Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2005, 113 pagina 29Overig

Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005

Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 2 juni 2005, nr. WJZ/2005/24012 (8158), houdende vaststelling van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005 (Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht;

Gehoord de departementale ondernemingsraad;

Besluit:

Artikel 1

Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. ministerie: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

b. bewindspersoon: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of een Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

c. minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

d. staatssecretaris: Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

e. secretaris-generaal: secretaris-generaal van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

f. plaatsvervangend secretaris-generaal: plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

g. directeur-generaal: directeur-generaal van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

h. inspecteur-generaal: inspecteur-generaal van het onderwijs,

i. hoofd van het agentschap: hoofddirecteur van het agentschap Centrale Financiën Instellingen of directeur van het agentschap Rijksarchiefdienst,

j. directeur: directeur van een directie, een programmadirectie of een dienst als bedoeld in bijlage 1,

k. budgethouder: functionaris die verantwoordelijk is voor een rechtmatig en doelmatig financieel beheer van de aan hem toegewezen budgetten,

l. budget: aan een budgethouder toegewezen verplichtingen- en kasbedrag(en) alsmede de te realiseren ontvangsten ter uitvoering van een deel van de begroting,

m. bestedingsplan: plan ter uitvoering van de begroting, opgesteld ten behoeve van het aangaan van verplichtingen, anders dan:

– in het kader van de reguliere of aanvullende bekostiging van instellingen voor onderwijs of onderzoek op grond van een onderwijswet,

– in het kader van het aangaan van verplichtingen uit hoofde van de cultuurnota,

– subsidies op grond van artikel 34 van de Monumentenwet 1988, en

n. managementafspraak: afspraak omtrent de vertaling van beleidsdoelen in de begroting en de doelstellingen voor de interne bedrijfsvoering naar concrete acties en activiteiten, benodigde middelen en bevoegdheden of de prestatie- en kwaliteitsnormen ten aanzien van de te leveren producten of diensten, dan wel beide, met inbegrip van het bestedingsplan.

Artikel 2

Mandaat, volmacht en machtiging

Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van:

a. volmacht om in naam van een bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, en

b. machtiging om in naam van een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.

Artikel 3

Organisatie van het ministerie

1. Het ministerie bestaat uit:

a. de ondersteuningskolom waaronder de ondersteunende directies vallen,

b. drie beleidskolommen (directoraten-generaal) waaronder de beleidsdirecties vallen,

c. de Inspectie van het onderwijs,

d. de Erfgoedinspectie,

e. het agentschap Centrale Financiën Instellingen, en

f. het agentschap Rijksarchiefdienst.

2. De secretaris-generaal kan programmadirecties en projecten instellen en mandaat verlenen aan projectleiders.

3. De secretaris-generaal kan mandaat verlenen aan directeuren en hoofden van de ondersteunende bureaus van de adviescolleges als bedoeld in artikel 1 van de Kaderwet adviescolleges.

4. De organisatie van het ministerie wordt nader vastgesteld door middel van de bij dit besluit behorende bijlage 1.

5. Wijziging van bijlage 1 geschiedt door de secretaris-generaal.

6. De directeur Human Resource Management draagt zorg voor bekendmaking van bijlage 1 door openbare ter inzage legging op het ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het ministerie.

Artikel 4

Voorbehouden aan bewindspersonen

1. Aan de bewindspersoon is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken:

a. gericht aan de Koningin,

b. gericht aan de Raad van Ministers van het Koninkrijk, de Raad van Ministers en de daaruit gevormde colleges,

c. gericht aan ministers en staatssecretarissen,

d. gericht aan autoriteiten in binnen- en buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of staatssecretaris,

e. gericht aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van de uit die Kamers gevormde commissies,

f. gericht aan de Raad van State van het Koninkrijk en de Raad van State,

g. gericht aan de Algemene Rekenkamer,

h. houdende beslissingen op een bezwaarschrift of een beroepschrift,

i. betreffende het nemen van beloningsbesluiten ten aanzien van ambtenaren waarbij de secretaris-generaal als direct-leidinggevende optreedt, en

j. houdende algemeen verbindende voorschriften.

2. Aan de minister is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken:

a. houdende het sluiten van huur-, huurkoop- en lease-overeenkomsten voor een bedrag van meer dan € 2.500.000 voor de duur van de overeenkomst, en

b. de goedkeuring van het departementale bestedingsplan.

3. De secretaris-generaal kan de stukken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met h, afdoen en ondertekenen indien daarover afspraken zijn gemaakt tussen een bewindspersoon en de secretaris-generaal. De directeur Bestuursondersteuning en Advies draagt zorg voor bekendmaking van de afspraken, door openbare ter inzage legging op het ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het ministerie.

Artikel 5

Mandaat aan SG en PSG

1. De secretaris-generaal heeft mandaat voor al hetgeen het ministerie betreft met inachtneming van de managementafspraak tussen de minister en de secretaris-generaal.

2. De secretaris-generaal geeft rechtstreeks leiding aan de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie en de directeuren van de volgens bijlage 1 onder hem ressorterende dienstonderdelen.

3. De plaatsvervangend secretaris-generaal geeft rechtstreeks leiding aan de hoofddirecteur van het agentschap Centrale Financiën Instellingen en de directeuren van de volgens bijlage 1 onder hem ressorterende dienstonderdelen.

4. De plaatsvervangend secretaris-generaal vervangt de secretaris-generaal bij diens afwezigheid of verhindering en in de gevallen daartoe door de secretaris-generaal aangewezen. Hij treedt alsdan in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de secretaris-generaal.

5. Voorzover de secretaris-generaal of de plaatsvervangend secretaris-generaal rechtstreeks leiding geeft aan de directeuren van de volgens bijlage 1 onder hem ressorterende dienstonderdelen, zijn de voorschriften die van toepassing zijn op directeuren-generaal, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6

Mandaat aan DG’s

1. De directeuren-generaal hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden op het terrein van hun directoraat-generaal.

2. De directeuren-generaal geven rechtstreeks leiding aan de directeuren van de onder hen ressorterende dienstonderdelen. De desbetreffende directeur-generaal geeft leiding aan de directeur van het agentschap Rijksarchiefdienst.

3. De directeuren-generaal zijn budgethouder voor de hen door de secretaris-generaal toegewezen budgetten. De directeuren-generaal kennen aan de directeuren de budgetten toe waarover zij kunnen beschikken.

Artikel 7

Mandaat aan hoofden van de inspecties

1. De inspecteur-generaal heeft, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, met inachtneming van de Wet op het onderwijstoezicht en binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op zijn werkterrein.

2. De directeur van de Erfgoedinspectie heeft, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op zijn werkterrein.

3. De hoofden van de inspecties, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn budgethouder voor de hun door de secretaris-generaal toegewezen budgetten.

Artikel 8

Mandaat aan hoofden van de agentschappen

1. De hoofden van de agentschappen hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein.

2. De hoofden van de agentschappen zijn budgethouder voor de hun door de secretaris-generaal toegewezen budgetten.

Artikel 9

Mandaat aan directeuren

1. De directeuren hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal en de directeuren-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van de aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein.

2. De directeuren zijn budgethouder voor de hun door de directeur-generaal toegewezen budgetten.

3. Het mandaat van de directeur met betrekking tot besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van personele aangelegenheden betreft ambtenaren tot en met schaal 14, onverminderd artikel 13, eerste lid, onder b en f, en artikel 15.

4. Het verlenen van ondermandaat van de in het derde lid bedoelde bevoegdheden is niet mogelijk.

Artikel 10

Managementafspraken

1. De secretaris-generaal maakt managementafspraken met de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal, de inspecteur-generaal en de directeur van de Erfgoedinspectie.

2. De secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal en de directeuren-generaal maken managementafspraken met de directeuren van de onder hen ressorterende directies en met de hoofden van de agentschappen.

3. De directeur Human Resource Management draagt zorg voor bekendmaking van de managementafspraken voorzover het betreft daarin opgenomen beperkingen of uitbreidingen van een mandaat dat op grond van dit besluit is verleend, door openbare ter inzage legging op het ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het ministerie.

Artikel 11

Ondermandaat en mandaatregister

1. De secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie, de hoofden van de agentschappen en de directeuren kunnen ieder voor hun werkterrein ondermandaat verlenen, onverminderd artikel 9, vierde lid, artikel 12, tweede lid, en artikel 13, derde lid. Zij bepalen in hoeverre het verlenen van verder ondermandaat mogelijk is.

2. Voor het verlenen van ondermandaat door een directeur die ressorteert onder de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of een directeur-generaal, is de goedkeuring door de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal onderscheidenlijk de directeur-generaal vereist. Voor machtiging om op treden in gerechtelijke procedures en ondermandaat inzake het passeren van notariële akten is de goedkeuring niet vereist.

3. De directeur Human Resource Management draagt zorg voor bekendmaking van krachtens dit besluit verleende algemene ondermandaten en van de handtekeningen van de krachtens dit besluit gemandateerden, door openbare ter inzage legging op het ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het ministerie. De inspecteur-generaal en de hoofden van de agentschappen dragen zorg voor bekendmaking van de krachtens dit besluit door hen verleende ondermandaten, met inbegrip van de handtekeningen van de gemandateerden, door openbare ter inzage legging op het ministerie en plaatsing op het intranet en de internetsite van het ministerie.

Artikel 12

Voorbehouden aan secretaris-generaal

1. De secretaris-generaal is bij uitsluiting van anderen gemandateerd met betrekking tot:

a. koninklijke onderscheidingen,

b. voorstellen voor het vergezellen van de bewindspersoon bij buitenlandse dienstreizen,

c. stukken gericht aan de Nationale ombudsman,

d. de afwijzing van een verzoek om informatie ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur,

e. het nemen van beloningsbesluiten ten aanzien van ambtenaren, waarbij een directeur-generaal, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie of het hoofd van een agentschap als direct-leidinggevende optreedt,

f. besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van personele aangelegenheden betreffende ambtenaren in schaal 15 en hoger,

g. het verlenen van mandaat inzake een bevoegdheid, bedoeld in artikel 13,

h. het nemen van besluiten die voor alle ambtenaren van het ministerie gelden,

i. het openstellen van externe vacatures,

j. het bepalen van een standpunt inzake een gemeld vermoeden van een misstand,

k. besluiten inhoudende reorganisatieontslag, voorwaardelijk strafontslag of onvoorwaardelijk strafontslag,

l. voorstellen tot verzelfstandiging van een organisatieonderdeel,

m. de opstelling van het departementale bestedingsplan, waaronder inbegrepen het doen van voorstellen aan de minister met betrekking tot verschuiven van delen van budgetten tussen directeuren-generaal, inspecteur-generaal, directeur van de Erfgoedinspectie en hoofden van agentschappen,

n. de verlening van voorschotten als bedoeld in de Regeling verlening voorschotten 2004, voortvloeiend uit verplichtingen als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel h, van bedragen die hoger zijn dan € 5.000.000, en

o. de voorlopige buiteninvorderingstelling van vorderingen op derden, het kwijtschelden van vorderingen op derden, het deelnemen in een NV of BV met een financieel belang en het sluiten van huur-, huurkoop- en lease-overeenkomsten, een en ander voor een bedrag van meer dan € 500.000 voor de duur van de overeenkomst.

2. Het verlenen van ondermandaat van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, is niet mogelijk.

Artikel 13

Voorbehouden aan DG, hoofd inspectie en hoofd agentschap

1. De directeuren-generaal, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie en de hoofden van de agentschappen zijn bij uitsluiting van anderen, met uitzondering van de secretaris-generaal, gemandateerd met betrekking tot:

a. het instellen van bezwaar en beroep tegen besluiten van andere bestuursorganen,

b. het nemen van beloningsbesluiten ten aanzien van ambtenaren, waarbij de direct ondergeschikte van een directeur-generaal, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie of het hoofd van een agentschap als direct-leidinggevende optreedt,

c. het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 15, eerste lid, waaraan geen goedkeuring is verleend door de directeur Human Resource Management nadat dit aan de secretaris-generaal is voorgelegd,

d. goedkeuring van het voorbereiden van een reorganisatie door een directeur,

e. vaststelling of wijziging van het organisatie- en formatieplan van een onder hem ressorterend dienstonderdeel,

f. het nemen van besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van personele aangelegenheden betreffende ambtenaren in schaal 13 en 14, onverminderd artikel 12, onderdelen e en f, en artikel 15, voorzover het betreft:

1. aanstellingsbesluiten,

2. beloningsbesluiten met uitzondering van het toekennen van periodieke verhogingen,

3. ontslagbesluiten, anders dan besluiten inhoudende reorganisatieontslag, voorwaardelijk strafontslag of onvoorwaardelijk strafontslag, en

4. aansprakelijkheidsstelling dan wel besluiten met betrekking tot vergoeding van schade ten aanzien van een ambtenaar, als bedoeld in de artikelen 35 onder c en d, 37, derde lid onder c, 38, derde lid, 66, 69 en 73 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement,

g. opstellen van het bestedingsplan voor zijn directoraat-generaal, inspectie of agentschap op basis van de bestedingsplannen van de onder hem ressorterende organisatieonderdelen,

h. het aangaan van verplichtingen op basis van het door de minister goedgekeurde departementale bestedingsplan die hoger zijn dan € 150.000,

i. de verlening van voorschotten als bedoeld in de Regeling verlening voorschotten 2004, voortvloeiend uit verplichtingen als bedoeld in onderdeel h, van bedragen die lager zijn dan € 5.000.000, en

j. de voorlopige buiteninvorderingstelling van vorderingen op derden, het kwijtschelden van vorderingen op derden, het deelnemen in een NV of BV met een financieel belang en het sluiten van huur-, huurkoop- en lease-overeenkomsten, een en ander voor een bedrag tot € 500.000 voor de duur van de overeenkomst.

2. Voor het inhuren van externe professionals en uitzendkrachten door een directeur is voorafgaande goedkeuring van de directeur-generaal vereist voorzover het betreft bedragen boven € 60 per uur.

3. Het verlenen van ondermandaat van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, is niet mogelijk.

Artikel 14

Afwezigheid of verhindering

1. De secretaris-generaal voorziet in de vervanging bij afwezigheid of verhindering van de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of een directeur-generaal. Bij afwezigheid of verhindering van de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of een directeur-generaal wordt voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid uitgeoefend door de plaatsvervanger en bij diens afwezigheid door de tweede plaatsvervanger, met dien verstande dat het mandaat van de eerste vervanger niet de bevoegdheid omvat tot het verlenen, wijzigen of intrekken van mandaat en dat het mandaat van de tweede plaatsvervanger is beperkt tot het ondertekenen van stukken.

2. De inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie, de hoofden van de agentschappen en de directeuren voorzien in de vervanging bij afwezigheid of verhindering. Bij afwezigheid of verhindering wordt voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid uitgeoefend door de plaatsvervanger, met dien verstande dat het mandaat van de vervanger niet de bevoegdheid omvat tot het verlenen, wijzigen of intrekken van mandaat.

3. De directeur Bestuursondersteuning en Advies draagt zorg voor bekendmaking van de vervanging, bedoeld in het eerste lid, door openbare ter inzage legging op het ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het ministerie. De inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie, de hoofden van de agentschappen en de directeur dragen zorg voor bekendmaking van de vervanging, bedoeld in het tweede lid, door openbare ter inzage legging op het ministerie en plaatsing op het intranet en de internetsite van het ministerie.

Artikel 15

Personele aangelegenheden

1. Voorafgaande goedkeuring van de directeur Human Resource Management is vereist voor de volgende personele aangelegenheden:

a. aanstellingsbesluiten,

b. beloningsbesluiten,

c. ontslagbesluiten, anders dan besluiten inhoudende reorganisatieontslag, voorwaardelijk strafontslag of onvoorwaardelijk strafontslag, en

d. aansprakelijkheidsstelling dan wel besluiten met betrekking tot vergoeding van schade ten aanzien van een ambtenaar, als bedoeld in de artikelen 35 onder c en d, 37, derde lid onder c, 38, derde lid, 66, 69 en 73 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op besluiten van de inspecteur-generaal van het onderwijs en de hoofden van de agentschappen.

Artikel 16

Wijze van ondertekening

De gemandateerde is gehouden in de ondertekening van stukken zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid tot uitdrukking te brengen door opneming van de formule:

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

namens deze,

functie van de gemandateerde,

handtekening van de gemandateerde,

naam van de gemandateerde.

Artikel 17

Intrekking

1. De Organisatie- en mandaatregeling OCW 2004 (Regeling van 23 februari 2004, Stcrt. 2004, nr. 43) wordt ingetrokken.

2. Mandaten die zijn verleend op grond van de Organisatie- en mandaatregeling OCW 2004 en die gelden op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit, worden geacht te zijn verleend op grond van dit besluit met dien verstande dat beperkingen op grond van dit besluit ook gelden voor de verleende ondermandaten.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2005.

Artikel 19

Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M.J.A. van der Hoeven.

Bijlage 1. Organisatie van het Ministerie van OCW

Organogram van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Minister, mw. M.J.A. van der Hoeven

Staatssecretaris, dhr. drs. M. Rutte

Staatssecretaris, mw. mr. M.C. van der Laan

Secretaris-generaal

 
 

plaatsvervangend secretaris-generaal (PSG)

directeur-generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs (DGHBW)

directeur-generaal Primair en Voortgezet Onderwijs (DGPV)

directeur-generaal Cultuur en Media (DGCM)

     
  

directoraat-generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs (DGHBW)

directoraat-generaal Primair en Voortgezet Onderwijs (DGPV)

directoraat-generaal Cultuur en Media (DGCM)

     

Ondersteunende directies:

Beleidsdirecties:

BOA

DI

BVE

PO

DK

ASEA

FM

HO

VO

DCE

VL

AD

OWB

AP

MLB

T&H

HRM

SFB

ICT

ICN

FEZ

WJZ

  

RDMZ

IB

   

ROB

     

Programma-directies:

Dialoog

Apollo

Leren en werken

Onderwijspersoneel

 
   

Cultuur en School

 

Projecten:

  

Departementaal Coördinator Innovatie (DCI)

 

Programma-management cultuur

    

DIORR

Inspecties:

Inspectie van het Onderwijs

    

Erfgoedinspectie

    

Agentschappen:

 

CFI

  

RAD

Ondersteunende bureaus voor:

COS

AWT

OR

  

RvC

1. Managementteam OCW

Secretaris-generaal (SG), Plaatsvervangend Secretaris-generaal (PSG), Directeuren-generaal (DG)

De SG is ambtelijk eindverantwoordelijk voor het functioneren van het ministerie en voor de voorbereiding en uitvoering van het beleid waarvoor de politieke leiding de politieke verantwoordelijkheid draagt. De SG heeft als hoogste ambtenaar tot taak te zorgen voor een goede onderlinge afstemming van de verschillende beleidsterreinen en voor de uitvoering en uitvoerbaarheid van het ontwikkelde beleid.

De SG wordt in de ambtelijke leiding van het departement bijgestaan door een vrijgestelde PSG. Deze vervangt hem bij zijn afwezigheid in al zijn taken en behartigt, namens de SG, de SG-taken op het gebied van het beheer van het departement.

Daarnaast wordt hij in zijn taak bijgestaan door de DG’s. Deze zijn ambtelijk verantwoordelijk voor de beleidsterreinen van de onder hen ressorterende directies en voor de samenhang tussen die beleidsterreinen. Zij zijn daarnaast ambtelijk eindverantwoordelijk voor één of meer specifieke beleidsonderwerpen of -projecten, die niet zonder meer tot de hierboven genoemde beleidsterreinen kunnen worden gerekend.

2. Ondersteunende directies

Directie Bestuursondersteuning en Advies (BOA)

De directie BOA stelt de ministerstaf en de algemene leiding van het departement in staat te sturen op politiek-bestuurlijke en organisatorische samenhang zodat het verkeer tussen de politieke top en de ambtelijke organisatie goed verloopt. De directie ondersteunt de bewindslieden en de ambtelijke top inhoudelijk, procesmatig, instrumenteel en logistiek.

Directie Algemeen Strategische en Economische Advisering (ASEA)

De directie ASEA ondersteunt de ambtelijke top op het terrein van de kennisontwikkeling en verbindt daarbij de diverse departementale beleidsprocessen met (inter)departementale overkoepelende thema’s.

Directie Voorlichting (VL)

De directie VL ondersteunt de ambtelijke top op het terrein van de interne en externe communicatie.

Directie Toezicht- en Handhavingsbeleid (T&H)

De directie T&H ondersteunt de ambtelijke top bij:

– De control op de toezichtketen, zowel de opzet als de werking hiervan;

– De kwaliteit van het handhavend optreden naar aanleiding van signalen en bevindingen;

– De kwaliteit van de regelgeving wat betreft toezicht- en handhaafbaarheidaspecten.

Ten behoeve van het gehele departement is de directie T&H verantwoordelijk voor de ontwikkeling (en het beheer) van de departementale expertisefunctie, beleid en instrumenten op het gebied van handhaving en toezicht.

Specifiek bestaat verantwoordelijkheid voor het houden van toezicht ex artikel 62 tot en met 64 van de Wet bescherming persoonsgegevens op departementale persoonsverwerkingen en de advisering op dit terrein.

Ten slotte ondersteunt T&H de SG in de aansturing van de inspecties.

Directie Financieel-Economische Zaken (FEZ)

De directie FEZ is verantwoordelijk voor het begrotingsproces en bewaakt de uitkomsten daarvan. Tevens is de directie verantwoordelijk voor de interne planning & control cyclus van het ministerie. Vanuit de financiële expertise ondersteunt zij de ambtelijke leiding over alle aspecten van beleid en bedrijfsvoering. Dit gebeurt zowel op het niveau van de DG (DG control) als op het niveau van SG respectievelijk minister (Concern control).

Directie Internationaal Beleid (IB)

De directie IB ondersteunt de ambtelijke top bij de inbreng van Nederland overal waar onderwerpen op het terrein van OCW in internationale verbanden aan de orde zijn. Omgekeerd brengt de directie relevante informatie uit het buitenland op de tafel van betrokken directies binnen het ministerie – en via hen – van relevante delen van het onderwijs-, onderzoek- en cultuurveld.

Directie Informatiestrategie en -⁠diensten (DI)

De directie DI is verantwoordelijk voor de ondersteuning bij het realiseren van ambities en doelstellingen op het terrein van informatiestrategie, -beleid en het in stand houden van (geautomatiseerde) informatievoorziening.

Directie Facilitair Management (FM)

De directie Facilitair Management ondersteunt de ambtelijke top bij de uitvoering van de facilitaire dienstverlening aan het Bestuursdepartement. De dienstverlening reikt van locatiegebonden faciliteiten via organisatiegerichte services tot en met persoonsgebonden diensten.

Tevens is de directie Facilitair Management verantwoordelijk voor de totstandkoming van de departementale concernbrede visie, kaderstelling, advisering, toetsing en uitvoering ten aanzien van inkoop, veiligheid, huisvesting, milieu en energie.

Auditdienst (AD)

De Auditdienst is ‘partner in betrouwbare managementinformatie’.

De Auditdienst kent drie strategische functies:

– De certificerende functie: de controle van de financiële verantwoording.

– De onderzoeksfunctie: (preventieve) toetsing van en advisering over beheersing en verbetering van bedrijfsvoeringprocessen, als tool of management voor het integraal verantwoordelijk lijnmanagement.

– Rekenschapsfunctie: certificerende taken en onderzoekstaken gericht op de bekostigde en gesubsidieerde instellingen van OCW.

De Auditdienst werkt primair voor en in opdracht van het verantwoordelijk lijnmanagement van OCW, maar neemt bij de taakuitoefening overeenkomstig de eigen beroepsethiek een onafhankelijke positie in.

Directie Human Resource Management (HRM)

De directie HRM is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de departementale concernbrede visie, kaderstelling, advisering, toetsing en uitvoering op het gebied van personeel en organisatie. Zij ontwikkelt en onderhoudt daartoe beleid en instrumenten, ondersteunt bij de eenduidige toepassing daarvan en genereert managementinfomatie.

Directie Wetgeving en Juridische Zaken (WJZ)

De directie WJZ ondersteunt de ambtelijke top bij de totstandkoming van de wet- en regelgeving van OCW, met uitzondering van wet- en regelgeving op het terrein van media, letteren en bibliotheken. Voorts adviseert de directie WJZ op het terrein van bestuurlijke en juridische aangelegenheden en toetst zij internationale- en EU-regelgeving alsmede beleid en regels waarvan de totstandkoming tot de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de andere directies behoort.

3. Beleidsdirecties

A Directoraat-generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs en Wetenschapsbeleid (DGHBW)

Directie Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie (BVE)

De directie BVE is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie.

Directie Hoger Onderwijs (HO)

De directie HO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van het Hoger Onderwijs en de Academische Ziekenhuizen.

Directie Onderzoek en Wetenschapsbeleid (OWB)

De directie OWB is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling ten aanzien van het publiek gefinancierde onderzoeksbestel en het bestuur van de door OCW gefinancierde onderzoeksorganisaties, de interdepartementale aangelegenheden op het gebied van het wetenschapsbeleid (inclusief de OCW inbreng in het Innovatieplatform en de CWTI), en het internationale wetenschaps- en technologiebeleid voorzover de Minister van OCW daarvoor verantwoordelijk is. Ook is de directie beleidsmatig verantwoordelijk voor de Nederlandse Taal.

Directie Studiefinancieringsbeleid (SFB)

De directie SFB is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling en het behoud van een samenhangend stelsel van studiefinanciering en les- en cursusgelden.

B Directoraat-generaal Primair en Voortgezet Onderwijs (DGPV)

Directie Primair Onderwijs (PO)

De directie PO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor het primair onderwijs.

Tevens is zij verantwoordelijk voor het OCW-beleid tav burgerschap/normen en waarden, het onderwijs in het buitenland, en de departementale inbreng ten aanzien van het minderheden- en asielzoekersbeleid.

Directie Voortgezet Onderwijs (VO)

De directie Voortgezet Onderwijs is verantwoordelijk voor het ontwikkelen van beleids- en besturingskaders voor het voortgezet onderwijs. In samenhang daarmee ontwikkelt de directie beleidsvoorstellen op onderwijsinhoudelijk, financieel, bekostigingstechnisch, juridisch en personeels gebied. Tevens coördineert de directie de inzet van het departement rond het jeugdbeleid voor de hele onderwijssector en meer in het bijzonder voor de operatie Jong en sport.

De directie is tenslotte verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor de onderwijsondersteuning en coördineert dit beleid voor de directies PO, VO en BVE.

Het beleidsterrein van het voortgezet onderwijs omvat de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), praktijkonderwijs en de landelijke ondersteunende instellingen (landelijke pedagogische centra: APS, CPS en KPC-groep, alsmede CITO en SLO).

Directie Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid (AP)

De directie AP is verantwoordelijk voor de ontwikkeling en instandhouding van een adequaat instrumentarium voor de strategische personeelsplanning in het onderwijsveld, in het bijzonder voor het funderend onderwijs.

Directie Informatie- en Communicatietechnologie (ICT)

De directie ICT is verantwoordelijk voor bevordering van het gebruik en de integratie van ict in het onderwijs. In ieder geval valt daaronder het in stand (laten) houden van voorzieningen en het bevorderen van standaardisering.

C Directoraat-generaal Cultuur en Media (DGCM)

Directie Kunsten (DK)

DK is verantwoordelijk voor de voorbereiding en uitvoering van het kunstbeleid van de rijksoverheid.

Directie Cultureel Erfgoed (DCE)

DCE is verantwoordelijk voor het beleid voor het cultureel erfgoed verdeeld over de sectoren: archiefdocumenten, museale voorwerpen, archeologische voorwerpen en monumenten.

Directie Media, Letteren en Bibliotheken (MLB)

De directie MLB is verantwoordelijk voor het beleid voor omroep, pers, nieuwe media, het boek en lezen (letteren, bibliotheken en leesbevordering). Doel is dat zoveel mogelijk burgers toegang hebben tot een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand media- en informatieaanbod.

Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ)

De RDMZ voert, namens de minister, de Monumentenwet 1988 met uitzondering van de archeologische monumentenzorg, uit en fungeert als kenniscentrum voor de instandhouding van het gebouwde en cultuurlandschappelijke erfgoed van Nederland. Tevens is de RDMZ (mede) verantwoordelijk voor het ontwikkelen en uitvoeren van beleid m.b.t. de monumentenzorg.

Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB)

De ROB voert, namens de minister, de Monumentenwet 1988 voorzover het betreft de archeologische monumentenzorg, uit en fungeert als kennisinstituut voor de bescherming van waardevolle sporen van menselijke bewoning. De ROB is (mede) verantwoordelijk voor het ontwikkelen en uitvoeren van beleid m.b.t. de archeologische monumentenzorg.

Instituut Collectie Nederland (ICN)

Het ICN beheert op basis van het KB 21, 1984 de Rijkscollectie voor zover niet ondergebracht bij rijksmusea. Tevens is ICN (mede)verantwoordelijk voor het ontwikkelen en uitvoeren van het beleid ten aanzien van roerend cultureel erfgoed en fungeert het op dat terrein als kenniscentrum.

4. Programmadirecties:

Apollo

De programmadirectie Apollo verzorgt de advisering en voert de regie bij de volgende onderwerpen:

a. De veranderagenda Apollo plus de bijbehorende communicatieparagraaf.

b. Realisatie hiervan door directies.

c. Het trekken of ondersteunen van (deel)projecten die voortvloeien uit Apollo.

Cultuur en School

Hoofddoel van het programma is het bewerkstelligen van meer (structurele) samenwerking tussen scholen en culturele instellingen. Het projectleiderschap is ondergebracht bij de directie Kunsten. De projectgroep is ondergebracht in de portefeuille van de DGPV. Cultuur en School bestrijkt de volle breedte van het onderwijs en cultuurveld. Daarbinnen zijn drie prioritaire aandachtsgebieden geformuleerd: culturele diversiteit, het VMBO en cultureel erfgoed.

Dialoog

Hoofddoel is het inventariseren en aansturen van activiteiten op het terrein van voorkomen/tegengaan van extremisme en radicalisering in het onderwijs. Tevens is de programmadirectie vanuit dezelfde invalshoek verantwoordelijk voor het ontplooien van activiteiten m.b.t. sociale cohesie, integratie en veiligheid.

Onderwijspersoneel

Hoofddoel van het programma onderwijspersoneel is de positie van onderwijsinstellingen PO, VO en BVE op de onderwijsarbeidsmarkt dusdanig te verstevigen dat zij zelfstandig in staat zijn in te spelen op conjuncturele schommelingen en beleidswijzigingen. Tevens is het doel meer samenhang aan te brengen in de kwalificatiestructuur en het opleidingenstelsel voor beroepen in het onderwijs.

Leren en Werken

Hoofddoel van het project is om in lijn met de Lissabondoelstellingen te bereiken dat in verschillende leeftijdscategorieën meer Nederlanders een opleiding in het hoger onderwijs hebben afgerond. Tevens is het doel om het aantal werkenden en werkzoekenden met een startkwalificatie substantieel te verhogen.

5. Projecten

Project Departementaal Coördinator Innovatie (DCI)

Het interne innovatieplatform OCW initieert binnen OCW activiteiten die gericht zijn op innovatie in het onderwijs, en verzorgt daarover de interne communicatie in het departement. DCI valt onder de verantwoordelijkheid van DGHB.

Project dienst in oprichting ROB/RDMZ (DIORR)

Het project DIORR is ingesteld om het reorganisatieproces van beide genoemde diensten voor te bereiden en uit te voeren. Het project moet uitmonden in één samengevoegde en geïntegreerde nieuwe eenheid voor de thans nog op zich staande ROB en RDMZ. DIORR valt onder de verantwoordelijkheid van DGCM.

Project Programmamanagement cultuur

Het project is ingesteld om zorg te dragen voor de implementatie van programmamanagement als sturingsmethode binnen het Directoraat Generaal Cultuur en Media. Dat gebeurt zowel in de organisatorische zin (rollen, taken en bevoegdheden) als via de inrichting en aansturing van concrete programma’s. Daartoe behoren in ieder geval het beleidsprogramma Meer dan de Som (MDDS) en het interne veranderprogramma Cultuur, Sturing en Structuur (CSS). Het project valt onder de verantwoordelijkheid van DGCM.

6. Inspecties

Inspectie van het onderwijs (IvhO)

De Inspectie van het onderwijs houdt met inachtneming van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT), toezicht op de kwaliteit van het onderwijs en rapporteert hierover aan bewindspersonen en het parlement. De Inspectie let hierbij op de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften en andere aspecten van kwaliteit. Daarnaast rapporteert de Inspectie jaarlijks over de ontwikkelingen in het onderwijs en verricht zij ook bijzondere taken voor zover deze bij of krachtens een wet aan haar zijn opgedragen. Bij de uitoefening van haar taken tracht de Inspectie de kwaliteit van het onderwijs te bevorderen.

Erfgoedinspectie

De Erfgoedinspectie ziet toe op de naleving van:

– wet en regelgeving op het gebied van het behoud en beheer van de rijkscollectie en van beschermde cultuurgoederen;

– de Archiefwet en andere regelgeving op het gebied van het archiefbeheer door overheidsorganen;

– de Monumentenwet 1988 en andere regelgeving op het gebied van archeologische monumenten, opgravingen en vondsten;

– de Monumentenwet 1988 en Besluiten op het gebied van beheer en behoud van gebouwde monumenten en beschermde stads en dorpsgezichten.

Zij rapporteert via de Secretaris-Generaal aan de bewindspersoon over de bevindingen en doet daarbij aanbevelingen.

7. Agentschappen

Centrale Financiën Instellingen (CFI)

CFI heeft als taak het uitvoeren van wet- en regelgeving voor het onderwijs, het bekostigen van onderwijsinstellingen en in dat verband het ontwikkelen en beheren van informatieproducten. Tevens is zij verantwoordelijk voor de advisering over uitvoering en handhaafbaarheid in alle fasen van het beleidsproces en het adviseren in het kader van Geïntegreerd Toezicht.

Rijksarchiefdienst (RAD, het Nationaal Archief)

De RAD voert, namens de minister en voorzover de Organisatie en Mandaatregeling en de daarbij behorende bijlagen niet anders bepalen, de Archiefwet en het Archiefbesluit uit en functioneert als kenniscentrum op het gebied van digitalisering, conservering en beheer van archieven, als gedocumenteerde verschijningsvorm van het cultureel erfgoed. Artikel 4, lid 2 van het statuut voor het agentschap Rijksarchiefdienst draagt de RAD een aantal specifieke taken op.

8. Ondersteunende bureaus van adviesraden:

– Onderwijsraad (OR)

– Raad voor Cultuur (RvC)

– Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT)

– Commissie van Overleg Sectorraden (COS)

Toelichting

Algemeen

Met het voorliggende besluit, het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005 (OenM-besluit 2005) is het nieuwe besturingsmodel, het SG/DG-model, waarbij de nadruk ligt op centrale sturing, nog nadrukkelijker vastgelegd ten opzichte van de vorige regeling. De secretaris-generaal (SG) is eindverantwoordelijk voor al het ambtelijk handelen. De directeuren-generaal (DG’s) staan aan het hoofd van hun beleidskolom (het directoraat-generaal) en zijn daarvoor volledig verantwoordelijk. De SG en plaatsvervangend secretaris-generaal (PSG) zijn verantwoordelijk voor de ondersteuningskolom. De bevoegdheden van de DG’s zijn daartoe aangescherpt op het gebied van personele en financiële aangelegenheden. Nieuw in het OenM-besluit is ook dat niet alleen de directeuren maar ook de DG’s als budgethouder worden aangemerkt en dat zij aan de directeuren de budgetten toekennen waarover de directeuren kunnen beschikken.

Evenals op grond van de vorige OenM-regeling het geval was, hebben de PSG, de DG’s, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie, de hoofden van de agentschappen en de directeuren mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die behoren tot hun werkterrein (behoudens de in dit besluit geformuleerde voorbehouden). Die zijn omschreven in bijlage 1. Hun taken en bevoegdheden worden in belangrijke mate bepaald door de managementafspraken. Intern worden deze taken en bevoegdheden ook bepaald door de interne procedures omtrent het uitoefenen van het mandaat.

Bij het OenM-besluit wordt aangesloten bij hetgeen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geregeld omtrent mandaat. Afdeling 10.1.1 van die wet bevat een regeling voor mandaat. Begrippen en regels die ingevolgde de Awb voor mandaat gelden, worden niet herhaald in dit besluit.

Zoals ook bij de vorige OenM-regeling het geval was, is getracht om een sober besluit tot stand te brengen. Het besluit zelf en bijlage 1 – met de organisatie van OCW – is in beginsel beperkt tot de elementen die extern betekenis hebben.

Evenals in de vorige OenM-regeling het geval is, wordt in het OenM-besluit 2005 het mandaat aan DG’s, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie, de hoofden van de agentschappen en de directeuren rechtstreeks in de regeling zelf verstrekt. Omdat mandaat gekoppeld is aan hun functie, betekent dit dat bijvoorbeeld instelling van een nieuw organisatieonderdeel en daarmee het creëren van een nieuwe functie, pas tot uitoefening van volwaardig mandaat kan leiden na bekendmaking van een wijziging van bijlage 1 of specifieke mandaatverlening en bekendmaking daarvan via het register.

Anders dan de vorige OenM-regeling bevat dit besluit geen regels die uitsluitend intern van betekenis zijn (vergelijk bijlage 2 bij die regeling). Zuiver interne voorschriften zoals het zonder een vereist medeparaaf ondertekenen van een besluit, zijn voor de rechtsgeldigheid daarvan niet relevant. Slechts een aantal belangrijke interne bevoegdheden zijn vastgelegd.

Hoewel personele besluiten alleen jegens OCW-personeelsleden genomen kunnen worden en in die zin intern van aard zijn, zijn die wel in het OenM-besluit 2005 opgenomen, zij het niet meer in een afzonderlijke bijlage, gelet op de betekenis daarvan voor de betrokken ambtenaren en de vereiste kenbaarheid.

Mandaatverlening geschiedt altijd met inachtneming van ter zake geldende algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels en andere van toepassing zijnde regelingen, circulaires en instructies. In dit verband valt te denken aan de Comptabiliteitswet 2001 en het Besluit taak FEZ, die met name van belang zijn voor de verantwoordelijkheid van directeur FEZ. Volgens dat besluit dienen alle voorstellen die financiële gevolgen hebben of kunnen hebben, voor medeparaaf te worden voorgelegd aan de directeur FEZ. Binnen het SG/DG-model leidt dit tot een bepaalde routing van stukken. Deze routing is in meer detail uitgewerkt in het Centrale Processchema van OCW waarin alle belangrijke processen zijn beschreven. Ook kan worden gedacht aan het Besluit taak DAD en aan interne regels zoals de Reorganisatieleidraad van OCW, de inrichting van de medezeggenschap en de Klachtregeling OCW 1999 met regels over de afdoening van klachten.

Het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging kan uiteraard alleen betrekking hebben op aangelegenheden ten aanzien waarvan de minister bevoegd is. Zo is de minister niet bevoegd bij sommige personeelsaangelegenheden voor functies waar schaal 15 of hoger aan verbonden is. Ook is het OenM-besluit niet van toepassing wanneer bijvoorbeeld de inspectie van het onderwijs op grond van wettelijke voorschriften moet worden aangemerkt als bestuursorgaan. De taken en verantwoordelijkheden van de inspecties vloeien in een aantal gevallen immers voort uit wettelijke voorschriften. Zo heeft de Inspectie van het onderwijs geattribueerde taken en bevoegdheden op grond van onder meer de Wet op het onderwijstoezicht en zo zijn op grond van artikel 25a van de Archiefwet 1995 de door de minister aangewezen hoofdinspecteur en inspecteurs aangewezen als toezichthouders op de naleving van het in de Archiefwet 1995 bepaalde ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden (de inspecties op het terrein van het cultureel erfgoed zijn ondergebracht in één Erfgoedinspectie). Dergelijke wettelijke voorschriften gaan altijd voor de voorschriften uit dit OenM-besluit 2005.

In dit besluit zijn geen uitgangspunten geformuleerd die evident voor alle ambtenaren gelden, zoals eisen met betrekking tot integriteit en loyaliteit (uitoefening van door ambtenaren verrichte taken behoort altijd te geschieden in het licht van de politieke verantwoordelijkheid van de minister) en het uitgangspunt dat ieder die mandaat heeft, aanspreekbaar is op de gemaakte afwegingen bij het uitoefenen van mandaat. Iedere gemandateerde zal steeds moeten beoordelen in hoeverre afstemming met anderen nodig is en zich steeds moet afvragen of een bepaald onderwerp moet worden voorgelegd aan een andere directeur of aan DG, PSG, SG of bewindslieden. Belangrijk uitgangspunt blijft ook dat van mandaat en ondermandaat slechts gebruik wordt gemaakt voorzover de betreffende aangelegenheid naar aard of inhoud niet een zodanig gewicht heeft dat deze behoort te worden afgedaan door de mandaatgever zelf.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Onder directeur wordt verstaan directeur van een directie, een programmadirectie of een dienst als bedoeld in bijlage 1. Daaronder vallen dus niet alleen de directeuren van de beleidsdirecties, ondersteunende directies en programmadirecties maar ook de hoofden/directeuren van de diensten: Rijksdienst voor de Monumentenzorg, RDMZ, Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, ROB, en Instituut Collectie Nederland, ICN.

Onder het begrip directeur valt niet de directeur van de Erfgoedinspectie.

Uit de formulering van ‘bestedingsplan’ blijkt dat het bestedingsplan geen betrekking heeft op verplichtingen in het kader van de reguliere of aanvullende bekostiging van instellingen voor onderwijs of onderzoek (bijvoorbeeld van universiteiten op grond van de WHW of van TNO op grond van de TNO-wet), verplichtingen in het kader van de cultuurnota en subsidies op grond van artikel 34 van de Monumentenwet 1988.

Artikel 3

Er is om praktische redenen voor gekozen om de organisatie van het Ministerie van OCW op te nemen in een bijlage en niet in dit besluit zelf. In de praktijk is nogal eens sprake van verandering in taken van directies en veranderingen in de organisatie. Daarom is bepaald dat de SG bevoegd is tot wijziging van de bijlage en dat deze bijlage wordt bekend gemaakt door ter inzage legging op het Ministerie van OCW en plaatsing op het intranet en de internetsite van het ministerie.

Met dit OenM-besluit OCW 2005 zijn diverse organisatieveranderingen geformaliseerd, zoals de Erfgoedinspectie. In deze inspectie zijn opgenomen de Rijksarchiefinspectie, de Inspectie cultuurbezit, de Rijksinspectie voor de archeologie en de Rijksinspectie voor de monumentenzorg.

Volgens het tweede lid kan de SG mandaat verlenen aan projectleiders. Dit neemt niet weg dat ook een directeur of een DG een project kan instellen voorzover het project binnen zijn werkterrein valt. De SG kan uiteraard ook in andere gevallen mandaat verlenen.

Het mandaat van programmadirecteuren volgt direct uit hun benoeming en wijziging van bijlage 1 omdat zij onder de omschrijving van directeur vallen.

Artikel 4

Aan de bewindspersoon is het afdoen en ondertekenen van een aantal stukken voorbehouden. Dit betreft zowel besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als brieven e.d. die geen besluit inhouden. Het voorbehoud betreft de formele stukkenwisseling. Het voorschrift sluit niet uit dat op ambtelijk niveau stukken worden gestuurd aan bijvoorbeeld de Raad van State of de Algemene Rekenkamer.

Artikel 6

De DG’s hebben mandaat op het gehele terrein van hun directoraat-generaal, uiteraard onverminderd het mandaat van de SG, die mandaat heeft voor al hetgeen het ministerie betreft. De DG’s zijn budgethouder (de SG is dat ook voor de onder hem ressorterende directies) en kennen aan de directeuren via de managementafspraken de budgetten toe waarover die kunnen beschikken.

Artikel 7

Gelet op de bijzondere positie van de inspecteur-generaal van het onderwijs, is het mandaat in een afzonderlijk voorschrift opgenomen.

Artikel 8

De hoofden van de agentschappen zijn budgethouder voor de hun door de secretaris-generaal toegewezen budgetten. De budgetverantwoordelijkheid van CFI betreft zowel het uitgeven van de programmagelden van de DG’s als de bedrijfsvoering van CFI.

Artikel 9

Een directeur heeft alle personele bevoegdheden tot en met schaal 12 en een beperkt aantal bevoegdheden ten aanzien van de schalen 13 en 14. Daarnaast is voor de belangrijkste besluiten inzake personele aangelegenheden ten aanzien van alle schalen voorafgaande goedkeuring van de directeur Human Resource Management vereist.

Wat betreft het aangaan van verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde bestedingsplan, is de directeur gemachtigd voor zover de daarmee gemoeide bedragen de € 150.000 niet overstijgen. Daarboven is het de DG die de juridische verplichting aangaat door het ondertekenen van de verplichtingenbrief. Voor uitgaven in het kader van de reguliere of aanvullende bekostiging, de cultuurnota of subsidies op grond van artikel 34 van de Monumentenwet 1988 is de directeur ook bij hogere uitgaven bevoegd, tenzij door de DG anders is bepaald.

Het mandaat van de directeur neemt overigens niet weg dat de hiërarchisch hogere functionaris altijd ook zelf de gemandateerde bevoegdheid kan uitoefenen of instructies kan geven over de uitoefening van mandaat.

Artikel 9 is – door de definitie van directeur – niet relevant voor CFI, de Rijksarchiefdienst en de inspecties.

Artikel 10

Het is aan de DG om met de directeuren en hoofden van de ondersteunende bureaus van de adviescolleges als bedoeld in artikel 1 van de Kaderwet adviescolleges afspraken omtrent de interne bedrijfsvoering te maken.

Artikel 11

Voor ondermandaat en het bepalen in hoeverre het verlenen van verder ondermandaat mogelijk is, door een directeur die ressorteert onder de SG, PSG of een DG, is de goedkeuring door de SG, PSG onderscheidenlijk een DG vereist omdat die op de hoogte moet kunnen zijn van hetgeen onder zijn verantwoordelijkheid gebeurt. Deze goedkeuring kan blijken uit medeondertekening van het ondermandaatbesluit. Aan de eis van goedkeuring kan ook worden voldaan door in de managementafspraak afspraken te maken over ondermandatering. In het ondermandaatbesluit kan naar die afspraken worden verwezen. Deze goedkeuringseis houdt een beperking van het mandaat in. Wanneer de goedkeuring niet is verleend, is betrokkene niet bevoegd.

In enkele gevallen is ondermandaat niet mogelijk (vergelijk de artikelen 9, vierde lid, 12, tweede lid, en 13, derde lid). Dit betreft alleen het nemen of niet nemen van besluiten als bedoeld in die artikelen. Het sluit voorbereidings- en uitvoeringshandelingen door anderen niet uit. Zo kan degene aan wie het mandaat is voorbehouden, wel een ander machtigen om op te treden in gerechtelijke procedures.

Directeur HRM, de inspecteur-generaal en de hoofden van de agentschappen dragen zorg voor openbare ter inzage legging van het register van verleende algemene ondermandaten (dus bijvoorbeeld ook van de mandaten aan projectleiders) en de handtekeningenregisters en plaatsing daarvan op internet en intranet. Algemene mandaten moeten immers op grond van de Awb schriftelijk worden verleend en bekendgemaakt. Het register van CFI en de onderwijsinspectie zal worden geplaatst op de sites van CFI respectievelijk de onderwijsinspectie (omdat CFI en de inspectie onderdelen van het ministerie zijn, kunnen ook die sites worden aangemerkt als internetsite van het ministerie). Omdat de SG, PSG, DG’s, inspecteur-generaal, directeur van de Erfgoedinspectie, hoofden van de agentschappen en directeuren op grond van het OenM-besluit uit hoofde van hun functie mandaat en volmacht hebben, is opname in een ondermandaatregister voor hen niet nodig. Wel is opname in het handtekeningenregister vereist.

Voor ondermandaat is een apart besluit noodzakelijk. Het is belangrijk dat expliciet duidelijk is of en in hoeverre een medewerker mandaat heeft. Wanneer sprake is van een algemeen mandaat, moet dit overeenkomstig artikel 10:5 van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijk worden verleend. Het verdient aanbeveling om ook in die gevallen het ondermandaat zo mogelijk te relateren aan de functie en niet aan de persoon (dus geen mandaatverlening aan de heer x, hoofd van de afdeling y, maar aan het hoofd van de afdeling y).

Artikelen 12 en 13

Omdat de DG’s volledig verantwoordelijk zijn, zijn veel bevoegdheden exclusief belegd bij de SG, PSG en DG’s als manager van hun kolom. Met name ten aanzien van financiële aangelegenheden is het mandaat van de directeur ten opzichte van de vorige OenM-regeling ingeperkt en zijn de diverse bevoegdheden belegd op het niveau van DG. Er zijn scherpe grenzen gesteld aan de financiële bevoegdheden. Deze zijn afgeleid van de comptabele wet- en regelgeving. Ten aanzien van het aangaan van verplichtingen is ervoor gekozen aan te sluiten op de grensbedragen met betrekking tot de Europese aanbestedingsverplichtingen.

Personele bevoegdheden met betrekking tot functies waaraan schaal 15 of hoger is verbonden, zijn voorbehouden aan de SG, uiteraard met inachtneming van hetgeen daaromtrent in wettelijke voorschriften is bepaald. Ten aanzien van de schalen 13 en 14 hebben de DG’s de bevoegdheid besluiten te nemen aangaande:

– aanstellingsbesluiten,

– beloningsbesluiten met uitzondering van het toekennen van periodieke verhogingen,

– ontslagbesluiten, anders dan besluiten inhoudende reorganisatieontslag, voorwaardelijk strafontslag of onvoorwaardelijk strafontslag, en

– aansprakelijkheidsstelling dan wel besluiten met betrekking tot vergoeding van schade ten aanzien van een ambtenaar.

Op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel h, is het aangaan van verplichtingen op basis van het door de minister goedgekeurde departementale bestedingsplan die hoger zijn dan € 150.000, voorbehouden aan de DG, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie en de hoofden van de agentschappen. Dit sluit niet uit dat bijvoorbeeld de directeur van de directie arbeidsvoorwaardenbeleid wel mandaat heeft om onderhandelingen te voeren. Voor zover hij daarbij toezeggingen doet, is dit echter alleen mogelijk indien de DG voorafgaande toestemming heeft verleend.

Overigens zij opgemerkt dat bij het aangaan van verplichtingen uiteraard altijd de voor OCW algemeen geldende inkoop- en aanbestedingsvoorschriften gevolgd moeten worden. Het grensbedrag van € 150.000 is hierop afgestemd.

Het goedgekeurde departementale bestedingsplan is altijd de basis voor het aangaan van verplichtingen voor zover die niet voortvloeien uit bekostigingswet- en regelgeving, de cultuurnota of subsidies op grond van artikel 34 van de Monumentenwet 1988.

De overige in dit besluit genoemde grensbedragen voor rechtshandelingen met financiële gevolgen zijn afkomstig uit de comptabele regelgeving. Bij het overschrijden van deze grensbedragen is expliciet de instemming van de Minister van Financiën vereist. In onderstaande tabel is een en ander schematisch weergegeven waarbij tevens de bevoegdheden van het lijnmanagement volgens dit OenM-besluit zijn opgenomen.

Bevoegdheid –>

Handeling:

M.FIN

Directeur

DG

SG

M

Aangaan van verplichtingen uit bestedingsplan

 

< 150.000

> 150.000

  

Deelnemen in NV of BV

> 500.000

 

< 500.000

> 500.000

 

Kwijtschelden vordering

> 500.000

 

< 500.000

> 500.000

 

Huur-, huurkoop- en lease-overeenkomst

> 2.500.000

 

< 500.000

> 500.000

< 2.500.000

> 2.500.000

Voorlopige buiteninvordering-stelling

> 500.000

 

< 500.000

> 500.000

 

Verlening van voorschotten

> 5.000.000

 

< 5.000.000

> 5.000.000

 

De SG stelt het departementale bestedingsplan op. Dat is de consolidatie van de bestedingsplannen van de DG’s, de hoofden van de inspecties en de hoofden van de inspecties. Op basis van eigen inzichten kan de SG daar wijziging in aanbrengen.

Op grond van artikel 13, tweede lid, is voor het inhuren van externe professionals en uitzendkrachten, voorzover het betreft bedragen boven € 60 per uur, voorafgaande goedkeuring van de directeur-generaal vereist. Bij professionals moet worden gedacht aan interims, ICT-ers, projectleiders, e.d. Deze vereiste goedkeuring is (door de definitie van directeur) overigens niet relevant voor CFI en de inspecties.

Op grond van artikel 13, derde lid, is ondermandaat van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden niet mogelijk. Dit geldt zowel voor de DG’s als voor de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie en de hoofden van de agentschappen.

Artikel 14

De wijze van vervanging is aangescherpt ten opzichte van de vorige OenM-regeling, mede omdat het ondermandaat in veel gevallen niet mogelijk is. Nieuw is dat de vervanger geen bevoegdheid heeft tot verlenen, wijzigen of intrekken van mandaat. De vervanging moet kenbaar zijn en daarom bekend worden gemaakt.

Artikel 15

Bij een aantal besluiten inzake personele aangelegenheden is voorafgaande goedkeuring van de directeur HRM vereist. Deze goedkeuringseis, die ook geldt voor de diensten RDMZ, ROB en ICN, houdt een beperking van het mandaat in. Wanneer de goedkeuring niet is verleend, is betrokkene niet bevoegd. Op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel c, zijn de DG’s, de hoofden van de inspecties en de hoofden van de agentschappen bevoegd tot het nemen van dergelijke besluiten waaraan geen goedkeuring is verleend door de directeur HRM.

Op onderdelen waarvoor geen voorafgaande goedkeuring is vereist, dient HRM wel zo nodig geïnformeerd te worden.

Artikel 16

Mandaat is de bevoegdheid om een besluit te nemen. Dit impliceert ook de bevoegdheid om het besluit te ondertekenen (tekenbevoegdheid). Ook voor het afdoen van stukken wanneer de ondertekeningsbevoegde persoon afwezig is, is dus altijd mandaat nodig (tenzij sprake is van een waarnemer, een interim of een plaatsvervanger, die wordt immers benoemd in die hoedanigheid en heeft als zodanig mandaat). In dat geval wordt dus niet ‘bij afwezigheid’ ondertekend, want degene die dan ondertekent, heeft zelf mandaat om te ondertekenen. Het is mogelijk om bij de benoeming van een plaatsvervanger te bepalen dat deze bij afwezigheid van een gemandateerde slechts beperkt mandaat heeft om diens bevoegdheden uit te oefenen.

Artikel 17

De op grond van de vorige OenM-regeling geldende mandaten blijven na inwerkingtreding van het OenM-besluit 2005 van kracht met dien verstande dat beperkingen op grond van dit besluit ook gelden voor verleende ondermandaten.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M.J.A. van der Hoeven