Mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat maakt de Staatssecretaris
van Defensie het volgende bekend.
Tegen het besluit van de Staatssecretaris van Defensie en de Staatssecretaris
van Verkeer en Waterstaat d.d. 10 en 14 november 2003, nr. MG2003002065, zijn
11 bezwaren ingediend. Het besluit houdt in een aanpassing van het aantal
civiele commerciële vliegtuigbewegingen tot het maximum van 20.000 civiele
vliegtuigbewegingen. Tevens is aan het van oorsprong onbeperkte gebruik van
het luchtvaartterrein door vastevleugeltoestellen lichter dan 6.000 kg, een
grens gesteld van maximaal 5.000 bewegingen per jaar. Aanvrager van de aanpassing
is Den Helder Airport C.V.
De bevoegdheid het bestreden besluit te nemen berust op de aan de staatssecretarissen
toegekende bevoegdheden in het kader van de verdeling van de portefeuilles
van deze bewindslieden. De Staatssecretaris van Defensie is onder meer belast
met de verantwoordelijkheid voor nationale bestuurlijke aangelegenheden. Het
gaat hier om een besluit dat betrekking heeft op een nationale bestuurlijke
aangelegenheid. De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat is belast met
de behandeling van de aangelegenheden betreffende de luchtvaart.
Verder is van belang dat de Luchtvaartwet er niet in de weg staat dat
het besluit geldt voor de jaren 2003 en verder.
De staatssecretarissen hebben laten onderzoeken of de toename van het
aantal vliegtuigbewegingen van civiele helikopters mogelijk significante effecten
heeft op (wad)vogels en zeehonden rond het Balgzand. De reguliere helikoptervluchten
en een uitbreiding van het aantal vliegtuigbewegingen blijken geen significante
effecten te hebben op de gunstige staat van instandhouding van de betreffende
soorten. De effecten van trainings-, proefvluchten en vluchten met vastevleugelvliegtuigen
zijn niet uitdrukkelijk vooraf onderzocht. De effecten van trainingsvluchten
zijn in februari 2004 onderzocht. Hieruit is naar voren gekomen dat er geen
significante effecten zijn. Het onderzoek naar de effecten van proefvluchten,
die beperkt in omvang zijn, en vluchten met vastevleugelvliegtuigen, is in
gang gezet. Voor proefvluchten en voor vluchten met vastevleugelvliegtuigen
geldt dat dezelfde routes en circuits worden gevolgd die gelden voor de reguliere
vluchten met helikopters en dat dezelfde hoogte in acht wordt genomen. De
staatssecretarissen concluderen dat geen sprake is van redelijke twijfel aan
de afwezigheid van significante gevolgen.
De begrenzing van de toename van de geluidsoverlast wordt gevormd door
de vastgestelde geluidszone, die niet mag worden overschreden. Uit berekeningen
is gebleken dat de geluidszone niet wordt overschreden.
De noodzaak tot uitbreiding is in voldoende mate aangetoond. Aan de bestaande
platforms moet namelijk onderhoud worden verricht en bovendien zijn nieuwe
gasvelden ontdekt.
Naar de externe veiligheid op en rond De Kooy is eveneens onderzoek verricht,
ook al bestond hiertoe geen wettelijke noodzaak. Door de toename van het aantal
civiele vliegtuigbewegingen neemt ook het zogenaamde totale risicogewicht
toe. Omdat bij het onderzoek een aantal kanttekeningen kan worden geplaatst,
en omdat zoveel mogelijk wordt vermeden dat over bebouwing wordt gevlogen,
kan de uitkomst van het onderzoek niet betekenen dat de ontheffing niet kan
worden verleend.
Het rijksbeleid voor het burgermedegebruik van militaire luchtvaartterreinen
ligt vast in onder meer het Structuurschema Militaire Terreinen, de nota Regionale-luchthavenstrategie
en de Hoofdlijnennotitie Structuurschema Regionale en Kleine luchthavens.
Aan het Structuurschema Groene Ruimte, het provinciaal beleid ter zake van
de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur, de nota `Natuur voor mensen,
mensen voor natuur' en de tweede nota Planologische Kernbeslissing Waddenzee,
behoefde de aanvraag niet te worden getoetst.
De staatssecretarissen hebben 2 bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard.
Het besluit is niet in alle opzichten zorgvuldig voorbereid voor zover het
gaat om het onderzoek naar de effecten op (wad)vogels en zeehonden, alsmede
voor zover het gaat om artikel 4 van het besluit, waarin onder meer is bepaald
dat gezagvoerders zich aan gestelde minima dienen te houden. De overige bezwaren
zijn ongegrond. Vijf bezwaren zijn kennelijk niet-ontvankelijk verklaard,
omdat geen sprake is van belangen die voldoende onderscheidend zijn ten opzichte
van belangen van derden of van een mate van betrokkenheid, die uitstijgt boven
de betrokkenheid van anderen die ten opzichte van de verleende ontheffing
een vergelijkbare positie innemen.
Het besluit is op enkele punten gewijzigd. De motivering omtrent het onderzoek
naar de effecten op (wad)vogels en zeehonden is aangevuld. Daarnaast is in
artikel 4, na sub d, de volgende bepaling ingevoegd: `e. het bepaalde onder
a tot en met d geldt niet voor reddingsoperaties met helikopters'. In artikel
4 sub d zijn verder de woorden `Minister van Verkeer en Waterstaat' vervangen
door `bevoegde luchtvaartautoriteiten'. Tot slot is de term `NATO CAT H 6',
als opgenomen in artikel 5, sub 1, vervangen door de term `NATO CAT 6'.
De beslissingen op bezwaar liggen vanaf 1 april 2004 ter inzage bij het
Defensievoorlichtingscentrum te 's-Gravenhage, het gemeentehuis van de gemeente
Den Helder, het gemeentehuis van de gemeente Texel en het gemeentehuis van
de gemeente Anna Paulowna.
Belanghebbenden kunnen binnen zes weken na 31 maart 2004 beroep instellen
bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift
zijn woonplaats in Nederland heeft.