuwe hoorzitting is dan evenmin aan de orde. Daarbij kan nog worden aangetekend dat:

a. Gedeputeerde Staten van Fryslân zich verder in deze procedure wel van een standpunt hebben onthouden door af te zien van het geven van advies;

b. door Mr. Jurriëns niet concreet is gesteld noch aangetoond dat terzake de belangen van zijn cliënten zijn geschaad.

3. Er is door Frisia Zout B.V. niet voldoende onderhandeld, waardoor een aantal gerechtvaardige belangen van cliënten (zoals volledige schadevergoeding, waaronder waardevermindering) niet aan bod zijn gekomen. (Mr. Jurriëns/A. Aukes)

In mijn overwegingen ten aanzien van het gedoogplichtbesluit van 11 december 2003, kenmerk DNN 2003/7699, heb ik reeds gesteld dat uit de door verzoeker aan mij overgelegde correspondentie en de terzake bijgehouden registratie van contacten met de rechthebbenden niet is gebleken dat verzoeker in onvoldoende mate heeft getracht met de diverse rechthebbenden tot overeenstemming te komen. Ook voorafgaand aan de onderhavige procedure is door aanvraagster opnieuw een schriftelijk voorstel (brief van 28 oktober 2004) aan alle rechthebbenden gedaan, waarbij een vergoeding op basis van de LTO-Gasunieregeling (tarief 2004) is aangeboden. Bijgevoegd was een bijlage die bij akkoordbevinding kon worden ondertekend en teruggezonden. Tevens was aangegeven met wie men contact kon opnemen bij vragen of opmerkingen.

De wens om tijdens de onderhandelingen ook te spreken over andere schades, zoals waardevermindering, is begrijpelijk, maar kan niet leiden tot afwijzing van het verzoek van Frisia Zout B.V. Enerzijds dient ten aanzien hiervan te worden opgemerkt dat op grond van de bepalingen van de winningsvergunning schade aan eigendommen van derden niet rechtstreeks door Frisia Zout B.V. kan worden vergoed, maar dient te worden vergoed uit een door een stichting te beheren schadefonds. Anderzijds zijn voor de onderhavige procedure slechts relevant de onderhandelingen met betrekking tot de schade als gevolg van het leggen van de leidingen c.a.

4. Frisia Zout B.V.had niet in haar verzoek om toepassing van de Belemmeringen wet Privaatrecht moeten worden ontvangen, c.q. het verzoek had moeten worden afgewezen. (Mr. Jurriëns).

Ten aanzien hiervan stelt Mr. Jurriëns dat nu de beschikking van 19 april 2004 nog vigeert, er geen reden is voor een nieuwe beschikking als door Frisia gevraagd. Verder wordt gesteld dat het in strijd is met het recht althans (rechtens) ongewenst dat er op hetzelfde verzoek twee identieke beslissingen worden genomen ieder met een eigen rechtsgang. Van nieuwe feiten is immers geen sprake.

Inderdaad vigeert, hoewel geschorst, op dit moment nog de beschikking van 19 april 2004. Van de zijde van aanvraagster wordt echter rekening gehouden met de mogelijkheid dat de bestuursrechter het standpunt van de voorzieningenrechter over het niet van toepassing zijn van art. 5 Mijnbouwwet zal delen en deze beschikking alsnog zal vernietigen. Daarnaast is niet met zekerheid te stellen dat een reparatie van het onderhavige besluit door het erkennings-KB in de plaats te stellen van art. 5 Mijnbouwwet voor de rechter acceptabel zal zijn, nu de gehele procedure is gevoerd op basis van art. 5 Mijnbouwwet. Gelet hierop is door aanvraagster gekozen voor het starten van een volledig nieuwe procedure. Dit brengt tevens met zich mee, dat rechthebbenden zich bij het bepalen van hun positie kunnen baseren op het erkennings-KB.

Het standpunt van aanvraagster wordt door mij gedeeld. Dat betekent echter niet, maar dat geldt evenzeer voor aanvraagster, dat ik mij conformeer aan het standpunt van de voorzieningenrechter inzake het niet van toepassing zijn van art. 5 Mijnbouwwet, maar uitsluitend dat ik de feitelijke situatie van dit moment als uitgangspunt neem. Met name gezien de grote belangen van aanvraagster om zo spoedig mogelijk voldoende zout te kunnen winnen in het nieuwe concessiegebied.

Het is overigens niet juist dat het nieuwe besluit wordt genomen op hetzelfde verzoek. Er is in dit geval sprake van een nieuw verzoek op basis van nieuwe feiten, zijnde het KB tot erkenning van het openbaar belang. Als nieuw feit is daar tijdens de procedure nog de verleende buisleidingconcessie bijgekomen.

Het starten van een nieuwe procedure zal inderdaad leiden tot een nieuw besluit, dat inhoudelijk identiek is aan het oude besluit. Doordat echter gelijktijdige het oude besluit zal worden ingetrokken, zullen er geen twee inhoudelijk gelijke besluiten naast elkaar bestaan. Dat het nieuwe besluit zijn eigen rechtsgang heeft is inherent aan het karakter van primair besluit. Niet valt in te zien dat dit als een bezwaar zou dienen te gelden.

5. In de tweede alinea van het verzoek van aanvraagster van 8 november 2004 wordt een onjuiste weergave van de feiten gegeven. (Mr. Jurriëns)

In deze alinea wordt aangegeven dat tijdens de onderhandelingen met de rechthebbenden een aantal gerechtigden te kennen hebben gegeven geen medewerking te zullen verlenen bij het realiseren van onderhavige project. Mr. Jurriëns tekent hierbij aan dat één van de belangrijke argumenten om niet akkoord te willen gaan met een regeling in der minne is gelegen in het feit dat Frisia het onderwerp ‘waardevermindering van de betrokken grond in het economisch verkeer’ niet in de discussie wenst te betrekken. Hij verwijst verder naar het door hem gestelde ter hoorzitting.

Ten aanzien hiervan kan worden verwezen naar het hiervoor onder punt 3 besproken bezwaar.

6. De opvatting van de voorzieningenrechter dat de procedure voor de erkenning van het openbaar belang, kan worden gevolgd in de gevallen dat de erkenning niet uit art. 5 Mijnbouwwet voortvloeit, is door cliënten bestreden, door de minister in de beslissing op bezwaar gepasseerd en door de schorsingsuitspraak achterhaald. (Mr. Jurriëns)

Het opleggen van een gedoogplicht op basis van een erkenning van het openbaar belang door of vanwege de Kroon is één van de mogelijkheden die in de Belemmeringenwet Privaatrecht is aangegeven. Als Mr. Jurriëns hier bedoelt, dat de algemene regeling als weergegeven in de BP niet mag worden gevolgd voor mijnbouw gerelateerde gevallen, omdat dat exclusief is geregeld in art. 5 Mijnbouwwet, dan vindt dat geen steun in de Mijnbouwwet noch in de Belemmeringenwet Privaatrecht. Ook de voorzieningenrechter deelt die opvatting dus niet.

Daarnaast kan worden gesteld dat hier weliswaar gaat om mijnbouw gerelateerde leidingen, maar dat er in dit geval een buisleidingconcessie is verleend, waardoor één en ander een meer algemeen karakter heeft gekregen.

7. Schadevergoeding (mw. Gelderblom)

Dit bezwaar is niet afkomstig van een rechthebbende op een onroerende zaak, waarvoor de gedoogplicht is aangevraagd, maar van een rechthebbende op een woning die naar verwachting in waarde is gedaald door de bodemdaling als gevolg van de zoutwinning. Tijdens de hoorzitting is hieromtrent reeds door de voorzitter aangegeven dat dit aspect thans niet aan de orde is.

8. De door Frisia ingeschakelde vertrouwenspersoon (oud-gedeputeerde Jansen) heeft wel gebeld voor een bijeenkomst, maar die later ook weer afgezegd. (F. Bakker)

Dit is als zodanig geen bezwaar tegen het opleggen van een gedoogplicht, maar een reactie op de mededeling van de zijde van Frisia Zout B.V. tijdens de hoorzitting, dat men geprobeerd heeft in gesprek te blijven o.a. door het aanstellen van een vertrouwenspersoon. Deze vertrouwenspersoon heeft echter zijn opdracht teruggegeven toen bleek dat er onvoldoende respons was van de zijde van rechthebbenden.

Mocht overigens met deze opmerking bedoeld zijn aan te geven dat er onvoldoende is onderhandeld door aanvraagster, dan kan worden verwezen naar de reactie op het onder 3 genoemde bezwaar.

Overwegende dat voor wat betreft de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie G, nrs. 800, 801, 813, 814 en 1248 de gedoogplicht dient te worden opgelegd aan de erven D. Visser, aangezien volgens de gegevens van het kadaster te Leeuwarden niet mevrouw D. Visser-van Dijk rechthebbende is op deze onroerende zaken, maar de heer D. Visser te Oosterbierum (overleden 29 november 1998);

dat niet is gesteld noch gebleken dat mevr. Visser-van Dijk tijdens de onderhandelingen met aanvraagster niet de erven D. Visser heeft vertegenwoordigd, zodat hieraan niet zodanig gewicht behoeft te worden toegekend dat de aanvraag voor wat deze percelen betreft dient te worden afgewezen.

Overwegende voorts dat het om technische redenen aangewezen is de werken met duurzame en tijdelijke gebruikmaking van de hiervoor vermelde onroerende zaken uit te voeren als is aangegeven op de stukken welke ter inzage hebben gelegen;

dat, zoals bevestigd in de uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden van 21 juli 2004 inzake het oorspronkelijke besluit, de belangen van rechthebbenden redelijkerwijs onteigening niet vorderen en in het gebruik van de onroerende zaken niet meer belemmering wordt gebracht, dan redelijkerwijs voor de aanleg en instandhouding van de werken noodzakelijk is;

dat de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade staan ter kennisneming van de rechtbank van het arrondissement, waarin de onroerende zaken zijn gelegen;

dat de wettelijke formaliteiten in acht zijn genomen;

dat de onderhavige percelen zich bevinden in het tracé van de aan te leggen leidingen ten behoeve van de verbinding van twee nieuwe zoutcavernes De Mieden en Bethanië met een bestaande winningslocatie Barradeel nabij Pietersbierum;

dat de leidingen onontbeerlijk zijn voor de exploitatie van de nieuwe zoutcavernes;

dat de leidingen op de kortst mogelijke termijn in gebruik moeten kunnen worden genomen om de continuïteit van de zoutverwerkingsfabriek van Frisia Zout B.V. te Harlingen te verzekeren;

dat hiermee voor de regio een groot economisch belang gemoeid is.

dat, gelet op het vorenstaande en het terzake uitgebrachte advies door de minister van Economische Zaken, met de uitvoering van de werken niet kan worden gewacht, totdat de in artikel 4, eerste lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht genoemde termijn is verstreken of op het in dat lid bedoelde verzoekschrift is beslist;

Gelet op artikel 2, vijfde lid, en artikel 4, zesde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht;

Besluit:

I. in te trekken zijn beschikking van 11 december 2003, kenmerk DNN/2003/7699 (oorspronkelijk primair besluit), en 19 april 2004, kenmerk DNN2004/2156 (beslissing op bezwaar);

II. aan:

1. dhr. A. Aukes te Pietersbierum, rechthebbende op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie F, nr. 525;

2. dhr. F. Bakker te Sexbierum, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie G, nrs. 871 en 872;

3. dhr. E.J. Bonnema te Groningen, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie F, nrs. 992 en 993, en sectie G, nrs. 871 en 872;

4. dhr. S. Bootsma te Pietersbierum, rechthebbende op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie F, nr. 388;

5. dhr. P.Dijkstra te Klooster Lidlum, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Tzummarum, sectie F, nrs. 243, 244 en321;

6. dhr. P.S Hollenga te Sexbierum, rechthebbende op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie G, nr. 811;

7. de Ned. Herv. Kerk Sexbierum te Sexbierum, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie F, nrs. 364, 524 en 525, en sectie G, nr. 811;

8. mts. J. Visser te Oosterbierum, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie G, nrs. 800, 801, 813, 814 en 1248;

9. de erven D. Visser te Oosterbierum, rechthebbenden op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie G, nrs. 800, 801, 813, 814 en 1248;

10. dhr. J.G. Wijngaarden te Sexbierum, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie F, nrs. 992 en 993;

11. mevr. T. de Wind-Bonnema te Leeuwarden, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Sexbierum, sectie F, nrs. 992 en 993, en sectie G, nrs. 871 en 872;

wordt, behoudens hun recht op schadevergoeding, de plicht opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van de in de aanhef van deze beschikking bedoelde werken;

III. met de uitvoering van de werken kan niet worden gewacht, totdat de in artikel 4, eerste lid, van de aangehaalde wet genoemde termijn is verstreken of op het in dat lid bedoelde verzoekschrift is beslist;

IV. deze beschikking wordt ingevolge artikel 8, tweede lid, van de aangehaalde wet op kosten van Frisia Zout B.V. bekend gemaakt in de Staatscourant.

Leeuwarden, 20 oktober 2005.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,namens deze,
de hoofdingenieur-directeur,
namens deze,
het hoofd van de afdeling Bestuurlijk Juridische Zaken en Vastgoed,
mr J.M. Weststeijn.

Mededelingen

1. Verzoek tot vernietiging

Ingevolge artikel 4, van de Belemmeringenwet Privaatrecht (Stb. 1927,159) kan een ieder, die enig recht heeft ten aanzien van de onroerende zaak/zaken waarop de onder II gegeven gedoogplicht betrekking heeft, binnen een maand nadat een afschrift van deze beschikking ter gemeentesecretarie ter inzage is gelegd, aan het Gerechtshof te Leeuwarden (Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden) vernietiging van die beslissing verzoeken.

Het met redenen omklede verzoekschrift moet worden ingediend door een procureur.

De ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht door het Gerechtshof te nemen beschikking wordt in de Staatscourant bekend gemaakt. Deze bekendmaking geschiedt blijkens artikel 8, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op kosten van de verzoeker tot vernietiging van de gedoogplichtbeschikking, behalve in het geval dat het Gerechtshof de gegeven gedoogplichtbeslissing vernietigt.

2. Bezwaar

Ingevolge het bepaalde in de hoofdstukken 6 en 7, van de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1994, nr. 1) kan binnen een termijn van zes weken, aanvangende met ingang van de dag na die waarop een afschrift van de gedoogplichtbeschikking als voren omschreven ter inzage is gelegd, terzake van andere dan de in artikel 1 (slot) van de Belemmeringenwet Privaatrecht vermelde toetsingscriteria een bezwaarschrift worden ingediend. Het bezwaarschrift moet worden gericht aan de minister van Verkeer en Waterstaat en gezonden aan de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Noord-Nederland, t.a.v. de afdeling BBV, Postbus 2301, 8901 JH Leeuwarden.

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en tenminste het volgende te bevatten:

a. naam en adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. vermelding van de datum en het nummer of het kenmerk van het besluit waartegen het bezwaarschrift zich richt;

d. een opgave van de redenen waarom men zich met het besluit niet kan verenigen.

3. Voorlopige voorziening

Indien een bezwaarschrift is ingediend is het mogelijk om daarnaast een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen. Een dergelijk verzoek dient te worden gericht aan de Voorzieningenrechter van de Rechtbank te Leeuwarden (Postbus 1702, 8901 CA Leeuwarden). Het verzoek dient te zijn ondertekend en tenminste het volgende te bevatten:

a. de naam en het adres van de verzoeker;

b. de dagtekening;

c. vermelding van het bestuursorgaan, dat het besluit heeft genomen en datum en nummer of kenmerk van het besluit;

d. de gronden van het verzoek (motivering).

Bij het verzoek dient voorts een afschrift van het bezwaarschrift te worden overgelegd. Zo mogelijk wordt tevens een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overgelegd.

Naar aanleiding van het verzoek kan de Voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening wordt een bedrag aan griffierechten geheven. De griffier van de hiervoor genoemde rechtbank wijst de verzoeker na de indiening van diens verzoek op de verschuldigdheid van het griffierecht en bericht de verzoeker binnen welke termijn en op welke wijze het verschuldigde griffierecht moet worden voldaan.