Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
De Nederlandsche BankStaatscourant 2004, 40 pagina 29Besluiten van algemene strekking

Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren

Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 23 februari 2004, houdende regels met het oog op een integere bedrijfsvoering door trustkantoren (Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren)

De Nederlandsche Bank N.V.;

Gelet op artikel 10, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren in samenhang met artikel 1 van het Overdrachtsbesluit integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren (Stb. 2004, 57);

Besluit:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Termen die in de wet zijn gedefinieerd hebben in deze regeling en de daarop berustende bepalingen de betekenis die hieraan in de wet is toegekend.

Artikel 2 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet: Wet toezicht trustkantoren;

b. DNB: De Nederlandsche Bank N.V.;

c. integere bedrijfsvoering: een zodanige sturing van de organisatie van het trustkantoor en inrichting van de processen van en met betrekking tot het trustkantoor dat integriteitsrisico's worden beheerst;

d. integriteitsrisico: het risico van aantasting van de reputatie van het trustkantoor of van de financiële markten in het algemeen als gevolg van een ontoereikende naleving van privaat-, bestuurs-, fiscaal-, of strafrechtelijke verplichtingen;

e. integriteitsgevoelige functie:

1° een leidinggevende functie die is geplaatst direct onder het echelon bestaande uit de personen genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a of b, van de wet; of

2° een functie waaraan overigens een bevoegdheid is verbonden die een wezenlijk risico bevat voor de integere bedrijfsvoering van het trustkantoor;

f. incident: een voorval dat een ernstig gevaar vormt voor een integere bedrijfsvoering van het trustkantoor, waaronder wordt begrepen een handelen of nalaten van de personen genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de wet, van een personeelslid van het trustkantoor, van een derde of van een doelvennootschap;

g. bestuur: ieder van de bestuurders van het trustkantoor genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet en ieder van degenen genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet;

h. procedurehandboek: de schriftelijke vastlegging van de uitgangspunten ter beheersing van integriteitsrisico's, uitgewerkt in organisatorische en administratieve procedures en maatregelen;

i. organisatieschema: het overzicht dat schematisch de verschillende functies binnen het trustkantoor weergeeft en waarin is aangegeven welke personen deze functies vervullen en welke functies integriteitsgevoelig zijn;

j. trust: een trust in de zin van het Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts, Trb. 1985, 141.

Hoofdstuk 2 Algemene voorschriften met betrekking tot de bedrijfsvoering van trustkantoren

Taken en verantwoordelijkheden van het bestuur

Artikel 3 Het bestuur is belast met de dagelijkse leiding over de activiteiten van het trustkantoor en draagt zorg voor:

a. een integere bedrijfsvoering;

b. de naleving van hetgeen in deze regeling is bepaald.

Artikel 4 Het bestuur treft maatregelen ter bewustwording, bevordering en handhaving van integer handelen binnen de organisatie van het trustkantoor.

Artikel 5 Het bestuur draagt zorg voor een deugdelijke administratie.

Vermogensscheiding

Artikel 6 Het trustkantoor treft met betrekking tot gelden of geldswaarden van doelvennootschappen of derden die door het trustkantoor worden beheerd, maatregelen om de rechten van die doelvennootschappen of derden te beschermen.

Hoofdstuk 3 Specifieke voorschriften met betrekking tot de bedrijfsvoering van trustkantoren

Procedurehandboek en organisatieschema

Artikel 7 1. Het trustkantoor beschikt over een actueel procedurehandboek. Het procedurehandboek voorziet in:

a. procedures omtrent de naleving van de bij of krachtens de wet, de Wet melding ongebruikelijke transacties, de Wet identificatie bij dienstverlening 1993 en de Sanctiewet 1977 gestelde regels;

b. een zodanige vastlegging van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van bestuur en personeelsleden dat functiescheiding aanwezig is tussen functies met een uitvoerend en controlerend karakter;

c. procedures met betrekking tot de omgang met en eisen aan personeelsleden in een integriteitsgevoelige functie;

d. procedures met betrekking tot de omgang met incidenten;

e. procedures met betrekking tot de interne controle, op basis waarvan kan worden vastgesteld dat het trustkantoor zijn activiteiten uitvoert in overeenstemming met het in de wet en deze regeling bepaalde en met hetgeen in het procedurehandboek met betrekking tot onderdeel a tot en met d is vastgelegd.

2. Het trustkantoor draagt ervoor zorg dat het procedurehandboek binnen de organisatie bekend is en wordt nageleefd.

3. Het trustkantoor beschikt over een actueel organisatieschema.

Procedures inzake personeelsleden

Artikel 8 1. De procedures als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c, waarborgen de betrouwbaarheid van een personeelslid dat het trustkantoor voornemens is in een integriteitsgevoelige functie te benoemen of te benoemen in een integriteitsgevoelige functie van een hoger niveau en verplichten het trustkantoor ten minste tot:

a. het controleren van de identiteit van betrokkene;

b. het controleren van de door betrokkene verstrekte gegevens en referenties op juistheid en volledigheid;

c. het maken van een onderbouwde inschatting van de betrouwbaarheid van betrokkene en een beoordeling daarvan in relatie tot het bekleden van een integriteitsgevoelige functie op een gegeven niveau.

2. Het trustkantoor voert een zodanige administratie dat uit het dossier van een personeelslid dat is benoemd in een integriteitsgevoelige functie blijkt dat is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid.

3. Het trustkantoor hanteert objectieve, kenbare criteria om een functie te kwalificeren als een functie die een wezenlijk risico bevat voor de integere bedrijfsvoering van het trustkantoor.

Beoordeling van externe personeelsleden en het verstrekken van inlichtingen over (voormalige) personeelsleden

Artikel 9 1. Het trustkantoor is verantwoordelijk voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van degene die zich jegens het trustkantoor verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden in een integriteitsgevoelige functie te verrichten.

2. Het trustkantoor kan de beoordeling van de betrouwbaarheid overlaten aan de werkgever van betrokkene als bedoeld in het eerste lid onder de voorwaarde dat:

a. het trustkantoor inzicht heeft in de administratieve en organisatorische procedures en maatregelen van de betrokken werkgever en heeft vastgesteld dat deze geen afbreuk doen aan de eigen administratieve en organisatorische procedures en maatregelen;

b. het trustkantoor zich door middel van contractuele voorwaarden het recht voorbehoudt dat door of namens het trustkantoor een onderzoek wordt ingesteld naar de mate van naleving van de gedelegeerde werkzaamheden.

3. Het trustkantoor controleert onder alle omstandigheden zelf de identiteit van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 10 Het trustkantoor waaraan over een betrokkene inlichtingen omtrent de betrouwbaarheid worden gevraagd ten behoeve van een andere financiële instelling:

a. verklaart schriftelijk dat hij geen aanleiding heeft om aan de betrouwbaarheid van betrokkene te twijfelen dan wel, indien daartoe aanleiding bestaat,

b. verstrekt schriftelijk inlichtingen en wel zodanig dat de verzoekende financiële instelling zich voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene een juist en zo volledig mogelijk beeld kan vormen.

2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid onthoudt het trustkantoor zich van het doen van uitspraken of het afgeven van verklaringen aangaande de betrouwbaarheid van een (voormalig) personeelslid indien het trustkantoor weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat daarmee een onjuist beeld van betrokkene wordt gegeven.

Procedures inzake incidenten

Artikel 11 1. De procedures als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel d, leggen ten minste de wijze van afhandeling van incidenten vast en verplichten tot een administratieve vastlegging van incidenten.

2. Het trustkantoor neemt naar aanleiding van een incident passende maatregelen.

3. Het trustkantoor informeert DNB onverwijld omtrent incidenten, indien:

a. aangifte van een incident bij justitiële autoriteiten zal plaatsvinden of is gedaan;

b. het voortbestaan van het trustkantoor wordt bedreigd of zou kunnen worden bedreigd;

c. sprake is van een ernstige tekortkoming in de opzet en werking van de maatregelen ter bevordering of handhaving van een integere bedrijfsvoering door het trustkantoor;

d. mede gelet op verwachte publiciteit rekening gehouden behoort te worden met een ernstige mate van reputatieschade aan het trustkantoor;

e. de ernst, omvang of de overige omstandigheden van het incident in aanmerking genomen, DNB in verband met haar toezichtstaak redelijkerwijs geïnformeerd behoort te worden.

Vaststelling van de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende

Artikel 12 1. Het trustkantoor kent de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende van een doelvennootschap en beschikt over gegevens aan de hand waarvan is bepaald wie als uiteindelijk belanghebbende kwalificeert en aan de hand waarvan de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende is vastgesteld.

2. Indien een doelvennootschap geen uiteindelijk belanghebbende heeft, beschikt het trustkantoor over gegevens aan de hand waarvan dit is bepaald.

3. Het trustkantoor verleent geen dienst voordat aan het eerste of tweede lid is voldaan.

Kennis van herkomst van vermogen en van herkomst en bestemming van middelen van de doelvennootschap

Artikel 13 1. Het trustkantoor heeft bij het verlenen van een dienst aan een doelvennootschap kennis van de herkomst van het vermogen van de doelvennootschap en legt de gegevens omtrent het onderzoek naar de herkomst van het vermogen vast.

2. Het trustkantoor beschikt over gegevens die ten grondslag liggen aan de herkomst en bestemming van middelen van de doelvennootschap en beoordeelt of hieraan integriteitsrisico's zijn verbonden.

Structuur van de groep waartoe de doelvennootschap behoort en doel waarmee deze structuur is opgezet

Artikel 14 Het trustkantoor heeft kennis van de relevante delen van de structuur van de groep waartoe de doelvennootschap behoort en het doel waarmee de structuur is opgezet en beschikt over gegevens waaruit deze relevante delen en het doel van de structuur blijken.

Het verkopen van rechtspersonen

Artikel 15 1. Bij het verkopen van rechtspersonen door het trustkantoor, kent het trustkantoor de identiteit van de koper en van de natuurlijke persoon die een gekwalificeerde deelneming houdt in de koper. Ook beschikt het trustkantoor over gegevens aan de hand waarvan is bepaald welke natuurlijke persoon een gekwalificeerde deelneming houdt in de koper en aan de hand waarvan de identiteit van deze natuurlijke persoon en van de koper is vastgesteld.

2. Indien bij het verkopen van rechtspersonen geen natuurlijke persoon een gekwalificeerde deelneming houdt in de koper, beschikt het trustkantoor over gegevens aan de hand waarvan dit is bepaald.

3. Het trustkantoor heeft kennis van de herkomst van het vermogen van de koper en legt de gegevens omtrent het onderzoek naar de herkomst van het vermogen vast. Ook beoordeelt het trustkantoor of integriteitsrisico's aan de verkoop van rechtspersonen zijn verbonden.

4. Het trustkantoor sluit geen overeenkomst terzake van het verkopen van rechtspersonen voordat aan het eerste en tweede lid is voldaan.

Optreden als trustee

Artikel 16 1. Indien het trustkantoor optreedt als trustee van een trust, kent het trustkantoor de identiteit van de insteller van de trust en van de uiteindelijk belanghebbende bij de trust en beschikt over gegevens aan de hand waarvan is bepaald wie de insteller is en welke natuurlijke persoon als uiteindelijk belanghebbende kwalificeert. Ook beschikt het trustkantoor over gegevens aan de hand waarvan de identiteit van de insteller en van de uiteindelijk belanghebbende is vastgesteld.

2. Indien er geen uiteindelijk belanghebbende is, beschikt het trustkantoor over gegevens aan de hand waarvan dit is bepaald.

3. Het trustkantoor heeft bij het verlenen van de in het eerste lid genoemde dienst kennis van de herkomst van het vermogen van de insteller van de trust en legt de gegevens omtrent het onderzoek naar de herkomst van het vermogen vast.

Gegevens met betrekking tot het trustkantoor

Artikel 17 Het trustkantoor houdt de volgende gegevens met betrekking tot de eigen organisatie op een overzichtelijke wijze voor DNB beschikbaar:

a. een actueel uittreksel van de inschrijving van het trustkantoor in het handelsregister van de Kamers van Koophandel en Fabrieken en een actueel overzicht van (mede) beleidsbepalers van het trustkantoor met vermelding van volledige naam, adres en woonplaats;

b. een actueel overzicht van houders van een gekwalificeerde deelneming in het trustkantoor, met vermelding van volledige naam, adres en woonplaats;

c. een afschrift van de statuten van het trustkantoor;

d. een actueel overzicht van de formele en feitelijke zeggenschapsstructuur en zeggenschapsverhoudingen van het trustkantoor en van de groep waartoe het trustkantoor behoort;

e. een structuuroverzicht van de groep waartoe het trustkantoor behoort;

f. het procedurehandboek en organisatieschema;

g. de vastlegging ingevolge artikel 11, eerste lid;

h. de vastgestelde jaarrekeningen over de afgelopen drie boekjaren danwel de voorlopige jaarcijfers indien een jaarrekening nog niet is vastgesteld.

Cliëntacceptatiedossiers

Artikel 18 1. Het trustkantoor beschikt over een cliëntacceptatiedossier voor iedere doelvennootschap en terzake van iedere verkoop van een rechtspersoon en terzake van iedere trust waarbij het trustkantoor als trustee optreedt. Een cliëntacceptatiedossier bevat tenminste de volgende bescheiden:

a. de schriftelijke overeenkomsten tussen het trustkantoor en de doelvennootschap en andere overeenkomsten die het trustkantoor heeft gesloten terzake van de door het trustkantoor geleverde diensten waarop het cliëntacceptatiedossier ziet;

b. een overzicht van de door het trustkantoor geleverde diensten waarop het cliëntacceptatiedossier ziet en de gegevens genoemd in de artikelen 12, 13, eerste lid, 14, 15 en 16.

2. Het trustkantoor houdt het cliëntacceptatiedossier beschikbaar voor DNB.

3. Met inachtneming van toepasselijke wettelijke voorschriften wordt een cliëntacceptatiedossier ten minste vijf jaar na beëindiging van de dienstverlening bewaard.

4. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen diensten, als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 5°, van de wet.

Hoofdstuk 4 Overgangsbepalingen

Artikel 19 Het trustkantoor als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de wet, voldoet binnen een termijn van zes maanden nadat het trustkantoor een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 4 van de wet, aan de verplichtingen ingevolge artikel 12, 13, 14, 16 en 18, voorzover het betreft doelvennootschappen waaraan het trustkantoor op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling diensten verleent of met betrekking tot trusts waarbij het trustkantoor op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling als trustee optreedt.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 20 Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 maart 2004, treedt zij in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 maart 2004.

Artikel 21 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Algemene toelichting

Inleiding

De wijze waarop een trustkantoor de bedrijfsvoering inricht, is mede afhankelijk van de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten. De inrichting van de bedrijfsvoering staat evenwel los van de zorg voor een integere bedrijfsvoering. Onafhankelijk van de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten dienen interne en externe normen van integriteit te worden verweven in het bedrijfsproces.

Grondslag van de regeling

Artikel 10, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren (hierna: de `wet') bepaalt dat met het oog op een integere bedrijfsvoering bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur regels worden gesteld aan trustkantoren.

Onder deze regels worden in ieder geval begrepen regels met betrekking tot de administratieve organisatie - met inbegrip van de financiële administratie - en de interne controle, zodanig dat (kortweg) een trustkantoor de identiteit kent van de uiteindelijk belanghebbende van de beheerde entiteit (`doelvennootschap'), kennis heeft van de herkomst en bestemming van gelden van de doelvennootschap, kennis heeft van de relevante delen van de structuur van de groep waartoe de doelvennootschap behoort en van het doel waarmee deze structuur is opgezet, de identiteit van een koper van een rechtspersoon kent indien een trustkantoor een rechtspersoon verkoopt en de identiteit van een insteller van een trust kent indien een trustkantoor optreedt als trustee. Daarnaast kunnen ook andere regels met het oog op een integere bedrijfsvoering worden gesteld.

In het Overdrachtsbesluit integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren van 7 februari 2004, Stb. 2004, 57 (artikel 1) is de wettelijke opdracht tot het stellen van nadere regels ingevolge artikel 10, eerste lid, van de wet aan de Nederlandsche Bank (`DNB') gedelegeerd. Met de voorliggende regeling geeft DNB uitvoering aan deze opdracht.

Integere bedrijfsvoering

In deze regeling wordt slechts een kader geschetst voor een integere bedrijfsvoering en wordt een aantal specifieke eisen gesteld toegespitst op de diensten die een trustkantoor verleent en de specifieke risico's die hieraan zijn verbonden. Het bestuur van een trustkantoor is evenwel verantwoordelijk voor de integere bedrijfsvoering. Hiertoe dient het bestuur niet alleen procedures, regels en normen op te stellen. Het bestuur draagt ook zorg voor inbedding van deze procedures, regels en normen in het volledige bedrijfsproces en voor controle op de realisatie en naleving hiervan.

Administratieve lasten

De regeling is zodanig opgesteld dat waar mogelijk de administratieve lasten bij implementatie door de trustkantoren worden beperkt. Zo kunnen bijvoorbeeld alle procedures waarover het trustkantoor dient te beschikken in een procedurehandboek worden vastgelegd en behoeft het trustkantoor niet zorg te dragen voor een separaat beleidsplan of afzonderlijke vastlegging van maatregelen met betrekking tot de interne controle (artikel 7).

Opbouw van de regeling

Na weergave van de gebruikte definities in het eerste hoofdstuk van de regeling, worden in het tweede hoofdstuk algemene normen gesteld met betrekking tot de taken van het bestuur van een trustkantoor en worden algemene normen gesteld ten aanzien van de bedrijfsvoering. Het derde hoofdstuk sluit hierbij aan en bevat specifieke voorschriften met betrekking tot de bedrijfsvoering van een trustkantoor. In het vierde en vijfde hoofdstuk zijn de overgangs- en slotbepalingen opgenomen.

Administratie van het trustkantoor

Een trustkantoor is in ieder geval verplicht als onderdeel van de administratie van het trustkantoor een aantal stukken met betrekking tot de bedrijfsvoering van het trustkantoor beschikbaar te houden (artikel 17). Deze stukken zijn van belang voor het toezicht door DNB. Niet alle genoemde stukken zijn overigens relevant indien het trustkantoor in de vorm van (bijvoorbeeld) een eenmanszaak wordt gedreven.

De administratie van een trustkantoor bevat ook dossiers (`cliëntacceptatiedossiers') met betrekking tot de cliënten van het trustkantoor. Het derde hoofdstuk bevat (ondermeer) voorschriften, waarbij concrete invulling wordt gegeven aan de minimale inhoud van de cliëntacceptatiedossiers (zie ook artikel 18).

Bij een trustkantoor bevinden zich eveneens gegevens die toebehoren aan de cliënten van het trustkantoor of aan de doelvennootschap, opgeslagen in `cliëntdossiers'. Deze gegevens worden door het trustkantoor beheerd. Laatstgenoemde dossiers dienen zodanig te zijn ingericht dat aan de hand hiervan (steekproefsgewijs) verantwoording kan worden afgelegd over de beheersing van de integriteitsrisico's.

Geheimhouding

Met betrekking tot de geheimhouding van gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij deze regeling bepaalde zijn verstrekt of zijn verkregen wordt kortheidshalve verwezen naar artikel 12 en volgende van de wet en de Memorie van Toelichting hierbij.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 en 2

De eerste twee artikelen zien op de definities die in de regeling worden gebruikt. Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten bij definities in de wet. Ter vereenvoudiging van de regeling zijn in artikel 2 enkele nieuwe definities toegevoegd.

In artikel 2, onderdeel d, is het begrip `integriteitsrisico' gedefinieerd. Bij de invulling van dit begrip is aangesloten bij de naleving van wettelijke verplichtingen, zodat een concrete en toetsbare norm is gesteld. De bedoelde aantasting van de reputatie van een trustkantoor of van de financiële markten in het algemeen door een onvoldoende naleving van deze verplichtingen is niet beperkt tot handelen of nalaten van het trustkantoor zelf. De definitie omvat ook gedragingen van personeelsleden van het trustkantoor, van doelvennootschappen en van derden die deze reputatie schaden.

Artikel 3, 4 en 5

De artikelen 3, 4 en 5 geven algemene regels met betrekking tot de taken en verantwoordelijkheden van het bestuur van een trustkantoor (ongeacht de rechtsvorm van het trustkantoor).

Artikel 3, onderdeel a, vormt in de regeling de basis van de integere bedrijfsvoering waarbij de verantwoordelijkheid hiervoor bij het bestuur van een trustkantoor wordt gelegd. De zorgplicht van de instelling wordt op deze wijze toegerekend aan het bestuur. Het bestuur stelt de risico's vast die door het trustkantoor worden gelopen. Het betreft hierbij ondermeer het risico dat het trustkantoor (al of niet in de hoedanigheid van bestuurder van een doelvennootschap) ongewild en onwetend wordt gebruikt voor activiteiten die de reputatie van het trustkantoor en (daarmee) de integriteit van de gehele financiële sector aantasten, zoals witwassen van geld, financiering van terrorisme, handel met voorwetenschap of benadeling van derden. Het bestuur treft maatregelen ter beheersing van deze risico's.

Het trustkantoor kan zich niet verschuilen achter de in de praktijk gebruikelijke beperking van contractuele aansprakelijkheid jegens een cliënt (en de doelvennootschap). Integriteitsrisico's staan immers los van de civielrechtelijke aansprakelijkheid binnen deze relatie.

Tevens kan worden verwacht dat het bestuur concrete en duidelijke normen stelt ten aanzien van cliënten van een trustkantoor, waarbij het trustkantoor een integere bedrijfsvoering waarborgt bij de acceptatie van cliënten en bij de voortzetting van dienstverlening.

Hoewel dit voor het overgrote deel van de in Nederland gevestigde trustkantoren vanzelfsprekend is, wordt voor de goede orde opgemerkt dat een trustkantoor zich in het kader van een integere bedrijfsvoering dient te onthouden van publiciteit waarin (potentiële) cliënten worden aangemoedigd tot gedrag dat in strijd is met wettelijke voorschriften.

Artikel 6

Een trustkantoor zorgt voor volledige (fysieke) scheiding tussen vermogensbestanddelen die aan verschillende cliënten of doelvennootschappen toebehoren. Ook worden eigen vermogensbestanddelen van een trustkantoor niet vermengd met vermogen van cliënten of doelvennootschappen.

Artikel 6 beoogt geen voorschriften te stellen met betrekking tot de tekeningsbevoegdheid ten aanzien van bankrekeningen van doelvennootschappen. Ook wordt de mogelijkheid gelden in `escrow' te geven aan het trustkantoor over het algemeen niet door het voorschrift geraakt, mits bij dergelijke faciliteiten voor afdoende scheiding met vermogensbestanddelen van het trustkantoor wordt zorggedragen.

Artikel 7, 8, 9, 10 en 11

De voorschriften in artikel 7, eerste lid, onderdelen a en b, zijn niet nader in de regeling uitgewerkt. Het wettelijk kader genoemd in onderdeel a biedt afdoende houvast voor de uitwerking in een procedurehandboek. Ook de vastlegging ingevolge onderdeel b behoeft geen nadere specificatie in de regeling. De invulling van beide voorschriften in het procedurehandboek is mede afhankelijk van de omvang en complexiteit van de organisatie van het trustkantoor.

Volledigheidshalve wordt met betrekking tot onderdeel b aangetekend dat het in de praktijk in bepaalde gevallen mogelijk is dat controlerende taken binnen het trustkantoor worden uitgevoerd door een personeelslid dat ook uitvoerende taken binnen het trustkantoor heeft. In dat geval dient er een duidelijke scheiding te zijn tussen dossiers waarbij uitvoerende of controlerende taken worden verricht. De beperkte omvang van een trustkantoor kan aan een scheiding tussen uitvoerende en controlerende taken in de weg staan. In dergelijke gevallen zal een zodanige oplossing dienen te worden gezocht dat niettemin in een (materiële) scheiding tussen uitvoerende en controlerende taken wordt voorzien. Hierbij zou bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan samenwerking tussen trustkantoren waarbij controlerende taken worden uitbesteed of aan intensieve betrokkenheid van een externe accountant bij controlerende taken.

In artikel 7, eerste lid, onderdeel c, worden procedures voorgeschreven ten aanzien van de omgang met en de eisen aan personeelsleden van een trustkantoor. Artikel 7, eerste lid, onderdeel d, schrijft procedures voor met betrekking tot de omgang met incidenten.

De invulling van de procedures ingevolge artikel 7, eerste lid, onderdelen c en d, is slechts in beperkte mate afhankelijk van de organisatie van een trustkantoor. Er is daarom gekozen voor nadere uitwerking van deze procedures in de artikelen 8 en 11.

In artikel 7, eerste lid, onderdeel e, worden procedures met betrekking tot de interne controle van het trustkantoor voorgeschreven. Gemakshalve en ter besparing van administratieve lasten kunnen ook deze procedures in het procedurehandboek worden vastgelegd.

In artikel 8 worden de procedures met betrekking tot personeelsleden in een integriteitsgevoelige functie uitgewerkt en in artikel 9 en 10 zijn bepalingen opgenomen terzake van de beoordeling van externe personeelsleden en het verstrekken van inlichtingen over (voormalige) personeelsleden. Deze artikelen sluiten op hoofdlijnen aan bij de Regeling integriteitsgevoelige functies van DNB en de Pensioen- & Verzekeringskamer (Staatscourant 2003, nr. 248).

In artikel 11 worden de voorgeschreven procedures met betrekking tot de omgang met incidenten uitgewerkt. Het trustkantoor zorgt in ieder geval voor een administratieve vastlegging van incidenten waartoe tenminste behoren de kenmerken van het incident, gegevens over degene die het incident heeft of degenen die het incident hebben bewerkstelligd, en de maatregelen die naar aanleiding van het incident zijn genomen. Incidenten dienen alleen bij DNB te worden gemeld indien zich een incident voordoet als bedoeld in het derde lid. Onder `aangifte van een incident bij justitiële autoriteiten' (artikel 11, derde lid, onderdeel a) wordt niet verstaan een melding van een ongebruikelijke transactie in de zin van de Wet melding ongebruikelijke transacties. Artikel 11 sluit op hoofdlijnen aan bij de Regeling incidenten van DNB en de Pensioen- & Verzekeringskamer (Staatscourant 2003, nr. 248).

Artikel 12

Bekendheid met de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende vormt één van de belangrijkste eisen die aan trustkantoren worden gesteld. Ongeacht op welke wijze en door wie een cliënt wordt geïntroduceerd, het trustkantoor blijft altijd verantwoordelijk voor een deugdelijke identificatie.

Identificatie bestaat uit twee fases. Allereerst bepaalt een trustkantoor wie als uiteindelijk belanghebbende kwalificeert. Het trustkantoor verzamelt hiertoe de benodigde gegevens. Vervolgens dient de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende te worden geverifieerd aan de hand van documentatie. Uitgaande van een situatie waarbij geen verificatie `in persoon' geschiedt, kan hierbij gebruik worden gemaakt van een gelegaliseerde en duidelijke kopie van een paspoort. Zoals in de praktijk gangbaar, voldoet ook een duidelijke kopie van een paspoort waarbij een medewerker van een buitenlandse vestiging van het trustkantoor of een advocaat of notaris de kopie certificeert. Deze gegevens worden opgenomen in het cliëntacceptatiedossier (artikel 18).

Het kan voorkomen dat het trustkantoor in bepaalde omstandigheden gronden heeft om bij de verificatie van de uiteindelijk belanghebbende naast bovengenoemde documentatie, nadere informatie op te vragen. Uitgangspunt is dat het trustkantoor op basis van een eigen inschatting mogelijke integriteitsrisico's die aan een cliënt zijn verbonden beheersbaar acht.

In de praktijk zijn uitzonderlijke situaties denkbaar waarbij de vaststelling en/of verificatie van de uiteindelijk belanghebbende op onoverkomelijke problemen stuit. Te denken valt aan investeringsfondsen waarbij informatie over de achterliggende investeerders categorisch wordt geweigerd. Indien in een dergelijk geval het investeringsfonds onder plaatselijk toezicht staat dat vergelijkbaar is met of verder gaat dan het Nederlandse toezicht op financiële instellingen kan het trustkantoor volstaan met de redenen in het cliëntacceptatiedossier vast te leggen op grond waarvan de vaststelling en/of verificatie in het gegeven geval achterwege is gebleven. Deze redenen dienen waar redelijkerwijs mogelijk te worden onderbouwd met stukken. In bepaalde uitzonderlijke gevallen kan ook een uiteindelijk belanghebbende zelf een legitieme reden hebben om geen medewerking te geven aan vaststelling en/of verificatie van zijn identiteit (bijvoorbeeld wegens een levensbedreigende situatie). In dergelijke gevallen behoeft het trustkantoor niet bij voorbaat dienstverlening uit te sluiten, maar mag grote zorgvuldigheid en waar nodig terughoudendheid van het trustkantoor worden verwacht, hetgeen ook uit het cliëntacceptatiedossier dient te kunnen worden afgeleid.

Indien er geen uiteindelijk belanghebbende is, worden de gegevens waaruit dit blijkt en de hieraan verbonden conclusie eveneens vastgelegd in het cliëntacceptatiedossier (lid 2). Voorzover de aandeelhouder een beursgenoteerde entiteit is, zal in het algemeen geen uiteindelijk belanghebbende kunnen worden vastgesteld.

Tot slot bepaalt lid 3 dat geen diensten worden verleend indien niet voldaan is aan het eerste en tweede lid van artikel 12 (zie artikel 10, eerste lid, onderdeel g, van de wet). Met `diensten' wordt verwezen naar de definitie in artikel 1, onderdeel d, van de wet. In bepaalde gevallen zal een trustkantoor voorbereidingen treffen voor de beoogde dienstverlening, terwijl nog niet aan de vereisten van artikel 12 is voldaan. Vaak zullen deze voorbereidingen nog niet kwalificeren als `dienst' in de zin van de wet, zodat dergelijke voorbereidingen zondermeer kunnen geschieden.

In uitzonderlijke gevallen zal een trustkantoor, onverminderd de verplichtingen ingevolge de Wet identificatie bij dienstverlening 1993, na afweging van de verschillende belangen dienstverlening kunnen aanvangen voordat de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende is geverifieerd. In dat geval dient echter de uiteindelijk belanghebbende wel bekend te zijn bij het trustkantoor en deze bekendheid dient ook met schriftelijke bescheiden te zijn onderbouwd. Het trustkantoor draagt in een dergelijk geval met spoed zorg voor verificatie van de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende.

Artikel 13

Ingevolge artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet, dienen regels te worden gesteld zodanig dat het trustkantoor `kennis heeft van de herkomst en de bestemming van de gelden van de doelvennootschap'. In artikel 13 is terzake van het wettelijk begrip `gelden' een onderscheid gemaakt tussen `vermogen' (het eerste lid van artikel 13) en `middelen' (het tweede lid) van de doelvennootschap.

Het eerste lid van artikel 13 ziet op de herkomst van het `vermogen' van de doelvennootschap en daarmee op de wijze waarop de cliënt van het trustkantoor (in het algemeen de uiteindelijk belanghebbende) zijn vermogen heeft verworven. Er dient een inspanning te worden verricht om de wijze waarop de cliënt zijn vermogen heeft verworven na te gaan. In de regel zullen hierbij gerichte vragen worden gesteld. De verkregen informatie zal vervolgens worden vastgelegd en waar redelijkerwijs mogelijk op aantoonbare wijze worden gecontroleerd aan de hand van openbare informatie (internet). Bijzondere aandacht verdienen bedrijven met aandeelhouders op basis van toonderstukken. Het trustkantoor zal op basis van een eigen inschatting de mogelijke integriteitsrisico's terzake van de herkomst van het vermogen beheersbaar moeten achten.

Er wordt zodoende een actieve houding van het trustkantoor verlangd bij de vaststelling van de herkomst van het vermogen. De uitkomsten van deze inspanning worden in het cliëntacceptatiedossier vastgelegd (artikel 18). Periodiek dient de informatie omtrent de herkomst van het vermogen te worden gecontroleerd en waar nodig aangevuld met het oog op wijzigingen, met name in die gevallen waarin additioneel vermogen aan de doelvennootschap wordt verschaft.

Het tweede lid ziet op de in- en uitgaande geldstromen op het niveau van de doelvennootschap en op rechten en plichten die de doelvennootschap verkrijgt of op zich neemt. Hierbij is van belang dat het trustkantoor ervoor zorg draagt dat de onderliggende stukken in beginsel altijd aanwezig zijn bij het trustkantoor. Als uitgangspunt kan worden gehanteerd dat een accountant op basis van de aanwezige stukken in staat dient te zijn de geldstromen of rechten en plichten zoals in de administratie (de jaarrekening) van de doelvennootschap zijn vermeld te controleren. De documentatie kan in het algemeen beperkt blijven tot de relatie van de doelvennootschap met de wederpartij bij de betreffende geldstromen of verbintenissen. Het kan in de praktijk voorkomen dat de administratie van de doelvennootschap zich niet bij het trustkantoor bevindt, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de voorgeschreven kennis van het trustkantoor omtrent de doelvennootschap. Te denken valt aan een situatie waarin het trustkantoor slechts als bestuurder optreedt van een vennootschap die in Nederland kantoor houdt (alwaar de administratie zich bevindt). In een dergelijk uitzonderlijk geval, dient het trustkantoor ervoor zorg te dragen dat de administratie op eerste verzoek van DNB beschikbaar kan worden gesteld aan het trustkantoor, mocht bij wijze van steekproef mede aan de hand van deze administratie verantwoording moeten worden afgelegd over de beheersing van integriteitsrisico's. Het cliëntacceptatiedossier dient permanent op het trustkantoor aanwezig te zijn, ook in het geschetste geval.

In aanvulling hierop dient het trustkantoor integriteitsrisico's te onderzoeken die aan de herkomst of bestemming van middelen zijn verbonden (`monitoring'). Hierbij zou bijvoorbeeld gebruik kunnen worden gemaakt van een risicoprofiel, waarbij van tevoren wordt vastgesteld welke vorm en omvang van herkomst en bestemming van middelen als gebruikelijk zal kunnen worden aangemerkt, waarbij een uitzondering op deze normale gang van zaken aanleiding zal geven tot nader onderzoek door het trustkantoor. Niet alleen de cliënt, zijn achtergrond en gedrag, maar ook de transacties van de cliënt kunnen indicaties geven voor verandering in het risicoprofiel. Het trustkantoor zal in ieder geval systematisch moeten kunnen controleren of sprake is van ongebruikelijke/verdachte patronen of activiteiten. Zo zal bij bepaalde transacties moeten worden bekeken of deze voor de cliënt gebruikelijk zijn. Aandachtspunten hierbij zijn: dienen de transacties een economisch of commercieel doel, gaat het om bedragen die niet in verhouding staan tot de normale/verwachte business van de cliënt?

De gegevens als bedoeld in lid 2 zullen in de regel in de cliëntdossiers worden opgeslagen. De constatering door het trustkantoor op grond van het proces van monitoring, dat het integriteitsrisico dat aan een cliënt is verbonden, afwijkt van het integriteitsrisico zoals vastgelegd ten tijde van de acceptatie, zal in het algemeen in het cliëntacceptatiedossier worden opgeslagen.

Artikel 14

De kennis van het trustkantoor met betrekking tot de structuur waarvan de doelvennootschap deel uitmaakt kan beperkt blijven tot het voor de doelvennootschap relevante deel van de structuur. In sommige gevallen zal de gehele structuur relevant kunnen worden geacht terwijl in andere gevallen met kennis van een klein deel van de structuur kan worden volstaan.

Het trustkantoor stelt zich op de hoogte van de structuur, maar ook van het doel waarmee de structuur is opgezet. Hierbij wordt in ieder geval aandacht besteed aan de functie van de Nederlandse doelvennootschap binnen de structuur en de beweegredenen om van een Nederlandse doelvennootschap gebruik te maken.

Periodiek dient het trustkantoor te controleren of er zich wijzigingen met betrekking tot de structuur hebben voorgedaan. Een natuurlijk moment voor een dergelijke controle zou bijvoorbeeld de jaarlijkse opstelling van de jaarrekening kunnen zijn.

Artikel 15

Artikel 15 richt zich specifiek op de gevallen waarbij een trustkantoor het verkopen van rechtspersonen als afzonderlijke dienst verricht (en niet zozeer op het verkopen van rechtspersonen in het kader van bestaande dienstverlening aan een cliënt, waarbij de vorengaande artikelen het trustkantoor in hoofdlijnen reeds verplichten tot de nodige kennis terzake van de koper). De vorm van dienstverlening waarop artikel 15 ziet behoeft de nodige aandacht. Immers, een rechtspersoon kan binnen zeer korte tijd worden opgericht waardoor bedoelde dienst vaak niet nodig is. Er dient daarom bij dergelijke diensten zorgvuldig onderzoek door het trustkantoor te worden gedaan of aan de betreffende verkoop integriteitsrisico's zijn verbonden.

Artikel 15 gebruikt het begrip `natuurlijke persoon die een gekwalificeerde deelneming (artikel 1, onderdeel g, van de wet) houdt'. Hiermee wordt aangesloten bij de wettelijke definitie van uiteindelijk belanghebbende (artikel 1, onderdeel c, van de wet). Deze definitie is niet toegepast omdat `uiteindelijk belanghebbende' niet van toepassing is op het verkopen van rechtspersonen in de zin van artikel 1, onderdeel d, onder 3°, van de wet.

Artikel 15, vierde lid, bepaalt dat het trustkantoor geen overeenkomst sluit voordat aan het eerste en tweede lid is voldaan (zie artikel 10, eerste lid, onderdeel g, van de wet). Hierdoor is het niet toegestaan dat het trustkantoor zich op voorhand (onvoorwaardelijk) contractueel verbindt met betrekking tot het verkopen van rechtspersonen. Het trustkantoor zou in bepaalde omstandigheden wel een dergelijke overeenkomst kunnen sluiten onder een opschortende voorwaarde terzake.

Artikel 16

Artikel 16 ziet op de gevallen waarin het trustkantoor als trustee optreedt. In dat geval is niet alleen kennis van de insteller van de trust vereist, maar ook van de uiteindelijk belanghebbende (de begunstigde van tenminste tien procent van het vermogen ingevolge artikel 1, onderdeel c, van de wet). Niet in alle gevallen zal de uiteindelijk belanghebbende kunnen worden geïdentificeerd. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat de begunstigde nog niet is geboren.

Artikel 17

Artikel 17 noemt een aantal gegevens met betrekking tot de organisatie van het trustkantoor dat het trustkantoor op een overzichtelijke wijze beschikbaar dient te houden voor DNB. Niet alle genoemde gegevens zijn relevant indien het trustkantoor in de vorm van (bijvoorbeeld) een eenmanszaak wordt gedreven.

Artikel 18

De cliëntacceptatiedossiers ingevolge artikel 18 dienen permanent op het trustkantoor in Nederland aanwezig te zijn. Bij meerdere vestigingen van het trustkantoor in Nederland zullen deze dossiers in de regel op het hoofdkantoor aanwezig zijn, maar kunnen deze dossiers ook in de vestiging worden bewaard van waaruit de betreffende cliënt hoofdzakelijk wordt bediend.

Artikel 19

Ten aanzien van bestaande cliëntrelaties wordt aan trustkantoren, die gebruik maken van de overgangsregeling ingevolge artikel 50 van de wet, in artikel 19 een overgangsperiode geboden van zes maanden nadat een vergunning is verleend. Deze termijn kan, waar nodig, door trustkantoren worden benut om de gegevens en inlichtingen met betrekking tot bestaande dienstverlening te verzamelen, conform de voorschriften waarnaar in artikel 19 wordt verwezen.

Artikel 20 en 21

Deze artikelen behoeven geen toelichting.