Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2005, 120 pagina 13Besluiten van algemene strekking

Wijziging Arbeidsomstandighedenregeling

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 15 juni 2005, Directie Arbeidsomstandigheden, nr. ARBO/A&V/05/41842, tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met een wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 inzake een gewijzigde organisatie van de deskundige bijstand bij het arbeidsomstandighedenbeleid

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 1.5e, eerste lid, en 2.9, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

Besluit:

Artikel I

De Arbeidsomstandighedenregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Het opschrift van hoofdstuk 2 komt te luiden: Aanvullende voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie, deskundigen en arbodiensten.

B

Het opschrift van paragraaf 2.2 komt te luiden: TAKEN VAN DESKUNDIGEN EN ARBODIENSTEN.

C

Artikel 2.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de bestaande tekst wordt de aanduiding ‘1’ geplaatst.

2. De aanhef van het eerste lid komt te luiden:

Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, van de wet verricht de deskundige, bedoeld in artikel 2.14a, eerste lid, van het besluit of de arbodienst de volgende werkzaamheden:.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 2.14b, tweede lid, onder b, van het besluit verricht de deskundige, bedoeld in artikel 2.14a, eerste lid, van het besluit of de arbodienst de volgende werkzaamheden:

a. het toetsen of het model voor het opstellen van een risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 2.14b, eerste lid, onder b, van het besluit, volledig en betrouwbaar is;

b. het toetsen of in het model, bedoeld onder a, de actuele inzichten op het terrein van arbeidsomstandigheden in de desbetreffende branche zijn verwerkt;

c. het toetsen of het model, bedoeld onder a, adequate aanwijzingen bevat voor het kunnen opstellen van een plan van aanpak, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet.

D

Artikel 2.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste zin wordt ‘zijn taken op grond van artikel 14, derde lid, onder b, van de wet ondersteunt de arbodienst’ vervangen door: de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder b, van de wet ondersteunt de deskundige, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst.

2. In de tweede zin wordt ‘de arbodienst’ vervangen door: de deskundige of de arbodienst.

E

In de aanhef van artikel 2.3 wordt ‘zijn taak op grond van artikel 14, derde lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet legt de arbodienst vast’ vervangen door: de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet legt de deskundige, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst vast.

F

In de aanhef van artikel 2.4 wordt ‘zijn taak op grond van artikel 14, derde lid, onderdeel c, onder 2°, van de wet legt de arbodienst vast’ vervangen door: de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de wet legt de deskundige, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst vast.

G

In de aanhef van artikel 2.5 wordt ‘zijn taak op grond van artikel 14, derde lid, onder d, van de wet legt de arbodienst vast’ vervangen door: de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder d, van de wet legt de deskundige, bedoeld in artikel 2.14a, derde lid, van het besluit of de arbodienst vast.

H

Artikel 2.8 vervalt.

I

Artikel 2.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, wordt ‘afgegeven indien wordt voldaan aan artikel 14, derde lid, en vijfde tot en met zevende lid, van de wet’ vervangen door: afgegeven indien de bijstand bij de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet naar behoren kan worden uitgevoerd, en wordt voldaan aan de artikelen 13, zesde lid, 14, derde lid en 14a, vierde lid, van de wet.

2. In het tweede lid wordt ‘afgegeven indien wordt voldaan aan artikel 14, derde lid, en vijfde tot en met zevende lid, van de wet’ vervangen door: afgegeven indien de bijstand bij de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet naar behoren kan worden uitgevoerd, en wordt voldaan aan de artikelen 13, zesde lid, 14, derde lid en 14a, vierde lid, van de wet.

J

In artikel 2.14 wordt ‘voor de hoofdstroom arbeid en gezondheid, bedoeld in het Besluit CSG no. 1-1996 van het College voor Sociale Geneeskunde’ vervangen door: voor het sociaal-geneeskundig specialisme arbeid en gezondheid – bedrijfsgeneeskunde, bedoeld in het Besluit Bedrijfsgeneeskunde van 24 maart 2004 van het College voor Sociale Geneeskunde’.

K

In artikel 2.15 wordt ‘Vakbekwaamheid SKO,’ vervangen door: Vakbekwaamheid SKO, ten aanzien van arbeidshygiënisten,.

L

In artikel 2.16 wordt ‘Vakbekwaamheid SKO,’ vervangen door: Vakbekwaamheid SKO, ten aanzien van veiligheidskundigen,.

M

Paragraaf 2.5 vervalt.

N

De artikelen 9.2a, 9.2b en 9.3 vervallen.

Artikel II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2005.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 15 juni 2005.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H.A.L. van Hoof.

Toelichting

1. Algemeen

1.1 Inleiding

De Arbeidsomstandighedenwet 1998 is gewijzigd op het onderdeel deskundige bijstand aan de werkgever wat betreft diens arbo- en verzuimaanpak (Stb. 2005, 202). In verband hiermee is eveneens het Arbeidsomstandighedenbesluit gewijzigd. Bedoelde veranderingen treden in werking met ingang van 1 juli 2005.

De veranderingen betreffen in hoofdzaak vier onderdelen.

– De aanpak van preventie-activiteiten in het bedrijf wordt duidelijker gestructureerd door de verantwoordelijkheid voor de werkgever om onder de bij hem gewoonlijk werkzame werknemers tenminste een preventiemedewerker aan te wijzen, danwel ervoor te kiezen zelf die taak te vervullen indien hij ten hoogste 15 werknemers heeft.

– Het is mogelijk om een alternatief overeen te komen in plaats van de verplichte inschakeling van een arbodienst voor de deskundige bijstand bij arbo- en verzuimaanpak; over deze zogeheten maatwerkregeling moet dan overeenstemming bestaan tussen cao-partners, danwel tussen werkgever en ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging; daarbij kunnen – en moeten op onderdelen – gecertificeerde kerndeskundigen op arbeidsomstandighedenterrein ingeschakeld worden buiten het verband van de arbodienst waarbinnen de meeste van hen gewoonlijk werkten.

– Voor arbodiensten geldt niet meer de verplichting dat zij zich ‘in hoofdzaak’ bezig houden met arbodienstverlening, waardoor zij ook andere diensten aan klanten-werkgevers kunnen leveren; omgekeerd kunnen ook andere partijen, bijvoorbeeld branche-organisaties, arbodienstverlening in hun aanbod opnemen; en interne arbodiensten kunnen – mits met een certificaat externe arbodienst – arbodienstverlening verzorgen voor derden.

– De verplichte deskundige toets op het document met de risico-inventarisatie en -evaluatie (ri&e) vervalt voor de werkgever met ten hoogste 10 werknemers wanneer hij gebruik maakt van een ri&e-instrument dat daarvoor bij cao is overeengekomen en door tenminste een gecertificeerde kerndeskundige is getoetst.

De Arbeidsomstandighedenregeling dient in overeenstemming te worden gebracht met de gewijzigde wetgeving. De onderhavige regeling strekt hiertoe.

1.2 Wijziging Arbeidsomstandighedenregeling

De Arbeidsomstandighedenregeling bevat een aantal bepalingen over arbodiensten. Waar relevant worden deze bepalingen van overeenkomstige toepassing verklaard op de gecertificeerde kerndeskundigen die, afzonderlijk of in combinaties, door partners op cao- of ondernemingsniveau ingeschakeld worden in het kader van tussen hen overeengekomen maatwerkregelingen. Aldus krijgen de partners op cao- of ondernemingsniveau duidelijkheid over het kader waarbinnen zij deskundigen kunnen inschakelen, respectievelijk met welke taken de gecertificeerde kerndeskundigen zijn belast.

Dit betekent overigens niet dat de feitelijke uitvoering van die taken altijd door henzelf in persoon verzorgd zou moeten worden. Als voorbeeld wordt verwezen naar artikel 2.2 (ziekteverzuimbegeleiding), waarbij in hoofdlijnen is aangegeven hoe een arbodienst de werkgever bijstaat in adequate begeleiding van ziek gemelde werknemers. Er heeft zich de afgelopen jaren steeds meer een praktijk ontwikkeld waarbij de werkgever, respectievelijk de direct leidinggevende, een regierol heeft ten aanzien van de ontvangst van de verzuimmelding en (her)bevordering van inzetbaarheid van de werknemers, met diverse deskundigen uitdrukkelijk in een adviseurs rol. Zo is het ook goede praktijk in de ziekteverzuimbegeleiding dat een bedrijfsarts weliswaar altijd toegankelijk is voor de werknemers, maar dat een verzuimmelding niet automatisch leidt tot bezoek aan de bedrijfsarts en dat anderen een rol spelen in verwijzing naar, respectievelijk voorselectie voor, de inzet van de bedrijfsarts. Deze wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling brengt het bepaalde ten aanzien van bijstand aan de werkgever door de arbodienst van overeenkomstige toepassing op de afzonderlijk werkende gecertificeerde kerndeskundige(n) in het kader van de maatwerkafspraken van partners op cao- of ondernemingsniveau; het voorbeeld van de praktijk van ziekteverzuimbegeleiding moge duidelijk maken dat werkzaamheden in het kader van maatwerkafspraken lang niet altijd plaatsvinden door maar veelal ook uiterst adequaat mede onder verantwoordelijkheid van de professional, in dit voorbeeld de bedrijfsarts.

Daarnaast is er een nieuw element. Als opgemerkt, voor de werkgever met ten hoogste 10 werknemers zal de ri&e-toets vervallen wanneer hij gebruik maakt van een ri&e-instrument dat daarvoor bij cao is overeengekomen en door tenminste een gecertificeerde kerndeskundige is getoetst. In deze wijzigingsregeling worden eisen gesteld aan de toetsing van zo’n instrument, naar analogie van de eisen aan de toetsing van een ri&e-document. Oogmerk is onder meer dat de uit de inventarisatie voortvloeiende aanbevolen maatregelen gebaseerd zijn op actuele inzichten in voor de cao-sector passende beheersing van risico’s. Arbodienstverleners in sectoren hebben, in lijn met de zogeheten arbeidshygiënische strategie, steeds meer een praktijk waarbij het in de ri&e vervatte plan van aanpak zich concentreert op een op zich beperkt aantal maatregelen die mede door die strategische beperking verbetering van veilig en gezond werken in het bedrijf betekenen.

In dit verband zij opgemerkt dat het Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid subsidie heeft verstrekt voor een project van de vier beroepsverenigingen van gecertificeerde arbodeskundigen. Zij ontwikkelen een ‘leidraad ri&e-toets’, voor duidelijkheid over de vraag welke deskundige(n) in te zetten is of zijn bij welk (type) ri&e-instrument of -document. De uitkomsten vormen een belangrijk advies voor de sociale partners die ri&e-instrumenten zullen ontwikkelen en onderhouden, en die daarmee bijdragen aan de invulling van de verantwoordelijkheid die uiteindelijk rust op de afzonderlijke werkgever, om bij de toetsing van het ri&e-document, waar nog verplicht, de juiste deskundigheid in te schakelen.

Het wordt inmiddels goede praktijk dat ri&e-instrumenten, met de reikwijdte van de werking ervan, bekend zijn op de desbetreffende website van het Arboplatform, in casu www.rie.nl. Er wordt vanuit gegaan dat de nu mogelijke cao-ri&e-instrumenten bij gebruik waarvan geen toets op het document meer plaatsvindt, eveneens toegankelijk zullen zijn via deze website. Ook wat betreft het actueel houden van de nu mogelijke cao-ri&e-instrumenten is de eigen verantwoordelijkheid van sociale partners het eerste uitgangspunt.

In dit verband wordt er verder op gewezen dat in het kader van de zogeheten maatwerkregeling partners op cao- of ondernemingsniveau een alternatief kunnen overeenkomen voor de toetsing van een ri&e-document door de arbodienst. Naar valt aan te nemen bestaat dat alternatief op cao-niveau veelal uit het beschikbaar stellen van een ri&e-instrument, waarbij, naar tevens valt aan te nemen, de cao-partners ook een of meer deskundigen voor het opstellen van het instrument zullen inzetten. Opgemerkt zij dat het in die gevallen voor werkgevers met meer dan 10 werknemers zo blijft dat een deskundige toets op het resulterende ri&e-document verricht moet worden; dat neemt niet weg dat cao-partners en deskundigen afspraken kunnen maken over de intensiteit van de toets en eisen aan de toetser⁠(s). Bij ri&e-instrumenten in het kader van de maatwerkregeling lijkt het dan van belang dat de houders van het instrument in de papieren en/of elektronische uitgave aangeven door wie en en door welk type deskundige(n), en met welke intensiteit, het uit het instrument voortvloeiende ri&e-document getoetst zou moeten worden. De eerdergenoemde ‘leidraad ri&e-toets’ van de vier beroepsverenigingen zal hiervoor ook duidelijkheid kunnen bieden.

Voorts is een aantal tijdelijke vrijstellingen vervallen. Deze vrijstellingen zijn thans als een perghedenbesluit zijn dvrijstellingen vervallen die als een pemantent voorziening . waarneen euiten het verband van een arbodienstmanente voorziening in het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen (zie verder de toelichting op artikel I, onderdeel L).

2. Artikelsgewijs

Artikel I (onderdeel C; artikel 2.1, tweede lid)

Als vermeld in de algemene toelichting, worden voor het toetsen van een ri&e-instrument eisen gesteld op dezelfde aandachtspunten als voor het toetsen van een ri&e-document. Een oogmerk is dat het ri&e-instrument volledig is wat betreft naar redelijke verwachting en ervaring in de sector voorkomende risico’s. Eveneens wordt beoogd dat het instrument voor de werkgever leidt tot een plan van aanpak met adequate aanwijzingen voor het verhelpen van eventueel geconstateerde tekortkomingen en waarin een volgorde van uitvoering van voorgenomen maatregelen is gegeven. De toetsing van een ri&e-instrument dient zich hierop te richten. Dit is geregeld in het nieuwe tweede lid.

Daarbij is het van belang het volgende in ogenschouw te nemen. In het verleden werd de ri&e-procedure wel eens gekenschetst als een proces dat leidde tot veel pagina’s vragen in ri&e-instrumenten, velerlei probleemstellingen, maar nauwelijks oplossingen voor de werkgever. Inmiddels is er steeds vaker een praktijk ontstaan waarbij, mede door elektronische publicatie, ri&e-instrumenten modulair opgebouwd zijn, en de gebruiker van het instrument geleid wordt langs alleen die modules die in de specifieke situatie relevant zijn. Bovendien is er steeds meer in de werkwijze van arbodienstverleners en in branche-afspraken sprake van een toespitsing van het in de ri&e vervatte plan van aanpak op de meest prioritaire c.q. belangrijke risico’s. Het is dus aan het overleg tussen partijen, ingezette deskundige(n) en cao-partners, om een goede balans te vinden tussen enerzijds breed inventariseren en anderzijds activeren tot verbetering door een toespitsing op de meest relevante risico’s van de sector.

Evenals ten aanzien van ri&e-instrumenten in het kader van de maatwerkregeling, lijkt het overigens van belang voor de kenbaarheid en voor een goed gebruik van het ri&e-instrument, dat de houders van het instrument, de cao-partners, in de papieren en/of elektronische uitgave van het instrument aangeven door wie en door welk type deskundige(n), het instrument is getoetst.

Artikel I (onderdeel H; artikel 2.8)

Deze bepaling is vervallen. De regelmatige publicatie van de afgifte, de weigering of de intrekking van een certificaat arbodienst vindt thans plaats op de internetsite www.arbo.nl. Vanwege hun overeenkomst met de Stichting Beheer Certificatie Arbodiensten, waarnaar wordt verwezen in artikel 2.7 in het kader van de aanwijzing van certificerende instellingen, verstrekken de certificerende instellingen hiertoe de benodigde informatie aan deze stichting die plaatsing op arbo.nl verzorgt.

Artikel I (onderdelen K en L; artikelen 2.15 en 2.16)

Met betrekking tot de certificatie van arbeidshygiënisten en veiligheidskundigen wordt verwezen naar hetzelfde certificatieschema. In de artikelen is aangegeven dat uiteraard alleen die onderdelen van het schema relevant zijn die betrekking hebben op arbeidshygiënisten respectievelijk veiligheidskundigen.

Artikel I (onderdeel M; paragraaf 2.5)

In artikel 2.23 was voor een aantal situaties een vrijstelling gegeven ten aanzien van de plicht tot bijstand bij ziekteverzuimbegeleiding. In artikel 2.24 was een vrijstelling gegeven van de plicht tot toetsing van een ri&e-document voor de werkgever die ten hoogste 40 uur per week arbeid laat verrichten. Deze – per definitie tijdelijke, dus regelmatig verlengde – vrijstellingen zijn vervallen. Deze vrijstellingen zijn nu als permanente uitzonderingen opgenomen in het gewijzigde Arbeidsomstandighedenbesluit. Zie in dit verband de artikelen 2.14b (uitzondering bijstand risico-inventarisatie en -evaluatie) en 2.14c (uitzondering bijstand ziekteverzuim).

Artikel I (onderdeel N; artikelen 9.2a, 9.2b en 9.3)

De artikelen 9.2a en 9.2b bevatten overgangsrecht dat inmiddels is uitgewerkt zodat deze artikelen kunnen vervallen. Artikel 9.3 bevat de intrekking van een aantal ministeriële regelingen; ook deze bepaling is uitgewerkt en kan vervallen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H.A.L. van Hoof