Voortzetting maatregel artikel 6 Vw 2000 in het grenslogies t.b.v. onderzoek na de AC-procedure

Besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 20 april 2004, nummer 2004/32, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000 (Staatsblad 2000, 495), het Vreemdelingenbesluit 2000 (Staatsblad 2000, 497) en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Staatscourant 2001, nr. 10);

Besluit:

Artikel I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

De tekst van C3/12.3.3.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.3.1 Oplegging dan wel voortzetting van de maatregel

Na de aanmelding in het aanmeldcentrum Schiphol en indiening van de asielaanvraag, beziet de IND, onder meer op basis van de hieronder genoemde niet-cumulatieve en niet-limitatieve criteria of een maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vreemdelingenwet, voortgezet kan worden:

a. de asielaanvraag kan binnen de aanmeldcentrumprocedure worden afgewezen;

b. de asielzoeker maakt deel uit van een grotere groep asielzoekers die op hetzelfde moment arriveert, waarbij aanleiding bestaat om uitgebreid onderzoek te plegen naar de herkomst of oorzaak daarvan;

c. er is sprake van `misbruik van de asielprocedure', bijvoorbeeld doordat de asielzoeker onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn reis of identiteit, of zich van zijn al dan niet vervalste reisdocument heeft ontdaan of zijn retourticket heeft verscheurd;

d. ten aanzien van de asielzoeker, zijn identiteit en nationaliteit, asielrelaas of overgelegde documenten is nader onderzoek of analyse noodzakelijk, teneinde te bepalen of de asielaanvraag dient te worden afgewezen;

e. de toegang is geweigerd op grond van artikel 3, eerste lid, onder b, Vreemdelingenwet;

f. ten aanzien van de asielzoeker zal bij een andere staat een verzoek tot overname worden ingediend op basis van de Overeenkomst van Dublin dan wel Verordening 343/2003;

g. ten aanzien van de asielzoeker is een claim gelegd bij de aanvoerende maatschappij;

h. er is sprake van een geval waarin artikel 1F Vluchtelingenverdrag vermoedelijk kan worden tegengeworpen.

ad d. Hier wordt met name gedoeld op alle gevallen waarin de asielzoeker zijn identiteit of nationaliteit niet aannemelijk heeft kunnen maken, verder onderzoek hiernaar noodzakelijk is en dit onderzoek naar verwachting binnen zes weken kan worden afgerond. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan de situatie waarin documenten van de asielzoeker verder onderzocht dienen te worden op echtheid of authenticiteit, taalanalyse of onderzoek naar de gestelde leeftijd is geïndiceerd of ander herkomstonderzoek nodig wordt geacht.

Voorts zal oplegging of voortzetting van de maatregel plaatsvinden wanneer verder onderzoek naar het asielrelaas is geïndiceerd en dit onderzoek naar verwachting binnen zes weken kan worden afgerond. Ook hierbij kan onder meer gedacht worden aan onderzoek van documenten. Tevens kan dit aan de orde zijn wanneer de asielzoeker tijdelijk niet gehoord kan worden.

Indien het onderzoek niet binnen zes weken is afgerond zal steeds een belangenafweging gemaakt worden omtrent de voortzetting van de maatregel. De maatregel zal in beginsel worden opgeheven, tenzij redenen, gelegen in de persoon van de asielzoeker of zijn gedragingen, dat indiceren. Met name moet daarbij worden gedacht aan de situatie dat de asielzoeker niet meewerkt aan de spoedige voortgang van het onderzoek.

ad h. Gedoeld wordt op die gevallen waarin tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag plaatsvindt op basis van verklaringen van de betrokken asielzoeker in combinatie met beleidsconclusies die zijn gebaseerd op algemene ambtsberichten over schenders van mensenrechten. Daarnaast wordt gedoeld op gevallen waarbij een asielzoeker tijdens de aanmeldcentrumprocedure op Schiphol mededelingen doet van door hem begane ernstige mensenrechtenschendingen waaruit blijkt dat er sprake is van het vermoeden dat aan hem artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen.

Bovenstaande lijst is niet uitputtend. Indien niet (langer) aan een van de bovenstaande criteria wordt voldaan kan onder bijzondere omstandigheden de maatregel toch worden opgelegd dan wel voortgezet.

Artikel II

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is geplaatst.

Rijswijk, 20 april 2004.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,namens deze,
het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),
P.W.A. Veld.

Toelichting

In de Terugkeernota, die bij brief van 21 november 2003 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer is aangeboden, is met betrekking tot de bevordering van terugkeer van aan de grens geweigerde vreemdelingen gekozen voor een restrictievere doorplaatsing vanuit Aanmeldcentrum Schiphol naar een opvangcentrum.

Binnen het beleid zoals is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000 bestaat de mogelijkheid tot restrictieve doorplaatsing reeds.

Na de opsomming is een `ad d.' geplaatst waarmee duidelijk wordt dat en in welke gevallen van deze mogelijkheid ook daadwerkelijk gebruik gemaakt zal worden. De restrictieve doorplaatsing houdt in dat wanneer het niet mogelijk is gebleken om binnen de 48 procesuren die op het Aanmeldcentrum Schiphol beschikbaar zijn de asielaanvraag af te wijzen, wordt bezien of het onderzoek naar de inwilligbaarheid in het Grenshospitium kan worden voortgezet. Van deze mogelijkheid zal in elk geval gebruik worden gemaakt indien de asielzoeker zijn identiteit, waaronder zijn nationaliteit, niet aannemelijk heeft kunnen maken en verder onderzoek naar de identiteit noodzakelijk is en dit onderzoek naar verwachting binnen zes weken kan worden afgerond.

Verder zal de maatregel worden toegepast in het geval onderzoek naar het asielrelaas is geïndiceerd en dit onderzoek naar verwachting binnen zes weken kan worden afgerond. Vanzelfsprekend zullen asielzoekers wier verzoek kansrijk lijkt in beginsel niet worden geplaatst in het Grenshospitium, maar worden doorgeplaatst naar een opvangcentrum. De termijn van zes weken is daarbij indicatief. Bij ommekomst van de termijn zal steeds een belangenafweging worden gemaakt met betrekking tot de rechtmatigheid van de voortzetting van de maatregel. Zo zal de maatregel, wanneer de asielzoeker door zijn gedrag het onderzoek frustreert of bemoeilijkt, ook na de termijn van zes weken kunnen worden voortgezet.

Het al dan niet voortzetten of opleggen van de maatregel zal natuurlijk tevens afhangen van de beschikbare capaciteit.

Verder is bij de opsomming onder de letter h het woord evident vervallen en is het woord vermoedelijk toegevoegd. Het woord evident wekte hier een onjuiste indruk. De ratio is immers om personen de maatregel op te kunnen leggen wanneer er onderzoek wordt gedaan naar de toepasbaarheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Op dat moment is de toepasbaarheid nog niet evident maar bestaat er een vermoeden dat het artikel op de asielzoeker van toepassing is.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

namens deze,

het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

P.W.A. Veld.

Naar boven