Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatscourant 2004, 60 pagina 24 | Onteigeningen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatscourant 2004, 60 pagina 24 | Onteigeningen |
Percelen begrepen in het bestemmingsplan `Waterrijk'
Besluit van 8 maart 2004, no. 04.000927 tot goedkeuring van het besluit van de raad van Boskoop van 26 juni 2003, no. 03/17, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 januari 2004, no. MJZ 2004001604, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.
Gelezen de brief van burgemeester en wethouders van Boskoop van 17 juli 2003, kenmerk 0302255.
Gelet op Titel IV van de onteigeningswet en Titel 10.2 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad van State gehoord (advies van 12 februari 2004, no. W08.03.0043/V).
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 1 maart 2004, no. MJZ 200415939, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.
Beschikken bij dit besluit over de goedkeuring van het besluit van de raad van Boskoop van 26 juni 2003, no. 03/17, tot onteigening ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder 1°, van de onteigeningswet, ten name van die gemeente, van de bij dat besluit aangewezen percelen kadastraal bekend gemeente Boskoop, sectie D, nos. 1724 (ged.) en 3309 (ged.).
Ingevolge voornoemd artikel 77 van de onteigeningswet kan, zonder voorafgaande verklaring bij de wet dat het algemeen nut onteigening vordert, onteigening plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan. De ter onteigening aangewezen perceelsgedeelten zijn begrepen in het onherroepelijk goedgekeurde bestemmingsplan `Waterrijk' van de gemeente Boskoop. Blijkens het raadsbesluit tot onteigening wenst de gemeente Boskoop de daarin bedoelde gronden in eigendom te verkrijgen ter uitvoering van evengenoemd bestemmingsplan.
De in het onteigeningsplan begrepen gronden zijn in het bestemmingsplan `Waterrijk' aangewezen voor `Woongebied (W)', zijnde een bestemming, welke door burgemeester en wethouders van Boskoop niet nader overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening behoeft te worden uitgewerkt. De door de gemeente Boskoop ter plaatse voorgestane wijze van planuitvoering, zo heeft het ter zake ingestelde onderzoek uitgewezen, behelst de (verdere) realisering van een ontsluitingsweg, genaamd de Boomgaard. In de wijze van planuitvoering is onder meer inzicht verschaft door middel van overlegging van de bij voornoemd bestemmingsplan behorende voorschriften met de daarin opgenomen beschrijving in hoofdlijnen en toelichting met de daarin opgenomen kaarten. Voorts is overgelegd het inrichtingsplan Boomgaard. Laatstgenoemd plan, gedateerd 17 april 2003, heeft met de overige onteigeningsstukken mede ter inzage gelegen bij de tervisielegging, bedoeld in artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 80, tweede lid, van de onteigeningswet.
Het raadsbesluit tot onteigening heeft overeenkomstig artikel 84, eerste lid, van de onteigeningswet met ingang van 17 juli 2003 gedurende vier weken voor een ieder ter inzage gelegen op de secretarie van de gemeente Boskoop. Binnen deze termijn zijn tegen het raadsbesluit bij Ons schriftelijk bedenkingen naar voren gebracht door:
a. ir A.M. Morée te Boskoop,
b. de Belangenvereniging Boskoopse Gronden te Boskoop,
c. de Kring Boskoop te Boskoop en
d. mr J. Kooistra MRE te Overveen namens D. van Gemeren te Boskoop en de vennootschap onder firma V.O.F. J. Spaargaren en Zonen te Boskoop.
Aan artikel 86, tweede lid, van de onteigeningswet, inhoudende dat degenen, die tijdig ingevolge het derde lid van artikel 84 van die wet bedenkingen naar voren hebben gebracht, door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid worden gesteld zich te doen horen, is voldaan.
Overwegingen ten aanzien van de naar voren gebrachte bedenkingen
De totstandkoming van de door Ons - op grond van artikel 79 van de onteigeningswet - te nemen beslissing omtrent goedkeuring van een raadsbesluit tot onteigening is omgeven met wettelijke waarborgen voor een zorgvuldige belangenafweging onder meer in de vorm van een bezwarenprocedure. Deze procedure is onder andere geregeld in de artikelen 80, 84 en 85 van de onteigeningswet. Zo is in artikel 84, derde lid, van de onteigeningswet bepaald, dat belanghebbenden, die tijdig hun zienswijze bij het gemeentebestuur naar voren hebben gebracht, gedurende de in het eerste lid van artikel 84 genoemde termijn schriftelijk bij Ons bedenkingen naar voren kunnen brengen tegen een raadsbesluit als het onderwerpelijke.
Voorts is in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald, dat onder belanghebbende moet worden verstaan, degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In dit verband overwegen Wij verder, dat in het kader van de onteigeningswet onder belanghebbende moet worden verstaan, degene, die zakelijke of persoonlijke rechten op de in het onteigeningsplan begrepen grond(en) kan doen gelden dan wel uit anderen hoofde door het onteigeningsplan als zodanig in zijn belang wordt getroffen.
Uit de overgelegde stukken is gebleken dat het onderhavige onteigeningsplan overeenkomstig artikel 80, eerste lid, van de onteigeningswet in samenhang met de artikelen 3:11, 3:12 en 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 6 maart 2003 gedurende een termijn van vier weken op de secretarie van de gemeente Boskoop ter visie heeft gelegen. Binnen deze termijn konden schriftelijk of mondeling zienswijzen omtrent de onteigening bij het gemeentebestuur naar voren worden gebracht. Niet is gesteld noch is gebleken dat de reclamant onder a. gedurende de in artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn mondeling en/of schriftelijk zijn zienswijzen bij het gemeentebestuur naar voren heeft gebracht. Deze reclamant kan dan ook reeds hierom krachtens voornoemd artikel 84, derde lid, niet in zijn bij Ons naar voren gebrachte bedenkingen worden ontvangen.
Voorts is niet gesteld noch is gebleken, dat de reclamanten onder b. en onder c. zakelijke of persoonlijke rechten op de in het onteigeningsplan begrepen gronden kunnen doen gelden. Deze reclamanten gaan er naar Ons oordeel ten onrechte vanuit, dat ook zij, die door de uitvoering van een bestemmingsplan, waarop een onteigeningsplan betrekking heeft, als zodanig in hun belang worden getroffen, als belanghebbenden in het kader van de onteigeningswet kunnen worden aangemerkt. In dit verband merken Wij op, dat alleen zij, die door het onteigeningsplan als zodanig in hun belang worden getroffen, als belanghebbenden in het kader van de onteigeningswet kunnen worden aangemerkt. Nu niet is gebleken, dat genoemde reclamanten onder b. en onder c. door het onteigeningsplan als zodanig in hun belang worden getroffen, kunnen zij niet als belanghebbenden in de zin van artikel 84, derde lid, van de onteigeningswet in samenhang met artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden aangemerkt, zodat zij niet in hun bij Ons naar voren gebrachte bedenkingen kunnen worden ontvangen.
In dit verband overwegen Wij voorts, dat in het kader van de door Ons te nemen beslissing omtrent goedkeuring van een raadsbesluit tot onteigening overigens ook een ambtshalve toetsing plaatsvindt.
De reclamanten onder d., rechthebbenden op de ter onteigening aangewezen perceelsgedeelten, merken op, dat naar hun oordeel aan het onteigeningsbesluit met de daarbij bijbehorende bijlagen een aantal formele bezwaren kleven. In dit verband wordt onder meer gesteld, dat de bij het raadsbesluit behorende en ter visie gelegde grondtekeningen en de kadastrale uittreksels niet overeenkomstig de eisen gewaarmerkt zijn door de Bewaarder van het Kadaster. Voorts ontbreken op de grondtekeningen aanpijlingen en zijn daarop de voorletters van een van de eigenaren gewijzigd. De lijst met de ter onteigening aangewezen percelen en de desbetreffende grondtekeningen zijn door verwisseling van het grondplannummer volkomen met elkaar in strijd. Bovendien zijn er onjuiste omschrijvingen op de lijst, zoals vermelding van groepsleden in plaats van firmanten van de Vennootschap onder firma V.O.F. J. Spaargaren en Zonen. Tenslotte zijn volgens de reclamanten, bij de ondertekening en tervisielegging van het raadsbesluit een aantal administratieve onvolkomenheden opgetreden.
Ten aanzien van vorenaangehaalde bedenkingen overwegen Wij vooreerst, dat in artikel 80, tweede lid, van de onteigeningswet is aangegeven welke stukken met het oog op de toepassing van artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage dienen te worden gelegd. Zo is daarin onder meer bepaald, dat ter inzage gelegd dient te worden een grondtekening waarop de te onteigenen onroerende zaken met vermelding van hun kadastrale aanduiding zijn aangewezen. Verder is bepaald, dat bovendien ter inzage gelegd dient te worden een lijst van de te onteigenen onroerende zaken aangeduid met hun kadastrale aanduiding met vermelding van de grootte volgens de kadastrale registratie van elk van de desbetreffende percelen en indien een te onteigenen onroerende zaak een gedeelte van het preceel uitmaakt, bovendien de grootte van dat gedeelte, en de namen van de eigenaars van elk van die zaken volgens de kadastrale registratie. In artikel 83 van de onteigeningswet staat verder vermeld, dat indien de raad tot onteigening besluit de te onteigenen onroerende zaken worden aangewezen door aanhaling van de in artikel 80 bedoelde grondtekeningen.
Bij het onderzoek is gebleken, dat vorenbedoelde stukken daadwerkelijk ter inzage zijn gelegd. Op de grondtekeningen zijn de te onteigenen perceelsgedeelten door middel van een arcering aangegeven. Voorts hebben de te onteigenen perceelsgedeelten een in een cirkel geplaatst volgnummer gekregen. Zoals de reclamanten terecht stellen is op een van de grondtekeningen, welke ingevolge artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage heeft gelegen, de voorletters van een van de eigenaren onjuist weergegeven en zijn op die grondtekeningen de grondplannummers 1 en 3 abusievelijk verwisseld. Op de lijst en in het raadsbesluit zelf is de tenaamstelling van de te onteigenen gronden correct aangegeven. Door deze samenhang is naar Ons oordeel voldoende duidelijkheid verschaft omtrent de te onteigenen perceelsgedeelten, zodat omtrent een en ander geen misverstand kan bestaan. Niet vereist is dat alle grondtekeningen door het kadaster worden gewaarmerkt, noch dat reclamanten afzonderlijk van de plannen van de gemeente in kennis worden gesteld. De wettelijke publicatie heeft naar Ons oordeel op correcte wijze plaatsgevonden.
De reclamanten hebben zich wellicht bij deze formele bedenkingen laten leiden door de leidraad van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Deze leidraad heeft betrekking op onteigeningen ex Titel II, Titel IIA en Titel IIC van de onteigeningswet en is in casu niet van toepassing. Niet is gebleken dat de raad heeft gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, met het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht of anderszins niet heeft voldaan aan de wettelijke vereisten.
De reclamanten merken voorts op, dat in de bij het onteigeningsplan behorende zakelijke beschrijving melding wordt gemaakt van een inrichtingsplan. Dit inrichtingsplan lag als onderdeel van het uitwerkingsplan ten onrechte niet bij de tervisielegging, zoals bedoeld in artikel 84 van de onteigeningswet, en behoorde derhalve volkomen ten onrechte niet de raadsstukken. Evenmin waren daarbij lengte- en dwarsprofielen gevoegd. Zonder deze gegevens is er naar de mening van de reclamanten geen sprake van een echte uitwerking.
Ten aanzien van deze bedenkingen van de reclamanten merken Wij op, dat het voorliggende onteigeningsplan gestoeld is op een globaal bestemmingsplan ten aanzien waarvan in de bij dat plan behorende voorschriften voor de geprojecteerde bestemmingen geen uitwerkingsverplichting als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is opgenomen. Op basis van een globaal bestemmingsplan, dat niet nader overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening behoeft te worden uitgewerkt, kan naar Ons oordeel in beginsel onteigend worden, mits er voldoende inzicht wordt verschaft in de door de gemeente ter plaatse voorgestane wijze van planuitvoering. Aangezien onteigening een zo zware ingreep is, dat deze een uiterste middel moet blijven, zal een deugdelijke grondslag aanwezig moeten zijn. Deze grondslag is niet aanwezig als het bestemmingsplan met toelichting dermate vaag is dat daaraan niet kan worden ontleend waarop uitvoering van het plan in feite zal neerkomen. In een onteigeningsprocedure moet kunnen worden beoordeeld of de onteigening in haar voorgestelde omvang noodzakelijk is. Om zowel de grondeigenaren als de Kroon een duidelijk beeld te verschaffen in de planuitvoeringsvorm die de gemeenteraad in het publiek belang het meest gewenst acht, moet de gemeentelijke beleidsvisie daarover duidelijk kenbaar zijn gemaakt. Deze beleidsvisie kan worden verwoord in de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften met de daarin opgenomen beschrijving in hoofdlijnen, in de bijbehorende plantoelichting of op andere wijze bij afzonderlijk raadsbesluit. In voorkomende gevallen kan tevens worden teruggevallen op een inrichtings-/verkavelingsplan dan wel bij grotere projecten op een masterplan. Bij een globaal bestemmingsplan, dat wel nader overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening behoeft te worden uitgewerkt, kan de benodigde duidelijkheid overigens worden geboden door middel van een (ontwerp) uitwerkingsplan.
Het onderwerpelijke perceel van de reclamanten is, zoals hiervoor is overwogen, ingevolge voornoemd bestemmingsplan `Waterrijk' aangewezen voor `Woongebied (W)'. Deze bestemming behoeft, zoals hiervoor eveneens reeds is overwogen, door burgemeester en wethouders van Boskoop niet nader overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te worden uitgewerkt. In de door de gemeente ter plaatse voorgestane wijze van planuitvoering is in eerste instantie (globaal) inzicht verschaft door de bij voornoemde bestemmingsplan behorende kaarten, de toelichting met daarin opgenomen kaarten en de voorschriften met de daarin opgenomen beschrijving in hoofdlijnen en in tweede instantie (nader concreet) inzicht verschaft door overlegging van het hierbovengenoemde inrichtingsplan. Dit plan, dat met de overige onteigeningsstukken mede ter inzage gelegen bij de tervisielegging, bedoeld in artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 80, tweede lid, van de onteigeningswet, verschaft naar Ons oordeel voldoende inzicht in de wijze van planuitvoering zoals die de gemeente voor ogen staat. De zakelijke beschrijving verwoordt deze.
De reclamanten achten het voorts onrechtmatig dat de gemeente een willekeurige hoeveelheid stukken voor de tweede tervisielegging doet neerleggen en niet die stukken die een rol (horen te) spelen bij het onteigeningsbesluit. Hierdoor worden belanghebbenden voor wat informatie betreft in een achterstandspositie geplaatst.
Te dien aanzien overwegen Wij, dat ingevolge artikel 84 van de onteigeningswet het raadsbesluit tot onteigening, dan wel een afschrift of afdruk daarvan, voor een ieder wordt nedergelegd op de secretarie van de gemeente. De gemeente heeft in dezen voldaan aan het bepaalde in de onteigeningswet. Van het plaatsen van de reclamanten in een achterstandspositie in welke vorm ook, is naar Ons oordeel geen sprake geweest.
De reclamanten stellen tenslotte, dat de raad van Boskoop zich bij de vaststelling van het ter uitvoering staande bestemmingsplan verbonden heeft desgewenst uitsluitend hele bedrijven aan te kopen zodat er geen onbruikbare restkwekerijen overblijven. Tevens zou er met de kwekers veel en goed overleg worden gepleegd. Tot op heden heeft volgens de reclamanten op geen enkele wijze, blijkende uit de uitgebrachte biedingen, overleg plaatsgevonden. Verder is er volgens hen niet onderhandeld overeenkomstig artikel 17 van de onteigeningswet. Voorts beklagen zij zich erover dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan beloften in de richting van de burgers zijn gedaan waaraan de gemeente zich niet houdt.
Ten aanzien van het gestelde met betrekking tot het beweerdelijk gevoerde minnelijk overleg overwegen Wij vooreerst, dat het wettelijke vereiste van artikel 17 van de onteigeningswet, inhoudende dat de onteigenende partij hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst tracht te verkrijgen, betrekking heeft op de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure. Hoewel de onteigeningswet dan ook zelf het minnelijk overleg eerst vóór de aanvang van de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure verlangt, is dit in de administratieve fase van de onteigeningsprocedure niettemin één der elementen, waaraan door Ons zo nodig wordt getoetst om de noodzaak van onteigening vast te stellen. Gelet op het karakter van onteigening als ultimum remedium, zijn Wij van oordeel dat ten opzichte van de burger eerst van dit middel - door het opstarten van de administratieve fase - mag worden gebruikgemaakt, indien langs minnelijke weg redelijkerwijs niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming is te komen. Aan deze eis is naar Ons oordeel - in het kader van onteigeningen bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet - in het algemeen genoegzaam voldaan, indien voor de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan een aanvang met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving is gemaakt en ten tijde van het nemen van het raadsbesluit tot onteigening voldoende aannemelijk is dat die onderhandelingen vooralsnog niet tot het gewenste resultaat zullen leiden. Voorts zijn Wij van oordeel, dat het wel wenselijk doch niet strikt noodzakelijk is, dat ten tijde van het nemen van het raadsbesluit tot onteigening reeds een formeel bod is uitgebracht. Voldoende is dat sprake is geweest van een redelijke doch vruchteloos gebleken poging om hetgeen onteigend moet worden langs minnelijke weg te verwerven.
Bij de onderhandelingen dienaangaande kan, ook zonder dat een formeel bod is uitgebracht, genoegzaam komen vast te staan dat minnelijke verwerving vooralsnog niet tot de mogelijkheden behoort. Alsdan kan een gemeente - teneinde op een redelijk tijdstip tot uitvoering van het desbetreffende bestemmingsplan te kunnen overgaan - in beginsel tot onteigening besluiten. Het zou te ver gaan de eis te stellen, dat partijen reeds ten tijde van de tervisielegging van het onteigeningsplan in eerste instantie moeten zijn `uitonderhandeld'. Wij zijn van mening, dat, zoals hiervoor beschreven, het voldoende is als op dit tijdstip met de onderhandelingen een aanvang is gemaakt en in de periode tot het nemen van het raadsbesluit tot onteigening genoegzaam is komen vast te staan, dat deze onderhandelingen niet tot het gewenste resultaat zullen leiden. Er is dus sprake van een tweevoudige verplichting tot onderhandelen van de partij, die tot onteigening wenst over te gaan: vooreerst in het stadium van de administratieve fase van de onteigeningsprocedure en wel voor de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan en vóórdat een raadsbesluit tot onteigening wordt genomen en vervolgens, na het nemen van het Koninklijk besluit, en vóórdat tot dagvaarding, als bedoeld in artikel 18 van de onteigeningswet, wordt overgegaan, zijnde het tijdstip waarop de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure aanvangt.
Voorts overwegen Wij in het bijzonder, dat in het kader van het onderzoek van de zijde van de gemeente is gesteld, dat het inderdaad de bedoeling is, waar mogelijk, bedrijven in hun geheel aan te kopen, maar dat het de gemeente ontbreekt aan compenserende gronden voor met name de grotere bedrijven, zoals het bedrijf van de reclamante V.O.F. J. Spaargaren en Zonen. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is er naar Ons oordeel in deze zin dan ook geen sprake van enige toezegging geweest, maar slechts van een inspanningsverplichting. Voorts heeft het onderzoek uitgewezen, dat sedert 1999 de gemeente pogingen heeft ondernomen de benodigde grond voor de aanleg van de Boomgaard in der minne te verwerven.
Deze pogingen met de daarbij behorende biedingen hebben ten aanzien van de gronden van de reclamanten evenwel (nog) niet tot resultaat geleid. De overige gronden heeft de gemeente wel kunnen aankopen. Zij zag zich derhalve genoodzaakt de onteigeningsprocedure op te starten teneinde een spoedige ontsluiting van de wijk te waarborgen. De onderhandelingen zet de gemeente intussen voort, zoals is gebleken uit de overgelegde gemeentelijke brief van 24 november 2003, waarin zij vaststelt dat zij ondanks herhaalde verzoeken daartoe (begin september 2003, 21 oktober 2003 en 27 oktober 2003) met de reclamanten noch met hun gemachtigde mr J. Kooistra MRE tot een gesprek kan komen.
Nu de gemeente vóór de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving van de grond van de reclamanten een aanvang heeft gemaakt en het ten tijde van het nemen van het raadsbesluit voldoende aannemelijk was dat minnelijke verwerving vooralsnog niet tot de mogelijkheden behoort, heeft zij, teneinde op een redelijk tijdstip tot de uitvoering van het onderwerpelijke bestemmingsplan aldaar te kunnen overgaan, in beginsel tot onteigening van de desbetreffende gronden kunnen besluiten. Bij het uitblijven van minnelijke overeenstemming zal de schadeloosstelling op grond van artikel 40 van de onteigeningswet plaatsvinden op basis van een volledige vergoeding van alle schade die de eigenaar (eigenaren) recht
streeks en noodzakelijk door het verlies van zijn (hun) zaak lijdt (lijden). De hoogte en de wijze van berekening van deze schadeloosstelling staan niet ter beoordeling, aangezien de bepaling daarvan is voorbehouden aan de onteigeningsrechter in het kader van de gerechtelijke procedure. Het minnelijk overleg, dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor alle partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden. De onteigeningswet kent overigens niet de verplichting tot het geven van compensatie in de vorm van vervangende gronden. Voor ontsluiting van de restpercelen zal, zo is in het kader van het onderzoek van de zijde van de gemeente bevestigd, zo nodig worden zorggedragen.
Gelet op het vorenstaande kunnen de bedenkingen van de reclamanten onder d. er niet toe leiden, dat aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk de goedkeuring wordt onthouden.
Het moet in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Boskoop worden geacht, dat zij de eigendom van de onderwerpelijke perceelsgedeelten verkrijgt. Er bestaan ook overigens geen termen aan genoemd raadsbesluit de goedkeuring te onthouden.
Wij hebben goedgevonden en verstaan:
het besluit van de raad van Boskoop van 26 juni 2003, no. 03/17, goed te keuren.
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met het raadsbesluit in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 8 maart 2004.
Beatrix.
De Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,S.M. Dekker.
De raad van de gemeente Boskoop;
gelet op het feit dat de gemeente ten behoeve van de realisering van het bestemmingsplan Waterrijk op korte termijn moet kunnen beschikken over de percelen, kadastraal bekend gemeente Boskoop:
- sectie D nr. 1742, in totaal groot 6.170 m2, waarvan benodigd een gedeelte groot 607 m2 (eigendom van D. van Gemeren; in gebruik als kwekerijgrond);
- sectie D nr. 3309, in totaal groot 14.300 m2, waarvan benodigd een gedeelte groot 4.149 m2 (eigendom van de V.O.F. J. Spaargaren & Zonen, in gebruik als kwekerijgrond);
dat met de desbetreffende eigenaren van deze percelen (nog) geen overeenstemming is verkregen over de minnelijke aankoop van de benodigde gedeelten van deze percelen;
dat ingevolge artikel 80 van de Onteigeningswet het onteigeningsplan met ingang van 6 maart 2003 gedurende vier weken voor een ieder ter inzage heeft gelegen;
dat hiervan tevoren door publicatie in de Gouwekoerier van 5 maart 2003, alsmede op de gebruikelijke wijze, openbare kennisgeving is gedaan, waarbij is gewezen op de mogelijkheid tot het schriftelijk dan wel mondeling indienen van zienswijzen;
dat binnen de wettelijke termijn tegen het onderhavige onteigeningsplan zienswijzen zijn ingediend;
dat de inhoud van de ingediende zienswijzen geen aanleiding vormt de onteigeningsprocedure niet te vervolgen;
gezien het voorstel van het College van Burgemeester & Wethouders van 17 juni 2003, waarin de zienswijzen inhoudelijk zijn weergegeven en becommentarieerd;
gelet op artikel 77 en 79 van de Onteigeningswet,
besluit:
ten behoeve van de realisering van het bestemmingsplan Waterrijk in het belang van de ruimtelijke ordening en volkshuisvesting ten name van de gemeente Boskoop tot onteigening overgaan van de percelen c.q. perceelsgedeelten en de daaraan verbonden rechten, die op de bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte grondtekeningen zijn aangegeven en op de mede bij het besluit behorende lijst van te onteigenen onroerende zaken zijn vermeld.
Aldus vastgesteld in de openbare raadvergadering van de gemeente Boskoop van 26 juni 2003.
De griffier.
De voorzitter.
Lijst van de te onteigenen onroerende zaken, behorende bij het raadsbesluit tot onteigening ter realisering van het bestemmingsplan `Waterrijk' van de gemeente Boskoop
grond plannr. | kadastraal bekend als | in onteigening opgenomen | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
sectie nr. | grootte | grootte oppervlakte | omschrijving) | eigenaar/beperkt gerechtigde | |||||
ha | are | ca | ha | are | ca | ||||
1 | D 1724 | 00 | 61 | 70 | 00 | 06 | 07 | tuinland/water | 1/1 eigendom van: D. VAN GEMEREN i.a.g.v.g. gehuwd met G. van der Horst |
Kruiskruid 2 | |||||||||
2771 RA BOSKOOP | |||||||||
Thans: | |||||||||
Boezemlaan 27 | |||||||||
2771 VN BOSKOOP | |||||||||
3 | D 3309 | 01 | 43 | 00 | 00 | 41 | 49 | Schuren/kwekerij | 1/1 eigendom van: |
de vennootschap onder firma | |||||||||
V.O.F.J. Spaargaren en Zonen | |||||||||
Vogellaan 55 | |||||||||
2771 KJ BOSKOOP | |||||||||
groepslid: | |||||||||
G.J. van den Bosch | |||||||||
Boezemlaan 13 | |||||||||
2771 VN Boskoop | |||||||||
groepslid: | |||||||||
W. van den Bosch | |||||||||
Vogellaan 55 | |||||||||
2771 KJ Boskoop | |||||||||
groepslid: | |||||||||
J. van den Bosch | |||||||||
Boomgaard 135 | |||||||||
2771 PD Boskoop | |||||||||
Behoort bij besluit van de raad der gemeente Boskoop d.d. 26 juni 2003.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2004-60-p24-SC64404.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.