Regeling hoe om te gaan met signalen inzake misstanden en overige integriteitsinbreuken

Vaststelling klokkenluidersregeling (Beschikking van 3 mei 2004, nr. ICO 2004-1048)

De Minister van Financiën,

Overwegende dat het wenselijk is om voor de medewerkers van het kerndepartement van Financiën een regeling vast te stellen hoe om te gaan met signalen inzake misstanden en overige integriteitsinbreuken;

Gelet op artikel 50 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR);

Gelet op de regeling procedure inzake het omgaan met een vermoeden van een misstand nr. AD/2000/U98929 van 7 december 2000 (Stcrt. 2000, nr. 243) van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zoals deze regeling nadien is gewijzigd (Stcrt. 2002, nr. 249);

Gehoord de departementale ondernemingsraad;

Besluit:

§ 1

Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. de minister: de Minister van Financiën;

b. het ministerie: het Ministerie van Financiën, met uitzondering van de Belastingdienst;

c. medewerker: degene die al dan niet als ambtenaar in de zin van het ARAR werkzaam is bij het ministerie;

d. hoofd van dienst: het hoofd van een directie c.q. een directoraat-generaal;

e. de adviseur integriteit: de door de secretaris-generaal aangewezen adviseur bedoeld in artikel 2;

f. de vertrouwenspersoon integriteit: de door de secretaris-generaal aangewezen vertrouwenspersoon bedoeld in artikel 10;

g. integriteit: de situatie waarin het handelen van het ministerie en zijn medewerkers gekenmerkt wordt door onkreukbaarheid en betrouwbaarheid;

h. integriteitsinbreuken: gedragingen, handelingen of uitingen die in strijd zijn met wet- en regelgeving of conventies op het gebied van integriteit; hiertoe behoren:

– misstanden als bedoeld onder letter i;

– overige inbreuken als bedoeld onder letter j;

i. een vermoeden van een misstand: een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden omtrent:

– een ernstig strafbaar feit;

– een grove schending van regelgeving of beleidsregels;

– het misleiden van justitie;

– een groot gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid of het milieu, of

– het bewust achterhouden van informatie over deze feiten;

j. overige integriteitsinbreuken: andere inbreuken dan de onder letter i bedoelde misstanden; hiertoe behoren in elk geval:

– het lekken van vertrouwelijke informatie;

– oneigenlijk gebruik van bedrijfsmiddelen;

– misbruik van buitengewoon verlof;

– andere gevallen die door medewerkers als integriteitsinbreuken worden ervaren, met uitzondering van ongewenste omgangsvormen;

k. de Commissie integriteit rijksoverheid: de commissie als beschreven in hoofdstuk 3 van de Regeling procedure inzake het omgaan met het vermoeden van een misstand, die is genoemd in de considerans.

l. bijzonder onderzoek: een onderzoek naar aanleiding van een signalering van een integriteitsinbreuk waarbij specialistische onderzoekskennis en -⁠vaardigheden benodigd zijn.

§ 2

De adviseur integriteit

Artikel 2

1. Er is een adviseur integriteit voor het ministerie.

2. De adviseur integriteit wordt aangewezen door en ressorteert rechtstreeks onder de secretaris-generaal.

3. De aanwijzing geldt voor een periode van ten hoogste vier jaar.

Artikel 3

De adviseur integriteit heeft tot taak:

a. het adviseren en voorlichten van dienstleiding, leidinggevenden en medewerkers inzake integriteitsvraagstukken;

b. het in ontvangst nemen en registreren van meldingen van vermoedens van integriteitsinbreuken;

c. het meewerken bij de afhandeling van een melding;

d. het bijhouden van een centrale registratie van afgedane integriteitsaffaires.

Artikel 4

De adviseur integriteit brengt jaarlijks aan de secretaris-generaal verslag uit over het aantal malen dat hij is geraadpleegd en de onderwerpen waarover hij heeft geadviseerd in het voorgaande kalenderjaar.

§ 3

Het melden

Artikel 5

1. Een medewerker meldt een vermoeden van een integriteitsinbreuk, in principe via zijn direct leidinggevende, aan zijn hoofd van dienst, of indien hij dat niet wenselijk acht aan de adviseur integriteit.

2. De ontvanger van de melding beoordeelt of het vermoeden een misstand betreft of een overige integriteitsinbreuk.

3. Bij een vermoeden van een misstand wordt de procedure gevolgd als in § 4 beschreven.

4. Bij overige integriteitsinbreuken wordt de procedure gevolgd als in § 5 beschreven.

5. In afwijking van de voorgaande leden kan de medewerker een vermoeden van een misstand rechtstreeks melden aan de Commissie integriteit rijksoverheid indien zwaarwegende belangen toepassing van die leden in de weg staan.

§ 4

Het omgaan met het vermoeden van een misstand (‘klokkenluidersregeling’)

Artikel 6

1. De ontvanger van de melding stelt onmiddellijk een rapport op waarin naast de gegevens van het dienstonderdeel, diensthoofd, degene die de melding doet, datum van melding, ook de feiten, omstandigheden, personen die bij het vermoeden een rol spelen worden beschreven.

2. Indien de melding bij het hoofd van dienst is gedaan draagt deze zorg voor het onmiddellijk verwittigen van de adviseur integriteit en stelt deze het in lid 1 bedoelde rapport ter hand ter onmiddellijke doorgeleiding naar de secretaris-generaal.

3. Indien de melding bij de adviseur integriteit is gedaan draagt deze zorg voor het onmiddellijk verwittigen van de secretaris-generaal en stelt hem het in lid 1 bedoelde rapport ter hand. Tevens stelt de adviseur integriteit het desbetreffende hoofd van dienst op de hoogte.

4. De secretaris-generaal beoordeelt of de minister en, eventueel, de staatssecretaris op de hoogte moeten worden gesteld.

Artikel 7

1. De secretaris-generaal stuurt een bevestiging van de ontvangst van de interne melding aan de medewerker die de melding deed onder vermelding van procedures en termijnen.

2. De adviseur integriteit brengt een advies uit aan de secretaris-generaal over de verdere behandeling.

3. De secretaris-generaal beslist over:

a. de verdere afhandeling van de melding. Dit kan betreffen (i) een verder (bijzonder) onderzoek, (ii) inschakeling van Openbaar Ministerie of Rijksrecherche of (iii) deponeren;

b. de onderzoeksdoelstelling en de wijze van factfinding;

c. de definitieve afhandeling na afronding van het onderzoek.

4. Binnen 8 weken na de interne melding zendt de SG aan de medewerker die de melding deed een schriftelijk standpunt, dan wel een bericht binnen welke termijn het standpunt kan worden tegemoet gezien.

5. Deze medewerker kan indien hij het niet eens is met het standpunt, geen bericht heeft ontvangen binnen de gestelde termijn of de verlengde termijn onredelijk lang is, het vermoeden van een misstand melden aan de Commissie integriteit rijksoverheid.

§ 5

Het omgaan met vermoedens van overige integriteitsinbreuken

Artikel 8

1. Indien de melding bij de leidinggevende is gedaan licht deze de adviseur integriteit in over de ontvangen melding.

2. Indien de melding rechtstreeks bij de adviseur integriteit is gedaan licht deze dedesbetreffende leidinggevende in, tenzij daar overwegende bezwaren tegen bestaan.

3. De leidinggevende, dan wel, in het geval bedoeld in het slot van het vorige lid, de adviseur integriteit, stelt naar aanleiding van de melding een onderzoek in.

4. Desgevraagd brengt de adviseur integriteit een advies uit aan de leidinggevende over de verdere afhandeling.

5. De leidinggevende licht na afloop de adviseur integriteit in over de afhandeling.

Artikel 9

De leidinggevende informeert de adviseur integriteit ook over afgehandelde overige integriteitsinbreuken die niet op de voet van artikel 8 zijn afgehandeld.

§ 6

De vertrouwenspersoon integriteit

Artikel 10

1. Er is een vertrouwenspersoon integriteit voor het ministerie. Naar behoefte kan bij onderdelen van het ministerie een eigen vertrouwenspersoon integriteit worden aangewezen.

2. De vertrouwenspersoon integriteit wordt na overleg met de desbetreffende ondernemingsraad aangewezen door de secretaris-generaal.

3. De aanwijzing geldt voor een periode van ten hoogste vier jaar.

Artikel 11

1. De vertrouwenspersoon integriteit heeft tot taak het desgevraagd adviseren van een medewerker privé en persoonlijk over integriteitsvraagstukken en over de wijze waarop hij kan of moet omgaan met kennis over mogelijke integriteitsinbreuken in de organisatie.

2. De vertrouwenspersoon vervult zijn functie buiten en naast de hiërarchische en functionele organisatie.

3. De vertrouwenspersoon integriteit stelt bij het uitoefenen van zijn taak de betrokken medewerker vooraf op de hoogte van het feit dat het vertrouwensaspect van zijn functie een grens vindt in artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering.

§ 7

Slotbepalingen

Artikel 12

Het Besluit instelling Adviseur Integriteit d.d. 11 augustus 1998 (DPO 98/311M), zoals gewijzigd bij Besluit d.d. 14 juni 1999 (DPO 99/284M), wordt ingetrokken.

Artikel 13

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling hoe om te gaan met signalen inzake misstanden en overige integriteitsinbreuken.

Artikel 14

Dit besluit treedt in werking op 15 mei 2004.

Den Haag, 3 mei 2004.
De Minister van Financiën,
namens deze:de Secretaris-Generaal,
R. Gerritse.

Toelichting

Algemeen

Inleiding

Voor de sector Rijk heeft de Minister van BZK de ‘Regeling procedure inzake het omgaan met het vermoeden van een misstand’ vastgesteld. Deze regeling wordt ook wel aangeduid als ‘klokkenluidersregeling’. Het Ministerie van Financiën heeft genoemde regeling uitgewerkt in een eigen ‘Regeling hoe om te gaan met signalen inzake misstanden en overige integriteitsinbreuken’.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om ook een aantal andere zaken op integriteitsgebied formeel te regelen. Zo bleek het gewenst om te komen tot een meer centrale regie en registratie van onderdelen van het integriteitsbeleid binnen het ministerie. De regeling stelt twee functies in: die van adviseur integriteit, ten behoeve van de organisatie van het ministerie, en die van vertrouwenspersoon integriteit, ten behoeve van individuele medewerkers van het ministerie.

De regeling geldt alleen voor het kerndepartement; de Belastingdienst heeft een eigen regeling.

Klokkenluidersregeling

In de toelichting bij de rijksbrede ‘Regeling procedure inzake het omgaan met het vermoeden van een misstand’ worden over de achtergronden van deze zgn. klokkenluidersregeling de volgende punten vermeld. Uitgangspunt is dat een ambtenaar een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden van een misstand met betrekking tot de organisatie waar betrokkene werkzaam is, intern aan de orde stelt. Dat vloeit rechtstreeks voort uit het beginsel van de ministeriële verantwoordelijkheid in samenhang met het beginsel zich te gedragen als een goed ambtenaar. Van een goed ambtenaar mag worden verwacht dat hij door een interne melding de minister en diens organisatie de mogelijkheid biedt een vermoeden van een misstand serieus te onderzoeken en adequate maatregelen te nemen.

De klokkenluidersregeling beoogt voorts bescherming van de klokkenluidende ambtenaar; hij mag in zijn positie op geen enkele wijze worden benadeeld als hij zijn vermoedens van een misstand conform de regeling heeft gemeld. Indien hij het niet eens is met de wijze waarop met zijn melding is omgegaan, kan de ambtenaar zich wenden tot een externe commissie. Een nadere toelichting is te vinden in de toelichting bij de klokkenluidersregeling (Stcrt. 2000, nr. 243).

Onder een vermoeden van een misstand in de zin van de klokkenluidersregeling wordt verstaan een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden met betrekking tot de diensteenheid waar betrokkene werkzaam is, omtrent:

– een ernstig strafbaar feit;

– een grove schending van regelgeving of beleidsregels;

– het misleiden van justitie;

– een groot gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid of het milieu;

–  het bewust achterhouden van informatie over bovengenoemde feiten.

De klokkenluidersregeling ziet dus op een aantal specifieke soorten integriteitsinbreuken, in de regeling misstanden genoemd.

Overige integriteitsinbreuken

Naast de bedoelde misstanden kunnen andere integriteitsinbreuken worden onderscheiden. De Financiënregeling bevat geen uitputtende opsomming, maar geeft een richtinggevend lijstje om de gedachten te bepalen. Tot die overige integriteitsinbreuken behoren in elk geval:

– lekken van vertrouwelijke informatie;

– oneigenlijk gebruik van bedrijfsmiddelen;

– misbruik van buitengewoon verlof;

– andere gevallen die door medewerkers als integriteitsinbreuken worden ervaren, met uitzondering van ongewenste omgangsvormen.

Procedure bij Financiën

Zowel meldingen met betrekking tot vermoedens van misstanden als meldingen met betrekking tot overige integriteitsinbreuken kunnen worden gedaan bij de leidinggevende van de desbetreffende melder, of bij de adviseur integriteit. Het vervolgtraject verschilt in zoverre, dat bij de afhandeling van een melding omtrent een vermoeden van een misstand de secretaris-generaal een leidende rol speelt. De procedure t.a.v. overige integriteitsinbreuken is lichter van aard. Inschakeling van de SG is niet per definitie vereist bij de bedoelde overige gevallen.

Zie verder de toelichting bij de artikelen 5 tot en met 8 van de regeling.

De Financiënregeling maakt uiteraard geen inbreuk op het recht van de medewerker om een vermoeden van een misstand rechtstreeks aan de Commissie integriteit rijksoverheid te melden als zwaarwegende belangen een interne melding in de weg staan. Zie verder de toelichting bij de artikelen 6 en 7 van de Financiënregeling.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

In dit artikel wordt een aantal definities gegeven, waarvan de meeste voor zichzelf spreken. De regeling beperkt zich blijkens het gestelde onder letter b tot het kerndepartement. De Belastingdienst is uitdrukkelijk uitgezonderd. Die dienst kent een eigen regeling.

Het onderscheid tussen misstanden enerzijds en overige inbreuken anderzijds is uitgewerkt onder de letters i en j van dit artikel. De opsomming onder i is letterlijk overgenomen uit het eerste lid van artikel 1 van de rijksbrede Regeling procedure inzake het omgaan met het vermoeden van een misstand (‘klokkenluidersregeling’).

Het begrip ‘ernstig strafbaar feit’ behoeft nog enige verduidelijking. Het begrip strafbaar feit is rechtstreeks gerelateerd aan de delictsomschrijving in het Wetboek van Strafrecht en aanverwante wetten. De ernst van het strafbare feit wordt in de eerste plaats aangegeven door het onderscheid tussen misdrijven enerzijds en overtredingen anderzijds. En voorts door de hoogte van de maximumstraf die aan het desbetreffende delict kan worden verbonden. Het kan er voor worden gehouden, dat overtredingen niet tot de ernstige strafbare feiten behoren, maar misdrijven wel.

Natuurlijk zijn in alle gevallen ook de specifieke omstandigheden van het geval van belang. Het is dan ook niet doenlijk om een haarscherpe grens te trekken en een uitputtende catalogus op te stellen van zaken die als een zodanig ernstig strafbaar feit kunnen worden beschouwd dat van de medewerker die daar vermoedens over heeft, een melding verwacht wordt. Daarbij is van belang, dat de regeling geen nieuwe verplichtingen in het leven roept. De regeling is bedoeld om het melden te bevorderen, de te volgen procedure te beschrijven en hulp en bescherming te bieden. Daarbij geldt, dat het moet gaan om ernstige strafbare feiten die in het kader van de Financiën-organisatie worden gepleegd, dus een raakvlak hebben met de Financiënwerkgemeenschap. De regeling ziet niet op misstanden buiten dat kader.

Het is niet uit te sluiten dat zich twijfelgevallen kunnen voordoen. De medewerker doet er dan goed aan zich voor advies te wenden tot de vertrouwenspersoon integriteit en eventueel tot de adviseur integriteit.

De opsomming van overige integriteitsinbreuken onder letter j is niet limitatief bedoeld, maar beoogt de richting aan te geven waarin gedacht kan worden. Ongewenste omgangsvormen zijn uitdrukkelijk uitgezonderd. De redenen voor deze uitzondering zijn zowel gelegen in de inhoud – het karakter van de inbreuk – als in het bestaan van een geëigende ‘infrastructuur’ met aparte vertrouwenspersonen. Het ministerie heeft hiervoor de Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen Financiën ingevoerd (Besluit van 15 januari 2002, kenmerk DPO 2002-39M, gepubliceerd op het intranet.)

Artikel 2

Dit artikel regelt de instelling van de functie van adviseur integriteit. Blijkens het tweede lid is er een rechtstreekse relatie met de secretaris-generaal. De adviseur integriteit wordt uitdrukkelijk belast met een aantal taken op het gebied van de meldingen van vermoedens van integriteitsschendingen, alsmede de registratie van afgedane integriteitsaffaires. Zoals eerder opgemerkt ontbeerde het ministerie een centraal punt waar in- en overzicht bestaat van alle bekende integriteitsschendingen. De regeling vult dit vacuüm op.

De horizonbepaling van het derde lid beoogt onder andere het voorkómen van het verlies van onafhankelijkheid.

Artikel 3

De taken van de adviseur integriteit zijn met name gericht op de belangen van de organisatie. Daarmee zijn zij duidelijk te onderscheiden van die van de vertrouwenspersoon integriteit als bedoeld in artikel 10. Diens functie is met name gericht op ondersteuning van de medewerker. Met het oog daarop wordt die functie vervuld buiten en naast de hiërarchische en functionele organisatie (zie artikel 11, tweede lid).

Artikel 5

In dit en de volgende artikelen wordt beschreven welke procedure binnen het ministerie wordt gevolgd indien een vermoeden van een integriteitsinbreuk wordt gemeld. De medewerker heeft voor het doen van de melding de keus tussen zijn hoofd van dienst en de adviseur integriteit. Dit geldt zowel voor het melden van een vermoeden van een misstand als het melden van het vermoeden van een overige integriteitsinbreuk. De verdere procedure is wel afhankelijk van de kwalificatie.

De regeling heeft niet de bedoeling nieuwe verplichtingen tot melden in het leven te roepen. Melden van bepaalde zaken kan al worden verwacht van een medewerker die zich als een goed ambtenaar gedraagt (artikel 50 van het ARAR). Ook blijft het uitgangspunt onverlet dat een medewerker niet gehouden is aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Dit kan onder omstandigheden betekenen dat een medewerker niet gehouden is een misstand te melden waarbij hij zelf betrokken is. Uiteraard is hij bij ontdekking wel aanspreekbaar op die betrokkenheid en gehouden zijn betrokkenheid bij de misstand te beëindigen.

Artikelen 6 en 7

De hier beschreven procedure geldt zodra een vermoeden van een misstand wordt gemeld. Het is een op het ministerie toegespitste invulling van de klokkenluidersregeling voor het Rijk. In die laatste regeling zijn de rechten en plichten van zowel de medewerker als van de organisatie uitgewerkt. Na het intern melden van het vermoeden van een misstand kan de medewerker, indien hij niet tevreden is met het resultaat van zijn melding, ook extern zijn vermoeden melden bij de Commissie integriteit rijksdienst (sector Rijk). Dit laatste is ook mogelijk als zwaarwegende belangen een interne melding in de weg staan.

De medewerker heeft de mogelijkheid om zijn voornemen een melding te doen vertrouwelijk overleg te plegen met de in artikel 10 bedoelde vertrouwenspersoon integriteit.

Na een melding wordt onmiddellijk een rapport opgesteld van alle relevante gegevens. Gelet op het belang van de materie voor de organisatie als geheel is een belangrijke regie- en beslisrol weggelegd voor de secretaris-generaal. Deze wordt onmiddellijk verwittigd en beoordeelt of ook de bewindspersonen op de hoogte moeten worden gesteld. Ook voor wat betreft de verdere behandeling van de melding berust de regie bij de secretaris-generaal.

Voor een verdere toelichting op de algemene regelgeving wordt verwezen naar de rijksbrede klokkenluidersregeling.

Artikel 8

De procedure met betrekking tot de overige integriteitsinbreuken als bedoeld in artikel 1, letter j, verschilt van de procedure met betrekking tot de misstanden als bedoeld in artikel 1, letter i, met name op het punt van de inschakeling van de secretaris-generaal. Die is bij de overige inbreuken niet verplicht. De adviseur integriteit draagt zorg voor de centrale registratie van (de afdoening van) meldingen van overige integriteitsinbreuken.

Het onderzoek naar een gemeld vermoeden van een overige integriteitsinbreuk wordt in beginsel uitgevoerd door de leidinggevende. Dit is uiteraard niet gewenst als de leidinggevende zelf het onderwerp van de melding is. In dat geval wordt het onderzoek uitgevoerd door de adviseur integriteit.

Artikel 9

Om te waarborgen, dat centraal overzicht ontstaat van alle integriteitsinbreuken die zijn geconstateerd, legt dit artikel aan de leidinggevenden de verplichting op om aan de adviseur integriteit ook de afgehandelde overige integriteitsinbreuken te melden die niet door een medewerker waren gemeld. Het zal dan zaken betreffen die de leidinggevende zelf heeft geconstateerd of die van buiten Financiën zijn gemeld.

Artikelen 10 en 11

Deze artikelen regelen de instelling en de taak van de vertrouwenspersoon integriteit. Een voorloper van deze functie was de functie van Adviseur Integriteit die was ingesteld bij besluit van 11 augustus 1998 (DPO 98/311M), zoals gewijzigd bij Besluit van 14 juni 1999 (DPO 99/284M). Bij dat besluit was een medewerker aangewezen als Adviseur Integriteit. Die aanwijzing gold een periode van ten hoogste twee jaren. Verlenging van die aanwijzing noch een nieuwe aanwijzing heeft plaatsgevonden.

Het besluit kan worden ingetrokken. Zie artikel 13.

De functie van de vertrouwenspersoon integriteit is met name ingesteld met het oog op de belangen van de medewerkers persoonlijk en in privé. Zij kunnen met de vertrouwenspersoon vertrouwelijk overleg plegen en van hem advies krijgen over persoonlijke integriteitsvraagstukken en over de wijze waarop zij kunnen of moeten omgaan met kennis over mogelijke integriteitsinbreuken. De vertrouwenspersoon is bij uitstek degene die op basis van vertrouwelijkheid de medewerker kan informeren en adviseren. De adviesfunctie gaat verder dan alleen de vraag wat wel en wat niet moet worden gemeld. De vertrouwenspersoon zou tevens in voorkomende gevallen medewerkers kunnen adviseren over hoe omgegaan kan worden met mogelijke nadelige neveneffecten van het melden. Te denken valt aan spanningen in de arbeidsverhoudingen, of het omgaan met publiciteit indien een melding of misstand openbaar wordt.

Ter borging van het vertrouwelijke karakter van de functie wordt deze vervuld buiten en naast de hiërarchische en functionele organisatie van het ministerie. Dat betekent niet, dat de vertrouwenspersoon geen medewerker van het ministerie kan zijn. Wel geeft het een waarborg voor onafhankelijk opereren; de vertrouwenspersoon kan geen opdrachten vanuit Financiën ontvangen. Over de vervulling van zijn functie behoeft hij ook geen verantwoording af te leggen aan de leiding van het ministerie.

Het betrekken van de OR bij het benoemen van de vertrouwenspersoon integriteit verschaft deze een zeker gezag en beoogt het vertrouwen dat medewerkers in hem kunnen stellen, te vergroten.

Naar behoefte kan bij een of meer onderdelen van het ministerie een eigen vertrouwenspersoon integriteit worden aangewezen. Die behoefte zal kunnen bestaan bij dienstonderdelen met veel medewerkers die buiten Den Haag werkzaam zijn, zoals de dienst der Domeinen en de AdF/IAB.

Aangezien de functie waarschijnlijk zal worden vervuld door een ambtenaar, schrijft het derde lid van artikel 12 voor, dat de vertrouwenspersoon integriteit de betrokken medewerker vooraf op de hoogte stelt van de beperkingen die voortvloeien uit artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering. Dat artikel schrijft voor dat ambtenaren die in de uitoefening van hun bediening kennis krijgen van een misdrijf met de opsporing waarvan zij niet zijn belast, onder bepaalde voorwaarden verplicht zijn daarvan onverwijld aangifte te doen aan de officier van justitie.

Artikel 12

Het in de toelichting bij de artikelen 10 en 11 aangeduide besluit wordt bij dit artikel ingetrokken.

Deze toelichting behoort bij de beschikking van 3 mei 2004, nummer ICO 2004–1048.

Den Haag, 3 mei 2004

De Minister van Financiën

namens deze:de Secretaris-Generaal,

R. Gerritse

Naar boven