Wijziging Vreemdelingencirculaire 2000 (2005/35)

Besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 3 juni 2005, nummer 2005/35, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000 (Staatsblad 2000, 495), het Vreemdelingenbesluit 2000 (Staatsblad 2000, 497) en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Staatscourant 2001, nr. 10);

Besluit:

Artikel I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf B1/1.2.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

1.2.3 Voortgezet verblijf

Het mvv-vereiste is niet van toepassing op aanvragen om voortgezet verblijf. Daarvan is, voorzover hier van belang, sprake indien de vreemdeling:

– houder is van een verblijfsvergunning (asiel of regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd) of Nederlander is geweest; en

– de aanvraag (tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van een verblijfsvergunning) is ontvangen binnen de redelijke termijn van zes maanden nadat het verblijfsrecht op grond van de eerdere verblijfsvergunning of het Nederlanderschap is geëindigd; en

– geen onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid; en

– zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd.

De aanvraag tot het verlenen, het verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning die is ontvangen nadat de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning is afgelopen dan wel nadat de eerdere verblijfsvergunning is ingetrokken, maar die nog wel is ontvangen binnen de redelijke termijn van zes maanden, wordt getoetst aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf. De vergunning wordt evenwel niet met terugwerkende kracht verleend. De vergunning zal worden verleend met als ingangsdatum de datum van aanvraag. Er ontstaat derhalve een gat in het verblijfsrecht van de vreemdeling, hetgeen gevolgen heeft voor de opbouw van verdere verblijfsrechten (een verblijfsvergunning voor onbepaalde duur of naturalisatie). Dit is slechts anders als er sprake is van feiten en omstandigheden die de vreemdeling niet toe te rekenen zijn.

Een aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van het verblijfsdoel van een verblijfsvergunning die meer dan zes maanden na afloop van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning is ontvangen, wordt in beginsel afgewezen vanwege het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf, tenzij er sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling is toe te rekenen.

Bij omstandigheden waardoor de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling toe te rekenen zou kunnen zijn, kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie van vrouwen en hun eventuele kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten. Omdat de omstandigheden van deze vrouwen sterk uiteenlopen, kan geen algemene regel worden gegeven over de termijn waarbinnen de achtergelaten vrouw een aanvraag moet hebben ingediend. Als de achtergelaten vrouw zich zonder dralen tot de Nederlandse overheid (gemeente, ambassade, consulaat, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) of Vreemdelingenpolitie) heeft gewend om naar Nederland te kunnen terugkeren, wordt haar een te late indiening van de aanvraag niet toegerekend. Wat ‘zonder dralen’ is, wordt van geval tot geval bezien; hierbij wordt rekening gehouden met de moeilijkheden die de positie van de achtergelaten vrouw met zich mee heeft gebracht. Het is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdelinge om bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf aan te geven dat er sprake is van achterlating, en de omstandigheden waar een beroep op wordt gedaan met ter zake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Indien het beroep op achterlating niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf, stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de vreemdelinge in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt hiertoe een termijn van vier weken gegund.

Zie ten aanzien van achtergelaten vrouwen tevens B1/2.2.8, B1/3.2.4, B2/5.3.3 en B2/13.2.4.

Aangezien het merendeel van de achtergelaten vreemdelingen vrouw is, wordt in de voorgaande passage gerept van achtergelaten vrouwen. Vanzelfsprekend kunnen ook mannen en minderjarigen een beroep doen op de omstandigheid dat zij zijn achtergelaten.

De aanvraag van de vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, onder b, c of d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap wordt ingevolge artikel 3.82, eerste lid, Vreemdelingenbesluit gelijkgesteld met de niet-tijdig ingediende aanvraag en is daarmee vrijgesteld van het mvv-vereiste, indien de aanvraag binnen een redelijke termijn van zes maanden is ontvangen (zie ook B4/2.2 en B4/2.5).

Ten aanzien van aanvragen om verlenging dan wel wijziging van het verblijfsdoel van de verblijfsvergunning is er in artikel 3.82, tweede lid, onder c, Vreemdelingenbesluit een extra bepaling opgenomen voor de vreemdeling die in Nederland wil verblijven als geestelijk voorganger of godsdienstleraar. Deze uitzondering wordt gemaakt in het belang van het toezicht op vreemdelingen en de openbare orde. Ten aanzien van deze groep wordt vooraf een onderzoek ingesteld of er vanuit het oogpunt van de openbare orde en openbare rust bedenkingen bestaan tegen het verblijf van de desbetreffende vreemdeling en of de groepering op wier verzoek de desbetreffende vreemdeling als godsdienstig functionaris zijn werkzaamheden zal uitoefenen, haar wens tot het aanstellen van de vreemdeling handhaaft. Dat geldt zowel indien de vreemdeling niet tijdig heeft verzocht om verlenging, als ook indien hij voor een andere groepering wil werken. Echter, indien de vreemdeling, die aanvankelijk een verblijfsvergunning had onder de beperking verblijf als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, wijziging naar een geheel ander verblijfsdoel (niet zijnde als geestelijk voorganger of godsdienstleraar) wenst, geldt het reguliere beleid ten aanzien van aanvragen om wijziging van het verblijfsdoel.

Ten overvloede zij er hierbij op gewezen dat een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zich tegen (al dan niet tijdelijke) verblijfsbeëindiging kan verzetten, waarbij in dit verband met name kan worden gedacht aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.

Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat de vreemdeling aantoonbaar zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehouden, geldt het mvv-vereiste onverkort.

Op het punt van het beleid ten aanzien van de openbare orde of de nationale veiligheid wordt uitgegaan van voortgezet verblijf, omdat er sprake is van ononderbroken hoofdverblijf in Nederland.

Ingevolge artikel 73 Vreemdelingenwet wordt de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist. Afwijking van deze hoofdregel geldt evenwel indien de aanvraag is afgewezen wegens onder andere het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (zie artikel 73, tweede lid, onder a, Vreemdelingenwet). De rechtsgevolgen zoals neergelegd in artikel 27 Vreemdelingenwet treden onverkort in werking.

B

Paragraaf B1/2.2.8 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.2.8 Verplaatsing hoofdverblijf

Ingevolge artikel 18, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet worden afgewezen indien de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. De hieronder gegeven regels zijn van overeenkomstige toepassing op de intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet (zie artikel 19 Vreemdelingenwet).

Enkele bijzondere voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd houden in dat de aanvrager zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd.

Zie in dit verband artikel 3.23, 3.71 en 3.82 Vreemdelingenbesluit.

Beleidsregel

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet, wordt op grond van artikel 18, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet afgewezen, indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd.

Hoofdverblijf en verplaatsing van hoofdverblijf zijn feitelijke begrippen. Een vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland, wanneer hij niet duurzaam in Nederland verblijft. Dit kan onder meer blijken uit het feit dat de vreemdeling is uitgeschreven uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA) van een Nederlandse gemeente of in Nederland geen adres heeft waar hij geregeld kan worden aangetroffen. Beoordeling van de vraag of er sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf vindt plaats aan de hand van factoren van feitelijke aard. Met de wil van de vreemdeling wordt slechts rekening gehouden voorzover deze blijkt uit zijn gedragingen.

Aanwijzingen voor verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland zijn onder meer:

– uitschrijving uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA);

– de afmelding bij de belastingdienst wegens vertrek naar het buitenland;

– mededeling aan de korpschef van vertrek naar het buitenland (zie artikel 4.37, eerste lid, onder d, in samenhang met 4.37, vijfde lid, Vreemdelingenbesluit);

– het nemen van ontslag bij de werkgever of bedrijfsbeëindiging;

– het opzeggen van een bank- of girorekening;

– het laten overmaken van periodieke uitkeringen naar een adres buiten Nederland;

– de afkoop van pensioenrechten;

– de ontruiming van de woning in Nederland en het over de grens brengen van de inboedel; en

– het (onder)verhuren aan derden van de woning in Nederland.

Deze factoren zijn niet limitatief. Ook op andere feitelijke gronden kan worden geconcludeerd dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. Indien daarentegen de vreemdeling de korpschef er tevoren van in kennis heeft gesteld dat hij tijdelijk, maar niet langer dan negen maanden, in het buitenland beoogt te verblijven, dan is dit een aanwijzing dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland wenst te vestigen.

Beleidsregel

Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt in ieder geval aangenomen, indien de vreemdeling:

– bij zijn vertrek uit Nederland gebruik heeft gemaakt van een remigratieregeling, waaronder een regeling op grond van de Remigratiewet;

– meer dan negen achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van de termijn van negen maanden het gevolg is van buiten zijn schuld gelegen omstandigheden; of

– voor het derde achtereenvolgende jaar meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat het centrum van zijn activiteiten niet naar het buitenland is verlegd.

Beleidsregel

Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt niet aangenomen op de enkele grond dat de vreemdeling

– Nederland heeft verlaten voor de vervulling van de militaire dienstplicht en binnen zes maanden na beëindiging van de dienstplicht naar Nederland is teruggekeerd; of

– buiten Nederland is gedetineerd dan wel buiten Nederland gedetineerd is geweest en binnen zes maanden na beëindiging van de detentie naar Nederland is teruggekeerd.

Beleidsregel

De vreemdeling wordt niet geacht zijn hoofdverblijf buiten Nederland te hebben gevestigd:

– indien hij beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid die geheel of gedeeltelijk buiten Nederland plaatsvindt; of

– indien en zo lang hij feitelijk de echtgenoot/partner is van een ambtenaar, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 8, derde of vierde lid, van het reglement van dienst Buitenlandse Zaken die uitgezonden is (geweest) naar een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland.

Verplaatsing hoofdverblijf heeft overigens tot gevolg dat de vreemdeling niet voldoet aan de beperking die verband houdt met het verblijf waarvoor de verblijfsvergunning is gevraagd, zodat de aanvraag met toepassing van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, Vreemdelingenwet kan worden afgewezen.

Beleidsregel

Bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling het hoofdverblijf heeft verplaatst, wordt rekening gehouden met de situatie van vrouwen en hun eventuele kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten. Omdat de omstandigheden van deze vrouwen sterk uiteenlopen, geldt dat als de achtergelaten vrouw zich zonder dralen tot de Nederlandse overheid (gemeente, ambassade, consulaat, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) of Vreemdelingenpolitie) heeft gewend om naar Nederland te kunnen terugkeren, verplaatsing van het hoofdverblijf niet wordt aangenomen. Wat ‘zonder dralen’ is, wordt van geval tot geval bezien; hierbij wordt rekening gehouden met de moeilijkheden die de positie van de achtergelaten vrouw met zich mee heeft gebracht.

Als een beroep wordt gedaan op achterlating, kan van de vreemdelinge worden gevergd om de omstandigheden waar een beroep op wordt gedaan met ter zake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Indien het beroep op achterlating niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf, stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de vreemdelinge in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt hiertoe een termijn van vier weken gegund.

Zie ten aanzien van achtergelaten vrouwen tevens B1/1.2.3 , B1/3.2.4, B2/5.3.3 en B2/13.2.4.

Aangezien het merendeel van de achtergelaten vreemdelingen vrouw is, wordt in de voorgaande passage gerept van achtergelaten vrouwen. Vanzelfsprekend kunnen ook mannen en minderjarigen een beroep doen op de omstandigheid dat zij zijn achtergelaten.

Art. 4.52 Vreemdelingenbesluit:

1. De vreemdeling levert het document, bedoeld in artikel 9 van de Wet, in ieder geval in persoon in bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente van verblijf is gelegen:

a. zodra hij niet meer rechtmatig verblijft, doch uiterlijk op het moment waarop de vertrektermijn, bedoeld in artikel 62 van de Wet, verstrijkt, en

b. vóór zijn vertrek naar het buitenland, indien hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland verplaatst.

2. De persoon die het Nederlanderschap heeft verkregen levert het document, bedoeld in artikel 9 van de Wet, in bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij zijn woon- of verblijfsplaats heeft is gelegen.

Het ingenomen verblijfsdocument wordt door de korpschef voorzien van een begeleidend schrijven, waarin de reden van inname alsmede ten minste het adres van de vreemdeling in het buitenland staan vermeld, gezonden naar het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te Zwolle. Het Bureau Documenten stelt vervolgens het juiste kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op de hoogte van het innemen van het verblijfsdocument. Dit in verband met de verblijfsrechtelijke status van de vreemdeling.

In de situatie waarin de vreemdeling zich in persoon meldt bij de burgemeester van de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft met de mededeling dat hij zijn hoofdverblijf naar buiten Nederland wenst te verplaatsen, attendeert de burgemeester de vreemdeling erop dat het verblijfsdocument bij de korpschef moet worden ingeleverd. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verkregen. Indien de vreemdeling daarentegen schriftelijk melding maakt van het voornemen van de verplaatsing van zijn hoofdverblijf naar het buitenland, zendt de burgemeester dit bericht door aan de korpschef.

C

Paragraaf B1/3.2.4 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.2.4 Hoofdverblijf

Ingevolge artikel 21, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet, van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e dan wel l, Vreemdelingenwet, worden afgewezen indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. De hieronder gegeven regels zijn van overeenkomstige toepassing op de intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet.

Beleidsregel

Bij vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt de aanvraag afgewezen en een verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken.

Hoofdverblijf en verplaatsing van hoofdverblijf zijn feitelijke begrippen. Beoordeling van de vraag of er sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf, vindt plaats aan de hand van factoren van feitelijke aard, waarbij met de wil van de vreemdeling slechts rekening wordt gehouden, voorzover deze blijkt uit zijn gedragingen. Zie B1/2.2.8.

Beleidsregel

Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt in ieder geval aangenomen, indien de vreemdeling:

a. bij zijn vertrek uit Nederland gebruik heeft gemaakt van een remigratieregeling, waaronder een regeling op grond van de Remigratiewet;

b. meer dan negen achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van de termijn van negen maanden het gevolg is van buiten zijn schuld gelegen omstandigheden; of

c. voor het derde achtereenvolgende jaar meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat het centrum van zijn activiteiten niet naar het buitenland is verlegd.

Beleidsregel

Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt niet aangenomen op de enkele grond dat de vreemdeling:

a. Nederland heeft verlaten voor de vervulling van de militaire dienstplicht en binnen zes maanden na beëindiging van de dienstplicht naar Nederland is teruggekeerd; of

b. buiten Nederland is gedetineerd en binnen zes maanden na beëindiging van de detentie naar Nederland is teruggekeerd.

Daarnaast geldt als beleidsregel dat een vreemdeling niet geacht wordt zijn hoofdverblijf buiten Nederland te hebben gevestigd:

a. indien hij beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid die geheel of gedeeltelijk buiten Nederland plaatsvindt; of

b. indien en zo lang hij feitelijk de echtgenoot/partner is van een ambtenaar, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 8, derde of vierde lid, van het reglement van dienst Buitenlandse Zaken die uitgezonden is (geweest) naar een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland.

Beleidsregel

Bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling het hoofdverblijf heeft verplaatst, wordt rekening gehouden met de situatie van vrouwen en hun eventuele kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten. Omdat de omstandigheden van deze vrouwen sterk uiteenlopen, geldt dat als de achtergelaten vrouw zich zonder dralen tot de Nederlandse overheid (gemeente, ambassade, consulaat, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) of Vreemdelingenpolitie) heeft gewend om naar Nederland te kunnen terugkeren, verplaatsing van het hoofdverblijf niet wordt aangenomen. Wat ‘zonder dralen’ is, wordt van geval tot geval bezien; hierbij wordt rekening gehouden met de moeilijkheden die de positie van achtergelaten vrouw met zich mee heeft gebracht.

Als een beroep wordt gedaan op achterlating, kan van de vreemdelinge worden gevergd om de omstandigheden waar een beroep op wordt gedaan met ter zake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Indien het beroep op achterlating niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf, stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de vreemdelinge in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt hiertoe een termijn van vier weken gegund.

Zie ten aanzien van achtergelaten vrouwen tevens B1/1.2.3 , B1/2.2.8, B2/5.3.3 en B2/13.2.4.

Aangezien het merendeel van de achtergelaten vreemdelingen vrouw is, wordt in de voorgaande passage gerept van achtergelaten vrouwen. Vanzelfsprekend kunnen ook mannen en minderjarigen een beroep doen op de omstandigheid dat zij zijn achtergelaten.

Beleidsregel

De aanvraag wordt niet afgewezen wegens verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland, indien de aanvraag is ingediend door de in artikel 3.92 Vreemdelingenbesluit bedoelde vreemdeling die in aanmerking komt voor verblijf op grond van de daar geregelde terugkeeropties.

Art. 3.92 Vreemdelingenbesluit:

1. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, kan worden verleend aan de meerderjarige vreemdeling die:

a. tussen het vierde en het negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, en wiens aanvraag is ontvangen voor het drieëntwintigste levensjaar, of

b. voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, en voor wie Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is.

2.

De verblijfsvergunning kan eveneens worden verleend aan de vreemdeling die in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet, en die direct voorafgaande aan de remigratie:

a. als Nederlander in Nederland verbleef;

b. rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder b of d, van de Wet in Nederland had, of

c. gedurende vijf jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e dan wel l, van de Wet in Nederland had.

3. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van artikel 21, eerste lid, onder a, c of f, van de Wet.

Art. 4.52 Vreemdelingenbesluit:

1.

De vreemdeling levert het document, bedoeld in artikel 9 van de Wet, in ieder geval in persoon in bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente van verblijf is gelegen:

a. zodra hij niet meer rechtmatig verblijft, doch uiterlijk op het moment waarop de vertrektermijn, bedoeld in artikel 62 van de Wet, verstrijkt, en

b. vóór zijn vertrek naar het buitenland, indien hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland verplaatst.

2. De persoon die het Nederlanderschap heeft verkregen levert het document, bedoeld in artikel 9 van de Wet, in bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij zijn woon- of verblijfplaats heeft is gelegen.

De korpschef zendt het verblijfsdocument voorzien van een begeleidend schrijven, waarin de reden van inname alsmede ten minste het adres van de vreemdeling in het buitenland staan vermeld, naar het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te Zwolle. Het Bureau Documenten stelt vervolgens het juiste kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op de hoogte van het innemen van het verblijfsdocument. Dit in verband met de verblijfsrechtelijke status van de vreemdeling.

In de situatie waarin de vreemdeling zich in persoon meldt bij de burgemeester van de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft met de mededeling dat hij zijn hoofdverblijf naar buiten Nederland wenst te verplaatsen, attendeert de burgemeester de vreemdeling erop dat het verblijfsdocument bij de korpschef moet worden ingeleverd. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verkregen. Indien de vreemdeling daarentegen schriftelijk melding maakt van het voornemen tot het verplaatsen van zijn hoofdverblijf naar het buitenland, zendt de burgemeester dit bericht door aan de korpschef.

D

Paragraaf B2/2.11 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.11 Middelen

In geval van gezinsvorming wordt de verblijfsvergunning ingevolge artikel 3.22, tweede lid, Vreemdelingenbesluit verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan 120 procent van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, en artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.

Beleidsregel

In geval van gezinsvorming wordt de verblijfsvergunning niet verleend indien de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan 120 procent van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, en artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.

Bij toepassing van het vorenstaande wordt het netto-inkomen vergeleken met 120% van het referentie netto minimumloon, inclusief vakantiebijslag, en dat correspondeert met 120% van het netto normbedrag voor gehuwden, bedoeld in artikel 21 van de Wet werk en bijstand, eveneens inclusief vakantiebijslag.

In geval van gezinshereniging wordt de verblijfsvergunning ingevolge artikel 3.22, eerste lid, Vreemdelingenbesluit verleend indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan de norm ingevolge de Wet werk en bijstand voor gehuwden.

Beleidsregel

Voor zover in geval van gezinsvorming is komen vast te staan dat de hoofdpersoon eerder als hoofdpersoon heeft opgetreden in een procedure voor gezinshereniging of -vorming met een vreemdeling, waarbij de hoofdpersoon deze laatste vreemdelinge tegen haar wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst heeft achtergelaten, geldt het volgende.

In afwijking van B1/2.2.3.1 heeft in dat geval de alimentatie die moet worden betaald aan de ex-echtgenote of de voormalige geregistreerd partner wel invloed op de hoogte van de middelen van bestaan in de zin van de Vreemdelingenwet. Het betreft hier zowel de alimentatie voor de huwelijks- of geregistreerde partner, als de alimentatie voor de kinderen.

De alimentatie die de hoofdpersoon betaalt wordt in mindering gebracht op diens inkomsten.

Of sprake is van achterlating door de hoofdpersoon en of door de hoofdpersoon alimentatie wordt betaald, wordt slechts onderzocht indien daarvoor in het vreemdelingendossier concrete aanwijzingen zijn. In voorkomende gevallen kan worden gevraagd om overlegging van het echtscheidingsconvenant, de echtscheidingsbeschikking of de uitspraak waarbij de alimentatie is opgelegd, of de overeenkomst van ontbinding van het geregistreerde partnerschap waarbij de alimentatie overeen is gekomen. Worden deze niet overgelegd, dan is niet aangetoond dat wordt voldaan aan het middelenvereiste en wordt de aanvraag afgewezen.

Aangezien in de het merendeel van de achtergelaten vreemdelingen vrouw is, wordt in de voorgaande passage gerept van vreemdelinges. Vanzelfsprekend geldt vorenstaande regel ook voor vrouwen die mannen hebben achtergelaten.

Mede gelet op artikel 3.103 Vreemdelingenbesluit 2000 is deze beleidsregel uitsluitend van toepassing op aanvragen ingediend na 1 juli 2005.

Beleidsregel

In geval van gezinshereniging wordt de verblijfsvergunning niet verleend indien de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan de norm ingevolge de Wet werk en bijstand voor gehuwden.

Beleidsregel

In afwijking van de voorgaande alinea’s wordt de aanvraag niet afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan, indien de hoofdpersoon:

a. 65 jaar of ouder is,

b. naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is, of

c. blijvend niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen.

Het onder a en b vermelde is gebaseerd op artikel 3.22, derde lid, Vreemdelingenbesluit.

Het onder c vermelde is een beleidsregel die is gebaseerd op artikel 3.13, tweede lid, Vreemdelingenbesluit.

Ad b. Blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid wordt aangetoond aan de hand van een beschikking van de uitvoeringsinstantie die de arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt.

Indien de hoofdpersoon een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) ontvangt, wordt blijvendheid aangenomen, indien:

– uit de toekenningsbeschikking van de uitkerende instantie ingevolge de WAO, WAZ of WAJONG blijkt, dat de hoofdpersoon volledig arbeidsongeschikt is; en

– uit de meest recente uitkeringsspecificatie (die van minimaal één jaar na datum toekenningsbeschikking is) volgt dat de hoofdpersoon nog steeds voor 80–100% arbeidsongeschikt is, omdat de uitkering minimaal op gelijke hoogte is gebleven.

Indien de hoofdpersoon geen uitkering krachtens de WAO, WAZ of WAJONG ontvangt, wordt de blijvendheid van de arbeidsongeschiktheid aangenomen indien:

– sprake is van ten minste twee jaar volledige arbeidsongeschiktheid;

– (gedeeltelijk) herstel voor ten minste nog een jaar redelijkerwijs is uitgesloten; en

– niet reeds op voorhand, gelet op de reden(en) van de arbeidsongeschiktheid, geheel of gedeeltelijk herstel na dit jaar is te verwachten.

De vreemdeling legt zelf een verklaring over van de GG&GD dan wel een bedrijfsarts of verzekeringsarts waaruit het vorenstaande blijkt. De bedrijfsarts of verzekeringsarts dient met een aantekening over het betreffende specialisme te staan ingeschreven in het BIG-register. Informatie hieromtrent kan telefonisch worden verkregen (0900-8998225) of via het internet (www.bigregister.nl).

Ad c. Op grond van artikel 9, eerste lid, Wet werk en bijstand, hebben personen die aanspraak maken op een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (kort gezegd) de verplichting naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, alsook de verplichting gebruik te maken van door het college van Burgemeester en wethouders aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen worden tezamen de plicht tot arbeidsinschakeling genoemd.

Alleen in die gevallen waarin de hoofdpersoon een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand geniet en het voor de hoofdpersoon blijvend onmogelijk is om aan de verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen, wordt ontheffing van het middelenvereiste verleend.

Artikel 9, tweede lid, Wet werk en bijstand geeft het college van Burgemeester en wethouders de bevoegdheid om in individuele gevallen tijdelijk te ontheffen van de plicht tot arbeidsinschakeling. Van een bevoegdheid om een burger blijvend vrij te stellen van deze verplichting, is geen sprake. Derhalve wordt de vraag of het voor een hoofdpersoon blijvend onmogelijk is om aan de verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen, beoordeeld aan de hand van ervaringen in het verleden.

Dat het blijvend onmogelijk is om aan deze verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen wordt – behoudens bijzondere omstandigheden – slechts aangenomen als (op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven) de hoofdpersoon:

– reeds vijf jaar door het college van Burgemeester en wethouders op grond van artikel 9, tweede lid, Wet werk en bijstand volledig is ontheven van al de verplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste lid, Wet werk en bijstand (plicht tot arbeidsinschakeling); en

– (gedeeltelijke of volledige) arbeidsinschakeling niet binnen een redelijke termijn te voorzien is.

Met het oog op de invoering van de Wet werk en bijstand wordt bij de berekening van de termijn van vijf jaar tevens meegeteld de periode waarin de hoofdpersoon op grond van artikel 107 van de Algemene bijstandswet volledig was vrijgesteld van de verplichting naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen (de zogenaamde ‘sollicitatieplicht’).

Gedeeltelijke of volledige arbeidsinschakeling is (behoudens bijzondere omstandigheden) in elk geval binnen een redelijke termijn te voorzien indien de hoofdpersoon is vrijgesteld van de plicht tot arbeidsinschakeling met het oog op de zorg voor een kind (al dan niet jonger dan vijf jaar).

Als redelijke termijn, waarbinnen arbeidsmarktinschakeling niet te voorzien moet zijn, wordt aangemerkt een termijn van drie jaar.

Als een beroep wordt gedaan op deze vrijstellingsgrond, worden alle toekenningsbesluiten ingevolge de Wet werk en bijstand, dan wel de Algemene bijstandswet overgelegd, die betrekking hebben op de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, alsook eventuele correspondentie met het college van Burgemeester en wethouders omtrent ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling, die betrekking heeft op de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag.

Gezinslid van houder verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd

In geval van gezinshereniging wordt de aanvraag ingevolge artikel 3.22, vierde lid, Vreemdelingenbesluit niet afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan, indien:

a. deze aanvraag is ingediend binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, en

b. gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft.

Dit vormt een aanvulling op de regeling van artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vreemdelingenwet. Ingevolge die regeling kunnen gezinsleden onder omstandigheden, met voorbijgaan aan het middelenvereiste, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die binnen drie maanden vragen om gezinshereniging maar niet in aanmerking komen voor een «afgeleide» verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29,eerste lid, onder e en f, Vreemdelingenwet, omdat zij een andere nationaliteit bezitten dan de hoofdpersoon, kunnen op grond van deze aanvulling met voorbijgaan aan het middelenvereiste in aanmerking komen voor een reguliere verblijfsvergunning, indien gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft.

Bijzondere banden zijn in ieder geval aanwezig, indien het gezinslid de nationaliteit van een dergelijk ander land bezit. Indien de hoofdpersoon echter niet wordt toegelaten tot dat land, is gezinshereniging daar niet mogelijk en wordt het middelenvereiste niet tegengeworpen bij de beoordeling van een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging.

Bij de toepassing van het onder 1 gestelde wordt bij de bepaling van het begin van de termijn van drie maanden uitgegaan van de datum van bekendmaking van de beschikking, waarbij aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend.

E

Paragraaf B2/5.3.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

5.3.3 Klemmende redenen van humanitaire aard

Indien de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van B2/5.3.1 of B2/5.3.2 kan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard voortgezet verblijf worden toegestaan (artikel 3.52 Vreemdelingenbesluit). In individuele gevallen, waarin niet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf wordt voldaan, wordt altijd bezien of het voortgezet verblijf moet worden aanvaard op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

Indien de (huwelijks)relatie op grond waarvan het verblijf was toegestaan binnen drie jaar na verblijfsaanvaarding en anders dan door overlijden, is verbroken, wordt voortgezet verblijf toegestaan, indien er sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die daartoe aanleiding geven. De beoordeling of in het concrete geval op grond van een dergelijke combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard in het voortgezet verblijf van de vreemdeling behoort te worden berust, is aan de Minister.

Klemmende redenen van humanitaire aard kunnen zijn gelegen in:

1. de situatie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst;

2. de maatschappelijke positie van vrouwen in het land van herkomst;

3. de vraag of in het land van herkomst een naar maatstaven van dat land aanvaardbaar te achten opvang aanwezig is;

4. de zorg die de vrouw/ouder heeft voor kinderen die in Nederland zijn geboren of een opleiding volgen; en

5. aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie.

De vreemdeling die zich hierop beroept, geeft aan welke klemmende redenen van humanitaire aard naar zijn mening tot aanvaarding van zijn voortgezet verblijf dienen te leiden en onderbouwt zijn beroep met ter zake relevante gegevens en bescheiden. Het is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf aan te geven dat er sprake is van een dergelijke combinatie van factoren, en die met ter zake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Hij is daartoe de meest gerede partij. Indien het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf, stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de vreemdeling in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt de vreemdeling hiertoe een termijn van twee weken gegund. Bij de beoordeling van het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard, wordt altijd een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de vreemdeling worden afgewogen tegen die van de staat.

ad 1, 2 en 3.

Bij de beoordeling wordt in voorkomende gevallen rekening gehouden met de situatie van vreemdelingen en hun eventuele kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten. Zie ten aanzien hiervan tevens B1/1.2.3, B1/2.2.8, B1/3.2.4 en B2/13.2.4.

Aan de hand van de door de vreemdeling overgelegde informatie omtrent factoren 1, 2 en 3 kan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zonodig een individueel ambtsbericht opvragen bij de Minister van Buitenlandse zaken.

ad 4.

Van belang is de mate van worteling in de Nederlandse samenleving en de mogelijkheid om het familie- en gezinsleven elders voort te zetten.

ad 5.

Aan deze laatste factor wordt in de belangenafweging een zwaar gewicht toegekend. Dit betekent dat naast deze factor niet aan één van de andere factoren (nummers 1-4) dient te worden getoetst. Geweld, waaronder seksueel geweld dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie, wordt aangetoond aan de hand van een proces-verbaal van de aangifte en een verklaring van een (vertrouwens)arts.

In gevallen waarin het Openbaar Ministerie ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld, dus zonder dat betrokkene aangifte van (seksueel) geweld heeft gedaan, kan geweld worden aangetoond door middel van een verklaring van het Openbaar Ministerie dan wel van de korpschef. Tevens is een verklaring van een (vertrouwens)arts vereist.

Overgangsregeling

Deze regeling treedt met terugwerkende kracht in werking op 17 oktober 2003. Dit is de datum waarop de brief van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, waarin deze regeling wordt aangekondigd, aan de Tweede Kamer is aangeboden.

De regeling is van toepassing op reeds ingediende verlengingsaanvragen en de aanvragen om wijziging van een verblijfsvergunning regulier in eerste aanleg of bezwaar (zie artikel 3.103 Vreemdelingenbesluit). Benadrukt moet worden dat, blijkens de brief van 17 oktober 2003, de aangescherpte bewijslast een voorwaarde is voor de toepassing van de versoepelde toelatingsvoorwaarden. Met een beroep op artikel 3.103 Vreemdelingenbesluit kan derhalve niet worden bewerkstelligd dat, als niet wordt voldaan aan de bewijslast, toch wordt getoetst aan de versoepelde toelatingsvoorwaarden.

Deze regeling is niet van toepassing indien de beschikking op het bezwaarschrift, gericht tegen de afwijzing van aanvragen tot het verlengen van de geldigheidsduur dan wel wijziging van een verblijfsvergunning regulier, reeds vóór 17 oktober 2003 is genomen. In dergelijke gevallen kan de vreemdeling een nieuwe aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur onder gelijktijdige wijziging van de verblijfsvergunning regulier indienen. Hiervoor zijn legeskosten verschuldigd.

De nieuwe aanvraag wordt uitsluitend getoetst aan deze regeling indien de aanvraag tijdig is ingediend in de zin van artikel 3.80, eerste lid, Vreemdelingenbesluit, of als de aanvraag binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 3.82, eerste lid, Vreemdelingenbesluit is ontvangen. Immers, als de aanvraag niet tijdig is ingediend en ook niet binnen de redelijke termijn is ontvangen, is geen sprake van voortgezet verblijf. Dit betekent dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen, dan wel voor het wijzigen van de oorspronkelijke verblijfsvergunning. De nieuwe aanvraag dient dan te worden getoetst aan de voorwaarden voor eerste verblijfsaanvaarding.

Indien de beschikking op bezwaar op of na 17 oktober 2003 is genomen, dient de beschikking op bezwaar te worden ingetrokken, indien (seksueel) geweld is aangetoond door middel van:

– een aangifte en een verklaring van een (vertrouwens)arts; of

– een verklaring van het Openbaar Ministerie dan wel de korpschef en een verklaring van een (vertrouwens)arts.

F

Paragraaf B2/13.2.4 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

13.2.4 Negatieve verplichting

Indien er sprake is van inmenging, wordt beoordeeld of die inmenging gerechtvaardigd is op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM. Die beoordeling bestaat uit drie stappen.

a. Is de inmenging in de regelgeving voorzien ( provided by law)? Onder regelgeving wordt in dit verband in ieder geval verstaan de Vreemdelingenwet, het Vreemdelingenbesluit, het Voorschrift Vreemdelingen en de Vreemdelingencirculaire;

b. Vervolgens wordt beoordeeld of de inmenging (de verblijfsbeëindiging) plaatsvindt in het belang van een of meer van de gronden genoemd in het tweede lid van artikel 8 EVRM:

– de openbare orde en nationale veiligheid;

– het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten;

– de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden;

– de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen; en

– het economisch welzijn van het land.

c. Ten slotte wordt beoordeeld of de inmenging noodzakelijk is in een democratische samenleving. Het feit dat de afwijzende beslissing (a) is gebaseerd op de regelgeving en (b) in het belang is van een of meer van de gronden genoemd in het tweede lid van artikel 8 EVRM, vormt op zichzelf niet zonder meer voldoende rechtvaardiging. De inmenging moet ook noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. De beoordeling vergt een belangenafweging en komt neer op een evenredigheidstoetsing. Daarbij is de betreffende (afwijzings)grond slechts een van de meerdere wegingsfactoren. Het enkele beroep op de algemene middelen of de enkele inbreuk op de openbare orde hoeft op zichzelf dus niet doorslaggevend te zijn om de inmenging (met een beroep op het economisch welzijn van Nederland, respectievelijk het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten) te rechtvaardigen. Er zal telkenmale een op de concrete zaak toegespitste afweging dienen plaats te vinden van de algemene belangen van de samenleving enerzijds en de individuele belangen van de vreemdeling en zijn gezinsleden anderzijds.

In de beschikking wordt bij die belangenafweging allereerst verwezen naar de voorafgaande belangenafweging (die eerder bij de toetsing aan het nationale beleid en de nationale regelgeving heeft plaatsgevonden). De toetsing aan artikel 8 EVRM is een eindtoets, die volgt op een eerdere beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor (voortgezet) verblijf op grond van de regelgeving. Bij de totstandkoming van de regelgeving zelf zijn (in abstracto) de algemene belangen die zijn gediend met het voeren van een restrictief vreemdelingenbeleid, reeds afgewogen tegen de persoonlijke belangen van de vreemdeling en zijn gezinsleden die zijn gediend met het uitoefenen van gezinsleven (in Nederland). Zo is, indien bijvoorbeeld verblijf wordt beëindigd wegens inbreuk op de openbare orde, reeds getoetst aan de glijdende schaal, waarin de duur van het verblijf van de vreemdeling (en daarmee in abstracto diens banden met Nederland) zijn gerelateerd aan de ernst van de inbreuk (en daarmee het algemene belang). Ook in dat geval kan er echter sprake zijn van andere zwaarwegende factoren op grond waarvan toch in het voortgezet verblijf behoort te worden berust, of op grond waarvan moet worden afgezien van ongewenstverklaring. Er kan echter evenzeer sprake zijn van (aanvullende) feiten en omstandigheden die in de belangenafweging bijdragen tot de rechtvaardiging van de inbreuk, ook indien die bij de toetsing aan het nationale recht niet direct hebben bijgedragen tot de afwijzende beslissing. Daarbij valt onder meer te denken aan eerdere (geringe) strafbare feiten, een beroep op de algemene middelen, een geringe mate van inburgering of weinig concrete invulling aan het gezinsleven.

Voorts is van belang dat het economisch welzijn meer omvat dan slechts de bescherming van de algemene middelen. Ook indien de vreemdeling die niet (meer) voldoet aan de beperking waaronder hem verblijf in Nederland was toegestaan en die ook niet voldoet aan de voorwaarden voor voorgezet verblijf, op enig moment wel beschikt over een arbeidsplaats, is het economisch welzijn van Nederland in geding. Het economisch welzijn strekt zich ook uit tot, bijvoorbeeld, de bescherming van de arbeidsmarkt (de vreemdeling werkt weliswaar, maar er is prioriteitgenietend aanbod) en de uit de algemene middelen gefinancierde faciliteiten (onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur en dergelijke).

Welke belangen?

Welke belangen bij de belangenafweging moeten worden betrokken, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus zal verschillen. De wegingsfactoren kunnen dan ook niet limitatief worden opgesomd. Van belang zijn in ieder geval de intensiteit van het gezinsleven, het gewicht dat aan de feitelijke weigeringsgrond in de individuele zaak kan worden toegekend, en de banden die de vreemdeling met Nederland en met het land van herkomst heeft. Indien er sprake is van gezinsleven met (jonge) kinderen die in Nederland zullen achterblijven, moeten ook de belangen van die kinderen worden bezien.

Afhankelijk van het geval kunnen spelen:

– (ingeval van gezinsleven met in Nederland gevestigde kinderen) de leeftijd van het kind, de aanwezigheid van een gezagsverhouding, de bijdrage die de vreemdeling levert tot de kosten van de in Nederland verblijvende kinderen, de frequentie en regelmaat waarmee contact met die kinderen wordt onderhouden, de betrokkenheid bij hun opvoeding en verzorging, en het belang van die kinderen bij de aanwezigheid van de vreemdeling. Inmenging is eerder te rechtvaardigen naarmate de intensiteit van het gezinsleven en het belang van de kinderen bij de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland minder is.

– de intensiteit van het gezinsleven met de overige in Nederland achterblijvende gezinsleden, de mate waarin van die gezinsleden kan worden gevergd dat zij zich met de vreemdeling in diens herkomstland vestigen, en de vraag of het gezinsleven is aangegaan tijdens verblijf op grond van een geldige verblijfsvergunning of tijdens illegaal verblijf in Nederland.

– de duur van het (rechtmatige) verblijf van de vreemdeling in Nederland en de duur van het verblijf in het land van herkomst, de frequentie, duur en aard van verblijf in het land van herkomst na de inreis in Nederland, het hebben gevolgd van onderwijs in Nederland en in het land van herkomst, het arbeidsverleden in Nederland en in het land van herkomst, de beheersing van de Nederlandse taal en de taal van het land van herkomst, eventuele verzoeken tot naturalisatie tot Nederlander, de eventuele vervulling van de militaire dienstplicht in het land van herkomst, een eventuele (huwelijks)relatie met een in Nederland geboren en getogen Nederlander, de aanwezigheid van andere familieleden in Nederland en in het land van herkomst, de mate waarin de vreemdeling in Nederland en in het land van herkomst een sociaal leven heeft opgebouwd, en de mogelijkheden om het sociale leven in het herkomstland weer op te pakken. Inmenging is eerder te rechtvaardigen naarmate de banden met het land van herkomst sterker zijn. Indien die banden slechts louter juridisch zijn (door het enkele bezit van de nationaliteit van het herkomstland) zal inmenging aanzienlijk minder snel zijn te rechtvaardigen.

– persoonlijke omstandigheden, zoals een ernstige handicap en hulpbehoevendheid, en de positie waarin de vreemdeling, gelet op die omstandigheden, bij terugkeer zal komen te verkeren.

– de aard en duur van het verblijfsrecht in Nederland. Inmenging is eerder te rechtvaardigen naarmate de vreemdeling korter in Nederland heeft verbleven, indien het verblijfsrecht tijdelijk van aard was en de vreemdeling daarmee het risico heeft genomen dat het gezinsleven niet blijvend in Nederland kan worden uitgeoefend;

– de pogingen van de vreemdeling om aan het gezinsleven met zijn kind invulling te gaan geven. Is op objectieve wijze (bijvoorbeeld door overlegging van daarop betrekking hebbende documenten) aangetoond dat er sprake is van een (proef)omgangsregeling waaraan voldoende feitelijke invulling wordt gegeven dan wel er pogingen in het werk zijn gesteld om een (proef)omgangsregeling vast te stellen. Er is sprake van een gerechtvaardigde inmenging indien is gebleken dat de procedure inzake de (proef)omgangsregeling enkel tot doel heeft het verblijf in Nederland voort te zetten. Indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid zal aan de hand van een op de concrete zaak toegespitste belangenafweging beoordeeld moeten worden of de inmenging gerechtvaardigd is, waarbij de (proef)omgangsregeling een van de diverse wegingsfactoren is.

Artikel 3 van het Vierde Protocol bij het EVRM

In veel zaken waarin sprake is van een Nederlands kind, wordt een beroep gedaan op artikel 3 van het Vierde Protocol bij het EVRM. Dat artikel ziet niet op de verlening van een verblijfstitel aan de niet-Nederlandse ouder van een Nederlands kind, doch op de aanspraken die een Nederlander op verlening van een verblijfsvergunning en bestendig verblijf in Nederland kan doen gelden jegens de Nederlandse overheid. Omdat uitzetting van het Nederlandse kind niet aan de orde is, komt daarbij geen beslissende betekenis toe aan het (op artikel 3 van het Vierde Protocol gebaseerde) recht van het Nederlandse kind om niet te worden uitgezet. Toch moet in de belangenafweging (naast de andere aan de orde zijnde belangen) worden betrokken het feit dat het kind de Nederlandse nationaliteit bezit en als zodanig aanspraak heeft op verblijf, opvoeding en verzorging in Nederland. Dat feit (en de overige belangen) moeten worden afgewogen tegen de algemene belangen die zijn gediend met het voeren van een restrictief vreemdelingenbeleid. Die zullen meestal zijn gelegen in het economische welzijn van Nederland, maar soms ook (in combinatie met) de openbare orde en/of een andere grond. De centrale vraag daarbij is of van het kind gevergd kan worden met de vreemdeling in het buitenland te gaan wonen. Dat moet worden beoordeeld aan de hand van leeftijd, worteling en eventuele toelatingsbeletselen in het vreemde land. Bij de beoordeling wordt in voorkomende gevallen rekening gehouden met de situatie van vreemdelingen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten. Zie ten aanzien hiervan tevens B1/1.2.3, B1/2.2.8, B1/3.2.4 en B2/5.3.3.

Meestal zal er ook sprake zijn van gezinsleven tussen de andere ouder en het Nederlandse kind. Indien het hoogstwaarschijnlijk is dat het kind de niet-Nederlandse ouder naar het buitenland zal volgen, is er sprake van inmenging in het recht op gezinsleven tussen het kind en die andere ouder. De vraag of die inmenging op de grond van het economisch welzijn van Nederland gerechtvaardigd is, zal onder meer afhangen van de vraag of de relatie (waaruit het kind is geboren) werd onderhouden in een periode waarin het de vreemdeling was toegestaan bij de (huwelijks)partner in Nederland te verblijven, de intensiteit van het gezinsleven tussen het kind en die andere ouder (de aard en de frequentie van de contacten, de naleving van een omgangsregeling, het leveren van bijdragen en dergelijke). Het gaat daarbij om de feitelijke situatie. Aan het enkele feit dat er geen formele overeenkomst is getroffen (bijvoorbeeld met betrekking tot omgangsrecht of financiële bijdragen) is niet van belang indien er wel feitelijk sprake is van omgang of financiële bijdragen. Anderzijds legt een enkele formele omgangs- of betalingsregeling geen gewicht in de schaal, indien die niet feitelijk wordt nagekomen.

Artikel II

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is geplaatst, behoudens onderdeel D. Dit treedt in werking op 1 juli 2005.

Rijswijk, 3 juni 2005.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
namens deze:
het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, P.W.A. Veld.

TOELICHTING BIJ WIJZIGING 2005/35

Algemeen

Met het oog op verscheidene debatten in de Tweede Kamer der Staten-Generaal en met het oog op een advies van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) over vrouwen die tegen hun wil en zonder hun verblijfs- en identiteitsdocumenten worden achtergelaten in het land van herkomst, wordt de Vreemdelingencirculaire 2000 op onderdelen aangepast.

Artikelsgewijs

A, B, C, E, F

In haar rapport ‘Tegen de wil achtergebleven. Een advies over in herkomstlanden achtergelaten vrouwen en kinderen’ van april 2005 heeft de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) een advies uitgebracht aan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie over de problematiek van vrouwen die zonder verblijfs- en identiteitsdocumenten en tegen hun wil door hun echtgenoot worden achtergelaten in het land van herkomst. In het advies komen verscheidene aspecten van achterlatingproblematiek aan de orde, waaronder vreemdelingenrechtelijke aspecten.

De ACVZ concludeert in haar advies dat de bestaande regels voor voortgezet verblijf, alsmede de uitzonderingsregels, van toepassing zijn bij achterlating. De regelgeving behoeft in principe geen aanpassing, aldus de ACVZ. Wel verdient het naar het oordeel van de ACVZ de voorkeur dat – voor alle helderheid – achterlating in de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt geëxpliciteerd, onder toevoeging dat het huidige beleid in dat geval van toepassing is.

Met de onderhavige wijzigingen van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt invulling gegeven aan deze aanbeveling van de ACVZ.

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt aangevuld op die onderdelen, die betrekking hebben op:

– het beleid ten aanzien van vreemdelingen die niet-tijdig een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van hun verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd indienen;

– het beleid ten aanzien van het begrip ‘verplaatsing van het hoofdverblijf’;

– het beleid ten aanzien van de verlening van een zelfstandige verblijfstitel wegens klemmende redenen van humanitaire aard;

– de zogenaamde ‘negatieve verplichting’ in het kader van artikel 8 EVRM.

Met deze aanpassingen van de Vreemdelingencirculaire 2000 is geen beleidswijziging beoogd. Beoogd wordt degenen die betrokken zijn bij de uitvoering van de vreemdelingenrechtelijke regelgeving meer bewust te maken van de problematiek van achtergelaten vrouwen.

Zoals voor de publicatie van dit wijzigingsbesluit reeds gebeurde, wordt in gevallen waarin sprake is van achterlating een op de bijzonderheden van de individuele zaak toegespitste beoordeling gemaakt. Ten aanzien van deze belangenafweging worden geen algemene regels gegeven, nu de situaties waarin achtergelaten vrouwen verkeren te zeer uiteenlopen om te onder één noemer te brengen.

Bij het beleid ten aanzien van niet-tijdige aanvragen om voortzetting van het verblijf en het beleid ten aanzien van het hoofdverblijf, zijn wel enkele aandachtspunten genoemd.

Ten eerste wordt aangegeven dat de achterlating aangetoond moet worden; aan de enkele stelling dat sprake is van achterlating, wordt geen doorslaggevende betekenis toegekend. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de motie Hirsi Ali c.s. (TK, 2003-2004, 29 742, nr. 5), waarin wordt gerept van vrouwen die aantoonbaar slachtoffer zijn van achterlating. Er worden evenwel geen dwingende bewijsrechtelijke regels getroffen omtrent de wijze waarop de achterlating moet worden aangetoond: gezien de heterogeniteit van de situaties waarin de achtergelaten vrouwen zich bevinden, zou dat niet in de rede liggen. Derhalve geldt hier de vrije bewijsleer.

Ten tweede wordt aangegeven dat ook van de achtergelaten vrouw verwacht kan worden dat zij niet onredelijk lang talmt met het opnemen van contact met de Nederlandse overheid. Immers, als een vrouw weliswaar is achtergelaten maar – terwijl geen sprake was van objectiveerbare belemmeringen of moeilijkheden – zich eerst na langere tijd heeft gewend tot de Nederlandse overheid, zal kunnen worden aangenomen dat haar wil zich niet heeft gericht op een terugkeer naar Nederland. In dat geval is er geen sprake (meer) van dat de betrokken vrouw tegen haar wil is achtergebleven in het herkomstland. Verplaatsing van het hoofdverblijf dan wel het niet-tijdig indienen van een verlengingsaanvraag zullen dan de vreemdelinge toegerekend kunnen worden. Omdat de omstandigheden waarin de vrouwen zich bevinden verre van eenduidig zijn, kan geen concrete tijdsspanne worden genoemd waarbinnen de vreemdelinge zich tot de Nederlandse overheid gewend moet hebben. Ook dit aspect wordt van geval tot geval beoordeeld. Hierbij wordt ter dege rekening gehouden met eventuele moeilijkheden die achtergelaten vrouw hebben belemmerd om zich tot de Nederlandse overheid te wenden.

Ten aanzien van de verlening van een zelfstandige verblijfstitel wegens klemmende redenen van humanitaire aard en ten aanzien van de zogenaamde ‘negatieve verplichting’ in het kader van artikel 8 EVRM wordt ten derde het volgende opgemerkt. De enkele omstandigheid dat een achtergelaten vrouw de moeder is van een Nederlands kind, betekent niet zonder meer dat aan de vreemdelinge een verblijfstitel moet worden verleend. Van geval tot geval wordt een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de vrouw worden afgewogen tegen het algemeen belang. Bij de belangenafweging worden alle relevante factoren betrokken, waaronder de leeftijd van het kind, de mate waarin het kind in Nederland al opvoeding en onderwijs heeft genoten, eventuele banden van het kind met het land van herkomst van de moeder, de vraag of verwacht kan worden dat de vrouw een beroep op de bijstand zal doen, en zo voorts.

Tenslotte wordt nog het volgende opgemerkt. Het enkele feit dat de vreemdeling in het herkomstland een visum voor kort verblijf of een machtiging tot voorlopig verblijf aanvraagt, kan in deze situatie niet zondermeer leiden tot de conclusie dat de vreemdeling het hoofdverblijf heeft verplaatst. Immers, zelfs als een visum voor kort verblijf of machtiging tot voorlopig verblijf niet vereist is, zal het in deze situatie raadzaam zijn deze onverplicht aan te vragen.

D

Bij brief van 22 april 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) verzocht om een aanvullend advies omtrent de situatie van vrouwen die tegen hun wil en zonder identiteits- of verblijfdocumenten zijn achtergelaten in het land van herkomst. In de brief is onder andere de vraag opgeworpen of het mogelijk is, bij een aanvraag voor verblijf met het oog op gezinsvorming met een ‘nieuwe’ echtgenote de aan de man opgelegde alimentatieverplichting voor de vrouw en eventuele kinderen van het inkomen af te trekken zodat het voldoen aan de 120%-norm wordt bemoeilijkt.

De ACVZ heeft hieromtrent bij brief van 4 mei 2005 advies uitgebracht. Kort gezegd luidt het advies op dit punt dat het in mindering brengen van de alimentieverplichting op de bestaansmiddelen in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 juridisch mogelijk is. Om de alimentatie alleen in mindering te brengen op mannen die eerder hun vrouw in het herkomstland hebben achtergelaten acht de ACVZ minder aangewezen, omdat dan sprake is van een punitieve sanctie.

In het algemeen overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 18 mei 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie toegezegd dat bij de beoordeling van de vraag of in het kader van gezinsvorming aan het middelenvereiste wordt voldaan, de alimentatieverplichting die de hoofdpersoon heeft zal worden afgetrokken van diens inkomsten, uitsluitend in die gevallen waarin de hoofdpersoon een ‘nieuwe’ partner of echtgenote naar Nederland wil laten overkomen terwijl een eerder toegelaten partner door de hoofdpersoon tegen haar wil en zonder identiteits- en reispapieren in het herkomstland is achtergelaten.

Met dit WBV wordt uitvoering gegeven aan deze toezegging van de Minister. Anders dan de ACVZ meent, betekent het feit dat de alimentatie alleen in mindering te wordt gebracht bij mannen die eerder hun vrouw tegen haar wil in het herkomstland hebben achtergelaten, niet dat sprake is van een punitieve sanctie. Zoals de ACVZ aangeeft, is het gelet op de bedoelingen van de besluitgever aanvaardbaar dat bij het middelenvereiste rekening wordt gehouden met alimentatieverplichting. Met andere woorden: de Minister is bevoegd met de alimentatieverplichting rekening te houden.

Dat de Minister deze bevoegdheid alleen in specifieke gevallen zal gebruiken, maakt de gebruikmaking van de (op zichzelf gezien niet-bestraffende) bevoegdheid op zichzelf gezien geen punitieve sanctie.

Er is daarenboven sprake van een objectieve rechtvaardiging voor het gegeven dat de bevoegdheid alleen in de hier bedoelde omstandigheid wordt gebruikt. Deze rechtvaardiging is gelegen in het feit dat met deze beleidsregel zeker wordt gesteld dat deze mannelijke hoofdpersonen niet ‘profiteren’ van neveneffecten van het restrictief immigratiebeleid, door een vrouw zonder verblijfs- en identiteitsdocumenten achter te laten in het herkomstland en vervolgens de alimentatieverplichting te ontlopen door mogelijke moeilijkheden die het restrictief vreemdelingenbeleid voor de vrouw bij het effectueren van die verplichting oproept. Deze moeilijkheden doen zich niet dan wel in aanzienlijk mindere mate voor in gevallen waarin de vrouw niet tegen haar wil zonder verblijfs- en identiteitsdocumenten achter is gelaten in het herkomstland. Er wordt derhalve een vreemdelingenrechtelijke maatregel getroffen om mogelijke (onwenselijke) neveneffecten van het vreemdelingenrecht weg te nemen.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

namens deze:

het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst,

P.W.A. Veld

Naar boven