Vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen 2004

21 april 2004

Nr. TRCJZ/2004/3332

Directie Juridische Zaken

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

In overeenstemming met de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelezen de aanvragen van LTO-Nederland en het Hoofdproductschap Akkerbouw;

Gezien het advies van de Plantenziektenkundige Dienst van 8 december 2003;

Gezien de adviezen van TNO en NOTOX, gecoördineerd door het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen;

Gezien de beoordeling van de aanvragen door de Plantenziektenkundige Dienst;

Gelet op artikel 16aa van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;

Besluit:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder ‘wet’: Bestrijdingsmiddelenwet 1962.

Artikel 2

Van het verbod van artikel 2, eerste lid, van de wet wordt vrijstelling verleend voorzover de in deel I van de bijlage gestelde gebruiksvoorschriften en gebruiksaanwijzing worden nageleefd bij het afleveren, voor handen of in voorraad hebben, binnen Nederland brengen of gebruiken van de in deel I van de bijlage genoemde gewasbeschermingsmiddelen aan degenen die:

a. beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam zijn in de teelt waarvoor het betrokken middel ingevolge dit besluit is vrijgesteld, of

b. ten behoeve van een onder a bedoeld persoon die ter uitoefening van een beroep of bedrijf werkzaamheden met het betrokken gewasbeschermingsmiddel verrichten.

Artikel 3

Van het verbod van artikel 10, eerste lid, van de wet om te handelen in strijd met de krachtens de artikelen 5, tweede, derde, vierde, zesde, zevende en achtste lid, 5a, eerste en tweede lid, en 9, tweede en derde lid, vastgestelde voorschriften wordt vrijstelling verleend voorzover de in deel II van de bijlage gestelde gebruiksvoorschriften en gebruiksaanwijzing worden nageleefd bij het afleveren, voorhanden of in voorraad hebben, binnen Nederland brengen of gebruiken van de in deel II van de bijlage genoemde gewasbeschermingsmiddelen aan degenen die:

a. beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam zijn in de teelt waarvoor het betrokken middel ingevolge dit besluit is vrijgesteld, of

b. ten behoeve van een onder a bedoeld persoon ter uitoefening van een beroep of bedrijf werkzaamheden met het betrokken gewasbeschermingsmiddel verrichten.

Artikel 4

De in artikel 2, onderscheidenlijk 3, bedoelde vrijstelling is slechts van toepassing voorzover het afleveren, voorhanden of in voorraad hebben, binnen Nederland brengen of gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen plaats vindt ten behoeve van de bestrijding van de ziekte of plaag in de teelt waarvoor het betrokken middel ingevolge dit besluit is vrijgesteld.

Artikel 5

1. De in artikel 2 bedoelde vrijstelling is voorts slechts van toepassing, voorzover het gehalte aan werkzame stof en de verdere samenstelling, kleur, vorm, afwerking, verpakking, aanduiding en overige vermeldingen op, aan of bij de verpakking van het gewasbeschermingsmiddel zijn aangebracht in overeenstemming met hetgeen daaromtrent is bepaald in:

1°. de Regeling samenstelling, indeling, verpakking en etikettering bestrijdingsmiddelen, zoals die voor het betrokken middel gold op het tijdstip waarop dat middel laatstelijk was toegelaten;

2°. de paragrafen II (samenstelling, vorm en afwerking) en IV (verpakking en etikettering) van het toelatingsbesluit van het college, zoals dat laatstelijk voor het betrokken middel gold, met uitzondering van het wettelijk gebruiksvoorschrift, de gebruiksaanwijzing, de gevaarsaanduiding en de veiligheidsaanbevelingen, en

3°. de gebruiksvoorschriften en de gebruiksaanwijzing, zoals die voor de betrokken werkzame stof zijn opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

2. De in artikel 2, onderscheidenlijk 3, bedoelde vrijstelling is voorts slechts van toepassing, voorzover de administratieve voorschriften in deel III van de bijlage bij dit besluit worden nageleefd.

Artikel 6

1. Dit besluit wordt aangehaald als: Vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen 2004.

2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2005.

Artikel 7

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
voor deze:
de Directeur-Generaal,, A. Oostra.

Bijlage vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen eerste kwartaal 2004

Deel I Voorschriften voor de gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 2

I. A. Knelpunt Biologische appelteelt – Appelschurft

Vrijgestelde gewasbeschermingsmiddel:

Merknaam: Polisolfuro di Calcio

Gehalte werkzame stof: 230 g/l kalkzwavel

Toelatingsnummer: –

Toelatingshouder: –

Knelpunt: Appel – Schurft

Gebruiksvoorschriften

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als schimmelbestrijdingsmiddel:

a. in de teelt van appel, tot en met juni 2004;

b. in de teelt van vruchtbomen en vruchtboomonderstammen van appel, tot en met juni 2004.

Veiligheidstermijn:30 dagen voor appel.

Dit middel is schadelijk voor niet-doelwit arthropoden. Vermijd onnodige blootstelling.

Dit middel vormt giftige gassen in oplossing en is irriterend voor de ogen, ademhalingswegen en de huid.

Het volgende moet daarom in acht worden genomen:

• Buiten bereik van kinderen bewaren.

• Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder.

• Niet eten, drinken of roken tijdens het gebruik.

• Na aanraking met de huid of de ogen onmiddellijk met overvloedig water afspoelen.

• Draag geschikte handschoenen en een beschermingsmiddel voor de ogen.

• Draag een geschikt adembeschermingsmiddel gedurende het legen van de verpakking en het aanmaken van de spuitvloeistof.

• Spuitnevel niet inademen.

Gebruiksaanwijzing

Algemeen

Het middel kan worden gebruikt als fungicide ter bestrijding van schurft op appel in situaties dat een behandeling met zwavel minder effectief is, bijvoorbeeld als het koud is, of als de schurftinfectie reeds tot stand is gekomen.

Toepassing

Appel, ter bestrijding van schurft (Venturia inequalis)

Het middel kan worden toegepast vanaf het verschijnen van de eerste groene delen tot en met juni. De toepassing moet plaatsvinden kort voor of binnen 20 uur na het ontstaan van een schurftinfectie. De toepassing zo nodig enkele malen herhalen.

Dosering: 15 liter middel per hectare.

Niet, of in lagere doseringen, gebruiken op zwavelgevoelige rassen, zoals Cox’s Orange, Pippin en Goudreinet. Niet gebruiken op zoete appels. Kans op schade aan bladeren en vruchtverruwing kan niet worden uitgesloten. Met name bij toepassing onder langzaam drogende omstandigheden, kort voor nachtvorst en bij toepassing bij een temperatuur boven 25 °C.

Vruchtbomen en vruchtbomenonderstammen van appel, ter bestrijding van schurft (Venturia inequalis)

Het middel kan worden toegepast vanaf het verschijnen van de eerste groene delen tot en met juni. De toepassing moet plaatsvinden kort voor of binnen 20 uur na het ontstaan van een schurftinfectie. De toepassing zo nodig enkele malen herhalen.

Dosering: 15 liter middel per hectare.

Niet, of in lagere doseringen, gebruiken op zwavelgevoelige rassen, zoals Cox’s Orange, Pippin en Goudreinet. Niet gebruiken op zoete appels. Kans op schade aan bladeren kan niet worden uitgesloten. Met name bij toepassing onder langzaam drogende omstandigheden, kort voor nachtvorst en bij toepassing bij een temperatuur boven 25 °C.

Attentie

• Calcium polysulfide heeft een vruchtdunnend effect, indien het middel tijdens de bloei wordt toegepast.

• Het middel niet vermengd met andere bestrijdingsmiddelen of meststoffen verspuiten.

I. B. Knelpunt Appel - Vruchtdunning

Gewasbeschermingsmiddel:

Merknaam: Sevin SL

Gehalte werkzame stof: 480 g/l carbaryl

Toelatingsnummer: laatstelijk toegelaten onder 8786 N

Toelatingshouder: Bayer CropScience B.V.

Knelpunt: Appel - Vruchtdunning

Gebruiksvoorschriften

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als vruchtdunningsmiddel met maximaal 1 toepassing per teeltseizoen in de teelt van appels tot maximaal 4 weken na het einde van de bloei met dien verstande dat maximaal 2 ha per persoon per dag mag worden behandeld.

De toepassing door middel van een vliegtuig is verboden.

Dit middel is gevaarlijk voor bijen en hommels. Niet toegestaan is toepassing in bloeiende gewassen of wanneer bloeiende onkruiden aanwezig zijn. Niet toegestaan is toepassing in niet-bloeiende gewassen die actief bezocht worden door bijen of hommels (bijvoorbeeld door de aanwezigheid van luizen die honingdauw afscheiden).

Het middel is giftig voor waterorganismen, derhalve zodanig toepassen dat het niet in oppervlaktewater terecht komt. In de teelt van appels is in de buitenste bomenrij van percelen langs watergangen de toepassing uitsluitend toegestaan indien:

– tussen de watergang en de buitenste bomenrij een aaneengesloten windscherm is geplaatst en het windscherm niet wordt bespoten, en/of

– in de buitenste bomenrij langs de watergangen het middel wordt verspoten met een tunnelspuit, en/of

– in de buitenste bomenrij langs de watergangen het middel wordt verspoten met een dwarsboomspuit die van een reflectiescherm is voorzien, en/of

– de laatste bomenrij éénzijdig in de richting van het perceel wordt bespoten.

Dit middel is licht irriterend voor de ademhalingswegen, schadelijk bij inademing en bij opname door de mond.

Het volgende moet daarom in acht worden genomen:

• Buiten bereik van kinderen bewaren.

• Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder.

• Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik.

• Een beschermingsmiddel voor het gezicht dragen

• Draag geschikte handschoenen en beschermende kleding, zowel bij toepassen als bij werkzaamheden in behandeld gewas tot 2 weken na de toepassing.

• Tijdens de bespuiting een geschikt adembeschermingsmiddel dragen

• Bij een ongeval of indien men zich onwel voelt, onmiddellijk een arts raadplegen (indien mogelijk hem/haar dit etiket tonen).

Gebruiksaanwijzing

Toepassingen

Vruchtdunning bij appels

Het middel toepassen na afloop van de bloei. Op sterk groeiende bomen bestaat grote kans op een te sterke vruchtdunning. In de kop van de boom is de dunning van nature minder. Door regelen van de vloeistofafgifte moet meer vloeistof boven in de boom komen. Nadunnen met de hand is meestal noodzakelijk.

Dosering: 50–200 ml per 100 liter water, afhankelijk van het ras.

Attentie

• Het juiste bespuitingsmoment en de geschikte dosering variëren van ras tot ras.

• Gebruik van carbaryl kan vruchtverruwing tot gevolg hebben.

Deel II Voorschriften voor de gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 3

II. A. Knelpunt Groene potplanten tegen wol-, dop- en schildluizen

Gewasbeschermingsmiddel:

Merknaam: Actellic 50

Gehalte werkzame stof: 500 g/l pirimifos-methyl

Toelatingsnummer: 6469 N

Toelatingshouder: Syngenta Crop Protection B.V.

Knelpunt: Groene potplanten tegen wol-, dop- en schildluizen

Gebruiksvoorschriften

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als insectenbestrijdingsmiddel als gewasbehandeling in de bedekte teelt van groene potplanten, met maximaal 2 toepassing(en) per teelt of teeltseizoen met dien verstande dat het middel niet toegepast mag worden in kassen waarvan het condenswater in het oppervlaktewater terecht kan komen.

Dit middel is gevaarlijk voor bijen en hommels. Niet toegestaan is toepassing in bloeiende gewassen of in niet-bloeiende gewassen wanneer deze actief bezocht worden door bijen en hommels. Niet toegestaan is toepassing wanneer bloeiende onkruiden aanwezig zijn. Bijen kunnen actief vliegen op niet-bloeiende gewassen, bijvoorbeeld om honingdauw te verzamelen die door luizen is afgescheiden.

Na afloop van de behandeling dienen de luchtramen minimaal 4 uur gesloten te blijven, vervolgens minimaal 12 uur afluchten voordat de betreffende ruimte betreden mag worden.

Dit middel is ontvlambaar, schadelijk bij opname door de mond en irriterend voor de ogen en de huid.

Het volgende moet daarom in acht worden genomen:

• Buiten bereik van kinderen bewaren.

• Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder.

• Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik.

• Spuitnevel niet inademen.

• Draag geschikte handschoenen, beschermende kleding tijdens mengen, laden, toepassen, en gewaswerkzaamheden.

• Bij ontoereikende ventilatie een geschikt adembeschermingsmiddel dragen.

• Indien men zich onwel voelt een arts raadplegen (indien mogelijk hem dit etiket tonen).

Gebruiksaanwijzing

Algemeen

Het middel kenmerkt zich door een goede contactwerking en dampwerking. Het middel dringt diep in het plantenweefsel door. De nawerking van het middel is kort. Het middel kan zowel worden verspoten als verneveld door middel van Puls- en Swingfog. Het effect van het middel wordt sterk beïnvloed door de temperatuur. Bij voorkeur niet beneden 20 ºC behandelen.

Toepassingen

In de bedekte teelt van groene potplanten, ter bestrijding van wolluis (Pseudococcidae), schildluis (o.a. Aspidiotus nerii) en dopluis (o.a. Coccus hesperidum en Saissetia coffeae). Zodra aantasting wordt waargenomen een gewasbehandeling uitvoeren. Zonodig de behandeling maximaal 1 maar herhalen met een interval van 10–14 dagen.

Dosering: 0,2% (200 ml middel per 100 liter water).

N.B. Veiligheid voor het gewas: op een groot aantal soorten en variëteiten is het middel toegepast zonder dat beschadiging van het gewas optrad, met uitzondering van een aantal gevallen in de teelt van rozen, Euphorbia (syn. Poinsettia, kerstster) en Adiantum (venushaar). Bij twijfel over fytotoxiciteit wordt aangeraden een proefbespuiting uit te voeren.

II. B. Knelpunt breedbladige onkruiden in de teelt van chichorei en witlofpennen

Merknaam: Safari

Gehalte werkzame stof: 50% triflusulfuron-methyl

Toelatingsnummer: 11754 N

Toelatingshouder: Dupont de Nemours (Nederland) B.V.

Knelpunt: Witlof en cichorei – Onkruiden

Gebruiksvoorschriften

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als onkruidbestrijdingsmiddel in de pennenteelt en zaadteelt van witlof en cichorei, met maximaal 60 gram middel per ha per teelt of teeltseizoen.

Het volgende moet in acht worden genomen:

• Buiten bereik van kinderen bewaren.

• Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder.

• Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik.

Gebruiksaanwijzing

Algemeen

Safari is een systemisch bladherbicide ter bestrijding van tweezaadlobbige onkruiden na opkomst van het gewas. Het middel wordt hoofdzakelijk via het blad opgenomen, maar ook gedeeltelijk via de wortels. Het middel wordt vervolgens getransporteerd naar de groeipunten. De groei van de onkruiden wordt snel gestopt, maar de snelheid van afsterven is afhankelijk van de soort, leeftijd en groeiomstandigheden en kan enkele weken duren. De soorten vogelmuur, varkensgras, melganzevoet en zwaluwtong zijn minder gevoelig.

Het middel bij voorkeur spuiten bij groeizaam weer. Niet toepassen wanneer grote schommelingen tussen dag- en nachttemperatuur (b.v. nachtvorst) worden verwacht of wanneer temperaturen hoger dan 25 °C worden verwacht.

Het middel niet toepassen als het gewas beschadigd is door b.v. bladluizen of hagel.

Na toepassing is een droge periode van 4 uur noodzakelijk, zodat het middel goed door het onkruid kan worden opgenomen.

Hoeveelheid spuitvloeistof 150–400 l/ha.

Opmerkingen

Onder stresscondities kunnen enkele dagen na toepassing gele vlekjes op het blad verschijnen die echter weer snel verdwijnen.

De toepassing van Safari in de juiste periode heeft geen invloed op een volggewas in en normale rotatie. Desalniettemin wordt, bij gebrek aan informatie, het afgeraden bloemen, sierplanten, heesters of boomkwekerijgewassen te planten na witlof of cichorei behandeld met Safari in een periode van 12 maanden na toepassing.

Attentie

Direct na de behandeling dient de apparatuur uiterst zorgvuldig te worden schoongemaakt met ammonia of chloorbleekloog, daar een residu van het middel aan veel gewassen grote schade kan veroorzaken.

Toepassingen

Pennenteelt en zaadteelt van witlof en cichorei, steeds toepassen op zeer jonge onkruiden, kiemblad- tot 2 bladstadium.

Om een goede werking te verkrijgen dient het middel herhaaldelijk te worden toegepast op zeer jonge onkruiden (bij voorkeur in het kiemlobstadium). De eerste behandeling niet eerder uitvoeren dan wanneer 70% van de planten opgekomen is. Vervolgbespuitingen uitvoeren bij nieuwe opkomst van onkruiden.

Na behandeling kan 1–2 weken groeivertraging optreden. In proeven heeft dit nooit tot duidelijke invloed gehad op de opbrengst of kwaliteit van het gewas. Vervolgbespuitingen dienen bij voorkeur te worden uitgesteld wanneer het gewas nog een reactie laat zien van de eerdere bespuiting(en).

Overlap voorkomen omdat dit bij ongunstige omstandigheden opbrengstderving kan veroorzaken.

Om het werkingsspectrum te verbreden kan Safari worden gemengd met andere in de teelt toegelaten herbiciden.

Dosering: Maximaal 30 gram middel per toepassing, in totaal mag maximaal 60 gram middel per ha per teelt of teeltseizoen worden toegepast.

Gewasmislukking

In geval van mislukking van het gewas, kunnen alleen bieten, zomergerst en olievlas worden geteeld. Indien een kerende grondbewerking wordt uitgevoerd kan ook maïs worden geteeld.

Gereedmaken spuitvloeistof

Eerst de tank voor de helft vullen met water, vervolgens onder voortdurend roeren het middel toevoegen en de tank verder met water vullen. Ook tijdens het spuiten dient de spuitvloeistof in beweging te worden gehouden.

Deel III. Administratieve voorschriften, bedoeld in artikel 5, tweede lid

1. Fabrikanten, importeurs en handelaren houden in een daartoe bestemd register met betrekking tot de door hen in voorraad gehouden, ontvangen of afgeleverde hoeveelheden van de in deel I van deze bijlage vermelde gewasbeschermingsmiddelen op overzichtelijke wijze en naar waarheid de volgende gegevens bij:

a. de naam, zoals die op de verpakking is vermeld, en het nummer van het middel, zoals voor dat middel aangegeven in deel I van deze bijlage;

b. de voorraad op de datum waarop dit besluit in werking treedt;

c. de geleverde hoeveelheid per levering, met vermelding van de datum van de levering;

d. de afgenomen hoeveelheid voorraad, niet zijnde de geleverde hoeveelheid, met vermelding van de datum waarop die afname heeft plaatsgevonden;

e. de van leveranciers ontvangen hoeveelheid per aflevering, met vermelding van de datum waarop de aflevering heeft plaatsgevonden;

f. de toegenomen hoeveelheid voorraad, met vermelding van de datum waarop de toename heeft plaatsgevonden;

g. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier, onderscheidenlijk afnemer, van het gewasbeschermingsmiddel;

h. de voorraad op de datum met ingang waarvan dit besluit vervalt.

2. De in punt 1 bedoelde gegevens, met uitzondering van de in punt 1, onder b, bedoelde gegevens, worden in het register opgenomen binnen 3 dagen nadat de voorraadmutatie heeft plaatsgevonden of het gewasbeschermingsmiddel is ontvangen of geleverd. Het in punt 1, onder b, bedoelde gegeven wordt binnen één maand na de aldaar aangegeven datum in het register opgenomen.

3. De betrokken fabrikanten, importeurs en handelaren bewaren alle desbetreffende aantekeningen en bescheiden, waaronder mede begrepen nota’s, brieven en andere bewijsstukken, boeken, registers of andere hulpmiddelen waarin die gegevens zijn vastgelegd, op overzichtelijke wijze gedurende zeven kalenderjaren gerekend vanaf het tijdstip van hun opstelling of verkrijging.

4. De betrokken fabrikanten, importeurs en handelaren die tevens toelatinghouders zijn, verstrekken aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit binnen drie maanden na afloop van de periode van vrijstelling van een gewasbeschermingsmiddel door middel van het formulier dat is vastgesteld in de bijlage bij de Regeling administratievoorschriften gewasbeschermingsmiddelen 2001:

a. per geleverd gewasbeschermingsmiddel dat voor gebruik in Nederland bestemd is, de naam, het toelatingsnummer en de geleverde hoeveelheid in kilogrammen of liters;

b. per hoeveelheid geleverd gewasbeschermingsmiddel, de hoeveelheid werkzame stof, gespecificeerd naar werkzame stof in kilogrammen.

5. Het in punt 4 bepaalde is niet van toepassing op fabrikanten, importeurs en handelaren indien binnen de gestelde termijn de gegevens over de door hen afgeleverde hoeveelheid werkzame stoffen, gespecificeerd naar werkzame stof, door de Nederlandse Stichting voor Fytofarmacie, Nefyto, onderscheidenlijk de vereniging Agrodis aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit worden verstrekt.

Toelichting

Artikel 16aa van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: de wet) is een uitwerking van artikel 8, tweede lid, van de Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van de Europese Unie van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230) (hierna: de richtlijn). Op grond van artikel 16aa van de wet kan vrijstelling worden verkregen voor de toepassing van een gewasbeschermingsmiddel dat niet is toegelaten.

De Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde in haar uitspraak van 21 januari 2004, no. AWB 03/1492, dat een besluit, dat vrijstellingen bevat op grond van artikel 16aa van de wet, gekwalificeerd moet worden als een bundel van besluiten, die voor bezwaar en beroep vatbaar zijn. Gezien de uit voornoemde uitspraak volgende toepasselijkheid van de Algemene wet bestuursrecht is besloten vrijstellingen op aanvraag te verlenen.

Aanleiding voor het onderhavige besluit

LTO-Nederland en het Hoofdproductschap Akkerbouw hebben vier aanvragen ingediend tot vrijstelling op grond van artikel 16aa van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 voor de toepassing van niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Op grond van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht is de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gehouden binnen een redelijke termijn op voornoemde aanvragen te beslissen.

Algemene werkwijze voor vrijstellingen op grond van artikel 16aa van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962

LTO-Nederland heeft in 2003 gesignaleerd dat naar haar opvatting in een 200-tal mogelijke combinaties van plagen of ziektes in een teelt geen bestrijdingsmiddel voor handen is (potentiële knelpunten). Vervolgens is ten behoeve van besluitvorming over deze knelpunten aan de Plantenziektenkundige Dienst advies gevraagd. Zij heeft in haar advies van 8 december 2003 geconcludeerd dat slechts 90 knelpunten voor een eventuele vrijstelling in aanmerking komen. Bij dit advies zijn de beginselen van geïntegreerde teelt uitgangspunt geweest.

Het advies van de Plantenziektenkundige Dienst van 8 december 2003 is de basis voor adviezen van TNO en NOTOX, onder coördinatie van het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen. Zij zullen bij iedere aanvraag adviseren over de vraag of de voor het knelpunt beoogde gewasbeschermingsmiddelen voldoen aan eisen inzake arbeidsbescherming, volksgezondheid en milieu.

Vervolgens zal de Plantenziektenkundige Dienst op basis van de concrete aanvraag beoordelen of het beoogde gewasbeschermingsmiddel, gelet op de voorliggende adviezen en de aanvraag, het gestelde probleem op een aanvaardbare manier ondervangt. Indien het beoogde gewasbeschermingsmiddel niet, slechts marginaal of op een onaanvaardbare wijze het gestelde probleem ondervangt, kan geen vrijstelling worden verleend.

Opbouw van het onderhavige besluit

Dit besluit bestaat uit een aantal artikelen en twee bijlagen. In de bijlagen staat vermeld welke gewasbeschermingsmiddelen voor welk knelpunt zijn vrijgesteld. Voorzover in 2004 nieuwe aanvragen tot vrijstelling zijn of worden ingediend, worden de bijlagen met nieuwe vrijstellingen aangevuld. Dit bevordert de inzichtelijkheid van de beschikbare vrijstellingen.

Toetsing van de vier ingediende aanvragen aan artikel 16aa van de wet

Ten aanzien van de onderliggende aanvragen geldt dat de werkzame stof van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen vóór 26 juli 1993 op de Europese markt is gekomen en is opgenomen in een werkprogramma van de Commissie der Europese Gemeenschappen voor onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de richtlijn. Over de betrokken werkzame stoffen is nog geen communautair besluit genomen. Hiermee wordt derhalve voldaan aan het bepaalde in artikel 16aa, eerste lid, onderdelen a, b, en c van de wet.

Uit het advies van de Plantenziektenkundige Dienst van 8 december 2003 blijkt dat er sprake is van knelpunten in de bestrijding van een ziekte of plaag die niet volgens de methodiek van geïntegreerde teelt bestreden kunnen worden. Daarmee is aangetoond dat het belang van de landbouw de inzet van een gewasbeschermingsmiddel dringend vereist als bedoeld in het eerste lid, aanhef, van artikel 16aa van de wet. Bovendien blijkt uit de adviezen van TNO en NOTOX, gecoördineerd door het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, dat toepassing van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen onder te stellen voorschriften geen onaanvaardbare gevolgen voor arbeidsveiligheid, volksgezondheid of milieu hebben.

Er zijn gelet op het bepaalde in artikel 16aa van de wet dan ook geen beletselen voor de betrokken gewasbeschermingsmiddelen vrijstelling te verlenen van de verboden genoemd in de artikelen 2 en 10 van de wet ten behoeve van de bestrijding van een in de aanvraag genoemde ziekte of plaag in de daarbij genoemde teelt voor een in de vrijstelling genoemde periode.

Vervolgprocedure

Het onderhavige besluit is ter voldoening aan het bepaalde in de artikelen 4:8 en 4:11, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht ter indiening van een zienswijze toegezonden aan de Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie en de Stichting Natuur en Milieu. De zienswijze van deze organisaties met betrekking tot de verhouding tussen artikel 16aa Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en de richtlijn is daarbij als bekend verondersteld.

Deze zienswijze is weerlegd in de beslissing op bezwaar bij het besluit ‘Vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen eerste kwartaal 2004’. De motivering van die beslissing op bezwaar maakt voor het onderhavige besluit met betrekking tot de verhouding tussen de richtlijn en artikel 16aa van de wet onderdeel uit van deze toelichting en wordt bij de ter inzage liggende stukken gevoegd.

Een belanghebbende kan, binnen zes weken na de in artikel 7 bedoelde datum, tegen dit besluit of een onderdeel daarvan een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Afdeling Rechtsbescherming, Postbus 20401, 2500 EK Den Haag.

De stukken, die ten grondslag liggen aan dit besluit, liggen ter inzage bij de Centrale Bibliotheek van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Bezuidenhoutseweg 73, 2594 AC Den Haag en de Plantenziektenkundige Dienst, Geertjesweg 15, 6706 EA Wageningen.

Voorts is informatie verkrijgbaar bij de regiodirecties van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de regionale vestigingen van de Plantenziektenkundige Dienst.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

voor deze:

de Directeur-Generaal,,

A. Oostra

Naar boven