Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Landbouw, Natuur en VoedselkwaliteitStaatscourant 2005, 120 pagina 17Besluiten van algemene strekking

Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s

Regeling van 7 juni 2005, nr. TRCJZ/2005/1411, houdende regels inzake preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s (Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s)

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (titel 4, hoofdstuk 1, paragraaf 1);

Gelet op:

– verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEG L 325);

– verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopatieën (PbEG L 147);

– richtlijn nr. 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van beschikking nr. 90/424/EEG van de Raad van de Europese Unie en intrekking van richtlijn nr. 92/117/EEG van de Raad van de Europese Unie (PbEG L 325);

– richtlijn nr. 2003/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 september 2003 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van mond- en klauwzeer, tot intrekking van richtlijn nr. 85/511/EEG en van de beschikkingen nr. 89/531/EEG en nr. 91/665/EEG, en tot wijziging van richtlijn nr. 92/46/EEG (PbEG L 306);

– richtlijn nr. 2001/89/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2001 betreffende maatregelen van de Gemeenschap ter bestrijding van klassieke varkenspest (PbEG L 316);

– richtlijn nr. 95/70/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 december 1995 tot vaststelling van minimale communautaire maatregelen ter bestrijding van bepaalde ziekten van tweekleppige weekdieren (PbEG L 332);

– richtlijn nr. 93/53/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1993 tot vaststelling van minimale communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde visziekten (PbEG L 175);

– richtlijn nr. 92/35/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 april 1992 tot vaststelling van controlevoorschriften en van maatregelen ter bestrijding van paardepest (PbEG L 157);

– richtlijn nr. 92/40/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 mei 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van aviaire influenza (PbEG L 167);

– richtlijn nr. 92/66/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juli 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van de ziekte van Newcastle (PbEG L 260);

– richtlijn nr. 92/119/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 tot vaststelling van algemene communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde dierziekten en van specifieke maatregelen ten aanzien van vesiculaire varkensziekte (PbEG 1993 L 62);

– richtlijn nr. 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46);

– richtlijn nr. 90/425/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PbEG L 224);

– richtlijn nr. 90/426/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen (PbEG L 224);

– richtlijn nr. 90/539/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (PbEG L 303);

– richtlijn nr. 82/894/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1982 inzake de melding van dierziekten in de Gemeenschap (PbEG L 378);

– richtlijn nr. 78/52/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1977 tot vaststelling van de communautaire criteria voor de nationale programma’s voor de versnelde uitroeiing van brucellose, tuberculose en endemische leukose bij runderen (PbEG 1978 L 15);

– richtlijn nr. 64/432/EEG van inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens, zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 97/12/EG van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 1997 (PbEG L 109);

– beschikking nr. 90/424/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (PbEG L 224);

– beschikking nr. 2003/100/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 februari 2003 tot vaststelling van minimumeisen voor fokprogramma’s ter verkrijging van resistentie tegen overdraagbare spongiforme encefalopathieën bij schapen (PbEG L 041);

Gelet op de artikelen 10, eerste en tweede lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, 15, 17, 18, 23, 25, tweede lid, 26, 30, 31, 77, 81, 94, 100 en 107, 108 en 108a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, artikel 10a van de Veewet, artikel 19 van de Landbouwwet, artikel 7, tweede en derde lid van de wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990, de artikelen 3 en 5 van het Besluit verdachte dieren, de artikelen 3 en 3a van het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en besmettelijke dierziekten, de artikelen 2 en 3 van het Besluit gebruik sera en entstoffen;

Besluit:

Titel 1

Algemeen

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

§ 1

Begripsbepalingen

Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

a. wet: Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

b. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

c. VWA: Voedsel en Waren Autoriteit;

d. evenhoevigen: varkens, runderen, schapen, geiten of herten;

e. houderij van evenhoevigen: locatie, al dan niet behorend bij een landbouwbedrijf, waar vijf of meer evenhoevigen worden gehouden dan wel een locatie die voor het zodanig houden bestemd is, met uitzondering van percelen weiland zonder bebouwing;

f. ingeschaarde schapen: schapen die op een bedrijf uitsluitend ter beweiding voor een beperkte periode aanwezig zijn, niet in contact komen met evenhoevigen op het bedrijf waar ze beweid worden en die zijn afgevoerd van één bedrijf, terwijl de verantwoordelijkheid voor het voeden en verzorgen van deze dieren bij de houder die deze dieren heeft afgevoerd blijft berusten en de betrokken dieren na afloop van deze periode weer afgevoerd worden naar het bedrijf van herkomst;

g. vetweiderijbedrijf: bedrijf waar uitsluitend runderen worden gehouden die zijn bestemd om rechtstreeks te worden afgevoerd naar een slachthuis;

h. weiderunderen: vrouwelijke runderen, ouder dan 12 maanden, die kennelijk zijn bestemd om te worden afgevoerd naar een vetweiderijbedrijf;

i. melkveehouderijbedrijf: bedrijf waar runderen worden gehouden voor de productie van melk;

j. opfokbedrijf: bedrijf waar uitsluitend runderen, jonger dan 26 maanden, worden gehouden die zijn bestemd om te worden afgevoerd naar het melkveehouderijbedrijf van herkomst;

k. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie, niet zijnde Nederland;

l. derde land: land, niet zijnde Nederland en niet zijnde een lidstaat;

m. afleveringsvoorziening: fysiek afgescheiden ruimte waarin varkens binnen een bedrijf verblijven nadat zij zijn geselecteerd ten behoeve van de afvoer naar het slachthuis welke ruimte niet is ondergebracht in een gebouw waarbinnen de overige op het bedrijf aanwezige varkens zich bevinden;

n. vervoermiddel: voertuig, waaronder mede begrepen een combinatie van een voertuig met één of meer door dat voertuig voortbewogen aanhangwagens, opleggers of containers;

o. vervoerseenheid: voertuig dat of aanhangwagen, oplegger of container die deel uitmaakt van een combinatie als bedoeld in onderdeel n;

p. vervoeren van een vervoermiddel: het voortbewegen of doen voortbewegen van een vervoermiddel;

q. varkensverzamelcentrum: plaats in Nederland ten behoeve van de verzameling van varkens;

r. runderverzamelcentrum: plaats in Nederland ten behoeve van de verzameling van runderen;

s. schapenverzamelcentrum: plaats in Nederland ten behoeve van de verzameling van schapen;

t. geitenverzamelcentrum: plaats in Nederland ten behoeve van de verzameling van geiten;

u. epidemiologische bedrijfseenheid: afgescheiden stalruimte op een runderverzamelcentrum ten behoeve van de huisvesting van een beslag dat zodanig is gesitueerd dat geen contact met de overige op het verzamelcentrum aanwezige beslagen mogelijk is. Ingeval meer dan een epidemiologische bedrijfseenheden zijn ondergebracht in een gebouw is de voor elke epidemiologische bedrijfseenheid bestemde ruimte fysiek door middel van geheel gesloten wanden gescheiden van de voor de overige epidemiologische bedrijfseenheden bestemde ruimten;

v. beslag: op een bedrijf als een afzonderlijke epidemiologische eenheid gehouden varkens of groep varkens onderscheidenlijk rund of groep runderen met eenzelfde gezondheidsstatus;

w. eerste verzameling: eerste aanvoer van varkens, runderen, schapen, of geiten op onderscheidenlijk een varkensverzamelcentrum, een runderverzamelcentrum, een schapenverzamelcentrum of een geitenverzamelcentrum, nadat dit is ontvolkt, gereinigd en ontsmet. Ingeval op een runderverzamelcentrum met meer dan een epidemiologische bedrijfseenheden fokrunderen worden aangevoerd: eerste aanvoer van fokrunderen op een epidemiologische bedrijfseenheid nadat deze is ontvolkt, gereinigd en ontsmet;

x. fokrunderen: runderen, ouder dan 2 maanden en jonger dan 50 maanden, die kennelijk zijn bestemd voor de fokkerij in een land, niet zijnde Nederland;

y. blokperiode: tijdseenheid, die begint vanaf het tijdstip van eerste verzameling, van:

1°. ten hoogste 48 uur op een schapenverzamelcentrum;

2°. ten hoogste 144 uur op een runderverzamelcentrum, ingeval de runderen fokrunderen zijn die zijn bestemd voor een lidstaat;

3°. ten hoogste 30 dagen op een runderverzamelcentrum, ingeval de runderen fokrunderen zijn die bestemd zijn voor een derde land, of

4°. ten hoogste 24 uur op een varkensverzamelcentrum, geitenverzamelcentrum, onderscheidenlijk runderverzamelcentrum, ingeval van varkens, geiten, onderscheidenlijk andere runderen dan fokrunderen;

z. aanbieder: exploitant, eigenaar of diens vertegenwoordiger van onderscheidenlijk een varkensverzamelcentrum, een runderverzamelcentrum, een schapenverzamelcentrum, of een geitenverzamelcentrum;

aa. openingstijd: periode van maandag tot en met vrijdag, met uitzondering van algemeen erkende feestdagen, van 07.00 uur tot 18.00 uur;

ab. werkdag: dag, niet zijnde een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag;

ac. algemeen erkende feestdag: de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de vijfde mei;

ad. kwartier: spanne tijd van één vierde deel van een uur, of enkel gedeelte daarvan, die of dat besteed is of zou zijn aan de werkzaamheden, genoemd in het derde lid, met uitzondering van reistijd;

ae. starttarief: toeslag op het tarief voor de werkzaamheden, genoemd in het derde lid, die op één dag, in één aaneengesloten periode, reguliere pauzes daaronder begrepen, voor één aanbieder op één plaats worden verricht;

af. certificaat: schriftelijke verklaring naar aanleiding van de werkzaamheden, genoemd in het derde lid;

ag. aanvoerstal: ruimte waar varkens binnen het varkensverzamelcentrum verblijven na aanvoer op het varkensverzamelcentrum voordat zij worden geselecteerd naar bestemmingsadres;

ah. selectieruimte: ruimte binnen het varkensverzamelcentrum waar varkens worden geselecteerd naar bestemmingsadres;

ai. afvoerstal: ruimte waar varkens binnen het varkensverzamelcentrum verblijven nadat zij ten behoeve van de afvoer zijn geselecteerd naar bestemmingsadres;

aj. slachtrunderen: runderen, die kennelijk zijn bestemd om te worden geslacht;

ak. mesterij: bedrijf of onderdeel van een bedrijf waar runderen, jonger dan 12 maanden, worden gehouden die zijn bestemd om te worden afgevoerd naar een slachthuis;

al. starterbedrijf: bedrijf of onderdeel van een bedrijf waar runderen, jonger dan 16 weken, worden gehouden die zijn bestemd om te worden afgevoerd naar een mesterij;

am. reinigings- en ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen: geheel aan installaties en voorzieningen nodig voor het reinigen en ontsmetten van vervoermiddelen;

an. slachtplaats met geringe capaciteit: slachthuis dat op grond van artikel 10 van het Besluit produktie en handel vers vlees is erkend voor het slachten van vee;

ao. geaccrediteerde keuringsinstantie: keuringsinstantie, ten aanzien waarvan:

1°. door de Nederlandse Raad voor Accreditatie of een gelijkwaardige buitenlandse instantie is verklaard dat de keuringsinstantie voldoet aan de criteria van EN 45004 en ISO 17020 en de relevante criteria van ISO 9001/9002, voorzover deze verklaring betrekking heeft op het bedrijfsrapport, bedoeld in artikel 79, tweede lid, onderdeel m.

2°. door de Nederlandse Raad voor Accreditatie of een gelijkwaardige buitenlandse instantie is verklaard dat de keuringsinstantie voldoet aan de criteria van EN 45004 en ISO 17020 en de relevante criteria van ISO 9001/9002, voorzover deze verklaring betrekking heeft op verrichtingen in de veehouderij, en de keuringsinstantie aan de Nederlandse Raad voor Accreditatie of een gelijkwaardige buitenlandse instantie heeft verzocht te verklaren dat de keuringsinstantie aan genoemde criteria voldoet met betrekking tot het bedrijfsrapport, bedoeld in artikel 79, tweede lid, onderdeel m.

ap. UBN: UBN als bedoeld in de Regeling identificatie en registratie van dieren;

aq. AI-gevoelige dieren: gehouden dieren van een soort behorende tot de orde van de hoenderachtigen (Galliformes), tot de familie van de eenden, ganzen en zwanen (Anatidae), tot de families van de struisvogels (Struthionidae), emoes (Dromaiidae) en nandoes (Rheidae) en voor consumptie gehouden duiven (Columbia livia);

ar. pluimveebedrijf: inrichting die wordt gebruikt voor het anders dan voor recreatieve of educatieve doeleinden fokken, opfokken of houden van fokdieren, vleesdieren of legdieren;

as. koppel: groep dieren met dezelfde gezondheids- en immuniteitsstatus, die in eenzelfde lokaal of een zelfde uitloopruimte wordt opgefokt en die een epizoötiologische eenheid vormen;

at. eendagskuikens: dieren die nog geen 72 uur oud zijn en die nog niet zijn gevoerd;

au. vleeskuikens: kippen van 72 uur en ouder die worden opgefokt voor de productie van vlees;

av. vleeskalkoenen: kalkoenen van 72 uur en ouder die worden opgefokt voor de productie van vlees;

aw. leghennen: dieren bestemd voor productie van consumptie-eieren;

ax. reproductiedieren: dieren bestemd voor productie van broedeieren;

ay. keuringsdierenarts: bevoegde, door de VWA met werkzaamheden belaste dierenarts;

az. assistent: door de VWA met werkzaamheden belaste persoon, niet zijnde een dierenarts;

ba. verordening (EG) nr. 2160/2003: verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEG L 325);

bb. verordening (EG) nr. 1774/2002: verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PbEG L 273);

bc. verordening nr. (EG) 1760/2000: verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad van de Europese Unie (PbEG L 204);

bd. richtlijn nr. 2003/99/EG: richtlijn nr. 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad van de Europese Unie en intrekking van richtlijn nr. 92/117/EEG van de Raad van de Europese Unie (PbEG L 325);

be. richtlijn nr. 92/65/EEG: richtlijn nr. 92/65/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo’s waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van richtlijn nr. 90/425/EEG geldt (PbEG L 268);

bf. richtlijn nr. 92/66/EEG: richtlijn nr. 92/66/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juli 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van de ziekte van Newcastle (PbEG L 260);

bg. richtlijn nr. 92/102/EEG: richtlijn nr. 92/102/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1992 met betrekking tot de identificatie en de registratie van dieren (PbEG L 335);

bh. richtlijn nr. 92/117/EEG: richtlijn nr. 92/117/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 inzake maatregelen voor de bescherming tegen bepaalde zoönoses en bepaalde zoönoseverwekkers bij dieren en in producten van dierlijke oorsprong teneinde door voedsel overgedragen infecties en vergiftigingen te voorkomen (PbEG 1993 L 62);

bi. richtlijn nr. 91/68/EEG: richtlijn nr. 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 64);

bj. richtlijn nr. 91/86/EEG: richtlijn nr. 91/86/EEG van de Raad van de Europese Unie van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46);

bk. richtlijn nr. 72/462/EEG: richtlijn nr. 72/462/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1972 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen en varkens en van vers vlees uit derde landen (PbEG L 302;

bl. richtlijn nr. 64/432/EEG: richtlijn nr. 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121);

bm. beschikking nr. 2003/100/EG: beschikking nr. 2003/100/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 februari 2003 tot vaststelling van minimumeisen voor fokprogramma’s ter verkrijging van resistentie tegen overdraagbare spongiforme encefalopathieën bij schapen (Pb L 041).

2. Voor de toepassing van artikel 13 wordt onder abortus verstaan: het spontaan meer dan 21 dagen eerder dan de gemiddelde draagtijd van het desbetreffende runderras ter wereld brengen van een vrucht of vruchten door een rund, ingeval de dracht meer dan 100 dagen heeft geduurd.

3. Voor de toepassing van titel 2, hoofdstuk 1, paragraaf 7, wordt verstaan onder werkzaamheden: controle als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet.

Hoofdstuk 2

Besmettelijke dierziekten

§ 1

Aanwijzing besmettelijke dierziekten

Artikel 2

Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet bij vee worden aangewezen:

a. runderpest;

b. mond- en klauwzeer;

c. klassieke varkenspest;

d. Afrikaanse varkenspest;

e. rabies;

f. dourine;

g. kwade droes;

h. virale paardenencefalomyelitiden;

i. infectieuze anemie;

j. miltvuur;

k. Afrikaanse paardepest;

l. vesiculaire stomatitis;

m. trichinellose;

n. brucellose;

o. endemische leukose bij runderen;

p. tuberculose ten gevolge van M. bovis;

q. tuberculose ten gevolge van M. tuberculosis;

r. bovine spongiforme encefalopathie, scrapie en andere overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE’s);

s. besmettelijke bovine pleuropneumonie;

t. Teschener-ziekte (besmettelijke varkensverlamming);

u. vesiculaire varkensziekte;

v. ziekte van Aujeszky;

w. blue tongue;

x. pest van de kleine herkauwer;

y. Rift Valley koorts;

z. schape- en geitepokken;

aa. nodulaire dermatose (lumpy skin disease);

ab. enzoötische hemorraghische ziekte bij herten.

Artikel 3

Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet bij pluimvee worden aangewezen:

a. vogelpest (Aviaire Influenza);

b. pseudo-vogelpest (Newcastle Disease).

Artikel 4

Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet bij bijen worden aangewezen:

a. Amerikaans vuilbroed;

b. kleine bijenkastkever (Aethina tumida);

c. Tropilaelapsmijt (Tropilaelaps spp).

Artikel 5

Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet bij nertsen worden aangewezen:

a. rabies;

b. ziekte van Aujeszky;

c. overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE’s);

d. brucellose;

e. tuberculose;

f. miltvuur;

Artikel 6

Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet bij zoogdieren niet zijnde vee en nertsen worden aangewezen:

a. rabies;

b. mond- en klauwzeer;

c. vesiculaire stomatitis;

d. ziekte van Aujeszky;

e. overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE’s);

f. brucellose;

g. tuberculose;

h. hemorragische koortsen, Ebola en Marburg, veroorzaakt door virussen van de familie Filoviridae;

i. simian immunodeficiency virusinfecties;

j. tularaemie;

k. miltvuur;

l. apenpokken.

Artikel 7

Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet bij andere vogels dan pluimvee worden aangewezen:

a. psittacose;

b. pseudo-vogelpest (Newcastle Disease);

c. vogelpest (Aviaire Influenza).

Artikel 8

Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet bij beenvissen worden aangewezen:

a. infectieuze zalmanemie;

b. infectieuze hematopoïetische necrose;

c. virale hemorragische septikemie.

Artikel 9

Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet bij tweekleppigen worden aangewezen:

a. bonamiosis veroorzaakt door Bonamia ostreae, Bonamia exitiosus of Mikrocytos roughleyi;

b. marteiliosis veroorzaakt door Marteilia refringens of door Marteilia sidneyi;

c. haplosporidiosis veroorzaakt door Haplosporidium nelsoni of door Haplosporidium costale;

d. perkinosis veroorzaakt door Perkinsus marinus, Perkinsus olseni of Perkinsus atlanticus;

e. microcytosis veroorzaakt door Mikrocytos mackini;

f. verwelkingssyndroom bij zeeoren veroorzaakt door Candidatus Xenohaliotis californiensis.

§ 2

Verplichting tot kennisgeving door de dierenarts

Artikel 10

Als andere besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 100 van de wet worden aangewezen:

a. salmonellose;

b. campylobacteriose;

c. listeriose;

d. toxoplasmose;

e. echinococcose;

f. yersiniose;

g. leptospirose ten gevolge van Leptospira hardjo;

h. zwoegerziekte.

Artikel 11

1. De verplichting tot kennisgeving, bedoeld in artikel 100 van de wet, van verschijnselen van BSE geldt in elk geval met betrekking tot runderen ouder dan twintig maanden, die gedragsstoornissen of neurologische symptomen vertonen en waarbij de ziekte op grond van een reactie op een behandeling of op grond van een laboratoriumonderzoek niet kan worden uitgesloten.

2. De verplichting tot kennisgeving, bedoeld in artikel 100 van de wet, van verschijnselen van scrapie geldt in elk geval met betrekking tot schapen en geiten ouder dan twaalf maanden, die gedragsstoornissen of neurologische symptomen vertonen en waarbij de ziekte op grond van een reactie op een behandeling of op grond van een laboratorium-onderzoek niet kan worden uitgesloten.

§ 3

Vrijstellingen

Artikel 12

1. Aan de houder van een dier wordt vrijstelling verleend van de verplichting tot kennisgeving, bedoeld in artikel 19 van de wet, indien wordt voldaan aan het tweede en derde lid, ingeval:

a. een dier verschijnselen vertoont van de ziekte van Aujeszky, opgenomen in bijlage 1, of

b. de omvang van de sterfte onder varkens op een bedrijf binnen een periode van 30 dagen de waarden, opgenomen in bijlage 1, overschrijdt.

2. De houder stuurt verdacht materiaal naar de Gezondheidsdienst voor dieren.

3. Ingeval de verdenking van een klinische uitbraak van de ziekte van Aujeszky wordt bevestigd door de Gezondheidsdienst voor dieren met gebruikmaking van een daartoe geëigende onderzoeksmethode, geeft de houder van het dier kennis van de ziekte aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 114, tweede lid, van de wet.

4. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verplichting tot kennisgeving door de dierenarts, bedoeld in artikel 100 van de wet, van de ziekte van Aujeszky.

Artikel 13

1. Aan de houder van een rund wordt ingeval een rund abortus ondergaat vrijstelling verleend van de verplichting tot kennisgeving van dit verschijnsel van brucellose, bedoeld in artikel 19 van de wet, indien wordt voldaan aan het tweede en derde lid.

2. De houder stuurt binnen 7 dagen na de abortus een door een dierenarts bij dat rund genomen bloedmonster aan een door de minister van LNV aangewezen laboratorium ten behoeve van overeenkomstig bijlage C bij richtlijn nr. 64/432/EEG uit te voeren serologisch onderzoek.

3. Zodra de houder ervan op de hoogte is gesteld dat de abortus blijkens het in het tweede lid bedoelde onderzoek vermoedelijk aan brucellose te wijten is, geeft de houder terstond kennis van dit vermoeden aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 114, tweede lid, van de wet.

4. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verplichting tot kennisgeving door de dierenarts, bedoeld in artikel 100 van de wet, van brucellose bij een rund.

§ 4

De termijnen, bedoeld in de artikelen 3, laatste onderdeel oo, en 5, eerste lid, laatste onderdeel mm, van het Besluit verdachte dieren

Artikel 14

De termijn, bedoeld in artikel 3, laatste onderdeel oo, van het Besluit verdachte dieren is:

a. bij TSE’s bij schapen en geiten 20 jaar;

b. bij bonamiosis veroorzaakt door Bonamia exitiosus of Mikrocytos roughleyi 3 maanden;

c. bij perkinosis veroorzaakt door Perkinsus atlanticus 3 maanden;

d. bij het verwelkingssyndroom bij zeeoren veroorzaakt door Candidatus Xenohaliotis californiensis 8 maanden.

Artikel 15

De termijn, bedoeld in artikel 5, eerste lid, laatste onderdeel mm, van het Besluit verdachte dieren is:

a. bij TSE’s bij schapen en geiten 4 maanden;

b. bij bonamiosis veroorzaakt door Bonamia exitiosus of Mikrocytos roughleyi 3 maanden;

c. bij perkinosis veroorzaakt door Perkinsus atlanticus 3 maanden;

d. bij het verwelkingssyndroom bij zeeoren veroorzaakt door Candidatus Xenohaliotis californiensis 8 maanden.

Titel 2

Preventie besmettelijke dierziekten

Hoofdstuk 1

Verzamelen van dieren

§ 1

Onderlinge bedrijfscontacten

Artikel 16

1. Het is verboden evenhoevigen, niet zijnde varkens en ingeschaarde schapen, van een bedrijf of andere plaats, niet zijnde een erkend verzamelcentrum, af te voeren indien in de periode van 21 dagen voorafgaand aan het voorgenomen vervoer op dat bedrijf of die plaats evenhoevigen zijn aangevoerd.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor de afvoer van evenhoevigen rechtstreeks of via een erkend verzamelcentrum naar een slachthuis indien de af te voeren evenhoevigen direct voorafgaand aan de afvoer ten minste 21 aaneengesloten dagen op de plaats van afvoer hebben verbleven.

3. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor de afvoer van runderen van een opfokbedrijf naar een melkveehouderijbedrijf, indien het opfokbedrijf:

a. is geregistreerd door de minister;

b. uitsluitend runderen, jonger dan 26 maanden, die op ten hoogste drie verschillende bedrijven zijn geboren, en droogstaande koeien houdt;

c. uitsluitend runderen afvoert naar het melkveehouderijbedrijf van herkomst of een slachthuis, en

d. geen andere evenhoevigen houdt dan de onder b bedoelde runderen.

4. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor de afvoer van runderen, jonger dan 12 maanden, en droogstaande koeien van een melkveehouderijbedrijf naar één opfokbedrijf, indien:

a. het opfokbedrijf op grond van het derde lid, onderdeel a, is geregistreerd door de minister;

b. het melkveehouderijbedrijf is geregistreerd door de minister, en

c. de runderen van het opfokbedrijf worden afgevoerd naar het melkveehouderijbedrijf van herkomst, een slachthuis, of een erkend runderverzamelcentrum.

5. Het is een bedrijf, niet zijnde een erkend varkens- of runderverzamelcentrum, waarop evenhoevigen worden gehouden verboden om op dezelfde dag evenhoevigen aan te voeren en af te voeren.

6. Het in het eerste en vijfde lid bedoelde verbod alsmede de verplichting, bedoeld in het tweede lid, gelden niet voor het vervoer van meer dan licht zieke of licht gewonde evenhoevigen ter noodslachting, bedoeld in artikel 10 van het Besluit dierenvervoer 1994, en voor het vervoer van runderen, jonger dan zes maanden, van een op grond van artikel 9 van het Besluit eisen dierlijk sperma en spermawincentra erkend runderspermawincentrum naar een slachthuis.

7. Indien voor het vervoer van varkens naar een lidstaat of een derde land, nadat deze reeds van een bedrijf zijn afgevoerd, ingevolge artikel 59, tweede lid, onderdeel e, van de wet in samenhang met artikel 6, eerste lid, van het Besluit dierenvervoer 1994 geen certificaat wordt afgegeven, is het in afwijking van het vijfde lid toegestaan, deze varkens op de dag dat dit certificaat geweigerd wordt weer op het bedrijf van herkomst aan te voeren en, na gedeeltelijke lossing, de niet geloste varkens direct weer af te voeren.

8. De aanvraag voor de registraties, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onderscheidenlijk het vierde lid, onderdeel b, wordt bij de VWA ingediend door middel van een daartoe ter beschikking gesteld formulier.

9. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor:

a. de afvoer van runderen, schapen of geiten van een plaats waar een tentoonstelling of keuring heeft plaatsgevonden, indien is voldaan aan paragraaf 6 van dit titeldeel, en

b. de afvoer van evenhoevigen van een plaats, voorzover daar geen evenhoevigen zijn verzameld die afkomstig zijn van verschillende plaatsen.

Artikel 17

1. Evenhoevigen die binnen Nederland worden gebracht, worden rechtstreeks vervoerd naar en afgeleverd op één bedrijf, één erkend verzamelcentrum of één slachthuis.

2. Het eerste lid is niet van toepassing ingeval evenhoevigen rechtstreeks worden vervoerd naar een lidstaat of derde land.

Artikel 18

1. De registratie van een opfokbedrijf, bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdeel a, kan door de minister worden doorgehaald, indien het opfokbedrijf niet voldoet aan artikel 16, derde lid, onderdelen b, c, of d.

2. De registratie van een melkveehouderijbedrijf, bedoeld in artikel 16, vierde lid, onderdeel b, kan door de minister worden doorgehaald, indien het melkveehouderijbedrijf niet voldoet aan artikel 16, vierde lid, onderdelen a of c.

§ 2

Verzamelen van varkens

Artikel 19

Het verzamelen van varkens is verboden.

Artikel 20

1. Het in artikel 19 bedoelde verbod geldt niet ingeval het verzamelen betrekking heeft op:

a. het bijladen op één vervoermiddel van varkens voor het vervoer naar een slachthuis, indien is voldaan aan het tweede lid;

b. het bijladen op één vervoermiddel van varkens bestemd voor de slacht, niet zijnde meer dan licht zieke of meer dan licht gewonde varkens in de zin van het Besluit dierenvervoer 1994 voor het vervoer naar een verzamelcentrum, indien is voldaan aan het tweede lid, of

c. het opladen op één vervoermiddel dat uit een combinatie van een voertuig met één of meer aanhangwagens bestaat van varkens, indien is voldaan aan het derde lid.

2. Voor het bijladen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, geldt dat:

a. op het betrokken vervoermiddel per rit naar een slachthuis, onderscheidenlijk verzamelcentrum zich varkens van ten hoogste drie verschillende bedrijven, niet zijnde verzamelcentra, bevinden;

b. het vervoermiddel waarop de varkens worden bijgeladen, niet op het bedrijf wordt gebracht waarop de bij te laden varkens zich bevinden;

c. ingeval de bij te laden varkens met een vervoermiddel vanaf het bedrijf worden gebracht naar het vervoermiddel waarop zij worden bijgeladen, het eerstbedoelde vervoermiddel niet op de openbare weg wordt gebracht, en

d. in het betrokken vervoermiddel door middel van een toegankelijk overzicht vanaf het moment van bijladen wordt bijgehouden van welke bedrijven de varkens afkomstig zijn, welk overzicht gedurende zes maanden na de dag waarop het bijladen heeft plaatsgevonden, op het bedrijf of de onderneming van de vervoerder wordt bewaard.

3. Voor het opladen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, geldt dat:

a. op iedere afzonderlijke vervoerseenheid slechts varkens aanwezig zijn die blijkens het begeleidende vervoersdocument alle gelijktijdig van hetzelfde bedrijf, niet zijnde een verzamelcentrum, of, indien het bedrijf bestaat uit meer vestigingen, van dezelfde vestiging zijn afgevoerd;

b. bij het opladen geen vervoerseenheid op het bedrijf wordt gebracht die ten behoeve van het betrokken transport op een ander bedrijf is geweest, en

c. indien bij het opladen op de ene vervoerseenheid voorwerpen worden gebruikt die behoren tot een andere vervoerseenheid, die voorwerpen na gebruik worden gereinigd en ontsmet.

4. Indien de varkens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, rechtstreeks uit een afleveringsvoorziening worden bijgeladen, is het in afwijking van het tweede lid, onderdeel b, toegestaan het vervoermiddel, waarop de varkens worden bijgeladen, op het bedrijf te brengen.

5. Onverminderd het tweede lid, geldt voor het bijladen, bedoeld in het vierde lid, dat:

a. ingeval de bij te laden varkens afkomstig zijn van een A- of een C-bedrijf als bedoeld in de Regeling varkensleveringen, de overige op het vervoermiddel aanwezige varkens eveneens afkomstig zijn van een A- of een C-bedrijf;

b. ingeval de bij te laden varkens afkomstig zijn van een B-bedrijf als bedoeld in de Regeling varkensleveringen, de overige op het vervoermiddel aanwezige varkens niet afkomstig zijn van een D-bedrijf als bedoeld in de Regeling varkensleveringen;

c. de vervoerder de laadklep van het vervoermiddel waarop de varkens worden bijgeladen, terstond na het bijladen op de plaats van bijlading reinigt en ontsmet;

d. de eigenaar of exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, van het bedrijf waarop de bij te laden varkens zich bevinden, terstond na het bijladen de afleveringsvoorziening reinigt en ontsmet.

6. Indien ingevolge het vierde lid wordt bijgeladen, vermeldt de vervoerder in een op het vervoermiddel aanwezig overzicht, van welke bedrijven de op en bij te laden varkens afkomstig zijn, waarbij per bedrijf wordt aangegeven of het gaat om een A-, B-, C- of D-bedrijf, als bedoeld in de Regeling varkensleveringen, alsmede het tijdstip waarop de varkens worden op- en bijgeladen. Dit overzicht wordt gedurende zes maanden na de dag waarop het bijladen heeft plaatsgevonden, op het bedrijf of de onderneming van de vervoerder bewaard.

Artikel 21

1. Het in artikel 19 bedoelde verbod geldt niet ingeval de varkens verzameld worden op een varkensverzamelcentrum dat voor de desbetreffende categorie varkens door de minister is erkend.

2. Artikel 23, eerste lid, onderdeel e, eerste zinsdeel, onderdelen m tot en met q, artikel 23, tweede lid, en artikel 25, tweede en derde lid, zijn niet van toepassing op varkens die op het terrein van een varkensverzamelcentrum worden aangevoerd, afkomstig zijn van één bedrijf en aan- en afgevoerd worden in hetzelfde vervoermiddel, indien wordt voldaan aan artikel 4.4a van de Regeling handel levende dieren en levende producten.

3. Het in artikel 19 bedoelde verbod geldt niet voor het verzamelen van varkens op een slachthuis.

4. Het is verboden varkens af te voeren van een slachterij.

5. Het in het vierde lid bedoelde verbod geldt niet voor de afvoer van varkens in de categorieën 3 tot en met 6, bedoeld in de Bijlage van de Regeling tarieven keuring vlees en vleesproducten 1993, naar een door de minister aangewezen inrichting ten behoeve van noodslachting.

Artikel 22

De erkenning, bedoeld in artikel 21, wordt verleend indien:

a. het varkensverzamelcentrum voldoet aan de in bijlage 2 vermelde eisen, en

b. voor het betreffende varkensverzamelcentrum geen subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling sanering verzamelcentra varkens.

Artikel 23

1. Een overeenkomstig artikel 22 erkend varkensverzamelcentrum voldoet aan de volgende eisen:

a. de faciliteiten van het varkensverzamelcentrum worden gebruikt overeenkomstig hun functie;

b. op het varkensverzamelcentrum werkzame personen worden tot het varkensverzamelcentrum toegelaten;

c. op het varkensvarkensverzamelcentrum zijn tegelijk met de varkens geen andere dieren aanwezig;

d. ongedierte wordt op het varkensverzamelcentrum volgens een door de minister goedgekeurd ongediertebestrijdingsprogramma bestreden;

e. op het varkensverzamelcentrum worden per blokperiode van maximaal 50 herkomstbedrijven varkens aangevoerd, waarbij ingeval de varkens uit Nederland afkomstig zijn, de aanbieder van de minister een schriftelijke verklaring van geen bezwaar heeft ontvangen.

f. De aanbieder controleert bij aanvoer van de varkens of zij overeenkomstig richtlijn nr. 92/102/EEG zijn geïdentificeerd, dan wel overeenkomstig het bij of krachtens het Besluit identificatie en registratie van dieren bepaalde zijn geïdentificeerd en dat zij vergezeld gaan van identificatiedocumenten;

g. van officieel brucellose vrije beslagen afkomstige varkens met eenzelfde gezondheidsstatus worden binnen een blokperiode verzameld;

h. varkens afkomstig uit Nederland, varkens afkomstig uit een lidstaat die bestemd zijn voor de invoer en varkens afkomstig uit een lidstaat die bestemd zijn voor de doorvoer worden niet tegelijkertijd binnen één blokperiode verzameld;

i. ingeval het varkensverzamelcentrum erkend is voor zowel slachtvarkens als voor fok- en gebruikvarkens worden gedurende een blokperiode niet tegelijkertijd slachtvarkens en fok- en gebruikvarkens verzameld;

j. varkens uit een lidstaat worden tot een varkensverzamelcentrum toegelaten indien zij vergezeld gaan van een voor de betreffende categorie varkens afgegeven gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 5 van richtlijn nr. 64/432/EEG, waarvan de geldigheidsduur nog niet is verstreken;

k. aan het einde van de blokperiode wordt het varkensverzamelcentrum ontvolkt;

l. onmiddellijk na iedere ontvolking wordt het varkensverzamelcentrum gereinigd en ontsmet met ontsmettingsmiddelen die voor dat doel zijn toegelaten op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 volgens een door de minister goedgekeurd protocol dat ter inzage ligt bij de VWA;

m. de aangevoerde varkens worden onmiddellijk na lossing ondergebracht in een aanvoerstal;

n. de varkens worden na aanvoer in de aanvoerstal niet meer verplaatst, behoudens ten behoeve van de verplaatsing naar de selectieruimte;

o. de varkens worden stuksgewijs uit de aanvoerstal overgeplaatst naar de selectieruimte waar zij worden geselecteerd en vervolgens per bestemmingsadres gegroepeerd worden ondergebracht in de afvoerstal;

p. de varkens worden na binnenkomst in de afvoerstal niet meer verplaatst, behoudens ten behoeve van de afvoer;

q. ter zake van de afvoer van de varkens is per bestemmingsadres het aantal varkens per UBN bekend en bedraagt het aantal herkomstbedrijven per bestemmingsadres niet meer dan 30, waarbij ingeval het vervoermiddel uit één of meer vervoerseenheden bestaat, het aantal herkomstbedrijven per vervoerseenheid niet meer dan 30 bedraagt;

r. de aanbieder meldt de aanvang en het einde van de blokperiode uiterlijk om 14.00 uur op de tweede werkdag voorafgaande aan de blokperiode aan de VWA.

s. het varkensverzamelcentrum beschikt over een reinigings- en ontsmettingsplaats, welke is geregistreerd op grond van artikel 78, eerste lid.

2. De in het eerste lid, onderdelen m, n, o, en p vermelde eisen gelden niet indien het varkensverzamelcentrum niet uit een aanvoerstal, selectieruimte en afvoerstal bestaat, maar uit een algemene stalruimte waarbij:

1°. de aangevoerde varkens onmiddellijk na lossing en gedurende één blokperiode per aanvoeradres gegroepeerd worden ondergebracht in de stalruimte en daarin niet meer, behoudens voor weging, worden verplaatst, en

2°. de aangevoerde varkens na één blokperiode slechts naar één bestemmingsadres worden afgevoerd.

3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel k, is het toegestaan slachtvarkens, voorzover zij afkomstig zijn uit Nederland, langer dan de blokperiode op het varkensverzamelcentrum te houden, indien:

a. de slachtvarkens gegroepeerd per bestemmingsadres uiterlijk 24 uur na de eerste verzameling in een afzonderlijke overligstal verblijven;

b. de slachtvarkens na aanvoer op de overligstal niet meer worden verplaatst;

c. het varkensverzamelcentrum met inbegrip van de overligstal binnen 24 uur na aanvoer van de eerste varkens in de overligstal geheel wordt ontvolkt;

d. het varkensverzamelcentrum met inbegrip van de overligstal onmiddellijk na iedere ontvolking van de overligstal wordt gereinigd en ontsmet, en

e. bij het afvoeren van de slachtvarkens wordt voldaan aan het vierde lid.

4. Ingeval overeenkomstig het derde lid slachtvarkens langer op het varkensverzamelcentrum verblijven dan een blokperiode worden uitsluitend slachtvarkens op het varkensverzamelcentrum verzameld en geldt, behalve voor de overligstal, het bepaalde in het eerste lid, onderdelen k en l, onverkort voor het overige terrein van het varkensverzamelcentrum.

5. Voorzover aanvoer van varkens als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, van slechts één in Nederland gelegen herkomstbedrijf plaatsvindt en aan- en afvoer plaatsvindt met hetzelfde vervoermiddel, is artikel 63, eerste lid, niet van toepassing.

6. Indien ingevolge artikel 59, tweede lid, onderdeel e, van de wet en artikel 6, eerste lid, van het Besluit dierenvervoer 1994 op het terrein van een varkensverzamelcentrum voor het vervoer van varkens, afkomstig van slechts één herkomstbedrijf, geen gezondheidscertificaat wordt afgegeven, is het toegestaan deze varkens rechtstreeks en uitsluitend af te voeren naar een in Nederland gelegen slachthuis.

Artikel 24

De erkenning, bedoeld in artikel 21, wordt ingetrokken indien het varkensverzamelcentrum niet langer voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 22 of 23.

Artikel 25

1. Het ten behoeve van de export aanvoeren van varkens op een varkensverzamelcentrum is verboden.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet onder de volgende voorwaarden:

a. de exporteur van de varkens stelt de VWA uiterlijk om 14.00 op de tweede werkdag voorafgaande aan de aanvoer op het varkensverzamelcentrum door middel van een daartoe verstrekt aanvraagformulier in kennis van de voorgenomen aanvoer op het varkensverzamelcentrum;

b. de minister heeft de exporteur schriftelijk in kennis gesteld tegen de aanvoer geen bezwaar te hebben;

c. voldaan is aan artikel 3, tweede lid, onderdelen b, c en d, en artikel 4 van richtlijn nr. 64/432/EEG, en

d. voorzover de varkens fok- en gebruiksvarkens zijn, hebben de varkens 30 dagen vóór de aanvoer op het varkensverzamelcentrum, of, ingeval de varkens minder dan 30 dagen oud zijn, sinds de geboorte op het bedrijf verbleven.

Artikel 26

1. Het ten behoeve van een in Nederland gelegen slachthuis aanvoeren van uit Nederland afkomstige varkens op een varkensverzamelcentrum is verboden.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien:

a. de handelaar van de varkens de VWA uiterlijk om 14.00 op de tweede werkdag voorafgaande aan de aanvoer op het varkensverzamelcentrum van de voorgenomen aanvoer door middel van een daartoe verstrekt aanvraagformulier in kennis heeft gesteld onder vermelding van de aanvoerdatum, het aantal varkens en de UBN van de aan te voeren varkens op het varkensverzamelcentrum, en

b. de minister de handelaar schriftelijk in kennis heeft gesteld tegen de aanvoer geen bezwaar te hebben.

Artikel 27

In afwijking van artikel 2.26, eerste lid, van de Regeling handel levende dieren en levende producten stelt de aanbieder de VWA uiterlijk 24 uur voorafgaande aan de aanvoer op het varkensverzamelcentrum schriftelijk in kennis van de aanvoer van varkens afkomstig uit een lidstaat onder vermelding van de aanvoerdatum, de categorie varkens, het aantal varkens en het bestemmingsadres van de varkens.

Artikel 28

1. Het afvoeren van varkens vanaf een varkensverzamelcentrum is verboden.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet in één van de volgende gevallen:

a. de varkens worden rechtstreeks en zonder bij- of afladen vanaf een varkensverzamelcentrum in een verzegeld vervoermiddel vervoerd naar een in Nederland gelegen slachthuis. Voorzover de varkens afkomstig zijn uit Nederland controleert de exploitant van een varkensverzamelcentrum of de varkens worden vervoerd overeenkomstig een door de minister goedgekeurd protocol;

b. ingeval de varkens fok- en gebruiksvarkens zijn, worden de varkens, voorzover deze afkomstig zijn uit een lidstaat, rechtstreeks en zonder bij- of afladen vanaf een varkensverzamelcentrum in een verzegeld vervoermiddel vervoerd naar een in Nederland gelegen bedrijf;

c. de varkens worden vanaf een varkensverzamelcentrum in overeenstemming met artikel 4 van richtlijn nr. 64/432/EEG naar een of meer bestemmingen buiten Nederland vervoerd onder de volgende voorwaarden:

1°. ingeval de varkens afkomstig zijn:

– uit Nederland gaan deze vergezeld van een bewijsstuk als bedoeld in artikel 77, tweede lid, van de wet;

– uit een lidstaat gaan deze vergezeld van de gezondheidscertificaten, bedoeld in artikel 5, eerste en vijfde lid, van richtlijn nr. 64/432/EEG, en

2°. het vervoer geschiedt rechtstreeks en zonder bij- of afladen in een verzegeld vervoermiddel.

3. Ingeval de varkens, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, slachtvarkens zijn, is het toegestaan om, in afwijking van artikel 20, derde lid, de varkens zonder afladen te vervoeren via een ander in Nederland gelegen verzamelcentrum ten behoeve van het opladen van varkens afkomstig van dat varkensverzamelcentrum indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

1°. het vervoermiddel bestaat uit een combinatie van een voertuig met één of meer aanhangwagens en op iedere afzonderlijke vervoerseenheid zijn varkens aanwezig die zoals blijkt uit het begeleidende vervoersdocument alle gelijktijdig van hetzelfde varkensverzamelcentrum zijn afgevoerd;

2°. bij het opladen wordt geen vervoerseenheid op het varkensverzamelcentrum gebracht dat ten behoeve van het betrokken transport reeds op een ander varkensverzamelcentrum is geweest;

3°. ingeval bij het opladen op de ene vervoerseenheid voorwerpen worden gebruikt die behoren tot een andere vervoerseenheid, worden die voorwerpen na gebruik gereinigd en ontsmet en worden de vervoermiddelen waarmee de varkens worden vervoerd op de plaats van bestemming geheel gelost.

§ 3

Verzamelen van runderen

Artikel 29

1. Het is verboden runderen afkomstig van verschillende plaatsen op een plaats voor een kortere periode dan 21 dagen te verzamelen.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien de runderen worden verzameld op een runderverzamelcentrum dat op grond van artikel 30 door de minister is erkend.

3. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor het verzamelen van runderen op een vervoermiddel, indien vervolgens lossing van het gehele vervoermiddel geschiedt op één bedrijf, één runderverzamelcentrum of één slachthuis.

4. Het verzamelen van runderen, bedoeld in het derde lid, geschiedt:

a. op het bedrijf van afvoer, grenzend aan de openbare weg;

b. voorzover aanwezig, vanaf een voorziening op het bedrijf van afvoer waar de af te voeren runderen tijdelijk verzameld worden met het oog op het verzamelen op een vervoermiddel, of

c. ten aanzien van stieren, ouder dan twaalf maanden, op een andere wijze, voorzover contact tussen de verblijfplaats van de te verzamelen dieren en het vervoermiddel is uitgesloten.

5. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor het verzamelen van runderen op een slachthuis, met uitzondering van de afvoer van runderen in de categorieën 3 tot en met 6, bedoeld in de Bijlage van de Regeling tarieven keuring vlees en vleesproducten 1993, naar een door de minister aangewezen inrichting ten behoeve van noodslachting.

6. Het is verboden runderen af te voeren van een slachthuis.

Artikel 30

1. Een runderverzamelcentrum wordt door de minister erkend indien wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in bijlage 3.

2. Indien het runderverzamelcentrum beschikt over meerdere epidemiologische bedrijfseenheden bevat de erkenning van een runderverzamelcentrum, bedoeld in het eerste lid, een aanduiding van het aantal epidemiologische eenheden dat voldoet aan bijlage 3, onderdeel y.

Artikel 31

1. Een overeenkomstig artikel 30 erkend runderverzamelcentrum voldoet aan de volgende eisen:

a. op het runderverzamelcentrum zijn gelijktijdig uitsluitend runderen behorende tot een van de volgende categorieën runderen aanwezig:

1°. fokrunderen;

2°. slachtrunderen;

3°. runderen, jonger dan 12 maanden, of

4°. weiderunderen;

b. op het runderverzamelcentrum zijn tegelijk met de runderen geen andere dieren aanwezig;

c. gedurende een blokperiode worden uitsluitend runderen verzameld met eenzelfde gezondheidsstatus;

d. de aanbieder controleert bij aanvoer van de runderen of zij overeenkomstig verordening (EG) 1760/2000 zijn geïdentificeerd, dan wel overeenkomstig het bij of krachtens het Besluit identificatie en registratie van dieren bepaalde zijn geïdentificeerd alsmede dat de runderen overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Verordening zelfcontrole op het verbod gebruik van bepaalde stoffen van het Productschap Vee en Vlees zijn aangevoerd. De aanbieder toont ten genoegen van de keuringsdierenarts of de assistent aan dat voldaan is aan de controle;

e. slachtrunderen uit een lidstaat worden tot een verzamelcentrum toegelaten indien zij vergezeld gaan van een voor de slachtrunderen afgegeven gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 5 van richtlijn nr. 64/432/EEG, waarvan de geldigheidsduur nog niet is verstreken;

f. runderen die afkomstig zijn van beslagen die officieel vrij zijn van brucellose, tuberculose en leukose worden op het runderverzamelcentrum verzameld;

g. aan het einde van de blokperiode wordt het runderverzamelcentrum onderscheidenlijk de epidemiologische bedrijfseenheid ontvolkt;

h. onmiddellijk na iedere ontvolking wordt het runderverzamelcentrum onderscheidenlijk de epidemiologische bedrijfseenheid gereinigd en ontsmet volgens een door de minister goedgekeurd protocol met ontsmettingsmiddelen die voor dat doel zijn toegelaten op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962. De aanbieder toont ten genoegen van de keuringsdierenarts of de assistent aan dat voldaan is aan voornoemde reiniging en ontsmetting;

i. de aanbieder meldt de aanvang en het einde van elke blokperiode uiterlijk om 14.00 uur op de werkdag voorafgaande aan de blokperiode aan de VWA;

j. de in- en uitgang van het runderverzamelcentrum onderscheidenlijk de epidemiologische bedrijfseenheid worden op dagen waarop aan- en afvoer van runderen heeft plaatsgevonden na beëindiging van de werkzaamheden gereinigd en ontsmet;

k. bij het gebruik van epidemiologische bedrijfseenheden voor het verzamelen van fokrunderen overeenkomstig de onderdelen l tot en met o worden de volgende eisen in acht genomen:

1°. voordat personen een epidemiologische bedrijfseenheid betreden, reinigen zij zich in de hygiënesluis en voorzien zij zich in de hygiënesluis van schone bedrijfskleding en schone laarzen;

2°. per afzonderlijke epidemiologische bedrijfseenheid worden afzonderlijke werktuigen en stalmaterieel gebruikt;

3°. het laden en lossen van een epidemiologische bedrijfseenheid vindt in tijd of plaats gescheiden plaats van het laden en lossen van andere epidemiologische bedrijfseenheden, en

4°. onverminderd de onderdelen l en m, zijn in een epidemiologische bedrijfseenheid niet zowel fokrunderen bestemd voor een lidstaat als fokrunderen bestemd voor een derde land, aanwezig;

l. fokrunderen worden na binnenkomst in de epidemiologische bedrijfseenheid niet meer verplaatst, behoudens ten behoeve van:

1°. de afvoer van het verzamelcentrum overeenkomstig artikel 32, of

2°. het overbrengen naar een andere binnen het runderverzamelcentrum gelegen epidemiologische bedrijfseenheid;

m. het overbrengen van fokrunderen naar een andere epidemiologische bedrijfseenheid, bedoeld in onderdeel l, onder 2°, geschiedt uitsluitend van een epidemiologische bedrijfseenheid waar fokrunderen verblijven bestemd voor een lidstaat:

1°. naar een epidemiologische bedrijfseenheid waar fokrunderen verblijven bestemd voor een lidstaat, waarbij het desbetreffende fokrund uiterlijk 144 uur na aanvoer op het runderverzamelcentrum, overeenkomstig artikel 32 van het runderverzamelcentrum wordt afgevoerd, of

2°. een epidemiologische bedrijfseenheid waar fokrunderen verblijven bestemd voor de export naar een derde land, waarbij het desbetreffende fokrund uiterlijk 30 dagen na aanvoer op het runderverzamelcentrum, overeenkomstig artikel 32 van het runderverzamelcentrum wordt afgevoerd;

n. een fokrund wordt in een periode van 30 dagen ten hoogste eenmaal overgebracht naar een andere epidemiologische bedrijfseenheid, bedoeld in onderdeel l, onder 2°;

o. van het overbrengen naar een andere epidemiologische bedrijfseenheid, bedoeld in onderdeel l, onder 2°, wordt mededeling gedaan aan de VWA met gebruikmaking van een daartoe ter beschikking gesteld formulier;

p. ingeval weiderunderen van een runderverzamelcentrum naar een vetweiderijbedrijf worden afgevoerd controleert de eigenaar of de exploitant van het runderverzamelcentrum, overeenkomstig het in bijlage 3, onderdeel 26, bedoelde protocol, binnen een termijn van 4 werkdagen of deze runderen op het vetweiderijbedrijf zijn aangevoerd;

q. ingeval de eigenaar of de exploitant van het runderverzamelcentrum, overeenkomstig onderdeel p, constateert dat weiderunderen niet zijn aangevoerd geeft hij hiervan onmiddellijk kennis aan de keuringsdierenarts of de assistent.

2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is het toegestaan op een runderverzamelcentrum fokrunderen en runderen, jonger dan 12 maanden, aanwezig te hebben, voorzover de fokrunderen en de runderen, jonger dan 12 maanden, van elkaar gescheiden worden gehouden door middel van epidemiologische eenheden en de aan- of afvoer van fokrunderen niet geschiedt op dagen waarop runderen, jonger dan 12 maanden, aan- of afgevoerd worden.

Artikel 32

1. De afvoer van fokrunderen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, onder 1, van een op grond van artikel 30 erkend runderverzamelcentrum geschiedt rechtstreeks en uitsluitend naar een niet in Nederland gelegen bedrijf, met inachtneming van de hoofdstukken 2 en 3 van de Regeling handel levende dieren en levende producten.

2. Indien aan het einde van een blokperiode de fokrunderen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, onder 1, niet zijn afgevoerd, worden de runderen door de aanbieder na voorafgaande kennisgeving aan de VWA met gebruikmaking van een daartoe ter beschikking gesteld formulier:

a. afgevoerd naar een slachthuis;

b. op het verzamelcentrum gedurende 30 dagen in een epidemiologische bedrijfseenheid gescheiden gehouden van de overige fokrunderen, waarna de fokrunderen wederom voor een blokperiode kunnen worden aangeboden, of

c. op het verzamelcentrum in een epidemiologische bedrijfseenheid gescheiden gehouden van andere fokrunderen gedurende een periode die aanvangt op de eerste dag van de scheiding en de fokrunderen op de vijfde dag van de scheiding door een dierenarts klinisch worden onderzocht op besmettelijke dierziekten en de uitslag van dat onderzoek negatief is, waarna de fokrunderen worden vervoerd naar een in Nederland gelegen bedrijf.

3. De termijn, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b en c, vangt aan nadat het laatste fokrund aan de epidemiologische eenheid is toegevoegd.

4. Het is verboden op een bedrijf, niet zijnde een slachterij of een Nederlands bedrijf als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, fokrunderen afkomstig van een runderverzamelcentrum te ontvangen.

Artikel 33

1. De afvoer van slachtrunderen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, onder 2, van een op grond van artikel 30 erkend runderverzamelcentrum geschiedt rechtstreeks en uitsluitend naar een al dan niet in Nederland gelegen slachthuis.

2. De afvoer van slachtrunderen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, onder 2, naar een niet in Nederland gelegen slachthuis geschiedt met inachtneming van de hoofdstukken 2 en 3 van de Regeling handel levende dieren en levende producten.

3. Het is verboden op een bedrijf, niet zijnde een slachterij, slachtrunderen afkomstig van een runderverzamelcentrum te ontvangen.

Artikel 34

1. De afvoer van runderen, jonger dan 12 maanden, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, onder 3, van een op grond van artikel 30 erkend runderverzamelcentrum geschiedt rechtstreeks en uitsluitend naar:

a. een in Nederland gelegen slachthuis;

b. een niet in Nederland gelegen bedrijf of slachthuis;

c. een in Nederland gelegen mesterij, ingeval het gaat om runderen jonger dan 12 maanden, die afkomstig zijn van een in Nederland gelegen bedrijf, voorzover deze runderen vanaf voornoemde mesterij rechtstreeks en uitsluitend naar een slachthuis worden afgevoerd, of

d. een starterbedrijf, ingeval het gaat om runderen, jonger dan 12 maanden, en het starterbedrijf uitsluitend runderen rechtstreeks afvoert naar:

1°. een in Nederland gelegen mesterij, voorzover deze runderen vanaf de desbetreffende mesterij rechtstreeks en uitsluitend naar een slachthuis worden afgevoerd, of

2°. een slachthuis,

en het starterbedrijf bij de minister is geregistreerd, met gebruikmaking van een daartoe ter beschikking gesteld formulier.

2. De afvoer van runderen, jonger dan 12 maanden, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, onder 3, naar een niet in Nederland gelegen bedrijf of slachthuis geschiedt met inachtneming van de hoofdstukken 2 en 3 van de Regeling handel levende dieren en levende producten.

3. De aanvoer van runderen, jonger dan 12 maanden, op een runderverzamelcentrum is verboden ingeval die runderen in de periode voor de aanvoer op een runderverzamelcentrum voor een tijdvak korter dan 30 dagen zijn verzameld.

4. De aanvoer van een rund, jonger dan 12 maanden, op een runderverzamelcentrum gaat vergezeld van een bewijs dat het betreffende rund is aangemeld krachtens het Besluit identificatie en registratie van dieren.

Artikel 35

1. De afvoer van weiderunderen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, onder 4, van een op grond van artikel 30 erkend runderverzamelcentrum geschiedt rechtstreeks en uitsluitend naar:

a. een al dan niet in Nederland gelegen slachthuis, of

b. een in Nederland gelegen vetweiderijbedrijf dat uitsluitend runderen rechtstreeks afvoert naar een al dan niet in Nederland gelegen slachthuis, voorzover het vetweiderijbedrijf bij de minister is geregistreerd, met gebruikmaking van een daartoe ter beschikking gesteld formulier.

2. De afvoer van weiderunderen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, onder 4, naar een niet in Nederland gelegen slachthuis geschiedt met in achtneming van de hoofdstukken 2 en 3 van de Regeling handel levende dieren en levende producten.

3. Het is verboden op een bedrijf, niet zijnde een slachthuis of een vetweiderijbedrijf, weiderunderen afkomstig van een runderverzamelcentrum te ontvangen.

4. De aanvoer van weiderunderen op een verzamelcentrum is verboden, indien die runderen in de periode voor de aanvoer op een runderverzamelcentrum voor een tijdvak korter dan 21 dagen zijn verzameld.

5. Registratie van een vetweiderijbedrijf als bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien:

a. op het vetweiderijbedrijf uitsluitend runderen worden gehouden, en

b. al deze runderen rechtstreeks naar het slachthuis worden afgevoerd.

6. Door middel van een daartoe opgesteld document kan, vanaf 30 dagen na het moment dat alle op het vetweiderijbedrijf aanwezige van een runderverzamelcentrum afkomstige weiderunderen naar een al dan niet in Nederland gelegen slachthuis zijn afgevoerd, op verzoek van de eigenaar of de exploitant van het vetweiderijbedrijf door de minister de registratie, bedoeld in het vijfde lid, worden ingetrokken.

7. Op de registratie, bedoeld in het vijfde lid, is artikel 38, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 36

1. Het is verboden van een starterbedrijf runderen, jonger dan 10 weken, afkomstig van een runderverzamelcentrum, af te voeren anders dan naar een mesterij of een slachthuis.

2. De afvoer van runderen van een starterbedrijf, jonger dan 16 weken, naar een mesterij vindt niet plaats dan nadat een dierenarts direct voorafgaand aan het vervoer schriftelijk heeft verklaard dat de af te voeren runderen geen verschijnselen vertonen van de in artikel 2 genoemde dierziekten.

3. Het is verboden van een mesterij runderen afkomstig van een runderverzamelcentrum of een starterbedrijf af te voeren anders dan naar een slachthuis.

4. Het is verboden van een geregistreerd vetweiderijbedrijf runderen af te voeren anders dan naar een slachthuis.

5. Het vetweiderijbedrijf toont ten genoegen van de minister aan dat de runderen die zijn afgevoerd van het vetweiderijbedrijf zijn aangevoerd op een slachthuis. Het vetweiderijbedrijf houdt hiervan een administratie bij en bewaart deze administratie gedurende drie jaar.

Artikel 37

Indien het runderverzamelcentrum naar het oordeel van de minister niet voldoet aan de voor de aanvoer van weiderunderen op een vetweiderijbedrijf opgestelde voorwaarden, bedoeld in artikel 31 en in bijlage 3, kan de minister besluiten dat op het runderverzamelcentrum niet langer weiderunderen mogen worden verzameld.

Artikel 38

1. De minister kan de erkenning, bedoeld in artikel 30, met onmiddellijke ingang schorsen voor een bepaalde termijn indien naar het oordeel van de minister niet wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in bijlage 3 en de artikelen 31 tot en met 35, en veterinaire belangen de schorsing rechtvaardigen.

2. De minister kan de erkenning, bedoeld in artikel 30, intrekken, indien:

a. naar het oordeel van de minister blijkt dat het runderverzamelcentrum niet voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 3 en de artikelen 31 tot en met 35, terwijl de exploitant van de inrichting in de gelegenheid is gesteld binnen een bepaalde termijn alsnog aan de eisen te voldoen en deze termijn inmiddels is verstreken, dan wel

b. indien na afloop van de schorsing, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de minister blijkt dat het runderverzamelcentrum nog steeds niet voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 3 en de artikelen 31 tot en met 35.

3. De registratie van een starterbedrijf, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel d, kan door de minister worden doorgehaald, indien het starterbedrijf niet voldoet aan artikel 35, eerste lid, onderdeel d, of artikel 36, tweede of derde lid.

§ 4

Verzamelen van schapen en geiten

Artikel 39

1. Het is verboden schapen of geiten afkomstig van verschillende plaatsen op een plaats voor een kortere periode dan 21 dagen te verzamelen.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien de schapen of geiten worden verzameld op een schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk een geitenverzamelcentrum, dat op grond van artikel 40 door de minister is erkend, of een erkende bedrijfsruimte van een erkende handelaar als bedoeld in artikel 7.9, eerste en tweede lid, van de Regeling handel levende dieren en levende producten.

3. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor het verzamelen van schapen of geiten op een vervoermiddel, voorzover vervolgens lossing van het gehele vervoermiddel geschiedt op één slachthuis of één schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk één geitenverzamelcentrum.

4. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor het verzamelen van geiten, jonger dan vier weken, afkomstig van een bedrijf dat uitsluitend is ingericht op het houden van geiten voor melkproductie, op een vervoermiddel, voorzover vervolgens lossing geschiedt op één in Nederland gelegen bedrijf dat:

a. is geregistreerd bij de minister, en

b. geiten uitsluitend afvoert naar een slachthuis.

5. Het verzamelen van schapen of geiten, bedoeld in het derde lid, geschiedt

a. op het bedrijf van afvoer, grenzend aan de openbare weg, of

b. voorzover aanwezig, vanaf een voorziening op het bedrijf van afvoer waar de af te voeren schapen of geiten tijdelijk verzameld worden met het oog op het verzamelen op een vervoermiddel.

6. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor het verzamelen van schapen of geiten op een slachthuis.

7. Het is verboden schapen of geiten af te voeren van een slachthuis.

8. De registratie, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, geschiedt met gebruikmaking van een daartoe ter beschikking gesteld formulier.

Artikel 40

1. Een schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk een geitenverzamelcentrum, wordt door de minister erkend indien wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in bijlage 5.

2. Aan een erkend schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk geitenverzamelcentrum, wordt door de minister in verband met de erkenning een registratienummer toegekend.

Artikel 41

Een overeenkomstig artikel 40 erkend schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk geitenverzamelcentrum voldoet aan de volgende eisen:

a. op het schapenverzamelcentrum zijn tegelijk met de schapen geen andere dieren aanwezig;

b. op het geitenverzamelcentrum zijn tegelijk met de geiten geen andere dieren aanwezig;

c. gedurende een blokperiode worden uitsluitend schapen, onderscheidenlijk geiten, verzameld met eenzelfde gezondheidsstatus;

d. de aanbieder vergewist zich ervan dat ten aanzien van de aangevoerde schapen, onderscheidenlijk geiten, de krachtens het Besluit identificatie en registratie van dieren gestelde regels in acht zijn genomen;

e. de aanbieder draagt er zorg voor dat de aangevoerde schapen, onderscheidenlijk geiten, terstond na aanvoer op het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk geitenverzamelcentrum, worden gemerkt overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003.

f. aan het einde van de blokperiode wordt het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, ontvolkt;

g. onmiddellijk na iedere ontvolking wordt het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, gereinigd en ontsmet volgens een door de minister goedgekeurd protocol met ontsmettingsmiddelen die voor dat doel zijn toegelaten op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962. De aanbieder toont ten genoegen van de keuringsdierenarts of de assistent aan dat voldaan is aan voornoemde reiniging en ontsmetting;

h. de aanbieder meldt de aanvang en het einde van elke blokperiode uiterlijk om 14.00 uur op de werkdag voorafgaande aan de blokperiode aan de VWA, en

i. de in- en uitgang van het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, worden op dagen waarop aan- en afvoer van schapen, onderscheidenlijk geiten, heeft plaatsgevonden na beëindiging van de werkzaamheden gereinigd en ontsmet.

Artikel 42

1. Het is verboden schapen of geiten van een schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk geitenverzamelcentrum, af te voeren anders dan naar een slachthuis.

2. De aanbieder draagt ervoor zorg dat iedere vervoerseenheid waarin schapen of geiten van een schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk een geitenverzamelcentrum, worden afgevoerd wordt verzegeld met een door de minister voor het desbetreffende schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk geitenverzamelcentrum, goedgekeurd zegel. Lossing van een vervoerseenheid geschiedt op ten hoogste één slachthuis.

3. De afvoer van slachtschapen en -⁠geiten van een op grond van artikel 40 erkend schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk een geitenverzamelcentrum, naar een niet in Nederland gelegen slachthuis geschiedt met inachtneming van de hoofdstukken 2 en 7 van de Regeling handel levende dieren en levende producten.

4. In afwijking van het eerste lid geschiedt de afvoer van slachtschapen en -geiten van een op grond van artikel 40 erkend schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk een geitenverzamelcentrum, rechtstreeks naar een buiten Nederland gelegen verzamelcentrum met inachtneming van de hoofdstukken 2 en 7 van de Regeling handel levende dieren en levende producten.

5. Het is verboden op een bedrijf, niet zijnde een slachterij, schapen of geiten, afkomstig van een schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk een geitenverzamelcentrum, te ontvangen.

Artikel 43

1. De minister kan de erkenning, bedoeld in artikel 40, met onmiddellijke ingang schorsen voor een bepaalde termijn indien naar het oordeel van de minister niet wordt voldaan aan de eisen en regels, bedoeld in bijlage 5 en de artikelen 41 en 42, en veterinaire belangen de schorsing rechtvaardigen.

2. De minister kan de erkenning, bedoeld in artikel 40, intrekken, indien:

a. naar het oordeel van de minister blijkt dat het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, niet voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 5 en de artikelen 41 en 42, terwijl de exploitant van de inrichting in de gelegenheid is gesteld binnen een bepaalde termijn alsnog aan de eisen te voldoen en deze termijn inmiddels is verstreken, dan wel

b. indien na afloop van de schorsing, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de minister blijkt dat het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, nog steeds niet voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 5 en de artikelen 41 en 42.

§ 5

Verzamelen van pluimvee, loopvogels en postduiven

Artikel 44

Markten waarop pluimvee, loopvogels of postduiven worden verhandeld zijn in Nederland verboden, evenals het organiseren van wedvluchten van postduiven of het tijdelijk verzamelen op één plaats van pluimvee, loopvogels of postduiven die afkomstig zijn van verschillende plaatsen en vervolgens naar verschillende plaatsen binnen Nederland, niet zijnde slachterijen, worden weggevoerd.

Artikel 45

1. In afwijking van artikel 44 is het organiseren van een tentoonstelling of keuring van sierpluimvee, loopvogels of postduiven of van een wedvlucht van postduiven toegestaan, indien op deze tentoonstelling of keuring slechts hoenderachtigen, loopvogels of postduiven of bij deze wedvlucht slechts postduiven worden toegelaten die vergezeld gaan van een op hen betrekking hebbende, volledig ingevulde en ondertekende verklaring van enting tegen Newcastle Disease.

2. Uit de in het eerste lid bedoelde verklaring, waarvan het model als bijlage 6 en bijlage 7 bij deze regeling is gevoegd, moet blijken dat:

a. de hoenderachtigen en loopvogels van de betreffende houder, voorzover de dieren ouder zijn dan 30 dagen, ten minste twee weken en ten hoogste vijf maanden voor het begin van de tentoonstelling of de keuring op de in bijlage 6 omschreven wijze zijn geënt tegen Newcastle Disease;

b. de postduiven van de betreffende houder ten minste twee weken voor het begin van de tentoonstelling, keuring of wedvlucht op de in bijlage 7 omschreven wijze zijn geënt tegen Newcastle Disease overeenkomstig de bij de registratie van de entstof gegeven voorschriften betreffende het entschema en de dosering.

Artikel 46

1. Onverminderd de artikelen 44 en 45 is het tijdelijk op één plaats verzamelen van pluimvee, loopvogels of postduiven afkomstig van verschillende plaatsen toegestaan, indien isvoldaan aan het tweede of derde lid.

2. Degene, die voornemens is pluimvee, loopvogels of postduiven afkomstig van verschillende plaatsen tijdelijk op één plaats te verzamelen, is gehouden:

a. van dit voornemen ten minste acht dagen van tevoren kennis te gegeven aan de VWA;

b. de dieren, alvorens deze toe te laten, bij de plaats van aanvoer op zijn kosten te laten onderzoeken door één of meer dierenartsen.

3. In afwijking van het tweede lid is degene die voornemens is postduiven voor een wedvlucht te verzamelen gehouden van dit voornemen jaarlijks een overzicht aan de VWA te doen toekomen. De minister kan besluiten de postduiven, alvorens deze bij de wedvlucht worden toegelaten, bij de plaats van aanvoer te laten onderzoeken door één of meer dierenartsen, op kosten van degene die de postduiven voor de wedvlucht heeft verzameld.

§ 6

Tentoonstellingen en keuringen

Artikel 47

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. organisator: organisator van een tentoonstelling of keuring;

b. plaats: plaats waar tentoonstelling of keuring wordt gehouden;

c. schapen of geiten: schapen of geiten, die individueel geregistreerd staan bij het Individuele Dier Registratiesysteem van de Gezondheidsdienst voor Dieren.

Artikel 48

Het in artikel 29, eerste lid, en artikel 39, eerste lid, bedoelde verbod geldt niet voor het verzamelen van runderen, schapen of geiten, afkomstig van verschillende bedrijven, voor een tentoonstelling of een keuring op een plaats, indien wordt voldaan aan de artikelen 49 tot en met 51.

Artikel 49

1. De organisator stelt ten minste 30 dagen voorafgaand aan de datum waarop de tentoonstelling of keuring zal plaatsvinden de VWA schriftelijk in kennis van naam, adres en telefoonnummer van de organisator van de tentoonstelling of keuring, de datum en plaats, alsmede het UBN van de plaats, en het aantal runderen, schapen of geiten dat wordt tentoongesteld of gekeurd.

2. De houder of eigenaar van de tentoon te stellen of te keuren runderen, schapen of geiten laat deze binnen vijf dagen voorafgaand aan de tentoonstelling of keuring door een dierenarts klinisch onderzoeken.

3. Van het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, wordt door de dierenarts en de houder of eigenaar van de runderen, schapen of geiten een verklaring opgesteld volgens het model in bijlage 8, waarin ten minste zijn opgenomen de identificatienummers, zoals voorgeschreven krachtens het Besluit identificatie en registratie van dieren, alsmede de naam van de houder of eigenaar van de runderen, schapen of geiten en het adres van het herkomstbedrijf van de runderen, schapen of geiten.

4. De organisator stelt voor aanvang van de tentoonstelling of keuring zeker dat de schapen of geiten individueel geregistreerd staan bij de Gezondheidsdienst voor Dieren en laat runderen, schapen of geiten toe tot de plaats indien zij vergezeld gaan van de door de dierenarts en de houder of eigenaar ondertekende verklaring, bedoeld in het derde lid.

5. De tentoon te stellen of te keuren runderen, schapen of geiten worden uitsluitend op de plaats aangevoerd en van de plaats afgevoerd met vervoermiddelen waarvoor krachtens de Wegenverkeerswet 1994 een kentekenbewijs of registratiebewijs is afgegeven.

6. Op de plaats zijn tegelijk met runderen, schapen of geiten geen andere evenhoevigen aanwezig.

7. De plaats is zodanig ingericht dat verschillende aanwezige diersoorten niet met elkaar in contact kunnen komen.

8. Runderen, schapen of geiten worden zo spoedig mogelijk na afloop van de tentoonstelling of keuring rechtstreeks vervoerd naar:

a. een in Nederland gelegen slachthuis, of

b. het bedrijf van herkomst.

9. In afwijking van artikel 29, derde lid, onderscheidenlijk artikel 39, derde lid, is het toegestaan runderen onderscheidenlijk schapen of geiten, afkomstig van verschillende bedrijven, op één vervoermiddel te verzamelen ten behoeve van het vervoer naar een tentoonstelling of keuring en dezelfde runderen onderscheidenlijk schapen of geiten na afloop van de tentoonstelling of keuring hetzij op de bedrijven van herkomst hetzij op een slachterij als bedoeld in het achtste lid, af te leveren.

10. Het in artikel 16, eerste lid, bedoelde verbod geldt niet voor de rechtstreekse afvoer van runderen naar een slachthuis indien deze runderen, na een tentoonstelling of keuring, zijn vervoerd naar het bedrijf van herkomst als bedoeld in het achtste lid.

11. Indien de dieren, bedoeld in het achtste lid, naar het bedrijf van herkomst worden vervoerd is artikel 16, zesde lid niet van toepassing.

Artikel 50

1. Eenieder, die het deel van de plaats, waar runderen, schapen of geiten verblijven, betreedt of verlaat, ontsmet zijn schoeisel door middel van voorzieningen, die duidelijk zichtbaar aanwezig zijn bij elke in- en uitgang van voornoemd deel van de plaats.

2. Op de plaats zijn voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen, waarmee evenhoevigen worden vervoerd, één of meer installaties aanwezig die water leveren van voldoende druk voor een deugdelijke en efficiënte reiniging en ontsmetting.

3. Artikel 63, eerste lid, is niet van toepassing bij het uitladen van evenhoevigen op een plaats.

4. Voordat een vervoermiddel, dat geladen is met runderen, schapen of geiten, de plaats verlaat, reinigt en ontsmet de bestuurder de wielen en wielkasten van dat vervoermiddel.

5. De reiniging en ontsmetting, bedoeld in het vierde lid, geschiedt op een verharde en voor water ondoordringbare ondergrond.

6. Bij de installatie of inrichting voor het reinigen en ontsmetten van vervoermiddelen, bedoeld in het tweede lid, is een lekvrije en afsluitbare voorziening voor de tijdelijke opslag en afvoer van mest en strooisel aanwezig.

7. Zo spoedig mogelijk na afloop van de tentoonstelling of keuring worden de verharde terreindelen van de plaats gereinigd en ontsmet met een installatie als bedoeld in bijlage 3, onderdeel 20.

Artikel 51

1. De organisator houdt een administratie bij overeenkomstig de artikelen 21, 35 en 36, eerste lid, onderdeel c, tweede en derde lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren 2002 en van de originele gezondheidsverklaringen, bedoeld in artikel 49, derde lid, en de kentekens van de vervoermiddelen waarmee runderen zijn aan- en afgevoerd.

2. Onverminderd artikel 21, vijfde lid, en 36, vierde lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren 2002 bewaart de organisator de administratie, bedoeld in het eerste lid, tot ten minste drie maanden na afloop van de tentoonstelling of keuring.

3. De organisator houdt de administratie zodanig bij dat de met toezicht belaste ambtenaren op basis hiervan alle aan- en afgevoerde dieren en de gebruikte vervoermiddelen eenvoudig kunnen traceren.

§ 7

Tarieven controle verzamelcentra

Artikel 52

Voor de werkzaamheden is de aanbieder een vergoeding verschuldigd. Deze vergoeding bestaat uit een starttarief van € 35,92 indien op de dag waarop de werkzaamheden plaatsvinden, geen varkens of runderen anders dan in doorvoer buiten Nederland worden gebracht en een bedrag van

a. € 28,65 per kwartier dat aan de werkzaamheden door een keuringsdierenarts is besteed, en

b. € 17,03 per kwartier dat aan de werkzaamheden door een assistent is besteed.

Artikel 53

Indien certificaten worden afgegeven, is de aanbieder boven de vergoedingen, bedoeld in artikel 52, een vergoeding verschuldigd van € 2,15 per certificaat.

Artikel 54

1. De artikelen 8 tot en met 10 van de Regeling tarieven Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zijn van overeenkomstige toepassing, voorzover de strekking van die artikelen zich daartegen niet verzet.

2. De aanbieder is een extra vergoeding verschuldigd boven de in artikel 52 verschuldigde vergoedingen, bestaande uit een bedrag van

a. € 5,71 per kwartier per voor de VWA met de werkzaamheden belaste indien de werkzaamheden later zijn aangemeld dan 14.00 uur van de werkdag voorafgaande aan de dag waarop de werkzaamheden zouden plaatsvinden;

b. € 8,17 per kwartier dat door een keuringsdierenarts aan werkzaamheden besteed is ingeval deze plaatsvinden buiten openingstijd;

c. € 5,71 per kwartier dat door een assistent aan werkzaamheden besteed is ingeval deze plaatsvinden buiten openingstijd;

d. € 13,88 ingeval zowel de situatie, bedoeld in onderdeel a als b van toepassing is;

e. € 11,42 ingeval zowel de situatie, bedoeld in onderdeel a als c van toepassing is.

3. De aanbieder is boven de vergoeding, bedoeld in artikel 52, een extra vergoeding verschuldigd voorzover door omstandigheden buiten toedoen van de met de werkzaamheden belaste persoon of personen, de werkzaamheden worden onderbroken of uitgesteld, bestaande uit een bedrag van

a. € 28,65 per kwartier voor iedere keuringsdierenarts voor elk kwartier dat de onderbreking of het uitstel heeft geduurd, en

b. € 17,03 per kwartier voor iedere assistent voor elk kwartier dat de onderbreking of het uitstel heeft geduurd.

4. De aanbieder is boven de vergoeding, bedoeld in artikel 52, een extra vergoeding verschuldigd voorzover door omstandigheden buiten toedoen van de met de werkzaamheden belaste persoon of personen, de werkzaamheden in het geheel of gedeeltelijk niet plaatsvinden, bestaande uit een bedrag van

a. € 28,65 voor iedere keuringsdierenarts die met deze werkzaamheden volgens de vaststelling van de kringdirecteur, bedoeld in artikel 27, welke kringdirecteur, zou zijn belast, voor elk kwartier dat de werkzaamheden volgens die vaststelling zouden hebben geduurd, en

b. € 17,03 voor iedere assistent die met deze werkzaamheden volgens de vaststelling van de kringdirecteur, bedoeld in artikel 27, welke kringdirecteur, zou zijn belast, voor elk kwartier dat de werkzaamheden volgens die vaststelling zouden hebben geduurd.

5. De aanbieder is een extra vergoeding verschuldigd boven de in het derde en vierde lid verschuldigde vergoedingen, bestaande uit een bedrag van

a. € 5,71 per kwartier per voor de VWA met de werkzaamheden belaste persoon indien de werkzaamheden later zijn aangemeld dan 14.00 uur van de werkdag voorafgaande aan de dag waarop de werkzaamheden zouden plaatsvinden;

b. € 8,17 per kwartier dat door een keuringsdierenarts aan werkzaamheden besteed is ingeval deze plaatsvinden buiten openingstijd;

c. € 5,71 per kwartier dat door een assistent aan werkzaamheden besteed is ingeval deze plaatsvinden buiten openingstijd;

d. € 13,88 ingeval zowel de situatie, bedoeld in onderdeel a als b van toepassing is;

e. € 11,42 ingeval zowel de situatie, bedoeld in onderdeel a als c van toepassing is.

Hoofdstuk 2

Hygiënevoorschriften

§ 1

Hygiënevoorschriften in het kader van vervoer van evenhoevigen

Artikel 55

1. Het is verboden evenhoevigen te vervoeren met een vervoermiddel.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien is voldaan aan de artikelen 62, 63, 65, 66, 71 tot en met 74.

3. In het eerste lid wordt onder het vervoeren met een vervoermiddel mede verstaan het aanwezig zijn van een vervoermiddel waarmee kennelijk evenhoevigen zijn of zullen worden vervoerd, op of in de nabijheid van plaatsen waar kennelijk evenhoevigen zijn gelost of geladen, dan wel waar gewoonlijk evenhoevigen worden gelost of geladen, met inbegrip van de daarbij behorende parkeerplaatsen.

Artikel 56

Indien een vervoerder van evenhoevigen het bepaalde in deze regeling bij herhaling overtreedt, kan de minister de erkenning, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het Besluit dierenvervoer 1994, schorsen of intrekken.

Artikel 57

Het is verboden een of meer evenhoevigen te vervoeren met een vervoermiddel waaruit uitwerpselen, strooisel of voeder kunnen lopen of vallen.

Artikel 58

1. Het is verboden een of meer evenhoevigen of vervoermiddelen voor evenhoevigen te vervoeren naar, dan wel een of meer evenhoevigen, af te leveren, te ontvangen of te houden op een slachtplaats, niet zijnde een slachtplaats met geringe capaciteit, verzamelcentrum voor evenhoevigen, of een andere, voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen bestemde of gebruikte plaats.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien die plaats beschikt over een reinigings- en ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen die is geregistreerd overeenkomstig artikel 78, eerste lid.

Artikel 59

1. Het is verboden een of meer evenhoevigen te ontvangen op een houderij van evenhoevigen of slachtplaats met geringe capaciteit.

2. Het in het eerste lid 1 bedoelde verbod geldt niet indien op dat bedrijf of op die plaats een voorziening voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen voor evenhoevigen aanwezig is die voldoet aan bijlage 9, deel A.

3. Het is verboden een of meer evenhoevigen te ontvangen op een houderij van evenhoevigen of een slachtplaats met geringe capaciteit, bij een temperatuur van 0 °C of lager.

4. Het in lid 3 bedoelde verbod geldt niet indien:

a. dat bedrijf of die plaats beschikt over een reinigings- en ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen die is geregistreerd overeenkomstig artikel 78, eerste lid, of

b. de voorziening, bedoeld in het tweede lid, zodanig is ingericht dat een deugdelijke en efficiënte reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen onder alle klimatologische omstandigheden ongehinderd, met voldoende capaciteit in relatie tot de werkzaamheden op het bedrijf en ongeacht het type vervoermiddel kan plaatsvinden.

5. De in het eerste en derde lid bedoelde verboden zijn niet van toepassing op een slachtplaats met geringe capaciteit waarvan de eigenaar of exploitant beschikt over een door de minister afgegeven vergunning om vervoermiddelen voor evenhoevigen te reinigen en te ontsmetten op een, in de vergunning genoemde, reinigings- en ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen, die is geregistreerd overeenkomstig artikel 78, eerste lid.

Artikel 60

De voorziening, bedoeld in artikel 59, tweede lid, wordt uitsluitend gebruikt voor het reinigen en ontsmetten van vervoermiddelen voor evenhoevigen.

Artikel 61

1. Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 59, vijfde lid, wordt ingediend bij de VWA met gebruikmaking van een daartoe bestemd aanvraagformulier.

2. Een vergunning als bedoeld in artikel 59, vijfde lid, wordt verleend indien de eigenaar of exploitant van de slachtplaats met geringe capaciteit ten genoegen van de minister aan de hand van schriftelijke stukken aantoont dat:

a. uitsluitend andere evenhoevigen dan varkens op de slachtplaats worden geslacht;

b. de op de slachtplaats geslachte dieren worden geslacht ten behoeve van de eigen verkoop aan consumenten;

c. voor de duur van de vergunning een schriftelijke overeenkomst is gesloten met de eigenaar of exploitant van een in de vergunning te noemen in de directe nabijheid gelegen reinigings- en ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen, die is geregistreerd overeenkomstig artikel 78 eerste lid, waaruit blijkt dat vervoermiddelen die op de slachtplaats dieren hebben afgeleverd op deze reinigings- en ontsmettingsplaats worden gereinigd en ontsmet.

3. De eigenaar of exploitant van de slachtplaats met geringe capaciteit, die beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 59 vijfde lid:

a. houdt op het bedrijf een register als bedoeld in artikel 77 bij;

b. toont aan dat direct na lossing van dieren op de slachtplaats de vervoermiddelen steeds zijn gereinigd en ontsmet op de in de vergunning genoemde reinigings- en ontsmettingsplaats en bewaart daartoe in elk geval afschriften van het bewijs, bedoeld in artikel 76, derde lid;

c. vermeldt in het geschrift, bedoeld in artikel 74, eerste lid, de datum, het tijdstip en de plaats van lossing van de evenhoevigen, alsmede het nummer van de vergunning en de naam van de in de vergunning genoemde reinigings- en ontsmettingsplaats.

4. De vergunning wordt verleend voor één jaar en kan jaarlijks op aanvraag worden verlengd.

5. De in het vierde lid bedoelde aanvraag tot verlenging wordt ten minste acht weken vóór afloop van de vergunning bij de VWA ingediend.

Artikel 62

1. Indien naar het oordeel van de minister niet wordt voldaan aan één of meer onderdelen van artikel 61, tweede of derde lid, wordt de eigenaar of exploitant hiervan op de hoogte gebracht en in de gelegenheid gesteld binnen een bepaalde termijn alsnog aan deze eisen te voldoen.

2. De minister kan de vergunning, bedoeld in artikel 59, vijfde lid, schorsen voor een bepaalde termijn indien de termijn, bedoeld in het eerste lid, is verstreken en de eigenaar of exploitant nog steeds niet voldoet aan één of meer onderdelen van artikel 61, tweede of derde lid.

3. Het is verboden een of meer evenhoevigen te ontvangen op een slachtplaats met geringe capaciteit ingeval van schorsing van de vergunning, bedoeld in het tweede lid.

4. De minister kan de vergunning, bedoeld in artikel 59, vijfde lid, intrekken indien:

a. de eigenaar of exploitant van de slachtplaats met geringe capaciteit niet voldoet aan het derde lid;

b. na afloop van de schorsing, bedoeld in het tweede lid, blijkt dat de eigenaar of exploitant nog steeds niet voldoet aan één of meer onderdelen van artikel 61, tweede of derde lid.

Artikel 63

1. De vervoerder is verplicht een vervoermiddel, de daarbij behorende voorwerpen daaronder begrepen, waarmee een of meer evenhoevigen worden vervoerd terstond na lossing op de plaats van lossing te reinigen en te ontsmetten en daarvan aantekening te maken in het in artikel 74, eerste lid, bedoelde geschrift.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer van evenhoevigen, niet zijnde varkens, die uitsluitend rechtstreeks van de stal of de weide naar een andere weide en terug worden vervoerd met een vervoermiddel, voorzover het vervoermiddel zo spoedig mogelijk na dit vervoer wordt gereinigd en ontsmet en daarvan aantekening wordt gemaakt in het in artikel 74, eerste lid, bedoelde geschrift.

3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de vervoerder evenhoevigen, niet zijnde varkens, heeft gelost bij een slachtplaats met geringe capaciteit, waarvan de eigenaar of exploitant beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 59, vijfde lid.

§ 2

Voorschriften inzake reiniging en ontsmetting vervoermiddelen voor evenhoevigen

Artikel 64

1. Het is verboden een ongeladen vervoermiddel waarmee een of meer evenhoevigen zijn vervoerd, op de openbare weg te brengen, dan wel op een houderij van evenhoevigen, slachtplaats, verzamelcentrum voor evenhoevigen, of andere plaats waar evenhoevigen verblijven.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien het vervoermiddel is gereinigd en ontsmet en die reiniging en ontsmetting is vermeld in het in artikel 74, eerste lid, bedoelde geschrift.

3. Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op het vervoer van evenhoevigen als bedoeld in artikel 63, tweede lid.

Artikel 65

Het in artikel 64, eerste lid, bedoelde verbod is niet van toepassing op het vervoer van een vervoermiddel over de openbare weg vanaf een slachtplaats met geringe capaciteit, waarvan de eigenaar of exploitant beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 59, vijfde lid, indien:

a. voldaan is aan artikel 61, derde lid, onder c, en

b. het vervoermiddel direct na lossing op de slachtplaats rechtstreeks, langs de kortste weg naar de in de vergunning aangewezen reinigings- en ontsmettingsplaats rijdt om aldaar gereinigd en ontsmet te worden.

Artikel 66

1. Met een vervoermiddel worden niet tegelijkertijd verschillende diersoorten vervoerd.

2. De vervoerder van schapen en geiten voldoet aan artikel 8 quater, derde lid, van richtlijn nr. 91/68/EEG.

Artikel 67

1. Een vervoermiddel waarmee een of meer evenhoevigen worden vervoerd, wordt na aankomst op de plaats van aflevering geheel gelost.

2. De eigenaar of exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, van de plaats waar evenhoevigen worden gelost, verleent alle medewerking aan de reiniging en ontsmetting van het vervoermiddel waarmee de evenhoevigen zijn vervoerd.

Artikel 68

1. Indien voor het vervoer van varkens naar een lidstaat of een derde land, nadat deze reeds van een varkenshouderijbedrijf zijn afgevoerd, ingevolge artikel 59, tweede lid, onderdeel e, van de wet in samenhang met artikel 6, eerste lid, van het Besluit dierenvervoer 1994 geen certificaat wordt afgegeven, is het in afwijking van artikel 67, eerste lid, toegestaan het vervoermiddel waarmee deze varkens vervoerd zijn, na aankomst op het varkenshouderijbedrijf van herkomst, gedeeltelijk te lossen.

2. De vervoerder draagt er in afwijking van artikel 63, eerste lid, van deze regeling en artikel 2.11 van de Regeling handel levende dieren en levende producten, zorg voor dat de wielen en de wielkasten van een vervoermiddel als bedoeld in het eerste lid na aankomst op het varkenshouderijbedrijf van herkomst, zo spoedig mogelijk na de lossing, maar voordat het vervoermiddel dit bedrijf weer verlaat, op de plaats van lossing worden gereinigd en ontsmet.

3. De reiniging en ontsmetting, bedoeld in het tweede lid, heeft plaats door middel van een installatie die water levert van voldoende druk voor een deugdelijke en efficiënte reiniging en ontsmetting.

Artikel 69

1. Een vervoermiddel dat kennelijk is gebruikt voor het vervoeren van een of meer evenhoevigen in een lidstaat dan wel in een derde land en leeg vanuit die lidstaat, onderscheidenlijk dat derde land, anders dan in doorvoer in Nederland wordt gebracht, wordt onmiddellijk gereinigd en ontsmet op een op grond van artikel 78, eerste lid, geregistreerde reinigings- en ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen. De vervoerder toont binnen 24 uur na binnenkomst aan de VWA het bewijs, bedoeld in artikel 76, derde lid.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op een vervoermiddel waarvan de vervoerder binnen 24 uur na binnenkomst in Nederland aan de VWA een bewijs zendt dat het vervoermiddel is gereinigd en ontsmet op een reinigings- en ontsmettingsplaats in de lidstaat, bedoeld in het eerste lid, welke plaats is erkend in de zin van artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van richtlijn nr. 64/432/EEG.

3. Het tweede lid is niet van toepassing op een vervoermiddel dat kennelijk is gebruikt voor het anders dan in doorvoer vervoeren van één of meer evenhoevigen in Italië of in Slowakije en ongeladen vanuit één van deze gebieden in Nederland wordt gebracht.

Artikel 70

1. Een vervoermiddel waarmee een of meer evenhoevigen in Nederland worden gebracht, afkomstig uit een lidstaat of een derde land, en dat wordt gelost, wordt op de plaats van lossing zo spoedig mogelijk na de lossing, tezamen met de bij het vervoermiddel behorende voorwerpen gereinigd en ontsmet. De vervoerder toont binnen 24 uur na binnenkomst aan de VWA het bewijs, bedoeld in artikel 76, derde lid, dat de reiniging en ontsmetting is geschied.

2. Een vervoermiddel waarmee een of meer evenhoevigen in Nederland worden gebracht, afkomstig uit een lidstaat of een derde land, en dat wordt gelost op een plaats die niet beschikt over een reinigings- en ontsmettingsplaats als bedoeld in artikel 78, eerste lid, wordt na reiniging en ontsmetting op de plaats van lossing onmiddellijk vervoerd naar een reinigings- en ontsmettingsplaats als bedoeld in artikel 78, eerste lid, om aldaar te worden gereinigd en ontsmet.

Artikel 71

1. De vervoerder van een vervoermiddel dat in een lidstaat dan wel in een derde land is gebruikt om een of meer evenhoevigen te vervoeren en leeg vanuit die lidstaat, onderscheidenlijk dat derde land, in Nederland wordt gebracht en welk vervoermiddel niet voldoet aan artikel 69, tweede lid en derde lid, brengt dit vervoermiddel niet op enige plaats, tenzij om te voldoen aan artikel 69, eerste lid.

2. De vervoerder van een vervoermiddel dat is geladen met een of meer evenhoevigen uit een lidstaat dan wel uit een derde land dat anders dan in doorvoer in Nederland wordt gebracht, brengt dit vervoermiddel voorafgaand aan lossen niet op een andere plaats dan de plaats van aflevering opgenomen in het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 5 van richtlijn nr. 64/432/EEG, artikel 9 van richtlijn nr. 91/68/EEG, artikel 11 van richtlijn nr. 72/462/EEG, onderscheidenlijk artikel 6 van richtlijn nr. 92/65/EEG.

Artikel 72

1. Het is verboden een ongeladen vervoermiddel waarmee een of meer evenhoevigen zijn of kunnen worden vervoerd, te ontvangen op een houderij van evenhoevigen.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien de eigenaar of exploitant van deze houderij dan wel diens vertegenwoordiger:

a. vaststelt dat het vervoermiddel is gereinigd en ontsmet;

b. vaststelt dat in het in artikel 74, eerste lid, bedoelde, bij het betrokken vervoermiddel behorende geschrift van de reiniging en ontsmetting melding is gemaakt, dan wel dat door de vervoerder, ingeval het gaat om een vervoermiddel waarin of waarbij ingevolge deze regeling een dergelijk geschrift niet aanwezig behoeft te zijn, de reiniging en ontsmetting op andere wijze kan worden aangetoond, en

c. voldoet aan artikel 77.

Artikel 73

De reiniging en ontsmetting, bedoeld in de artikelen 63, 64, 69 en 70 geschieden overeenkomstig de in bijlage 10 opgenomen voorschriften.

§ 3

Administratieve voorschriften/registraties

Artikel 74

1. De vervoerder van een vervoermiddel waarmee evenhoevigen worden vervoerd, vermeldt in het daartoe door de minister, per vervoerseenheid verstrekte geschrift elke datum en elk tijdstip waarop, alsmede het adres van elke plaats waar reiniging en ontsmetting van dat vervoermiddel heeft plaatsgevonden.

2. In aanvulling op het eerste lid houdt de vervoerder van een vervoermiddel waarmee schapen of geiten worden vervoerd een register bij dat voldoet aan artikel 8 quater, tweede lid, van richtlijn nr. 91/68/EEG.

3. De vervoerder van een vervoermiddel waarmee schapen of geiten worden vervoerd, overlegt aan de VWA een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 8 quater, vierde lid, van richtlijn nr. 91/68/EEG.

4. Ingeval de reiniging en ontsmetting plaatsvindt op een reinigings- en ontsmettingsplaats als bedoeld in artikel 78:

a. wordt de vermelding van de reiniging en ontsmetting in het geschrift, bedoeld in het eerste lid, voorzien van het stempel van de eigenaar of exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, van de reinigings- en ontsmettingsplaats, waarin de naam en het adres van die plaats is te lezen, alsmede van de handtekening van de persoon die namens de eigenaar of exploitant de reiniging of ontsmetting heeft verricht of daarop toezicht heeft gehouden, en

b. worden de datum en het tijdstip waarop de reiniging en ontsmetting heeft plaatsgevonden, door de eigenaar of exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, van de reinigings- en ontsmettingsplaats, bijgehouden in een daartoe bestemd register, onder vermelding van de naam van de persoon die en in voorkomend geval het bedrijf dat of de organisatie die namens de eigenaar of exploitant de reiniging of ontsmetting heeft verricht of daarop toezicht heeft gehouden, alsmede van het kenteken van ieder vervoermiddel en het nummer dat is vermeld op het goedkeuringsbewijs, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Regeling dierenvervoer, dat bij het betrokken vervoermiddel behoort.

5. Het register, bedoeld in het vierde lid, wordt op de reinigings- en ontsmettingsplaats, bedoeld in artikel 78, bewaard, voorzover het register vermeldingen bevat van reinigingen en ontsmettingen die korter dan drie jaren geleden hebben plaatsgevonden.

6. De eigenaar of exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger van de reinigings- en ontsmettingsplaats, bedoeld in artikel 78, verstrekt de VWA:

a. de namen van de personen en het bedrijf of de organisatie, bedoeld in het vierde lid, en

b. een afschrift van een overeenkomstig de aanwijzingen van de minister opgesteld geschrift, waarin is vastgelegd op welke wijze het proces van reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen op die reinigings- en ontsmettingsplaats wordt uitgevoerd.

7. Ingeval de reiniging en ontsmetting plaatsvindt op een houderij van evenhoevigen wordt de vermelding van de reiniging en ontsmetting in het geschrift, bedoeld in het eerste lid, voorzien van de handtekening van de eigenaar of exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, van dat bedrijf, nadat deze de reiniging en ontsmetting van het vervoermiddel heeft gecontroleerd en heeft vastgesteld dat deze overeenkomstig bijlage 10 heeft plaatsgevonden.

8. Het geschrift, bedoeld in het eerste lid, is in of bij het betreffende vervoermiddel aanwezig, zolang dat geschrift vermeldingen bevat van reinigingen en ontsmettingen die korter dan twee maanden geleden hebben plaatsgevonden. De vervoerder bewaart het geschrift vervolgens gedurende drie jaren na de datum waarop de laatste in het geschrift vermelde reiniging of ontsmetting heeft plaatsgevonden, op zijn bedrijf of onderneming.

9. De vervoerder draagt er zorg voor dat in of bij de tot zijn bedrijf of onderneming behorende vervoermiddelen tijdig en voldoende geschriften als bedoeld in het eerste lid aanwezig zijn.

10. In of bij een vervoermiddel waarmee een of meer runderen of varkens zijn vervoerd, is gedurende ten minste tien dagen na het betreffende vervoer tevens een afschrift aanwezig van het vervoersdocument, bedoeld in de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003, en van het gezondheidscertificaat, bedoeld in richtlijn nr. 64/432/EEG, dan wel richtlijn nr. 72/462/EEG, die de partij runderen of varkens hebben vergezeld, een en ander voorzover dit document, onderscheidenlijk certificaat, voor de betreffende runderen of varkens is voorgeschreven.

11. De vervoerder bewaart de in het tiende lid bedoelde afschriften op zijn bedrijf of onderneming gedurende drie jaren, gerekend vanaf het tijdstip waarop de afschriften op het bedrijf of de onderneming aanwezig zijn.

12. De chauffeur van een vervoermiddel waarmee een of meer runderen of varkens worden vervoerd, draagt er zorg voor dat, alvorens het vervoermiddel het Nederlands grondgebied verlaat vóór het verstrijken van de termijn, bedoeld in het achtste lid, de in het vervoermiddel aanwezige afschriften, bedoeld in dat lid, op het bedrijf of de onderneming waartoe het vervoermiddel behoort, aanwezig zijn.

13. Het geschrift, bedoeld in het eerste lid, is te allen tijde in het vervoermiddel aanwezig.

Artikel 75

Artikel 74 is van overeenkomstige toepassing op een vervoermiddel waarmee een of meer runderen of varkens zijn vervoerd, dat blijkens zijn kenteken in het buitenland thuishoort, waarbij geldt dat waar in dat artikel sprake is van de vermelding van gegevens in het door de minister verstrekte geschrift, de bedoelde gegevens ook op andere wijze mogen worden vastgelegd, voorzover dit geschiedt op een wijze die voor een ambtenaar als bedoeld in artikel 114, eerste lid, van de wet, controleerbaar is.

Artikel 76

1. Bij een vermelding als bedoeld in artikel 74, vierde lid, wordt aangetekend dat de reiniging en ontsmetting betrekking heeft op een reiniging en ontsmetting als bedoeld in artikel 69, onderscheidenlijk 70, is verricht.

2. Indien het vervoermiddel blijkens zijn kenteken in het buitenland thuishoort, wordt door de eigenaar of de exploitant van de reinigings- en ontsmettingsplaats dan wel diens vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 74, vierde lid, aan de vervoerder van dat vervoermiddel een reinigings- en ontsmettingsverklaring afgegeven die in het vervoermiddel wordt bewaard.

3. De eigenaar of de exploitant van de reinigings- en ontsmettingsplaats dan wel diens vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 74, vierde lid, verstrekt na afloop van de reiniging en ontsmetting aan de vervoerder een bewijs, overeenkomstig het model in bijlage 11, dat de reiniging en ontsmetting is geschied.

Artikel 77

De eigenaar of exploitant van een houderij van evenhoevigen, verzamelcentrum voor evenhoevigen, of slachtplaats, dan wel diens vertegenwoordiger, vermeldt in een op het bedrijf aanwezig register de datum van de aanwezigheid, het tijdstip van de laatste reiniging en ontsmetting, alsmede het kenteken en het nummer van het in artikel 74, vierde lid, onderdeel b, bedoelde goedkeuringsbewijs van elk vervoermiddel waarmee een of meer evenhoevigen zijn of worden vervoerd, waarbij:

a. ingeval het vervoermiddel een Nederlands vervoermiddel is, het tijdstip van de laatste reiniging en ontsmetting van het betrokken vervoermiddel wordt overgenomen uit het geschrift, bedoeld in artikel 74, eerste lid;

b. ingeval het vervoermiddel een leeg vervoermiddel als bedoeld in artikel 69, eerste lid, is dat blijkens het kenteken in het buitenland thuishoort, het tijdstip van de laatste reiniging en ontsmetting wordt overgenomen uit de verklaring, bedoeld in artikel 76, tweede lid;

c. ingeval het vervoermiddel een geladen vervoermiddel als bedoeld in artikel 70, eerste lid, is dat blijkens het kenteken in het buitenland thuishoort, als datum van de laatste reiniging en ontsmetting wordt overgenomen de datum van afgifte van het certificaat, bedoeld in artikel 74, achtste lid.

Artikel 78

1. Registratie van een reinigings- en ontsmettingsplaats vindt plaats, indien:

a. de plaats voldoet aan de eisen, opgenomen in bijlage 9, deel B, en

b. de eigenaar of exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, van de plaats door middel van een daartoe opgesteld document ten genoegen van de minister garandeert dat de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen voor evenhoevigen die op zijn bedrijf worden gebracht, op adequate wijze en in overeenstemming met deze regeling geschieden.

2. De registratie geschiedt door de minister nadat is gebleken dat aan het eerste lid is voldaan.

3. De aanvraag van een registratie wordt schriftelijk ingediend bij de VWA.

4. Aan een reinigings- en ontsmettingsplaats die is geregistreerd, wordt een registratienummer toegekend.

5. De registratie kan door de minister worden doorgehaald, indien:

a. niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor registratie;

b. de eigenaar of exploitant van de reinigings- en ontsmettingsplaats, dan wel diens vertegenwoordiger, waaronder mede begrepen degene die op grond van artikel 74, vierde lid, de reiniging verricht of daarop toezicht houdt, bij aankomst van een leeg vervoermiddel dat niet of onvoldoende is gereinigd, niet terstond meldt bij de Algemene Inspectiedienst;

c. niet wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde document is gegarandeerd, of

d. de eigenaar of exploitant van de reinigings- en ontsmettingsplaats, dan wel diens vertegenwoordiger, waaronder mede begrepen degene die op grond van artikel 74, vierde lid, de reiniging verricht of daarop toezicht houdt, enig ander van toepassing zijnd voorschrift van deze regeling op de reinigings- en ontsmettingsplaats niet naleeft.

6. De minister houdt een register bij van geregistreerde reinigings- en ontsmettingsplaatsen dat ter inzage ligt bij de VWA.

§ 4

Hygiënevoorschriften varkenshouderijbedrijven

Artikel 79

1. Het is verboden:

a. een of meer varkens te ontvangen op een varkenshouderijbedrijf;

b. een of meer varkens op een varkenshouderijbedrijf te houden, of

c. een of meer varkens die zich op een varkenshouderijbedrijf bevinden, ten vervoer af te staan.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien:

a. op het bedrijf een zodanige (erf)afsluiting aanwezig is rondom de gebouwen waar dieren worden gehouden en het bedrijfsterrein, dat een directe toegang tot deze gebouwen en dat terrein onmogelijk is;

b. in het bedrijf de ruimten van gebouwen, voorzover in die ruimten een of meer varkens worden gehouden, door een slot afgesloten kunnen worden en bij afwezigheid van de houder afgesloten zijn;

c. op het bedrijf in de ruimten van gebouwen, voorzover in die ruimten een of meer evenhoevigen worden gehouden, geen andere landbouwhuisdieren aanwezig zijn of kunnen komen;

d. op het bedrijf in de gebouwen waar een of meer varkens worden gehouden, deugdelijke ongediertebestrijding plaatsvindt;

e. op het bedrijf aanwezige, lege vervoermiddelen zijn gereinigd en ontsmet;

f. op het bedrijf aanwezige producten en voorwerpen die van buiten het bedrijf afkomstig zijn, zijn gereinigd en ontsmet, voorzover de aard van die producten en voorwerpen zich niet verzet tegen reiniging en ontsmetting;

g. op het bedrijf aanwezige personen gekleed zijn in bedrijfskleding en laarzen van het bedrijf;

h. de kadaverplaatsen waarop kadavers ter destructie worden aangeboden, voldoen aan de in bijlage 12 bij deze regeling opgenomen inrichtings- en gebruikseisen;

i. op het bedrijf tot het bedrijf behorende drijfschotten voor het verplaatsen van varkens en merktangen voor het aanbrengen van identificatiemerken aanwezig zijn;

j. de eigenaar of exploitant van het bedrijf, dan wel diens vertegenwoordiger, dan wel degene die op dat bedrijf een of meer varkens houdt, al datgene heeft gedaan wat in redelijkheid in zijn vermogen ligt om het optreden van besmettelijke dierziekten op het bedrijf te voorkomen;

k. ingeval de eigenaar of exploitant van het bedrijf, dan wel diens vertegenwoordiger, dan wel degene die op dat bedrijf een of meer varkens houdt, varkens die verschijnselen van een besmettelijke dierziekte vertonen, behandelt of laat behandelen, binnen 24 uur nadat die behandeling is ingesteld, bloed is afgenomen en is ingestuurd ten behoeve van onderzoek op de aanwezigheid van een besmettelijke dierziekte;

l. de eigenaar of exploitant van het bedrijf, dan wel diens vertegenwoordiger, dan wel degene die op dat bedrijf een of meer varkens houdt, voorzover op dat bedrijf varkens mogelijk ten gevolge van een besmettelijke dierziekte zijn gestorven, een representatief aantal van die dieren ter sectie heeft ingestuurd ten behoeve van onderzoek op de aanwezigheid van klassieke varkenspest, of

m. de eigenaar of exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, van het bedrijf eenmaal per twaalf maanden door een geaccrediteerde keuringsinstantie overeenkomstig bijlage 13 een bedrijfsrapport laat opstellen waaruit blijkt in hoeverre op het bedrijf wordt voldaan aan de in deze regeling gestelde voorschriften en welke voorzieningen eventueel zouden moeten worden getroffen, indien het bedrijf niet of niet volledig aan die voorschriften voldoet en de eigenaar of exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, een exemplaar van dat bedrijfsrapport op het bedrijf bewaart.

§ 5

Hygiënevoorschriften bij uitoefening beroep of bedrijf

Artikel 80

1. Een persoon die ter uitoefening van beroep of bedrijf in contact komt met evenhoevigen dan wel een deel van een bedrijfsgebouw betreedt waarbinnen evenhoevigen verblijven:

a. gebruikt bedrijfseigen kleding en schoeisel of eigen kleding, voorzover hij met die kleding geen ander bedrijf bezoekt waar evenhoevigen verblijven;

b. reinigt en ontsmet zijn schoeisel voor het betreden en bij het verlaten van het bedrijfsgebouw, en

c. gebruikt zoveel mogelijk de reeds op het bedrijf aanwezige gereedschappen. Ingeval de benodigde gereedschappen niet op het bedrijf aanwezig zijn, draagt de bezoeker zorg voor reiniging en ontsmetting van de gebruikte gereedschappen.

2. Onder bedrijfsgebouw als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan een bedrijfsgebouw dat deel uitmaakt van een op grond van titel 2, hoofdstuk 1, paragraaf 2, 3 en 4 erkend varkensverzamelcentrum, runderverzamelcentrum, schapenverzamelcentrum of geitenverzamelcentrum, dan wel een plaats waar een tentoonstelling of keuring wordt gehouden, voorzover is voldaan is aan titel 2, hoofdstuk 1, paragraaf 6.

§ 6

Overige bepalingen

Artikel 81

1. Degene die ingevolge dit hoofdstuk gegevens moet bijhouden of vermelden op daartoe bestemde bescheiden, doet dit volledig, juist en naar waarheid.

2. Het bijhouden of vermelden van de in het eerste lid bedoelde gegevens geschiedt onverwijld nadat de gegevens bekend zijn bij degene die zij ingevolge deze regeling moet bijhouden of vermelden.

3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden gedurende een jaar bewaard.

Titel 3

Monitoring

Hoofdstuk 1

Monitoring/controle dierziekten

§ 1

Varkenspest

Artikel 82

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. dierziekten: de in bijlage 14 genoemde ziekten.

b. bedrijf: locatie van een landbouwbedrijf, waar, anders dan voor recreatieve of educatieve doeleinden, een of meer varkens worden gehouden dan wel een locatie die voor het zodanig houden is bestemd.

Artikel 83

1. Het is verboden varkens op een bedrijf af te leveren of te ontvangen.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien de zending varkens vergezeld gaat van een geldige verklaring van een dierenarts, waaruit ten genoegen van de minister blijkt dat onderzoek heeft aangetoond dat de dieren afkomstig zijn van een bedrijf dat vrij is van dierziekten.

Artikel 84

1. Het is verboden varkens op een bedrijf aanwezig te hebben.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien een geldige verklaring van een dierenarts op het bedrijf aanwezig is, waaruit ten genoegen van de minister blijkt dat onderzoek heeft aangetoond dat het bedrijf waar de varkens aanwezig zijn vrij is van dierziekten.

Artikel 85

1. Het is verboden varkens te vervoeren.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien de zending varkens vergezeld gaat van een geldige verklaring van een dierenarts, waaruit ten genoegen van de minister blijkt dat onderzoek heeft aangetoond dat de dieren afkomstig zijn van een bedrijf dat vrij is van dierziekten.

Artikel 86

1. Het ingevolge de artikelen 83, 84 of 85 ten genoegen van de minister verrichte onderzoek houdt in dat de dierenarts ten minste een keer in de vier weken de op het bedrijf aanwezige dieren klinisch heeft onderzocht en heeft vastgesteld dat er geen verschijnselen van besmettelijke veeziekten genoemd in artikel 7 van de Veewet en van varkenspest zijn.

2. Indien niet is voldaan aan het eerste lid wordt de verklaring slechts afgegeven indien de dierenarts het bedrijf serologisch heeft laten onderzoeken op de aanwezigheid van antistoffen tegen varkenspest overeenkomstig bijlage 15.

Artikel 87

1. De in artikel 83, 84 en 85 bedoelde verklaring heeft een geldigheidsduur van vier weken.

2. Een afschrift van de in artikel 83, 84 en 85 bedoelde verklaringen dient na het verstrijken van de geldigheidsduur ten minste twee jaar te worden bewaard.

§ 2

Aviaire Influenza

Artikel 88

1. Het is verboden, onverminderd de artikelen 19 en 100 van de wet, AI-gevoelige dieren op een bedrijf te houden.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien wordt voldaan aan artikel 89 en 90.

Artikel 89

1. De ondernemer meldt onverwijld elke verhoogde sterfte van AI-gevoelige dieren van meer dan 3% per week aan het Landelijk LNV dierziekten meldnummer.

2. De ondernemer consulteert een dierenarts indien bij AI-gevoelige dieren een klinisch probleem zichtbaar is of indien er een reductie van voer- of drinkwateropname is van meer dan 20%.

3. Indien er geen sprake is van Aviaire Influenza of Newcastle Disease doet de dierenarts binnen acht uur melding van de klacht en het klinische probleem van de desbetreffende dieren en van de naam- en adresgegevens van het bedrijf aan de Gezondheidsdienst voor Dieren.

Artikel 90

In het kader van het Monitoringsprogramma Aviaire Influenza 2003 nemen de personen die bedrijfsmatig kippen, kalkoenen en eenden houden, op instructie van de Gezondheidsdienst voor dieren, bloed af bij deze dieren, teneinde dat in laboratoria te laten onderzoeken op Aviaire Influenza.

Artikel 91

1. Ter uitvoering van de artikelen 17, 18 en 30 van de wet wordt medewerking gevorderd van het Productschap Pluimvee en Eieren.

2. De in het eerste lid bedoelde medewerking bestaat uit het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden, het aanwijzen van laboratoria en het bij verordening stellen van regels, inzake het laten afnemen van bloed bij pluimvee teneinde dit te laten onderzoeken op de aanwezigheid van Aviaire Influenza.

§ 3

Newcastle Disease

Artikel 92

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

dieren: kippen en kalkoenen.

Artikel 93

1. De ondernemer vaccineert de op zijn pluimveebedrijf aanwezige dieren ten genoegen van de minister onder verantwoordelijkheid van een dierenarts overeenkomstig een van de in bijlage 16 bedoelde methoden en overeenkomstig de in die bijlage bedoelde voorschriften tegen Newcastle Disease.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op dieren die voorafgaand aan de aanvoer op het pluimveebedrijf van de ondernemer overeenkomstig het eerste lid zijn gevaccineerd en waarvan de ondernemer ten genoegen van de minister aantoont dat ze aan de in het vierde lid bedoelde waarde voldoen, en op eendagskuikens waarvan de ouderdieren aan deze waarde voldoen.

3. De ondernemer laat van de dieren van zijn pluimveebedrijf bloed afnemen en laat dit, met gebruikmaking van een ingevuld en ondertekend formulier overeenkomstig het in bijlage 17 bedoelde model, ten genoegen van de minister en bij een door de minister aangewezen laboratorium onderzoeken op de aanwezigheid van antistoffen tegen Newcastle Disease, overeenkomstig de in bijlage 18 bedoelde voorschriften en overeenkomstig de in bijlage 3, hoofdstuk 5, van richtlijn nr. 92/66/EEG bedoelde methode.

4. Bij koppels, niet zijnde koppels vleeskuikens en koppels vleeskalkoenen, voldoet vanaf een leeftijd van 28 dagen ten minste één van de dertig onderzochte monsters en vanaf een leeftijd van 70 dagen ten minste 90% van het aantal onderzochte monsters aan de waarde gemeten in de haemagglutinatie-inhibitie-test van 1:8.

5. Bij koppels vleeskuikens en koppels vleeskalkoenen voldoet vanaf een leeftijd van 28 dagen ten minste één van de dertig onderzochte monsters aan de waarde gemeten in de haemagglutinatie-inhibitie-test van 1:8.

6. Indien uit het in het derde lid bedoelde onderzoek blijkt dat de immuniteit van de desbetreffende dieren, niet zijnde koppels vleeskuikens en koppels vleeskalkoenen, niet voldoet aan de in het vierde lid bedoelde waarde zorgt de ondernemer terstond voor het door een dierenarts vaccineren van de dieren overeenkomstig een van de in bijlage 16 bedoelde methoden en overeenkomstig de in die bijlage bedoelde voorschriften en laat de ondernemer de dieren uiterlijk twee weken na het vaccineren opnieuw onderzoeken overeenkomstig het derde lid.

7. Indien uit het in het derde lid bedoelde onderzoek van vleeskuikens en vleeskalkoenen blijkt dat de immuniteit van de desbetreffende dieren niet voldoet aan de in het vijfde lid bedoelde waarde zorgt de ondernemer voor het vaccineren van het eerstvolgende koppel door een dierenarts overeenkomstig een van de in bijlage 16 bedoelde methoden en overeenkomstig de in die bijlage bedoelde voorschriften.

8. Indien uit het in het derde lid bedoelde onderzoek blijkt dat de immuniteit van het in het zevende lid bedoelde eerstvolgende koppel niet voldoet aan de in het vijfde lid bedoelde waarde zorgt de ondernemer gedurende één jaar voor het vaccineren van alle koppels vleeskuikens of vleeskalkoenen die op zijn bedrijf worden gehouden door een dierenarts overeenkomstig de in bijlage 19 bedoelde voorschriften.

Artikel 94

1. De ondernemer draagt terstond nadat de vaccinaties zijn verricht zorg voor het invullen en ondertekenen van een vaccinatieverklaring overeenkomstig het in bijlage 20 bedoelde model.

2. De ondernemer overlegt in de periode van 72 tot 24 uur vóór het slachten aan de keuringsdierenarts of diens assistent in het slachthuis een kopie van de op de desbetreffende dieren betrekking hebbende vaccinatieverklaringen en een kopie van de uitslagen van het in artikel 93, derde lid, bedoelde onderzoek van bloed van de desbetreffende dieren.

3. In afwijking van het tweede lid overlegt de ondernemer in de periode van 72 tot 24 uur vóór het slachten aan de keuringsdierenarts of diens assistent in het slachthuis van koppels, voorzover het betreft vleeskuikens en vleeskalkoenen, de uitslagen van het in artikel 93, derde lid, bedoelde onderzoek van bloed van het vorige koppel dat ter slacht is aangeboden.

4. De ondernemer bewaart de in het eerste lid bedoelde vaccinatieverklaringen en van de uitslagen van het in artikel 93, derde lid, bedoelde onderzoek gedurende een periode van vijf jaren op zijn bedrijf.

5. In afwijking van het vierde lid bewaart de ondernemer die leghennen dan wel reproductiedieren houdt gedurende een periode van vijf jaren op zijn bedrijf de in het eerste lid bedoelde vaccinatieverklaringen en de uitslagen van het in artikel 93, derde lid, bedoelde onderzoek, voorzover de genoemde gegevens betrekking hebben op vaccinaties en bloedonderzoeken die op het bedrijf of op een bedrijf waar de dieren eerder zijn gehouden zijn verricht.

Titel 4

Zoönosen en TSE’s

Hoofdstuk 1

Zoönosen

§ 1

Monitoring, preventie en bestrijding van zoönosen en zoönoseverwekkers bij dieren

Artikel 95

1. Ter uitvoering van artikel 3a van het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten wordt medewerking gevorderd van het Productschap Pluimvee en Eieren, het Productschap Vee en Vlees, het Productschap Diervoeder en het Productschap Zuivel.

2. De in het eerste lid gevorderde medewerking bestaat uit het stellen van regels ten behoeve van onderzoek naar de aanwezigheid van zoönosen, zoönoseverwekkers, antimicrobiële resistentie bij zoönoseverwekkers en bij andere verwekkers, wanneer deze een gevaar opleveren voor de volksgezondheid, overeenkomstig richtlijn nr. 2003/99/EG;

3. Het Productschap Pluimvee en Eieren, het Productschap Vee en Vlees, het Productschap Diervoeder en het Productschap Zuivel verstrekken de minister de gegevens die zij hebben verzameld in het kader van het tweede lid.

4. Het Productschap Pluimvee en Eieren, het Productschap Vee en Vlees, het Productschap Diervoeder en het Productschap Zuivel kunnen voor de onderzoeken of verrichtingen die de productschappen uitvoeren in het kader van het eerste en tweede lid een vergoeding van kosten heffen.

5. Het Productschap Diervoeder kan in de artikelen 2 en 3 van de Verordening PDV monitoring zoönosen en zoönosenverwekkers diervoedersector 2005 bepalen dat bij overtreding van deze artikelen tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld.

6. Het Productschap Diervoeder kan personen aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de regels, waarvoor overeenkomstig het vijfde lid, tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld.

Artikel 96

1. Ter uitvoering van artikel 3a van het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten wordt medewerking gevorderd van het Productschap Pluimvee en Eieren.

2. De in het eerste lid gevorderde medewerking bestaat uit:

a. het stellen van regels met betrekking tot het verrichten van onderzoek ten behoeve van de monitoring van zoönosen, zoönoseverwekkers, antimicrobiële resistentie bij zoönoseverwekkers en bij andere verwekkers, wanneer deze een gevaar opleveren voor de volksgezondheid, ter uitvoering van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgestelde voorschriften ter uitvoering van artikel 4 verordening (EG) nr. 2160/2003;

b. het stellen van regels met betrekking tot de uitvoering van het nationale bestrijdingsprogramma zoönosen en zoönoseverwekkers, bedoeld in artikel 5 van verordening (EG) nr. 2160/2003, voorzover het gaat om:

1°. hygiënemaatregelen en vervoersbeperkingen op pluimveebedrijven en bedrijven die producten van pluimvee verwerken ter voorkoming van een besmetting met, naar aanleiding van een verdenking van een besmetting met en naar aanleiding van een besmetting met een zoönose of een zoönoseverwekker;

2°. het doen van onderzoek ten behoeve van de controle op een besmetting met een zoönose of een zoönoseverwekker;

3°. het traceren van de dieren en dierlijke producten die aanwezig zijn of zijn geweest op een pluimveebedrijf en worden verdacht van of zijn besmet met een zoönose of een zoönoseverwekker;

4°. het afvoeren, vernietigen en behandelen van de dieren en dierlijke producten die aanwezig zijn op een pluimveebedrijf en worden verdacht van of zijn besmet met een zoönose of een zoönoseverwekker;

5°. het vergoeden van de dieren en dierlijke producten, bedoeld onder 4°.

c. het stellen van regels met betrekking tot de uitvoering van de speciale bestrijdingsmethoden die de Commissie van de Europese Gemeenschappen op basis van artikel 8 van verordening (EG) nr. 2160/2003 voorschrijft;

d. het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden ter uitvoering en controle van de regels die op grond van de onderdelen a, b en c worden gesteld.

3. Het Productschap Pluimvee en Eieren verstrekt de minister de gegevens die het productschap verzamelt in het kader van het tweede lid.

4. Het Productschap Pluimvee en Eieren kan in de artikelen 2, 3, 4 en 5 van de Verordening Hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2005, de artikelen 2, 3, 4 en 6 van de Verordening Hygiënevoorschriften pluimveeverwerkende industrie (PPE) 2005 en de artikelen 2, 3, 4 en 5 van de Verordening Hygiënevoorschriften kalkoenhouderij (PPE) 2005, bepalen dat bij overtreding van deze artikelen tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld.

5. Het Productschap Pluimvee en Eieren kan personen aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de regels waarvoor, overeenkomstig het vierde lid, tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld.

6. Het Productschap Pluimvee en Eieren kan voor de onderzoeken of verrichtingen die het productschap uitvoert in het kader van het eerste en tweede lid een vergoeding van kosten heffen.

Artikel 97

De termijn, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten bedraagt twee jaar.

Artikel 98

1. Artikel 95 en artikel 96 zijn van toepassing vanaf het moment dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 5 van verordening (EG) nr. 2160/2003 het nationale bestrijdingsprogramma zoönosen en zoönoseverwekkers heeft goedgekeurd.

2. Van de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, doet de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit mededeling in de Staatscourant.

3. Overeenkomstig artikel 15 van richtlijn nr. 2003/99/EG zijn tot het moment van goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, de maatregelen van toepassing die zijn vastgesteld en uitgevoerd overeenkomstig richtlijn nr. 92/117/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 inzake maatregelen voor de bescherming tegen bepaalde zoönoses en bepaalde zoönoseverwekkers bij dieren en in producten van dierlijke oorsprong teneinde door voedsel overgedragen infecties en vergiftigingen te voorkomen (PbEG 1993 L 62).

Hoofdstuk 2

TSE’s

§ 1

Het fokken van schapen

Artikel 99

1. Ter voorkoming van overdraagbare spongiforme encefalopathieën bij schapen en ter uitvoering van artikel 2 van beschikking (EG) nr. 2003/100 wordt medewerking gevorderd van het Productschap Vee en Vlees.

2. De in het eerste lid gevorderde medewerking bestaat uit:

a. de opstelling van en het uitvoering geven aan het fokprogramma voor schapen, bedoeld in artikel 2 van beschikking (EG) nr. 2003/100, en

b. het bij verordening stellen van regels ten aanzien van het fokken van schapen ter voorkoming van overdraagbare spongiforme encefalopathieën, waaronder in elk geval wordt begrepen een verbod op het fokken met schapen die niet in het bezit zijn van een erkenning van het Productschap Vee en Vlees en het stellen van voorwaarden aan het verkrijgen van deze erkenning.

3. Uiterlijk op 1 april 2005 is het fokprogramma, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, verplicht voor schapen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van beschikking (EG) nr. 2003/100.

4. Het Productschap Vee en Vlees kan vrijstelling of ontheffing verlenen van deelname aan het fokprogramma, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, overeenkomstig bijlage I, Deel 3, van beschikking (EG) nr. 2003/100.

5. Het Productschap Vee en Vlees kan bij verordening bepalen dat bij overtreding van artikel 3, tweede lid, van de Verordening fokken van TSE-ongevoelige schapen (PVV) 2004 van het Productschap Vee en Vlees, tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld.

Artikel 100

1. De TSE-resistente status van een koppel schapen als bedoeld in artikel 4 in samenhang met bijlage II bij beschikking (EG) nr. 2003/100 kan worden erkend, indien bij de aanvraag van een erkenning aangetoond wordt dat het een koppel schapen betreft:

a. dat uitsluitend bestaat uit schapen met genotype ARR/ARR, of

b. waarvan het nageslacht uitsluitend is verwekt door rammen met genotype ARR/ARR.

2. Ter uitvoering van het eerste lid wordt medewerking gevorderd van het Productschap Vee en Vlees.

3. De in het tweede lid bedoelde medewerking bestaat uit het verlenen van de erkenning door het Productschap Vee en Vlees.

Artikel 101

1. Een aanvraag voor een erkenning als bedoeld in artikel 99, tweede lid, onderdeel b, en artikel 100, derde lid, wordt ingediend bij het Productschap Vee en Vlees.

2. Het Productschap Vee en Vlees kan een erkenning als bedoeld in artikel 99, tweede lid, onderdeel b, en artikel 100, derde lid, intrekken. Een erkenning als bedoeld in artikel 100, derde lid, wordt in elk geval ingetrokken, indien bij het onderzoek, bedoeld in bijlage II, punt 2, van beschikking (EG) nr. 2003/100, een ander genotype wordt geconstateerd dan het genotype, bedoeld in artikel 100, eerste lid.

3. Voor de behandeling van een aanvraag van een erkenning, of voor de behandeling van een aanvraag van een wijziging daarvan, en voor de instandhouding van een erkenning, bedoeld in artikel 99, tweede lid, onderdeel b, en artikel 100, derde lid, kan het Productschap Vee en Vlees een vergoeding van kosten heffen, overeenkomstig een door haar vastgesteld tarief.

4. Het Productschap Vee en Vlees kan voor de onderzoeken en verrichtingen die zij uitvoert in het kader van het artikel 99, tweede lid, onderdeel a, en andere onderzoeken of verrichtingen met betrekking tot schapen of producten of voorwerpen die dragers van smetstof kunnen zijn afkomstig van schapen, voorzover de onderzoeken of verrichtingen zijn voorgeschreven bij besluit krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, of op verzoek van betrokkene plaatsvinden, een vergoeding van kosten heffen.

5. De minister kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de in artikel 99, eerste lid, en artikel 100, tweede lid, gevorderde medewerking.

Titel 5

Bestrijding besmettelijke dierziekten

Hoofdstuk 1

Uitvoering bestrijdingsmaatregelen besmettelijke dierziekten

§ 1

Kentekenen en waarschuwingsborden

Artikel 102

Als modellen van waarschuwingsborden als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, van de wet, die worden geplaatst ter aanduiding van een gebied waar ingevolge artikel 30 van de wet een verbod tot vervoeren van kracht is, worden vastgesteld de in bijlage 21 opgenomen modellen.

Artikel 103

1. Als modellen van kentekenen als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, van de wet, die worden geplaatst bij een gebouw of terrein dat besmet is of van besmetting is verdacht worden vastgesteld de in bijlage 22, onder a, opgenomen modellen.

2. Als model van het kenteken, bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel c, van de wet, dat wordt gehecht aan een bijenwoning, wordt vastgesteld het in bijlage 22, onder b, opgenomen model.

Artikel 104

1. De kentekenen of waarschuwingsborden worden aan de ingang van de besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen, aan de bijenwoning of rondom het krachtens artikel 30 van de wet aangewezen gebied aangebracht, gehecht of geplaatst en wel zodanig dat zij duidelijk van de openbare weg af zichtbaar zijn.

2. Waarschuwingsborden kunnen langs de openbare weg vooraangekondigd worden.

§ 2

Het onschadelijk maken van of vernietigen van gedode of gestorven, zieke en verdachte dieren en van producten en voorwerpen die besmet zijn of ervan worden verdacht gevaar op te leveren voor verspreiding van smetstof

Artikel 105

Het onschadelijk maken, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel g, van de wet, en het vernietigen, bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdelen f en g, van de wet, geschiedt:

a. overeenkomstig verordening (EG) nr. 1774/2002;

b. indien verordening (EG) nr. 1774/2002 niet van toepassing is:

1°. door verbranden, onderploegen, broeien, vermenging met een ontsmettingsmiddel als bedoeld in artikel 108 of bij mest door verwerken in een mestverwerkingsinrichting, onverminderd de bepalingen van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen op grond waarvan de mest tijdelijk wordt opgeslagen;

2°. door droge sterilisatie.

§ 3

Het reinigen en ontsmetten

Artikel 106

1. Aan ontsmetting gaat reiniging vooraf, behoudens die gevallen waarbij, ter beoordeling van de minister, wegens besmettingsgevaar voor de personen die met de reiniging zijn belast, voor de reiniging en ontsmetting eerst een voorlopige ontsmetting plaatsvindt. De reiniging vindt plaats binnen de door de minister aangegeven termijn.

2. Het reinigen van dieren, gebouwen, terreinen, bewaarplaatsen van mest, voorwerpen en producten geschiedt overeenkomstig bijlage 23.

3. Onverminderd het tweede lid geschiedt reiniging en ontsmetting overeenkomstig de voor de desbetreffende dierziekte geldende communautaire bestrijdingsrichtlijn.

Artikel 107

Het ontsmetten van gebouwen, terreinen, bewaarplaatsen van mest, bijenwoning en dieren, voorwerpen en producten is gericht op het effectief en efficiënt onschadelijk maken van smetstof, waarbij elk geval op zichzelf wordt beoordeeld en geschiedt op de in de bijlage 23 beschreven wijze.

Artikel 108

Het ontsmetten geschiedt met een van de volgende middelen:

a. hitte in de vorm van:

1. vuur;

2. hete lucht;

3. stoom;

4. kokend water;

b. ontsmettingsmiddelen die voor dat doel zijn toegelaten op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;

c. andere door de minister vast te stellen ontsmettingsmiddelen.

§ 4

Overige bepalingen

Artikel 109

De minister beslist in elk bijzonder geval op welke wijze het onschadelijk maken, het vernietigen en het reinigen en ontsmetten geschiedt en welke reinigings- en ontsmettingsmiddelen daarbij worden gebruikt.

Artikel 110

1. Na afloop van de reiniging vindt controle plaats door de ambtenaar, bedoeld in artikel 114, tweede lid, van de wet.

2. Het onschadelijk maken, het vernietigen en de ontsmetting geschieden onder leiding en toezicht van de in eerste lid bedoelde persoon.

3. De reiniging en ontsmetting wordt door de ambtenaar geregistreerd.

Artikel 111

In gevallen waarin dit hoofdstuk niet voorziet, beslist de minister.

Hoofdstuk 2

Toegang van personen of groepen van personen tot besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen

Artikel 112

Als personen of groepen van personen die toegang hebben tot gebouwen, terreinen of gedeelten van gebouwen of terreinen waar een kenteken als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet is geplaatst, worden aangewezen:

a. de houder van de dieren die zich in de gebouwen, op de terreinen dan wel de gedeelten van gebouwen of terreinen bevinden;

b. de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

c. de ambtenaren van de VWA;

d. de dierenarts die de dieren behandelt;

e. de medewerkers van de Stichting Gezondsheidszorg voor dieren.

Hoofdstuk 3

Het verlaten van besmette of van besmette verdachte gebouwen en terreinen

Artikel 113

1. Personen die gebouwen of terreinen verlaten waar een kenteken als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet is geplaatst:

a. reinigen hun handen en, voorzover de ambtenaar aangeeft dit noodzakelijk te achten, hun overige lichaamsdelen met warm water en zeep;

b. laten hun bedrijfskleding en schoeisel achter en reinigen of vernietigen deze en

c. ontsmetten hun handen, bedrijfskleding en schoeisel met het door de ambtenaar ter beschikking gestelde ontsmettingsmiddel.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde personen dieren met zich voeren, reinigen ze de hoeven, de klauwen en de huid van deze dieren zorgvuldig door borstelen en wassen. Voorzover de ambtenaar aangeeft dit noodzakelijk te achten worden de dieren vervolgens ontsmet met het door de ambtenaar ter beschikking gesteld ontsmettingsmiddel.

3. Indien de in het eerste lid bedoelde personen voertuigen, producten of andere voorwerpen met zich voeren, reinigen zij deze zorgvuldig en ontsmetten zij deze vervolgens met het door de ambtenaar ter beschikking gestelde ontsmettingsmiddel.

4. De in het eerste lid bedoelde personen nemen steeds de aanwijzingen van de ambtenaar in acht.

Titel 6

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 114

De volgende regelingen worden ingetrokken:

1. de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000;

2. de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000;

3. de Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 25 september 2003, TRCJZ/2003/5103, houdende wijziging van de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000 (Stcrt. 192);

4. de Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten;

5. de Regeling van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 8 juni 2001, TRCJZ/2001/8357, houdende wijziging van de Regeling bijeenbrengen van dieren 2000 (Stcrt. 109);

6. de Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993;

7. de Regeling monitoring Aviaire Influenza 2003;

8. de Regeling vaccinatie Newcastle Disease;

9. de Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten;

10. de Regeling inzake het verlaten van besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen;

11. de Regeling toegang van personen of groepen van personen tot besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen;

12. de Regeling betreffende uitvoering bestrijdingsmaatregelen besmettelijke dierziekten;

13. de Regeling slachten voor huishoudelijk gebruik.

Artikel 115

1. De krachtens de artikelen 4, 9a, en 9k van de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000 verleende erkenningen worden geacht te zijn verleend op grond van respectievelijk de artikelen 21, 29 en 39 van deze regeling.

2. Geschriften die ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000 zijn verleend, zijn geschriften als bedoeld in artikel 74, eerste lid, van deze regeling.

3. De krachtens artikel 23 van de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000 verleende registraties worden geacht te zijn verleend op grond van artikel 78 van deze regeling.

4. De krachtens de artikelen 8, 9a en 9b van de Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen vastgestelde medebewindsverordeningen worden geacht te zijn vastgesteld op grond van de artikelen 95, 96 onderscheidenlijk 99 van deze regeling.

Artikel 116

De Regeling toegelaten handelingen1 wordt als volgt gewijzigd:

Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 4, onderdeel v, door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

w. afnemen van bloed bij kalkoenen en eenden in het kader van het Monitoringsprogramma Aviaire Influenza 2003, bedoeld in artikel 90 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s.

Artikel 117

De regeling zekerheidsstelling en betaling VWA-keurlonen2 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 2 wordt ‘Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren’ vervangen door: Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s.

Artikel 118

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling preventie , bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s.

Artikel 119

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.P. Veerman.

Bijlage 1. Verschijnselen van de ziekte van Aujeszky als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel a, en de waarden, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b

Van verschijnselen van de ziekte van Aujeszky, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel a, is sprake indien:

a. zeugen koortsig zijn, geen voer opnemen en abortus vertonen;

b. zuigende biggen koortsig zijn, speekselen en fietsbewegingen maken ten gevolge van de aantasting van het centrale zenuwstelsel, waarna meerdere biggen sterven;

c. vleesvarkens koortsig zijn, geen voer opnemen en hoesten, of

d. een of meer dieren, anders dan varkens, sterven na hoge koorts en hevige jeuk.

De waarden, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b:

a. 3% van het aantal gemiddeld in de bedoelde periode aanwezige zeugen of beren;

b. 20% van het aantal levend geboren biggen in de zoogperiode, of

c. 5% van het aantal overige varkens.

Bijlage 2. Eisen varkensverzamelcentrum als bedoeld in artikel 22, onderdeel a

a. Algemene eisen

1. Het verzamelcentrum is gemakkelijk bereikbaar via verharde wegen en ligt niet in een gebied ten aanzien waarvan op grond van de regelgeving van de Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen of op grond van nationale regelgeving maatregelen zijn genomen, houdende de instelling van een verbod om dieren uit het betrokken gebied uit te voeren of in de handel te brengen.

2. Het varkensverzamelcentrum maakt geen deel uit van een bedrijf waar vee en pluimvee zijn gehuisvest, van een slachthuis of van een verzamelplaats ten behoeve van het verzamelen van andere soorten dieren dan varkens. De gebouwen van het varkensverzamelcentrum zijn gelegen op een minimale afstand van 100 meter van gebouwen behorende bij één of meer van de bovengenoemde bedrijven.

3. Op het varkensverzamelcentrum kunnen varkens worden gevoederd en gedrenkt.

4. Voor het personeel en bezoekende personen die uit hoofde van hun functie het varkensverzamelcentrum dienen te betreden is een hygiënesluis gesitueerd, zodanig dat zij deze passeren alvorens zij op het varkensverzamelcentrum werkzaamheden verrichten. De hygiënesluis is voorzien van omkleed- en douche/wasfaciliteiten en van een toilet. Schone bedrijfskleding en laarzen zijn in de hygiënesluis aanwezig. Personeel en bezoekende personen wassen zich en kleden zich met schone bedrijfskleding en laarzen voor het betreden van het varkensverzamelcentrum en tevens bij iedere aanvang van een blokperiode.

5. De aanbieder draagt er zorg voor dat het personeel dat op het centrum verantwoordelijk is voor de dieren wordt opgeleid in de zorg voor en het welzijn van de dieren alsmede in de wettelijke eisen die ter zake van het varkensverzamelcentrum gelden volgens een door de minister goedgekeurd opleidingsplan.

6. Het varkensverzamelcentrum is zodanig omheind, dat vrije toegang tot het varkensverzamelcentrum niet mogelijk is.

7. Het varkensverzamelcentrum is voor vervoermiddelen uitsluitend toegankelijk via één afsluitbare ingang en uitsluitend te verlaten via één afsluitbare uitgang. De uitgang is voorzien van een sproei-installatie voor het reinigen en ontsmetten van de wielen. De in- en uitgang worden dagelijks na beëindiging van de werkzaamheden en na reiniging en ontsmetting afgesloten.

8. Het gehele terrein van het varkensverzamelcentrum waar mogelijk met smetstof verontreinigd materiaal vanaf transportmiddelen op de grond terecht kan komen, is verhard. De plaats waar varkens in- en uitgeladen worden is voorzien van een verharde en voor water ondoordringbare terreinbedekking. Het gehele verharde terrein van het varkensverzamelcentrum is in goede staat van onderhoud en zonder glooiingen.

9. Alle materialen waarmee de varkens op het varkensverzamelcentrum in aanraking kunnen komen zijn uitsluitend van duurzaam en ondoordringbaar materiaal gemaakt dat gemakkelijk en grondig kan worden gereinigd en ontsmet. De materialen worden goed onderhouden en eventuele reparaties worden onmiddellijk uitgevoerd. Het gebruik van corroderende materialen is niet toegestaan. Hout is slechts toegestaan, wanneer dit is ingebed in kunststof of hars.

b. Voorzieningen

10. Op het varkensverzamelcentrum is een voor dieren ontoegankelijke ruimte aanwezig voor opslag van voeder en strooisel, gescheiden van de ruimte waar dieren kunnen verblijven.

11. Op het varkensverzamelcentrum, in de onmiddellijke nabijheid van de uitlaadruimte, is een aparte, afsluitbare stalling voor afgekeurde dieren aanwezig.

12. Op het varkensverzamelcentrum is een afsluitbare, lekvrije, voor vogels of ongedierte ontoegankelijke en goed reinigbare voorziening aanwezig voor de opslag van kadavers, waarvan de inhoud tot maximaal 7 °C gekoeld wordt. Deze voorziening is zodanig op een verharde plaats gesitueerd dat het vanaf de openbare verharde weg binnen het bereik ligt van de laadkraan van het vervoermiddel van degene die het materiaal ophaalt.

13. Op het varkensverzamelcentrum is ten behoeve van de VWA een afsluitbare kantoorruimte aanwezig, ingericht met ten minste een bureau of tafel, een stoel en een telefoon. Indien de VWA een onafhankelijke telefoonaansluiting wenst, komt deze voor rekening van de VWA. In of in de nabijheid van de kantoorruimte bevindt zich een toilet met gelegenheid tot handen wassen.

14. De laad- en losvoorzieningen zijn zodanig dat laad- en loswerkzaamheden ongehinderd kunnen plaatsvinden. Voor het in- en uitladen is een deugdelijke laadbrug, lift of loopbrug aanwezig.

15. Het varkensverzamelcentrum is zodanig ingericht dat bij het in- en uitladen aankomende en vertrekkende varkens niet met elkaar in contact komen.

16. Bij de laad- en losruimte en de weegschaal en in de aan- en afvoerstal dan wel in de algemene stalruimte en in de overligstal is een verlichting aanwezig met een minimale lichtsterkte van 300 lux.

17. Er is zoveel stalruimte aanwezig dat de aan- en afvoer van de per dag te exporteren varkens ongestoord kan verlopen.

18. De op het varkensverzamelcentrum aanwezige stalruimte en de laad- en losplaatsen zijn voorzien van een gesloten dakbedekking, windkerende wanden en een klimaatsregelingssysteem zodanig dat de stalruimte en de laad- en losplaatsen onder alle klimatologische omstandigheden deugdelijk en efficiënt gereinigd en ontsmet kunnen worden.

19. Het vloeroppervlak van de aanvoer-, afvoerstal en selectieruimte dan wel het vloeroppervlak van de eventueel aanwezige algemene stalruimte bestaat geheel uit voor water ondoordringbaar materiaal. De wanden van deze ruimten bestaan, voorzover deze niet hoger zijn dan 2,5 meter boven het vloeroppervlak, geheel, dan wel, voorzover deze hoger zijn dan 2,5 meter boven het vloeroppervlak, tot een hoogte van 2,5 meter uit voor water ondoordringbaar en niet poreus materiaal, zodat deze steeds gereinigd en ontsmet kunnen worden. De aanvoerstal, de selectieruimte en de afvoerstal zijn van elkaar gescheiden door gesloten afscheidingen met een minimale hoogte van 1 meter voor biggen en 1,5 meter voor varkens of door een niet voor varkens toegankelijke ruimte met een minimale breedte van 0,5 meter. Het varkensverzamelcentrum heeft ingeval van een aan- en afvoerstal per aanvoeradres onderscheidenlijk bestemmingsadres gescheiden hokken en, indien het centrum slechts over één stalruimte beschikt, naar aanvoeradressen gescheiden hokken. Voor fok- en gebruiksvarkens zijn de hokken zodanig van elkaar gescheiden dat direct contact tussen varkens in de verschillende hokken niet mogelijk is. Daartoe zijn de hokken gescheiden door gesloten afscheidingen met een minimale hoogte van 1 meter voor biggen en 1,5 meter voor alle andere fok- en gebruiksvarkens of door een niet voor varkens toegankelijke ruimte met een minimale breedte van 0,5 meter.

20. De aanvoerstal is voorzien van een deugdelijke sproei-installatie voor varkens, tenzij de verzamelplaats uitsluitend is erkend voor fok- en gebruiksvarkens. Indien het varkensverzamelcentrum slechts over één stalruimte beschikt is deze ruimte voorzien van een deugdelijke sproei-installatie voor varkens, tenzij de verzamelplaats uitsluitend is erkend voor fok- en gebruiksvarkens.

21. Indien een stalruimte op het varkensverzamelcentrum geheel of gedeeltelijk ingestrooid wordt, is in de nabijheid van de stalruimte een voorziening aanwezig voor de opslag van mest en strooisel.

22. Lekwater dient af te vloeien naar de gierkelder of naar met roosters afgedekte kolken.

23. De in- en uitgangen van de stalruimte zijn afsluitbaar. Bij de in- en uitgangen zijn ten behoeve van schoeisel deugdelijke ontsmettingsbakken aanwezig. De inhoud van de ontsmettingsbakken wordt ten minste bij de aanvang van een blokperiode ververst met ontsmettingsmiddelen. De inhoud van de ontsmettingsbakken is zodanig dat te allen tijden afdoende ontsmetting mogelijk is.

24. De voor slachtvarkens bestemde overligstal is gescheiden van de overige op het varkensverzamelcentrum aanwezige ruimten door een gesloten wand. De overligstal mag, indien een aanvoerstal, een selectieruimte en een afvoerstal aanwezig zijn, direct verbonden zijn met de afvoerstal via één doorgang. Indien het centrum slechts over één stalruimte beschikt, mag de overligstal daarmee verbonden zijn via één doorgang. Behoudens voor het overbrengen van varkens naar de overligstal is de doorgang gesloten. Wanneer slachtvarkens worden overgebracht naar de overligstal wordt hiervan onmiddellijk melding gemaakt in het register dan wel de elektronische informatiedrager, bedoeld in onderdeel 29. De onderdelen 18, 19, 21, 22 en 23, zijn van overeenkomstige toepassing.

c. Reiniging en ontsmetting

25. Op het terrein zijn één of meerdere wasplaatsen aanwezig voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen. De wasplaatsen zijn geregistreerd op grond van artikel 78, eerste lid.

26. Op het terrein zijn één of meer reinigings- en ontsmettingsinstallaties of -⁠inrichtingen aanwezig voor de reiniging en ontsmetting van het terrein, de stalruimten en overige voorzieningen. Deze installaties en inrichtingen voldoen aan de volgende voorwaarden:

a. ten behoeve van reiniging en ontsmetting is levering van warm water van ten minste 70 °C en koud water, beide met voldoende hoge druk mogelijk;

b. bij besproeiing onder hoge druk kan een detergrens worden aangebracht die het oppervlak reinigt;

c. door verneveling of anderszins kan ontsmettingsmiddel op het gereinigde oppervlak worden aangebracht, en

d. efficiënte en deugdelijke reiniging en ontsmetting van het gehele verharde terrein, genoemd in onderdeel 8, moet mogelijk zijn.

27. Het bij reiniging en ontsmetting gebruikte water dient op regelmatige afstanden af te vloeien naar de gierkelder of naar de met roosters afgedekte kolken.

28. Voor de mogelijkheid tot controle op reiniging en ontsmetting geldt een minimale lichtsterkte van 300 lux.

d. Administratie

29. Op het varkensverzamelcentrum zijn een in- en uitslagregister dan wel een elektronische informatiedrager met gegevens over de in- en uitslag aanwezig waarin onmiddellijk na aankomst onderscheidenlijk vertrek van de varkens onder vermelding van het aantal varkens, de datum van aankomst en vertrek, het herkomstbedrijf en de eigenaar, het bestemmingsadres en de koper van de varkens worden bijgehouden door middel van registratie van de identificatie van alle varkens die het varkensverzamelcentrum passeren, zodanig dat een directe koppeling tussen de in- en uitslag per dier mogelijk is. De voor aan- en afvoer gebruikte vervoermiddelen worden eveneens onmiddellijk na aankomst onderscheidenlijk vertrek onder vermelding van de registratienummers van de vervoerders alsmede van het vervoermiddel in het register dan wel in de elektronische informatiedrager bijgehouden alsmede bij export van de varkens het serienummer van het gezondheidscertificaat. Tevens administreert de houder van de verzamelplaats per stalruimte, en in voorkomend geval, per overligstal, het aantal daarin te verblijven varkens per UBN en noteert hij in voorkomend geval de aanvang van het verblijf in de overligstal. De houder van het varkensverzamelcentrum administreert zodanig, dat de keuringsdierenarts aan de hand van het register alle op het varkensverzamelcentrum aangevoerde, aanwezige en afgeleverde varkens, de vervoerders en de vervoermiddelen waarmee de varkens werden getransporteerd, kan traceren. De gegevens bedoeld in dit onderdeel worden minimaal drie jaren bewaard.

30. Op het varkensverzamelcentrum is een logboek aanwezig waarin door of namens de eigenaar van het varkensverzamelcentrum de volgende gegevens worden bijgehouden:

a. type, concentratie en hoeveelheid van de ter ontsmetting gebruikte ontsmettingsmiddelen;

b. datum en tijdstip van door de rijksdienst uitgevoerde inspecties;

c. beschrijving van die gevallen waarin door de de keuringsdierenarts of de assistent is geconstateerd dat niet aan de in deze regeling gestelde eisen of andere op het varkensverzamelcentrum, onderscheidenlijk de eigenaar van het varkensverzamelcentrum van toepassing zijnde regelgeving is voldaan, alsmede de in verband met die constateringen door de keuringsdierenarts of de assistent gegeven instructies;

d. de datum waarop de opheffing van de geconstateerde tekortkomingen zal zijn voorzien;

31. Het varkensverzamelcentrum dat binnen een blokperiode varkens voor meer dan een bestemmingsadressen aanvoert beschikt over een geautomatiseerd selectiesysteem waarin identificatiegegevens, de verblijfsruimte binnen de afvoerstal en het bestemmingsadres worden vastgelegd.

Bijlage 3. Eisen runderverzamelcentrum als bedoeld in artikel 30, eerste lid

1. Het runderverzamelcentrum is gemakkelijk bereikbaar via verharde wegen en ligt niet in een gebied ten aanzien waarvan op grond van de regelgeving van de Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen of op grond van nationale regelgeving maatregelen zijn genomen, houdende de instelling van een verbod om dieren uit het betrokken gebied uit te voeren of in de handel te brengen.

2. Het runderverzamelcentrum maakt geen deel uit van een bedrijf waar vee is gehuisvest, van een slachthuis, of van een andere verzamelplaats ten behoeve van het verzamelen van andere dieren dan runderen. De gebouwen van het runderverzamelcentrum zijn gelegen op een minimale afstand van 100 meter van gebouwen behorende bij één of meer van de bovengenoemde bedrijven. Het runderverzamelcentrum is zodanig omheind, dat vrije toegang tot het runderverzamelcentrum niet mogelijk is.

3. Het runderverzamelcentrum beschikt over een door de minister goedgekeurd opleidingsplan op grond waarvan het personeel dat op het centrum verantwoordelijk is voor de dieren door de aanbieder wordt opgeleid in de zorg voor en het welzijn van de dieren alsmede in de wettelijke eisen die ter zake van het runderverzamelcentrum worden gesteld.

4. Het gehele terrein van het runderverzamelcentrum waar met smetstof verontreinigd materiaal vanaf transportmiddelen op de grond terecht kan komen, is verhard. De plaats waar runderen in- en uitgeladen worden is voorzien van een verharde en voor water ondoordringbare terreinbedekking. Het gehele verharde terrein van het runderverzamelcentrum is in goede staat van onderhoud en zonder glooiingen.

5. Alle materialen waarmee de runderen op het runderverzamelcentrum in aanraking kunnen komen zijn uitsluitend van duurzaam en ondoordringbaar materiaal gemaakt dat gemakkelijk en grondig kan worden gereinigd en ontsmet. De materialen worden goed onderhouden en eventuele reparaties worden onmiddellijk uitgevoerd. Het gebruik van corroderende materialen is niet toegestaan. Hout is slechts toegestaan, wanneer dit is ingebed in kunststof of hars.

6. Het runderverzamelcentrum beschikt over laad- en losruimten waar de runderen worden in- en uitgeladen. De laad- en losvoorzieningen zijn zodanig dat laad- en loswerkzaamheden ongehinderd kunnen plaatsvinden.

7. Behoudens wanneer ten genoegen van de minister kan worden aangetoond dat de bedrijfsvoering van het runderverzamelcentrum zodanig is dat aankomende en vertrekkende runderen niet met elkaar in contact komen, is het runderverzamelcentrum zodanig ingericht dat bij het in- en uitladen aankomende en vertrekkende runderen niet met elkaar in contact komen.

8. Op het runderverzamelcentrum onderscheidenlijk de epidemiologische bedrijfseenheid zijn één of meerdere stalruimten aanwezig voor het onderbrengen van de runderen. Voorzieningen zijn in de stalruimten aanwezig voor het voeren en drenken van de runderen.

9. In de onmiddellijke nabijheid van de uitlaadruimte, is een aparte, afsluitbare stalling voor zieke of van een dierziekte verdachte runderen aanwezig dan wel een stalruimte waarin een voorziening is getroffen voor de afzondering van runderen zodanig dat de daartoe bestemde ruimte fysiek door middel van geheel gesloten wanden gescheiden is van de overige stallingsvoorzieningen binnen de stalruimte.

10. Op het runderverzamelcentrum is een voor runderen ontoegankelijke ruimte aanwezig voor opslag van voeder en strooisel, gescheiden van de ruimte waar runderen kunnen verblijven alsmede een afsluitbare, lekvrije, voor vogels of ongedierte ontoegankelijke en goed reinigbare voorziening aanwezig voor de opslag van kadavers. Deze voorziening is zodanig op een verharde plaats gesitueerd dat het vanaf de openbare verharde weg binnen het bereik ligt van de laadkraan van het vervoermiddel van degene die het materiaal ophaalt.

11. In de nabijheid van de stalruimte is een voorziening aanwezig voor de opslag van mest en indien een stalruimte geheel of gedeeltelijk wordt ingestrooid, is tevens in de nabijheid van de stalruimte een voorziening aanwezig voor de opslag van het gebruikte strooisel.

12. Indien het runderverzamelcentrum gebruikt wordt voor de export van runderen is op het centrum ten behoeve van de VWA een stoel, een telefoon en een afsluitbaar bureau aanwezig of een afsluitbare ruimte, ingericht met ten minste een tafel. Indien de VWA een onafhankelijke telefoonaansluiting wenst, komt deze voor rekening van de VWA. In of in de nabijheid van de kantoorruimte bevindt zich een toilet met gelegenheid tot handen wassen.

13. Het runderverzamelcentrum beschikt over een geschikt opvangsysteem voor het afvalwater dat zorg draagt dat het afvalwater kan afvloeien of op andere wijze wordt verwijderd.

14. Bij de laad- en losruimte en in de stalruimte is een voor inspectie en keuringen passende verlichting met een minimale lichtsterkte van 300 lux aanwezig.

15. De in- en uitgangen van de stalruimte zijn afsluitbaar. Bij de in- en uitgangen zijn ten behoeve van schoeisel deugdelijke ontsmettingsbakken aanwezig. De inhoud van de ontsmettingsbakken wordt ten minste bij de aanvang van een blokperiode ververst met ontsmettingsmiddelen. De inhoud van de ontsmettingsbakken is zodanig dat te allen tijde afdoende ontsmetting mogelijk is.

16. Er is zoveel stalruimte aanwezig dat de aan- en afvoer van runderen per blokperiode ongestoord kan verlopen.

17. De op het runderverzamelcentrum aanwezige stalruimte en de laad- en losplaatsen zijn voorzien van een gesloten dakbedekking, windkerende wanden en een klimaatsregelingssysteem zodanig dat de stalruimte en de laad- en losplaatsen onder alle klimatologische omstandigheden deugdelijk en efficiënt gereinigd en ontsmet kunnen worden.

18. Het vloeroppervlak van de stalruimte bestaat geheel uit voor water ondoordringbaar materiaal. De wanden van deze ruimten bestaan, voorzover deze niet hoger zijn dan 2,5 meter boven het vloeroppervlak, geheel, dan wel, voorzover deze hoger zijn dan 2,5 meter boven het vloeroppervlak, tot een hoogte van 2,5 meter, uit voor water ondoordringbaar en niet poreus materiaal, zodat deze steeds gereinigd en ontsmet kunnen worden.

19. Op het terrein zijn één of meerdere wasplaatsen aanwezig voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen. De wasplaatsen zijn geregistreerd op grond van artikel 78.

20. Op het terrein zijn één of meerdere reinigings- en ontsmettingsinstallaties of inrichtingen aanwezig voor de reiniging en ontsmetting van het terrein, de stalruimten en overige voorzieningen. Deze installaties en inrichtingen voldoen aan de volgende voorwaarden:

a. ten behoeve van reiniging en ontsmetting is levering van warm water van ten minste 70 °C en koud water, beide met voldoende hoge druk mogelijk;

b. bij besproeiing onder hoge druk kan een detergens worden aangebracht die het oppervlak reinigt;

c. door verneveling of anderszins kan ontsmettingsmiddel op het gereinigde oppervlak worden aangebracht, en

d. efficiënte en deugdelijke reiniging en ontsmetting van het gehele verharde terrein als bedoeld in de onderdelen d en r, moet mogelijk zijn.

21. Het bij reiniging en ontsmetting gebruikte water dient op regelmatige afstanden af te vloeien naar de gierkelder of naar de met roosters afgedekte kolken.

22. Voor de mogelijkheid tot controle op reiniging en ontsmetting geldt een minimale lichtsterkte van 300 lux.

23. Op het runderverzamelcentrum zijn een in- en uitslagregister dan wel een elektronische informatiedrager met gegevens over de in- en uitslag aanwezig waarin onmiddellijk na aankomst onderscheidenlijk voor vertrek van de runderen onder vermelding van het aantal runderen, de datum van aankomst en vertrek, het herkomstbedrijf en de eigenaar en het bestemmingsadres van de runderen worden bijgehouden door middel van registratie van de identificatie van alle runderen die het runderverzamelcentrum passeren, zodanig dat een directe koppeling tussen de in- en uitslag per rund mogelijk is. De voor aan- en afvoer gebruikte vervoermiddelen worden eveneens onmiddellijk na aankomst onderscheidenlijk vertrek onder vermelding van de registratienummers van de vervoerders alsmede van het vervoermiddel in het register dan wel in de elektronische informatiedrager bijgehouden alsmede bij export van de runderen het serienummer van het gezondheidscertificaat. De houder van het runderverzamelcentrum administreert zodanig, dat de keuringsdierenarts aan de hand van het register alle op het runderverzamelcentrum aangevoerde, aanwezige en afgeleverde runderen, de vervoerders en de vervoermiddelen waarmee de runderen werden getransporteerd, kan traceren. De gegevens bedoeld in dit onderdeel worden minimaal drie jaren bewaard.

24. Op het runderverzamelcentrum is een logboek aanwezig waarin door of namens de eigenaar van het runderverzamelcentrum de volgende gegevens worden bijgehouden:

a. type, concentratie en hoeveelheid van de ter ontsmetting gebruikte ontsmettingsmiddelen;

b. datum en tijdstip van door de keuringsdierenarts of de assistent uitgevoerde inspecties;

c. beschrijving van die gevallen waarin door de keuringsdierenarts of de assistent is geconstateerd dat niet aan de in titel 2, hoofdstuk 1, paragraaf 3, gestelde eisen of andere op het runderverzamelcentrum, onderscheidenlijk de eigenaar van het runderverzamelcentrum van toepassing zijnde regelgeving is voldaan, alsmede de in verband met die constateringen door de keuringsdierenarts of de assistent gegeven instructies, en

d. de datum waarop de opheffing van de geconstateerde tekortkomingen zal zijn voorzien.

25. Indien een runderverzamelcentrum een of meer epidemiologische bedrijfseenheden omvat die voor het verzamelen van fokrunderen worden gebruikt overeenkomstig artikel 31, eerste lid, onderdelen k tot en met o, beschikt elke epidemiologische bedrijfseenheid over een hygiënesluis die is voorzien van omkleed-, wasfaciliteiten en is in de onmiddellijke nabijheid een toilet aanwezig. Schone bedrijfskleding en laarzen zijn in de hygiënesluis aanwezig.

26. Ingeval op het runderverzamelcentrum weiderunderen worden verzameld, is op het centrum een door de minister goedgekeurd protocol aanwezig waarin is voorzien in de controle op de aanvoer op het vetweiderijbedrijf van weiderunderen die van het runderverzamelcentrum naar het vetweiderijbedrijf zijn afgevoerd. Het protocol voldoet ten minste aan de in bijlage 4 aangegeven voorwaarden.

Bijlage 4. Voorwaarden voor het verzamelen van weiderunderen op een runderverzamelcentrum als bedoeld in bijlage 3, onderdeel 26

1. Op het runderverzamelcentrum zijn gegevens aanwezig waaruit blijkt dat de van het runderverzamelcentrum naar het vetweiderijbedrijf afgevoerde weiderunderen op het vetweiderijbedrijf zijn aangevoerd. Onder de in de voorgaande volzin bedoelde gegevens kunnen gegevens worden verstaan omtrent krachtens het Besluit Identificatie en registratie van dieren gedane aanmeldingen van deze runderen.

2. Op het runderverzamelcentrum is een registratie aanwezig van de in het eerste onderdeel bedoelde gegevens. De registratie is zodanig ingericht, dat de dierenarts of de assistent eenduidig aan de hand van het register kan nagaan of de in onderdeel 1 bedoelde weiderunderen op het vetweiderijbedrijf daadwerkelijk zijn aangevoerd.

3. De gegevens, bedoeld in onderdelen 1 en 2, worden minimaal drie jaren bewaard.

Bijlage 5. Eisen schapen-, geitenverzamelcentrum als bedoeld in artikel 40

1. Het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, is gemakkelijk bereikbaar via verharde wegen.

2. Het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, ligt niet in een gebied ten aanzien waarvan op grond van enige wettelijke bepaling maatregelen zijn genomen houdende de instelling van een verbod om dieren uit het betrokken gebied uit te voeren of in de handel te brengen.

3. Het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, maakt geen deel uit van een bedrijf waar vee is gehuisvest, van een slachthuis, of van een andere verzamelplaats ten behoeve van het verzamelen van andere dieren dan schapen, onderscheidenlijk geiten. De gebouwen van het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, zijn gelegen op een minimale afstand van 100 meter van gebouwen behorende bij één of meer van de bovengenoemde bedrijven. Het schapenverzamelcentrum of het geitenverzamelcentrum, is zodanig omheind dat vrije toegang tot het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, niet mogelijk is.

4. Het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, beschikt over een door de minister goedgekeurd opleidingsplan op grond waarvan het personeel dat op het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, verantwoordelijk is voor de dieren vanwege de aanbieder wordt opgeleid in de zorg voor en het welzijn van de dieren alsmede in de wettelijke eisen die ter zake van het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, worden gesteld.

5. Het gehele terrein van het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, waar met smetstof verontreinigd materiaal vanaf transportmiddelen op de grond terecht kan komen, is verhard. De plaats waar schapen, onderscheidenlijk geiten, in- en uitgeladen worden is voorzien van een verharde en voor water ondoordringbare terreinbedekking. Het gehele verharde terrein van het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, is in goede staat van onderhoud en zonder glooiingen.

6. Alle materialen waarmee de schapen of geiten op het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, in aanraking kunnen komen zijn uitsluitend van duurzaam en ondoordringbaar materiaal gemaakt dat gemakkelijk en grondig kan worden gereinigd en ontsmet. De materialen worden goed onderhouden en eventuele reparaties worden onmiddellijk uitgevoerd. Het gebruik van corroderende materialen is niet toegestaan. Hout is slechts toegestaan, wanneer dit is ingebed in kunststof of hars.

7. Het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, beschikt over laad- en losruimten waar de schapen, onderscheidenlijk de geiten, worden in- en uitgeladen. De laad- en losvoorzieningen zijn zodanig dat laad- en loswerkzaamheden ongehinderd kunnen plaatsvinden.

8. Behoudens wanneer ten genoegen van de minister kan worden aangetoond dat de bedrijfsvoering van het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, zodanig is dat aankomende en vertrekkende schapen, onderscheidenlijk geiten, niet met elkaar in contact komen, is het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, zodanig ingericht dat bij het in- en uitladen aankomende en vertrekkende schapen, onderscheidenlijk geiten, niet met elkaar in contact komen.

9. Op het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, zijn één of meerdere stalruimten aanwezig voor het onderbrengen van de schapen, onderscheidenlijk geiten. Voorzieningen zijn in de stalruimten aanwezig voor het voeren en drenken van de schapen, onderscheidenlijk geiten.

10. In de onmiddellijke nabijheid van de uitlaadruimte van het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, is een aparte, afsluitbare stalling voor zieke of van een dierziekte verdachte schapen, onderscheidenlijk geiten, aanwezig, dan wel een stalruimte waarin een voorziening is getroffen voor de afzondering van schapen, onderscheidenlijk geiten, zodanig dat de daartoe bestemde ruimte fysiek door middel van geheel gesloten wanden gescheiden is van de overige stallingsvoorzieningen binnen de stalruimte.

11. Op het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, is een voor schapen, onderscheidenlijk geiten, ontoegankelijke ruimte aanwezig voor opslag van voeder en strooisel, gescheiden van de ruimte waar schapen, onderscheidenlijk geiten, kunnen verblijven alsmede een afsluitbare, lekvrije, voor vogels of ongedierte ontoegankelijke en goed reinigbare voorziening aanwezig voor de opslag van kadavers. Deze voorziening is zodanig op een verharde plaats gesitueerd dat het vanaf de openbare verharde weg binnen het bereik ligt van de laadkraan van het vervoermiddel van degene die het materiaal ophaalt.

12. In de nabijheid van de stalruimte is een voorziening aanwezig voor de opslag van mest en indien een stalruimte geheel of gedeeltelijk wordt ingestrooid, is tevens in de nabijheid van de stalruimte een voorziening aanwezig voor de opslag van het gebruikte strooisel.

13. Indien het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, gebruikt wordt voor de export van schapen, onderscheidenlijk geiten, naar een buiten Nederland gelegen slachthuis, is op het centrum ten behoeve van de VWA een stoel, een telefoon en een afsluitbaar bureau aanwezig of een afsluitbare ruimte, ingericht met ten minste een tafel. Indien de VWA een onafhankelijke telefoonaansluiting wenst, komt deze voor rekening van de VWA. In of in de nabijheid van de kantoorruimte bevindt zich een toilet met gelegenheid tot handen wassen.

14. Het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, beschikt over een geschikt opvangsysteem voor het afvalwater waarmee het afvalwater kan afvloeien of op andere wijze wordt verwijderd.

15. Bij de laad- en losruimte en in de stalruimte is een voor inspectie en keuringen passende verlichting met een minimale lichtsterkte van 300 lux aanwezig.

16. De in- en uitgangen van de stalruimte zijn afsluitbaar. Bij de in- en uitgangen zijn ten behoeve van schoeisel deugdelijke ontsmettingsbakken aanwezig. De inhoud van de ontsmettingsbakken wordt ten minste bij de aanvang van een blokperiode ververst met ontsmettingsmiddelen. De inhoud van de ontsmettingsbakken is zodanig dat te allen tijde afdoende ontsmetting mogelijk is.

17. Er is zoveel stalruimte aanwezig dat de aan- en afvoer van schapen, onderscheidenlijk geiten, per blokperiode ongestoord kan verlopen.

18. De op het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, aanwezige stalruimte en de laad- en losplaatsen zijn voorzien van een gesloten dakbedekking, windkerende wanden en een klimaatsregelingssysteem zodanig dat de stalruimte en de laad- en losplaatsen onder alle klimatologische omstandigheden deugdelijk en efficiënt gereinigd en ontsmet kunnen worden.

19. Het vloeroppervlak van de stalruimte bestaat geheel uit voor water ondoordringbaar materiaal. De wanden van deze ruimten bestaan, voorzover deze niet hoger zijn dan 2,5 meter boven het vloeroppervlak, geheel, dan wel, voorzover deze hoger zijn dan 2,5 meter boven het vloeroppervlak, tot een hoogte van 2,5 meter uit voor water ondoordringbaar en niet poreus materiaal, zodat deze steeds gereinigd en ontsmet kunnen worden.

20. Op het terrein zijn één of meerdere wasplaatsen aanwezig voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen. De wasplaatsen zijn geregistreerd op grond van artikel 78.

21. Op het terrein zijn één of meer reinigings- en ontsmettingsinstallaties of inrichtingen aanwezig voor de reiniging en ontsmetting van het terrein, de stalruimten en overige voorzieningen. Deze installaties en inrichtingen voldoen aan de volgende voorwaarden:

a. ten behoeve van reiniging en ontsmetting is levering van warm water van ten minste 70 °C en koud water, beide met voldoende hoge druk mogelijk;

b. bij besproeiing onder hoge druk kan een detergens worden aangebracht die het oppervlak reinigt;

c. door verneveling of anderszins kan ontsmettingsmiddel op het gereinigde oppervlak worden aangebracht, en

d. efficiënte en deugdelijke reiniging en ontsmetting van het gehele verharde terrein als bedoeld in de onderdelen 5 en 19, moet mogelijk zijn.

22. Het bij reiniging en ontsmetting gebruikte water dient op regelmatige afstanden af te vloeien naar de gierkelder of naar de met roosters afgedekte kolken.

23. Voor de mogelijkheid tot controle op reiniging en ontsmetting geldt een minimale lichtsterkte van 300 lux.

24. Op het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, zijn een in- en uitslagregister dan wel een elektronische informatiedrager met gegevens over de in- en uitslag aanwezig waarin onmiddellijk na aankomst, onderscheidenlijk voor vertrek van de schapen, onderscheidenlijk geiten, onder vermelding van het aantal schapen, onderscheidenlijk geiten, de datum van aankomst en vertrek, het herkomstbedrijf en de eigenaar en het bestemmingsadres van de schapen, onderscheidenlijk geiten, worden bijgehouden door middel van registratie van de identificatie van alle schapen, onderscheidenlijk geiten, die het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, passeren, zodanig dat een directe koppeling tussen het aantal in- en uitgeslagen dieren mogelijk is. De voor aan- en afvoer gebruikte vervoermiddelen worden eveneens onmiddellijk na aankomst, onderscheidenlijk vertrek onder vermelding van de registratienummers van de vervoerders alsmede van het vervoermiddel in het register dan wel in de elektronische informatiedrager bijgehouden alsmede bij export van de schapen, onderscheidenlijk geiten, het serienummer van het gezondheidscertificaat. De houder van het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, administreert zodanig, dat de keuringsdierenarts aan de hand van het register alle op het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, aangevoerde, aanwezige en afgeleverde schapen, onderscheidenlijk geiten, de vervoerders en de vervoermiddelen waarmee de schapen, onderscheidenlijk geiten, werden getransporteerd, kan traceren. De gegevens bedoeld in dit onderdeel worden minimaal drie jaren bewaard.

25. Op het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, is een logboek aanwezig waarin door of namens de eigenaar van het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, de volgende gegevens worden bijgehouden:

a. type, concentratie en hoeveelheid van de ter ontsmetting gebruikte ontsmettingsmiddelen;

b. datum en tijdstip van door de keuringsdierenarts of de assistent uitgevoerde inspecties;

c. beschrijving van die gevallen waarin door de keuringsdierenarts of de assistent is geconstateerd dat niet aan de in deze regeling gestelde eisen of andere op het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, of de aanbieder van het schapenverzamelcentrum, onderscheidenlijk het geitenverzamelcentrum, van toepassing zijnde regelgeving is voldaan, alsmede de in verband met die constateringen door de keuringsdierenarts of de assistent gegeven instructies, en

d. de datum waarop de opheffing van de geconstateerde tekortkomingen wordt voorzien.

Bijlage 6. Model van verklaring van enting van hoenderachtigen of loopvogels tegen Newcastle Disease als bedoeld in artikel 45, tweede lid

stcrt-2005-120-p17-SC70318-1.gif

Bijlage 7. Model van verklaring van enting van duiven tegen Newcastle Disease als bedoeld in artikel 45, tweede lid

stcrt-2005-120-p17-SC70318-2.gifstcrt-2005-120-p17-SC70318-3.gif

Bijlage 8. Model van gezondheidsverklaring tentoon te stellen of te keuren runderen, schapen of geiten als bedoeld in artikel 49, derde lid

stcrt-2005-120-p17-SC70318-4.gif

Bijlage 9 als bedoeld in de artikelen 59, tweede lid en 78, eerste lid, onderdeel a

A. Eisen aan de voorzieningen voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen voor evenhoevigen op houderijen van evenhoevigen als bedoeld in artikel 59, tweede lid

1. Het bedrijf is voorzien van een verharde plaats waar de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen geschiedt.

2. De verharde plaats heeft opstaande randen, dan wel is zodanig aangelegd dat water en eventueel andere vloeistoffen niet in het grond- of oppervlaktewater terecht kunnen komen. De plaats is voorzien van een zodanige afvoer dat water en eventueel andere vloeistoffen die bij de reiniging en ontsmetting worden gebruikt, niet in het grond- of oppervlaktewater terecht kunnen komen.

3. Het bedrijf kan voldoende water leveren voor de reiniging en ontsmetting van de vervoermiddelen die een of meer evenhoevigen op dat bedrijf lossen.

4. De verharde plaats kan op zodanige wijze worden verlicht dat de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen te allen tijde onbelemmerd en naar behoren kan plaatsvinden.

5. Op het bedrijf zijn voorzieningen aanwezig waarmee ontsmettingsmiddelen kunnen worden toegepast.

6. Op het bedrijf zijn reinigingsmiddelen aanwezig, alsmede ontsmettingsmiddelen die voor dat doel op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 zijn toegelaten, in voldoende mate om te kunnen voorzien in de reiniging en ontsmetting van de vervoermiddelen die op dat bedrijf een of meer evenhoevigen lossen.

7. Op het bedrijf is een voorziening aanwezig waar de chauffeurs van de vervoermiddelen die varkens op het bedrijf lossen hun handen kunnen wassen met warm water en zeep.

B. Eisen aan reinigings- en ontsmettingsplaatsen voor vervoermiddelen voor evenhoevigen op slachthuizen en verzamelplaatsen als bedoeld in artikel 78, eerste lid, onderdeel a

I. Inrichtingseisen

1. De wasplaats is goed bereikbaar voor vervoermiddelen via verharde wegen.

2. De wasplaats is zodanig ingericht dat een deugdelijke en efficiënte reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen onder alle klimatologische omstandigheden ongehinderd, met voldoende capaciteit in relatie tot de werkzaamheden op het bedrijf en ongeacht het type vervoermiddel kan plaatsvinden.

3. Het vloeroppervlak van de wasplaats bestaat uit voor water ondoordringbaar of niet-poreus materiaal, zodat al het gebruikte water rechtstreeks via de afvoer van de wasplaats op zodanige wijze kan afvloeien naar de daarvoor bestemde opvangvoorzieningen dat de wasplaats te allen tijde schoon en hygiënisch is.

4. Vloeren van de wasplaats zijn dicht en goed reinigbaar en wanden van de wasplaats zijn glad en afwasbaar.

5. Het vloeroppervlak waar de reiniging plaatsvindt heeft een helling van ten minste 3%.

6. Indien meerdere vervoermiddelen tegelijkertijd worden gereinigd en ontsmet, beschikt de wasplaats over reinigbare en ontsmetbare afscheidingsmogelijkheden waarmee de vervoermiddelen tijdens het reinigen en het ontsmetten kunnen worden gescheiden, zodat tijdens het reinigen en ontsmetten de vervoermiddelen elkaar niet kunnen bezoedelen. De afstand tussen de afscheidingen is zodanig breed dat zich tussen de afscheidingen en de vervoermiddelen genoeg ruimte bevindt om ongehinderd de buitenkant van de vervoermiddelen te reinigen en te ontsmetten.

7. De verlichting voldoet aan de wettelijke eisen voor verlichting op vergelijkbare werkplekken en is ten minste van zodanig niveau dat een effectieve reiniging en ontsmetting niet wordt belemmerd en een gedegen controle van de reiniging en ontsmetting kan plaatsvinden.

8. Op of in de directe nabijheid van de wasplaats is een vorstvrije ruimte aanwezig voor de opslag van reinigings- en ontsmettingsmiddelen.

9. Bij de wasplaats bevindt zich een overdekte ruimte waarin gebruikers en bezoekers van de wasplaats zich kunnen omkleden in door de eigenaar van de wasplaats in voldoende hoeveelheid beschikbaar gestelde beschermende kleding en laarzen en waarin zij de handen kunnen wassen met warm water en zeep. Indien het een wasplaats betreft die op een slachtplaats is gelegen, is deze ruimte niet verbonden met de reine zone van de slachtlijn.

10. De wasplaats is voorzien van een reinigingsinstallatie waarmee adequaat reinigen mogelijk is. De reinigingsinstallatie voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:

a. ten behoeve van de reiniging en ontsmetting is, bij gelijktijdig gebruik van alle aanwezige slangen, levering mogelijk van voldoende koud water met voldoende druk om een adequate reiniging en ontsmetting te waarborgen;

b. ten behoeve van de reiniging en ontsmetting is levering mogelijk van warm water met een temperatuur van ten minste 70 °C;

c. per wasplaats is de druk van ten minste één slang registreerbaar.

11. De waterkwaliteit is zodanig dat goed reinigen en ontsmetten mogelijk is.

12. Op de wasplaats zijn voldoende reinigings- en ontsmettingsmiddelen beschikbaar.

13. De wasplaats is voorzien van een adequate ontsmettingsinstallatie waarmee ontsmetting overeenkomstig deze regeling mogelijk is en waarmee door verneveling of op andere wijze ontsmettingsmiddel op het gereinigde oppervlak kan worden aangebracht.

14. De spuitlans van de ontsmettingsinstallatie is aan en uit te zetten.

15. Bij elke ontsmettingsinstallatie is een voor iedereen zichtbare en toegankelijke oogspoelfles aanwezig.

16. Op de wasplaats zijn voorzieningen aanwezig om de slangen na gebruik op te hangen.

17. Elke wasplaats is voorzien van ten minste één adequaat werkend laarzenreinigings- of laarzenborstelapparaat, waarmee tevens schoeisel kan worden ontsmet.

18. De wasplaats is voorzien van watervaste voorlichtings- en instructieborden de van voldoende formaat, die betrekking hebben op de veiligheid en het gebruik van de reinigings- en ontsmettingsmiddelen.

II. Hygiëne- en gebruikseisen

1. De wasplaats is tijdens de openingstijden te allen tijde functioneel en hygiënisch. Mest, strooisel en voerresten worden zo snel mogelijk van de wasplaats verwijderd.

2. Indien de hygiëne van de wasplaats daartoe aanleiding geeft, maar in elk geval aan het einde van de werkdag, worden de wasplaats en de reinigings- en ontsmettingsvoorzieningen zelf gereinigd en ontsmet.

3. Tijdens reinigings- en ontsmettingswerkzaamheden zijn de aanwezigen op de wasplaats gekleed in door het bedrijf waarvan de wasplaats deel uitmaakt, verstrekte kleding en laarzen.

4. Tijdens het reinigen en vóór het ontsmetten is het vervoermiddel zodanig opgesteld dat de laadvloer van het vervoermiddel in de lengte gemeten een hellingshoek van ten minste 3% heeft.

5. Vervoermiddelen worden in ieder geval overeenkomstig de aanwijzingen van de met het toezicht op de naleving van deze regeling belaste ambtenaren gereinigd met behulp van de op de wasplaats beschikbare reinigingsmiddelen of met warm water, indien:

a. de toestand van dat vervoermiddel daartoe – in ieder geval naar het oordeel van de met de toezicht op de naleving op deze regeling belaste ambtenaar – aanleiding geeft, dan wel

b. de veterinaire situatie in Nederland of in delen van Nederland daartoe naar het oordeel van de minister aanleiding geeft en deze de reiniging van vervoermiddelen heeft gelast.

6. Na reiniging mag zich geen ophoping van water op het vervoermiddel bevinden. Gedurende periodes met vorst wordt na voltooiing van de reinigings- en ontsmettingswerkzaamheden zoveel water verwijderd, dat dieren bij het oplopen zich niet kunnen bezeren door uitglijden over bevroren delen van het vervoermiddel.

7. Indien meerdere vervoermiddelen tegelijkertijd worden gereinigd en ontsmet, worden deze met de aanwezige afscheidingsmogelijkheden zodanig van elkaar afgescheiden dat de vervoermiddelen elkaar tijdens het reinigen en ontsmetten niet kunnen bezoedelen.

8. Gereinigde en ontsmette vervoermiddelen worden zodanig opgesteld dat zij op de wasplaats niet opnieuw kunnen worden bezoedeld.

9. De afscheidingen worden na gebruik gereinigd en ontsmet.

10. De reinigings- en ontsmettingsmiddelen zijn vóór en na gebruik opgeslagen in een vorstvrije ruimte.

11. Aan de ontsmettingsoplossing zijn geen andere stoffen toegevoegd.

12. Indien vervoermiddelen het terrein waarop de wasplaats zich bevindt, verlaten worden de wielen en de wielkassen bij het verlaten van het terrein gereinigd en ontsmet, tenzij de gereinigde en ontsmette vervoermiddelen vanaf de wasplaats niet meer over delen van het terrein rijden waarover ook vervoermiddelen plegen te rijden die nog niet gereinigd en ontsmet zijn.

13. De openingstijd van de wasplaats is ten minste gelijk aan de lostijden voor vee.

Bijlage 10. Voorschriften inzake reiniging en ontsmetting als bedoeld in artikel 73 en 74, zevende lid

I. Voorschriften inzake de reiniging

A. Algemeen

1. De reiniging vindt systematisch plaats in een logische volgorde van handelingen, waarbij van boven naar beneden en van binnen naar buiten wordt gewerkt.

2. De reiniging geschiedt op adequate wijze. Hieraan wordt voldoende tijd besteed.

B. Specifiek

1. Een adequate reiniging bestaat opeenvolgend uit de volgende handelingen:

a. verwijdering van aanwezig grof vuil, zoals mest, strooisel en eventuele voerresten;

b. losweking van aanwezig fijner vuil of vet, bij voorkeur door het aanbrengen van een reinigingsmiddel op alle oppervlakken;

c. verwijdering van de losgeweekte vuil- en vetdeeltjes en het reinigingsmiddel door middel van afspoeling van alle oppervlakken, bij voorkeur met water met een temperatuur van ten minste 70 °C.

2. Indien de reiniging plaatsvindt op een slachtplaats is het gebruikte water van drinkwaterkwaliteit overeenkomstig richtlijn nr. 98/83/EG van de Raad van de Europese Unie van november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (Pb L 330).

3. Alle verwijderbare voorwerpen die bij het vervoermiddel behoren, worden verwijderd en apart gereinigd.

4. Alle losse gebruiksvoorwerpen die bij het vervoermiddel behoren, alsmede eventuele matten in de cabine voor de chauffeur en eventuele bijrijders worden apart gereinigd.

5. De cabine wordt gereinigd, met inbegrip van de pedalen, de cabinevloer en de bedieningsinstrumenten die in contact komen met de chauffeur of eventuele bijrijders.

II. Voorschriften inzake de ontsmetting

A. Algemeen

1. De ontsmetting vindt pas plaats, nadat de reiniging op adequate wijze is geschied en alle vuil- of vetresten verwijderd zijn.

2. Vóór het aanbrengen van het ontsmettingsmiddel wordt overtollig water zoveel mogelijk verwijderd.

3. De ontsmetting geschiedt met voor dat doel op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 toegelaten ontsmettingsmiddelen.

4. Ieder ontsmettingsmiddel dat wordt gebruikt, wordt gebruikt overeenkomstig de gebruiksaanwijzing.

5. De persoonlijke bescherming van bij de ontsmetting aanwezige personen wordt strikt in acht genomen.

6. De ontsmetting vindt systematisch plaats in een logische volgorde van handelingen, waarbij van boven naar beneden en van binnen naar buiten wordt gewerkt.

B. Specifiek

1. Indien de ontsmetting plaatsvindt op een slachtplaats moet het gebruikte water van drinkwaterkwaliteit zijn overeenkomstig richtlijn nr. 98/83/EG van de Raad van de Europese Unie van november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (Pb L 330).

2. De ontsmettingsoplossing wordt op de te ontsmetten oppervlakken aangebracht met lage druk en grove druppel, op zodanige wijze dat alle oppervlakken van het vervoermiddel worden bevochtigd.

3. Alle verwijderbare voorwerpen die bij het vervoermiddel behoren, worden verwijderd en apart ontsmet.

4. Alle losse gebruiksvoorwerpen die bij het vervoermiddel behoren, alsmede eventuele matten in de cabine voor de chauffeur en eventuele bijrijders worden apart ontsmet.

5. Na de benodigde inwerktijd worden, voorzover de gebruiksvoorschriften bij het toegepaste ontsmettingsmiddel zulks in verband met de veiligheid van mens of dier voorschrijft, de oppervlakken afgespoten met water, op zodanige wijze dat geen ontsmettingsmiddel achterblijft op oppervlakken waarmee dieren in aanraking kunnen komen of op oppervlakken van waar mogelijk achterblijvend ontsmettingsmiddel terecht kan komen op oppervlakken waarmee dieren in aanraking kunnen komen.

Bijlage 11. Model bewijs van reiniging en ontsmetting als bedoeld in artikel 76, derde lid

stcrt-2005-120-p17-SC70318-5.gif

Bijlage 12. Inrichtings- en gebruikseisen van kadaverplaatsen als bedoeld in artikel 79, tweede lid, onderdeel h

1. De kadaverplaats (en omgeving) is met stenen volledig verhard en daardoor reinigbaar.

2. Indien de kadaverplaats niet aan de voorgaande eis kan voldoen, is op het bedrijf een voorziening aanwezig voor het ter destructie aanbieden van kadavers, die zodanig is ingericht dat iedere mogelijkheid van verspreiding van smetstof vanuit die voorziening in redelijkheid is uitgesloten, waarbij de voorziening in ieder geval afdekbaar, lekvrij en op deugdelijke wijze reinigbaar is.

3. De kadaverton staat op de kadaverplaats.

4. De kadaverbak en kadaverton zijn onbeschadigd en reinigbaar.

5. De kadaverplaats, kadaverbak en kadaverton worden direct na het ophalen van kadavers gereinigd en ontsmet.

6. De kadaverton is voor maximaal 3/4 vol geladen.

Bijlage 13. Bedrijfsrapport op te stellen door geaccrediteerde keuringsinstantie als bedoeld in artikel 79, tweede lid, onderdeel m

stcrt-2005-120-p17-SC70318-6.gifstcrt-2005-120-p17-SC70318-7.gifstcrt-2005-120-p17-SC70318-8.gifstcrt-2005-120-p17-SC70318-9.gif

Bijlage 14. Dierziekten als bedoeld in artikel 82, onderdeel a

Als dierziekten als bedoeld in artikel 82, onderdeel a zijn aangewezen:

1. Vesiculaire varkensziekte, en

2. Varkenspest.

Bijlage 15. Serologische tests als bedoeld in artikel 86, tweede lid

stcrt-2005-120-p17-SC70318-10.gif

Bijlage 16. Vaccinatiemethoden en voorschriften als bedoeld in artikel 93, eerste, zesde en zevende lid

stcrt-2005-120-p17-SC70318-11.gif

Bijlage 17. Inzendformulier bloedmonsters pluimvee als bedoeld in artikel 93, derde lid

stcrt-2005-120-p17-SC70318-12.gif

Bijlage 18. Voorschriften ten aanzien van bloedonderzoek als bedoeld in artikel 93, derde lid

Voorschriften ten aanzien van bloedonderzoek:

De effectiviteit van de vaccinaties van reproductiedieren en leghennen van 10 weken of ouder dient, door middel van onderzoek van bloed van ten minste 30 willekeurig gekozen dieren per koppel, in ieder geval te worden gecontroleerd, vóór verplaatsing van het koppel en tevens maximaal 9 weken voor de slacht. Dit geldt niet voor dieren die binnen een bedrijf naar een ander lokaal worden verplaatst, voorzover daarbij geen vervoer over de openbare weg plaatsheeft.

De effectiviteit van de vaccinaties van vleeskuikens en vleeskalkoenen dient, door middel van onderzoek van bloed van ten minste 30 willekeurig gekozen dieren per koppel en ten minste 5 dieren per lokaal wanneer op het bedrijf wordt getapt en 30 willekeurig gekozen dieren per koppel wanneer op het slachthuis wordt getapt, in elk geval te worden gecontroleerd:

bij vleeskuikens:

vanaf een leeftijd van 4 weken op het bedrijf, dan wel aan de slachtlijn;

bij vleeskalkoenen:

vanaf een leeftijd van 13 weken op het bedrijf, dan wel aan de slachtlijn.

Het afnemen van bloed op het bedrijf geschiedt door een dierenarts dan wel door een op aanwijzing van en onder controle van een dierenarts handelende dierenartsassistent als bedoeld in artikel 9 van het Besluit paraveterinairen. Het afnemen van bloed aan de slachtlijn geschiedt onder verantwoordelijkheid van een dierenarts.

Bijlage 19. Vaccinatieregime als bedoeld in artikel 93, achtste lid

Aangepast vaccinatieregime

Vleeskuikens:

Eerste verplichte vaccinatie:

uit te voeren tussen 3e en 10e levensdag met levende entstof spray;

Tweede verplichte vaccinatie:

uit te voeren na de 17e levensdag met gecloneerde entstof met spray of aerosol.

Vleeskalkoenen:

Tussen de 14e en de 16e levensdag:

levende entstof spray;

Tussen de 28e en de 30e dag:

levende entstof aerosol;

In de 10e levensweek:

levende entstof aerosol;

Voor de hanen bovendien in de 17e levensweek:

levende entstof aerosol.

Bijlage 20. Model van vaccinatieverklaring als bedoeld in artikel 94, eerste lid

stcrt-2005-120-p17-SC70318-13.gif

Bijlage 21. Modellen van waarschuwingsborden als bedoeld in artikel 102

Wit van kleur met een rode rand en bedrukt met rode letters:

stcrt-2005-120-p17-SC70318-14.gif

Blauw van kleur met een witte opdruk:

stcrt-2005-120-p17-SC70318-15.gif

Bijlage 22. Modellen van kentekenen als bedoeld in artikel 103

a. Blauw van kleur en bedrukt met zwarte letters:

stcrt-2005-120-p17-SC70318-16.gif

Blauw van kleur met een witte opdruk:

stcrt-2005-120-p17-SC70318-17.gif

b. Blauw van kleur en bedrukt met zwarte letters:

stcrt-2005-120-p17-SC70318-18.gif

Bijlage 23 als bedoeld in de artikelen 106, tweede lid en 107

a. Het reinigen van dieren, gebouwen en terreinen, bewaarplaatsen van mest, voorwerpen en producten, bedoeld in artikel 106, tweede lid

1. Het reinigen van dieren geschiedt als volgt:

De huid wordt zorgvuldig gereinigd door borstelen en wassen en de hoeven en klauwen worden uitgesneden of afgeraspt, doch uitsluitend indien en voorzover de ambtenaar aangeeft dit noodzakelijk te achten.

2. Het reinigen van gebouwen en zich daarin bevindende voorwerpen en van bewaarplaatsen van mest geschiedt als volgt:

a. mest, strooisel, voor onschadelijkmaking bestemd voedsel en voedselresten, het grove vuil dat van de zoldering, wanden en vloer kan worden afgenomen alsmede alle andere voor onschadelijkmaking bestemde voorwerpen en produkten worden uit de gebouwen verwijderd alvorens de reiniging plaatsvindt;

b. alle verplaatsbare accessoires en voorwerpen worden uit de gebouwen verwijderd en apart gereinigd;

c. vet en vuil worden van alle oppervlakken verwijderd door middel van een ontvettingsmiddel en vervolgens worden de oppervlakken met water onder druk worden gewassen;

d. beschadigde vloeren, muren en andere delen worden hersteld nadat daarover na een inspectie door de ambtenaar overeenstemming is bereikt; de herstellingen moeten onmiddellijk worden uitgevoerd;

e. nadat de herstellingen zijn voltooid worden zij geïnspecteerd om na te gaan of een en ander op bevredigde wijze is uitgevoerd;

f. brandbare voorwerpen worden, ter beoordeling van de ambtenaar, bedoeld in artikel 114, tweede lid, van de wet verbrand;

g. aarden vloeren worden ten minste 20 centimeter diep uitgegraven en daarna ter dikte van de uitgegraven laag met nieuwe grond of vers zand aangevuld en daarna vast aangestampt. De uitgegraven grond wordt als mest behandeld;

h. losse stenen vloeren worden opgebroken en de ondergrond als aarden vloer behandeld met reiniging en ontsmetting van de te gebruiken stenen of de losse stenen vloer wordt in de voegen diep uitgekrabd en daarna gereinigd;

i. houten vloeren worden zonodig opgebroken, de ondergrond als aarden vloer behandeld en het houtwerk wordt gereinigd;

j. insecten, ratten, alsmede andere organismen worden op aanwijzing van de ambtenaar bestreden.

3. Voorwerpen en producten worden gereinigd door afvegen, afschuren, afkrabben, afschaven, behandeling met een reinigingsmiddel en verder door afspuiten, afwassen of afschrobben met koud of heet water.

4. Het reinigen van kweekvijvers geschiedt, nadat water, vis, eieren en gameten zijn verwijderd, overeenkomstig de aanwijzingen van de ambtenaar. Het water ondergaat een behandeling waarmee eventueel aanwezige ziekteverwekkende agentia worden uitgeschakeld.

b. Het ontsmetten van dieren, gebouwen en terreinen, bijenwoning, bewaarplaatsen van mest, voorwerpen en producten, bedoeld in artikel 107

1. Het ontsmetten van dieren geschiedt als volgt:

De huid, hoeven en klauwen worden met het daarvoor aangewezen ontsmettingsmiddel goed afgewassen, doch uitsluitend indien en voorzover de ambtenaar aangeeft dit noodzakelijk te achten.

2. Het ontsmetten van gebouwen en zich daarin bevindende voorwerpen, van bewaarplaatsen van mest en van bijenwoning geschiedt als volgt:

a. mest, strooisel, verontreinigd voer en ander vuil wordt verbrand, begraven, ondergeploegd of door broeien of vermengen met een aangewezen ontsmettingsmiddel onschadelijk gemaakt. Drijfmest wordt zodanig behandeld dat virussen worden gedood;

b. alle verplaatsbare accessoires en voorwerpen die uit de gebouwen zijn verwijderd, worden ontsmet met een aangewezen ontsmettingsmiddel;

c. alle oppervlakken van de gebouwen worden met een aangewezen ontsmettingsmiddel besproeid;

d. lekvrije ruimten worden door middel van rook worden ontsmet;

e. alle delen van gebouwen die volledig vrij zijn van brandbaar materiaal kunnen een warmtebehandeling met een vlammenwerper ondergaan;

f. bij de in- en uitgangen van gebouwen, lokalen of plaatsen waar de voor de ziekte vatbare dieren zijn gevestigd worden geëigende ontsmettingsmiddelen gebruikt, die dagelijks worden ververst.

3. Voorwerpen en producten worden door vuur, stoom, kokend water of een ander ontsmettingsmiddel ontsmet.

4. Het ontsmetten van kweekvijvers geschiedt, nadat water, vis, eieren en gameten zijn verwijderd, overeenkomstig de aanwijzingen van de ambtenaar, bedoeld in artikel 114, tweede lid, van de wet.

5. Voor het overige vindt de reiniging en ontsmetting, ter beoordeling van de ambtenaar, bedoeld in artikel 114, tweede lid, van de wet plaats conform het draaiboek ter bestrijding van de betreffende dierziekte. Het draaiboek ligt ter inzage bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en bij de VWA.

Toelichting

§ 1. Inleiding

Met onderhavige regeling worden de uitvoeringsregels op het gebied van preventie, bestrijding, monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s geïntegreerd. Hiertoe zijn de volgende regelingen gebundeld in onderhavige regeling:

a. de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000;

b. de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000;

c. de Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen;

d. de Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993;

e. de Regeling monitoring Aviaire Influenza 2003;

f. de Regeling vaccinatie Newcastle Disease;

g. de Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten;

h. de Regeling inzake het verlaten van besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen;

i. de Regeling toegang personen of groepen van personen tot besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen, en

j. de Regeling betreffende uitvoering bestrijdingsmaatregelen besmettelijke dierziekten.

In voornoemde regelingen waren op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: GWWD) en de Landbouwwet onderwerpen geregeld over preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s. Het gaat hierbij onder meer over het aanwijzen van besmettelijke dierziekten, regels over het verzamelen van dieren, hygiënevoorschriften ter voorkoming van besmettelijke dierziekten, regels over de monotoring, preventie en bestrijding van zoönosen en zoönoseverwekkers bij dieren, regels ten aanzien van het fokken van schapen ter voorkoming van TSE’s, uitvoeringsmaatregelen tot bestrijding van besmettelijke dierziekten, het aanwijzen van personen of groepen van personen die toegang hebben tot besmette of van besmetting verdachte gebouwen of terreinen en voorschriften die zijn gesteld over het verlaten van deze gebouwen en terreinen.

§ 2. Achtergrond

In de afgelopen jaren zijn de regelingen die in onderhavige regeling zijn gecodificeerd aan veelvuldige wijzigingen onderhevig geweest. De wijzigingen van de regelingen waren noodzakelijk in verband met de verschillende uitbraken van dierziekten, als MKZ, KVP, AI en BSE. Ook de ontwikkelingen in Europa op het terrein van preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s hebben bijgedragen aan de veelheid aan wijzigingen. Met het oog op een toegankelijk en transparant geheel aan regels en in verband met de verwevenheid van de onderwerpen is tot de codificatie van de onderwerpen gekomen.

De inhoud van de oorspronkelijke regelingen is in beginsel ongewijzigd gebleven. Wijzigingen zijn voornamelijk van technische aard en zijn ten behoeve van de eenheid doorgevoerd. De structuur van de regeling wordt in paragraaf 3 toegelicht. Voor de achtergrond van de regels zij verwezen naar de toelichting van de oorspronkelijke regelingen en de wijzigingen daarop. De enkele punten waarop de regelgeving inhoudelijk is gewijzigd, zijn toegelicht in paragraaf 4.

§ 3. Structuur

Ter bevordering van de toegankelijkheid van onderhavige regeling is naast de onderverdeling in hoofdstukken en paragrafen gebruik gemaakt van een onderverdeling in titels. De titels onderscheiden de thema’s preventie van besmettelijke dierziekten, monitoring van besmettelijke dierziekten, zoönosen en TSE’s en bestrijding van besmettelijke dierziekten.

Titel 1. Algemeen

Hoofdstuk 1 voorziet in de begripsbepalingen. In hoofdstuk 2 is de regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten opgenomen. Op grond van de artikelen 15 en 100 GWWD wordt een aantal besmettelijke dierziekten aangewezen bij vee, pluimvee, bijen, nertsen en andere op grond van het besluit aanwijzing diersoorten besmettelijke dierziekten aangewezen dieren. Aanwijzing van een besmettelijke dierziekte heeft tot gevolg dat hoofdstuk 2, afdeling 3, van de GWWD van toepassing is.

Titel 2. Preventie besmettelijke dierziekten

Titel 2, hoofdstuk 3, voorziet in regels over het verzamelen van dieren. Paragraaf 1 is afkomstig uit de Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten. Hierin worden regels voorgeschreven ten aanzien van de onderlinge bedrijfscontacten. Paragraaf 2 behelst een codificatie van de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000.

In titel 2, hoofdstuk 4, worden hygiënevoorschriften en voorschriften over reinigingen en ontsmetting voorgeschreven afkomstig uit de Regeling inzake hygiënevoorschriften 2000. Het gaat hierbij onder meer om regels in het kader van vervoer van evenhoevigen en reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen.

De voorschriften in titel 2, paragraaf 5, zijn een codificatie van de regels uit de Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen die handelen over persoonlijk hygiëne.

Titel 3. Monitoring

Paragraaf 1, voorziet in regels ten aanzien van de monitoring van varkenspest. De regels zijn afkomstig uit de Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993. In paragraaf 2 zijn de regels over monitoring van AI neergelegd uit de Regeling Aviaire Influenza 2003.

In artikel 89 is voorgeschreven dat de ondernemer elke verhoogde sterfte van pluimvee van meer dan 3% per week onverwijld meldt aan het Landelijk LNV dierziekten meldnummer: 045–⁠5466222.

Paragraaf 3 schrijft regels voor ten behoeve van de monitoring van Newcastle Disease, uit de Regeling vaccinatie Newcastle Disease.

Titel 4. Zoönosen en TSE’s

In hoofdstuk 1, paragraaf 1, zijn de regels gecodificeerd over monitoring, preventie en bestrijding van zoönosen en zoönoseverwekkers bij dieren, afkomstig uit de Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen. In hoofdstuk 2, paragraaf 1, over TSE’s, zijn de regels neergelegd over het fokken van schapen uit de regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen.

Titel 5. Bestrijding besmettelijke dierziekten

Hoofdstuk 1, paragraaf 1, is een codificatie van de Regeling betreffende uitvoering bestrijdingsmaatregelen besmettelijke dierziekten. In artikel 22 van de GWWD zijn de maatregelen opgesomd die kunnen worden genomen ter bestrijding van een besmettelijke dierziekte. Op grond van artikel 23 GWWD stelt de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het model vast van de waarschuwingsborden en kentekenen en stelt hij nadere regelen omtrent de wijze waarop de in artikel 22 GWWD genoemde maatregelen worden uitgevoerd. In paragraaf 1 worden voorschriften gegeven omtrent de modellen van de waarschuwingsborden en kentekenen, omtrent het onschadelijk maken van of vernietigen van gedode of gestorven dieren, zieke en verdachte dieren en van besmette of van besmetting verdachte producten of voorwerpen en omtrent de reiniging en ontsmetting van gebouwen, terreinen, bewaarplaatsen van mest, bijenwoningen en voorwerpen.

In de hoofdstukken 2 en 3 zijn respectievelijk de Regeling toegang van personen of groepen van personen tot besmette of van besmetting van verdachte gebouwen en terreinen en de Regeling inzake het verlaten van besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen gecodificeerd.

§ 4. Inhoudelijke aspecten

Regelgeving die geen nut of noodzaak meer kent, is niet overgenomen in onderhavige regeling. Zo is paragraaf 2 uit de Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen over stickering ten behoeve van het vervoer tijdens de MKZ crisis niet in onderhavige regeling overgenomen. De regelgeving was tijdens de crisis noodzakelijk, maar inmiddels niet meer. Voorts is artikel 12 uit de Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen niet overgenomen in onderhavige regeling. Het artikel voorzag in een verbod van het verzamelen van herten voor een kortere periode dan 21 dagen, met daarop een uitzondering voor de slacht. Deze praktijk komt thans niet voor, dus het verbod is niet meer nodig.

De regels inzake het gevorderde medebewind van onder meer het Productschap Diervoeder ten aanzien van het verrichten van onderzoek naar de aanwezigheid van zoönosen, zoönoseverwekkers, antibacteriële resistentie bij zoönoseverwekkers en bij andere verwekkers, zijn voorzien van bepalingen ten behoeve van de tuchtrechtelijke handhaving (artikel 95, leden 5 en 6). Analoog aan een eerdere medebewindsverordening met betrekking tot onderzoek en bestrijding van zoönosen is gekozen voor handhaving via het tuchtrecht. Verwezen wordt naar de toelichting bij de regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 25 november 2004, TRCJZ 2004/5579, houdende wijziging van de Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten in verband met het vorderen van medebewind (Stcrt. 230).

§ 5. Slot

De Regeling slachten voor huishoudelijk gebruik wordt ingetrokken. Gebleken is dat geen aanvragen voor huisslachtingen worden ingediend. De Regeling van de Minister van Landbouw, natuur en voedselkwaliteit van 25 september 2003, TRJZ/2003/5103, houdende wijziging van de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000 (Stcrt. 192) en de Regeling van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 8 juni 2001, TRJZ/2001/8357, houdende wijziging van de Regeling bijeenbrengen van dieren 2000 (Stcrt. 109) worden ingetrokken. De regelingen hebben hun werking verloren.

Benadrukt wordt dat de intrekking van de regelingen overigens geen blijk geeft van veranderde opvattingen van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de in die regelingen opgenomen gedragingen.

In totaal worden 13 regelingen ingetrokken.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C.P. Veerman

  • 1

    Stcrt. 1991, 223; laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 4 juni 2002 (Stcrt. 107).

  • 2

    Stcrt. 1993, 99; laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 29 september 2004 (Stcrt. 793).