Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar ProRail 2004

Besluit van de Minister van Justitie van 11 mei 2004, nr. 5286090/504/CBK, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij ProRail

De Minister van Justitie,

Gelezen het verzoek van de directeur ProRail van 2 maart 2004, kenmerk MJB/BA/M001963/040220-1;

Gezien de adviezen van de korpschef van het Korps landelijke politiediensten van 7 april 2004 en van het Landelijk Parket van 7 april 2004;

Handelend in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat;

Gelet op artikel 142, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993 en artikel 4, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar;

Besluit:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. buitengewoon opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 2;

b. ProRail: Railinfrabeheer BV, Railverkeersleiding BV en Railned BV, handelend onder de naam ProRail.

Artikel 2

Maximaal 50 medewerkers in dienstbetrekking werkzaam bij ProRail zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.

Artikel 3

1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:

a. de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer 2000;

b. verordeningen voor zover de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen door het bevoegd gezag, en

c. andere wetten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.

2. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar geldt voor het grondgebied van Nederland.

Artikel 4

De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd bij de opsporing van de strafbare feiten waarvoor aan hem opsporingsbevoegdheid is toegekend, gebruik te maken van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Politiewet 1993. Hij gedraagt zich daarbij overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.

Artikel 5

1. Als toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket.

2. Als direct toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de korpschef van het Korps landelijke politiediensten.

Artikel 6

De directeur van ProRail stelt in overleg met de toezichthouder en de direct toezichthouder op:

a. Een instructie waarin zo concreet mogelijk beschreven wordt bij welke feiten en omstandigheden het gebruik van geweld is toegestaan. De instructie dient aan iedere buitengewoon opsporingsambtenaar, die bevoegd is geweld te gebruiken ter hand te worden gesteld.

b. Een procedure, gebaseerd op artikel 17 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar, voor de melding van het gebruik van geweld. Over iedere melding dienen de toezichthouder en de direct toezichthouder zo spoedig mogelijk te worden geïnformeerd.

c. Een procedure, gebaseerd op artikel 42 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar en de circulaire van de Minister van Justitie van 28 juli 2003, inzake de behandeling van klachten over buitengewoon opsporingsambtenaren, betreffende de uitoefening van diens bevoegdheden als buitengewoon opsporingsambtenaar. Een afschrift van de klacht dient terstond aan de toezichthouder en de direct toezichthouder te worden toegezonden. Zij worden eveneens schriftelijk geïnformeerd over de wijze waarop de klacht is afgehandeld.

Artikel 7

De directeur van ProRail verstrekt de toezichthouder en de direct toezichthouder overeenkomstig artikel 41, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar alle door hen gewenste informatie en voert zo nodig en desgevraagd periodiek overleg met hen.

Artikel 8

De directeur van ProRail brengt jaarlijks, vóór 1 april over het jaar daaraan voorafgaand, met betrekking tot de buitengewoon opsporingsambtenaren werkzaam bij ProRail aan de Minister van Justitie verslag uit over:

a. het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat op 31 december werkzaam was bij ProRail;

b. de door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte activiteiten;

c. de doeltreffendheid en de effecten van de bevoegdheid om geweld te gebruiken;

d. de stand van zaken met betrekking tot de opleiding van die buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door de Minister van Justitie goedgekeurde examen en hoeveel personen in dat jaar voor dat examen zijn geslaagd.

Artikel 9

De directeur van ProRail zendt, overeenkomstig artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, vóór 1 november 2005 aan de Minister van Justitie een evaluatie over de doeltreffendheid en de effecten van het toekennen van opsporingsbevoegdheid en de bevoegdheid, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Politiewet 1993, in de periode van 15 mei 2004 tot 1 oktober 2005. Deze evaluatie voldoet aan nader door de Minister van Justitie te stellen voorwaarden.

Artikel 10

Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 mei 2004 en vervalt met ingang van 1 januari 2006.

Artikel 11

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar ProRail 2004.

Binnen zes weken na publicatie van dit besluit kan een belanghebbende daartegen een bezwaarschrift indienen bij de Minister van Justitie, Postbus 20301, 2500 EH Den Haag. Het bezwaarschrift dient te zijn gemotiveerd.

Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.

Den Haag, 11 mei 2004.
De Minister van Justitie,
namens deze:hoofd Bureau Juridische en Beleidsondersteunende Aangelegenheden,
H.Ph. Mayer.

Toelichting

ProRail is als taakorganisatie van de rijksoverheid verantwoordelijk voor de veiligheid op en de veilige bereidbaarheid van het Nederlandse spoorwegnetwerk. Met name de laatste jaren heeft ProRail te kampen met een forse toename van het aantal storingen op het Nederlandse spoorwegnet als gevolg van onder meer vandalisme en zogenaamde ‘spoorlopers’. Teneinde deze problemen het hoofd te bieden heeft ProRail in het kader van het programma ‘Derden storingen’ een breed pakket aan maatregelen ontwikkeld. Als sluitstuk op dit pakket verzoekt ProRail om als pilotproject 50 medewerkers aan te wijzen als buitengewoon opsporingsambtenaar met een tot de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer 2000 beperkte opsporingsbevoegdheid. Tevens verzoekt ProRail daarbij om aan deze buitengewoon opsporingsambtenaren de bevoegdheid toe te kennen om geweld te gebruiken (artikel 8, eerste lid, van de Politiewet 1993).

Het verzoek van ProRail heb ik voor advies voorgelegd aan de toezichthouder en de direct toezichthouder. Beiden hebben een positief advies uitgebracht en stemmen in met het verzoek van ProRail. Een beroep op de politie is volgens de toezichthouder en de direct toezichthouder zo goed als niet mogelijk, vanwege het feit dat daartoe geen capaciteit aanwezig is en bovendien de opsporing van strafbare feiten die tot ‘Derden storingen’ leiden geen prioriteit heeft. Gezien het verzoek van ProRail en de daarover door de toezichthouder en de direct toezichthouder uitgebrachte adviezen, acht ik de noodzaak tot het aanwijzen van 50 medewerkers van ProRail tot buitengewoon opsporingsambtenaar met een tot de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer 2000 beperkte opsporingsbevoegdheid en het aan hen toekennen van de bevoegdheid om geweld te gebruiken aanwezig. Daarbij merk ik op dat het gebruik door de buitengewoon opsporingsambtenaren van de hen toegekende opsporingsbevoegdheid voor de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer 2000 zich dient te beperken tot hetgeen noodzakelijk is voor een goede uitoefening van hun functie en het daaraan gekoppelde takenpakket.

In de op 15 mei 2002 in werking getreden circulaire functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar (Stcrt. 8 mei 2002, nr. 87) heb ik aangegeven dat het uitgangspunt is dat opsporing een overheidstaak is. Dit betekent dat buitengewoon opsporingsambtenaren in bezoldigde dienst moeten zijn van een publieke rechtspersoon of een private rechtspersoon die voor 100% in overheidshanden is en blijft. Pas dan kan aan hen opsporingsbevoegdheid worden toegekend en zonodig politiebevoegdheden en de bevoegdheid tot het gebruik van geweldsmiddelen. ProRail is geen publiekrechtelijke rechtspersoon, maar de gezamenlijke handelsnaam van de drie volgende taakorganisaties: Railinfrabeheer BV, Railverkeersleiding BV en Railned BV. Deze drie taakorganisaties zijn privaatrechtelijke rechtspersonen met wettelijke taken, genoemd in de artikelen 28 e.v. van de Spoorwegwet. Weliswaar is de Staat geen aandeelhouder van de taakorganisaties, maar is de Staat wel voor 100% aandeelhouder van Railinfratrust BV, die op haar beurt voor 100% aandeelhouder is van de taakorganisaties. Ik ben van oordeel dat daarmee materieel is voldaan aan de voorwaarde dat buitengewoon opsporingsambtenaren in bezoldigde dienst moeten zijn van een publieke rechtspersoon of een private rechtspersoon die voor 100% in overheidshanden is en blijft.

Door middel van dit besluit geef ik ProRail, onder een aantal voorwaarden voorlopig toestemming, om maximaal 50 medewerkers aan te laten wijzen tot buitengewoon opsporingsambtenaar. De voorwaarden die ik stel, hebben betrekking op het opstellen van een instructie voor het gebruik van de bevoegdheid om geweld te gebruiken, melding van het gebruik van deze bevoegdheid, de afhandeling van klachten en het verstrekken van informatie. Het voorlopige karakter van mijn toestemming blijkt uit het feit dat dit besluit geldig is tot 1 januari 2006. ProRail dient vóór 1 november 2005 aan mij een evaluatie uit te brengen over de doeltreffendheid en de effecten van het toekennen van opsporingsbevoegdheid en de bevoegdheid om geweld te gebruiken in de periode van 15 mei 2004 tot 1 oktober 2005. Deze evaluatie dient te voldoen aan nader door mij in overleg met de toezichthouder en de direct toezichthouder te stellen voorwaarden. Op basis van de door ProRail aan mij uitgebrachte evaluatie en door mij in te winnen adviezen van de toezichthouder en de direct toezichthouder kan tot verlenging van het besluit worden besloten.

De Minister van Justitie

namens deze:hoofd Bureau Juridische en Beleidsondersteunende Aangelegenheden,

H.Ph. Mayer

Naar boven