Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2004, 40 pagina 13Besluiten van algemene strekking

Regeling bekostiging Wet toezicht trustkantoren

Regeling van de Minister van Financiën van 26 februari 2004, FM 2004-00275, houdende regels voor de bekostiging van het toezicht op grond van de Wet toezicht trustkantoren (Regeling bekostiging Wet toezicht trustkantoren)

De Minister van Financiën,

Gelet op artikel 8 van de Wet toezicht trustkantoren;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. minister: de Minister van Financiën;

b. wet: de Wet toezicht trustkantoren;

c. register: het register, bedoeld in artikel 7 van de wet.

Artikel 2

1. De toezichthouder stelt jaarlijks een begroting op van de in het daaropvolgende jaar te verwachten baten en lasten, investeringsuitgaven alsmede inkomsten en uitgaven met betrekking tot de uitvoering van de bij of krachtens de wet aan hem opgedragen taak en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden.

2. De begroting wordt op een zodanige wijze opgesteld dat de lasten en uitgaven structureel worden gedekt door de baten en inkomsten.

3. De begrotingsposten worden van een toelichting voorzien.

4. Tenzij de werkzaamheden waarop de begroting betrekking heeft nog niet eerder werden verricht, bevat de begroting een vergelijking met de begroting van het lopende jaar en de laatste verantwoording waarmee de minister heeft ingestemd.

5. De toezichthouder zendt de begroting voor 1 december van het aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar ter instemming aan de minister.

6. De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

7. De toezichthouder doet na instemming onverwijld mededeling van de begroting in de Staatscourant en houdt deze gedurende een jaar na instemming op elektronische wijze ter inzage.

Artikel 3

Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en begrote baten en lasten dan wel inkomsten en uitgaven, doet de toezichthouder daarvan onverwijld mededeling aan de minister onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.

Artikel 4

1. De toezichthouder stelt jaarlijks een verantwoording op van de bij of krachtens de wet aan hem opgedragen taak en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden.

2. De verantwoording gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de toezichthouder aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

3. De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede lid, een verslag van zijn bevindingen omtrent de rechtmatige inning en besteding van de middelen door de toezichthouder uit hoofde van de wet.

4. De toezichthouder zendt de verantwoording voor 1 mei van het op het boekjaar volgende jaar ter instemming aan de minister.

5. De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

6. De toezichthouder doet na instemming onverwijld mededeling van de verantwoording in de Staatscourant en houdt deze gedurende een jaar na instemming op elektronische wijze ter inzage.

Artikel 5

1. Het verschil tussen de aan het eind van een begrotingsjaar gerealiseerde baten van de toezichthouder en de gerealiseerde lasten van de toezichthouder vormt het exploitatiesaldo.

2. Indien in het voorafgaande jaar een exploitatiesaldo is ontstaan en de toezichthouder het exploitatiesaldo wil betrekken bij de in het lopende jaar in rekening te brengen kosten, bedoeld in artikel 7, doet de toezichthouder daaromtrent een voorstel in de verantwoording over het voorafgaande jaar.

Artikel 6

1. De minister stelt jaarlijks voor 15 januari, op voorstel van de toezichthouder, tarieven vast voor het bedrag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet dat verschuldigd is ter zake van een aanvraag van een vergunning. Voor ieder van de volgende categorieën van aanvragers wordt een tarief vastgesteld:

a. aanvragers, niet van een groep deel uitmakend dan wel deel uitmakend van een groep welke uit minder dan drie rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen bestaat;

b. aanvragers, deel uitmakend van een groep die uit meer dan twee en minder dan zes rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen bestaat;

c. aanvragers, deel uitmakend van een groep die uit meer dan vijf en minder dan negen rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen bestaat;

d. aanvragers, deel uitmakend van een groep die uit meer dan acht en minder dan twaalf rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen bestaat;

e. aanvragers, deel uitmakend van een groep die uit meer dan elf rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen bestaat.

2. De minister stelt jaarlijks voor 15 januari, op voorstel van de toezichthouder, een tarief vast voor het bedrag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet dat verschuldigd is ter zake van een aanvraag van een ontheffing.

Artikel 7

1. De toezichthouder brengt met ingang van het jaar 2005 jaarlijks aan een trustkantoor dat is ingeschreven in het register het bedrag, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet in rekening dat is verschuldigd ter dekking van de kosten verbonden aan het toezicht. Aan een houder van een ontheffing wordt geen bedrag in rekening gebracht.

2. De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden op basis van de begroting waarmee is ingestemd geraamd voor het jaar waarop het in rekening te brengen bedrag betrekking heeft, met dien verstande dat op die kosten in mindering worden gebracht de kosten die voor dat jaar ten laste komen van de rijksbegroting.

3. Op de geraamde kosten worden in mindering gebracht:

a. een uit het voorafgaande jaar resulterend positief exploitatiesaldo, indien een daartoe strekkend voorstel als bedoeld in artikel 5 is opgenomen in de verantwoording waarmee is ingestemd;

b. de opbrengsten uit bestuurlijke boetes en verbeurde dwangsommen die niet reeds zijn opgenomen in het exploitatiesaldo, voor zover de hieraan ten grondslag liggende besluiten van de toezichthouder in het voorafgaande jaar onherroepelijk zijn geworden.

4. De geraamde kosten worden vermeerderd met een uit het voorafgaande jaar resulterend negatief exploitatiesaldo, indien een daartoe strekkend voorstel als bedoeld in artikel 5 is opgenomen in de verantwoording waarmee is ingestemd.

Artikel 8

1. Als maatstaf voor het in rekening te brengen bedrag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, geldt de jaarlijkse omzet en overige opbrengsten uit diensten als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de wet.

2. Op basis van de maatstaf, bedoeld in het eerste lid, stelt de minister met ingang van 2005 jaarlijks voor 1 juli, op voorstel van de toezichthouder, tarieven vast. Voor ieder van de volgende bandbreedtes met betrekking tot de jaarlijkse omzet en overige opbrengsten als bedoeld in het eerste lid wordt een tarief vastgesteld:

a. minder dan € 100.000;

b. ten minste € 100.000 en minder dan € 200.000;

c. ten minste € 200.000 en minder dan € 500.000;

d. ten minste € 500.000 en minder dan € 1.000.000;

e. ten minste € 1.000.000 en minder dan € 2.000.000;

f. ten minste € 2.000.000 en minder dan € 5.000.000;

g. ten minste € 5.000.000.

3. De toezichthouder baseert zijn voorstel voor de tarieven op gegevens met betrekking tot de maatstaf van het voorafgaande jaar.

4. De minister doet onverwijld mededeling in de Staatscourant van de vastgestelde tarieven.

Artikel 9

1. De hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, is gelijk aan het tarief, bedoeld artikel 8, tweede lid, dat is vastgesteld voor de bandbreedte die betrekking heeft op de door het trustkantoor in het voorafgaande jaar behaalde omzet en overige opbrengsten uit diensten als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de wet.

2. Met betrekking tot een trustkantoor, niet zijnde een trustkantoor als bedoeld in artikel 50 van de wet, dat in het voorafgaande jaar nog niet stond ingeschreven in het register, gelden de omzet en overige opbrengsten uit diensten als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de wet uit het lopende jaar als basis voor het bepalen van de bandbreedte.

3. Voor een trustkantoor dat niet eerder dan 1 februari van het lopende jaar staat ingeschreven in het register wordt het bedrag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, in rekening gebracht naar evenredigheid van het aantal maanden in het jaar dat het trustkantoor ingeschreven staat, waarbij een gedeelte van een maand geldt als volledige maand.

Artikel 10

Indien het trustkantoor na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld geen opgave heeft gedaan van zijn omzet en overige opbrengsten als bedoeld in artikel 8, eerste lid, dan wel een kennelijk onjuiste of onvolledige opgave heeft gedaan, kan de toezichthouder een schatting doen van die gegevens.

Artikel 11

Aan een trustkantoor dat niet langer in het register staat ingeschreven, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, terugbetaald naar evenredigheid van het aantal maanden in het jaar dat het trustkantoor niet langer staat ingeschreven, waarbij een gedeelte van een maand geldt als volledige maand.

Artikel 12

Indien een trustkantoor het vermogen heeft verkregen van een trustkantoor dat in het lopende jaar heeft opgehouden te bestaan, wordt het bedrag ter vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, die door de toezichthouder ten aanzien van het laatstbedoelde trustkantoor zijn gemaakt, in rekening gebracht bij het verkrijgende trustkantoor, voor zover deze kosten niet reeds bij het laatstbedoelde trustkantoor in rekening zijn gebracht.

Artikel 13

Artikel 9, derde lid, is niet van toepassing op trustkantoren als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de wet.

Artikel 14

In 2004 worden de tarieven, bedoeld in artikel 6, voor 15 maart vastgesteld.

Artikel 15

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2004.

Artikel 16

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bekostiging Wet toezicht trustkantoren.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën, G. Zalm.

Toelichting

I. Algemeen

Deze regeling geeft regels voor het doorberekenen aan trustkantoren van kosten die De Nederlandsche Bank (hierna: de toezichthouder) maakt bij de uitoefening van het toezicht op grond van de Wet toezicht trustkantoren. De regeling vindt haar grondslag in artikel 8 van de Wet toezicht trustkantoren. Op grond van dat artikel kunnen bedragen in rekening worden gebracht ter vergoeding van de kosten van een tweetal afzonderlijk toerekenbare toezichthandelingen: de behandeling van een aanvraag van een vergunning en de behandeling van een aanvraag van een ontheffing. Daarnaast kunnen aan geregistreerde trustkantoren kosten die verbonden zijn aan het reguliere toezicht in rekening worden gebracht.

Systematiek van doorberekening

Voor wat betreft de systematiek die wordt gehanteerd bij de doorberekening van de kosten is aangesloten bij het herziene stelsel voor de financiering van het toezicht op de financiële marktsector. Dit stelsel is gebaseerd op een aan de Tweede Kamer aangeboden rapport met aanbevelingen voor een herziening van de financiering van het toezicht op de financiële marktsector.1 In het algemeen overleg van 25 september 2003 heeft de Kamer steun verleend aan het rapport.

De belangrijkste elementen in het stelsel zijn de volgende.

Marktpartijen betalen op basis van het zogeheten profijtbeginsel volledig de kosten van afzonderlijke toezichthandelingen, zoals de behandeling van vergunningaanvragen, en de kosten van het zogenoemde reguliere toezicht. Het gaat bij reguliere toezicht onder meer om audits en het doorlopende toezicht op liquiditeit, solvabiliteit en marktgedrag. De rijksoverheid bekostigt een deel van handhavingskosten. Dit sluit aan bij het MDW-rapport ‘Maat Houden’ (Kamerstukken II 1995/96, 24 036, nrs. 22 en 64). Concreet levert de rijksoverheid een bijdrage aan de financiering van de zogeheten repressieve handhavingskosten. Waar het gaat om de preventieve handhavingskosten worden de kosten van de Wet melding ongebruikelijke transacties, de Wet identificatie bij dienstverlening en de Sanctiewet 1977 door het Rijk gefinancierd. De bijdrage van het Rijk aan de kosten van de toezichthouder wordt vastgesteld aan de hand van een percentage van de totale kosten van de toezichthouder. Dit percentage is voor een periode van drie jaar gefixeerd en wordt daarna geëvalueerd.

De reguliere toezichtkosten worden over de onder toezicht staande instellingen omgeslagen. Voor deze regeling zijn dat de trustkantoren. De doorberekening aan individuele trustkantoren geschiedt aan de hand van een maatstaf. Het oogmerk is uiteindelijk om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de werkelijke toezichtinspanningen, de daarmee gepaard gaande kosten en op het profijt van het toezicht. Voorts is de beheersing van toezichtkosten een belangrijk uitgangspunt van de systematiek. De beheersing wordt onder meer gewaarborgd door:

a. de tussentijdse en tijdige melding aan de minister van aanmerkelijke verschillen tussen begroting en realisatie;

b. het vereiste dat de minister moet instemmen met de verantwoording van de toezichthouder.

Het eerste jaar te maken kosten

De verwachting is dat in het eerste jaar na het moment van inwerkingtreding van de wet (1 maart 2004) de toezichthouder extra kosten zal moeten maken voor de operationalisering van zijn toezichtstaak. Het wordt onevenredig geacht om deze eenmalige toezichtkosten volledig in rekening te brengen aan de trustkantoren die in het desbetreffende eerste jaar onder toezicht staan. Daarom zullen de eenmalige toezichtkosten in tien jaar geleidelijk worden doorberekend aan de onder toezicht staande trustkantoren. Bij de evaluatie van de overheidsbijdrage in 2006 zullen de op dat moment nog door te berekenen kosten worden betrokken. In 2004 zullen voorts de kosten die voortvloeien uit het reguliere toezicht niet worden doorberekend.

Advies en overleg

Bij de totstandkoming van de regeling zijn de toezichthouder alsmede de trustsector voldoende betrokken. Zo zijn het eerder genoemde rapport inzake de herziening van de financiering van het toezicht en de onderhavige regeling in overleg met de toezichthouder voorbereid. De uitgangspunten van de kostendoorberekening zijn door de toezichthouder besproken met drie organisaties die trustkantoren vertegenwoordigen. Het betrof de Dutch Fiduciary Association (DFA), de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en de Vereniging International Management Services (VIMS). De uitkomsten van het overleg met deze organisaties hebben aanleiding gegeven het kader voor doorberekening aan trustkantoren op onderdelen aan te passen. Het betrof in het bijzonder de bandbreedtes van omzet en overige opbrengsten uit trustdiensten. Het belang van kostendekking en een evenwichtige verdeling van de kosten over de verschillende trustkantoren heeft daarbij voorop gestaan.

Administratieve lasten

Een ontwerp van de regeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (ACTAL). Het college heeft de regeling niet geselecteerd voor een Actaltoets op de gevolgen van de regeling voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. De totale omvang van de door regeling veroorzaakte administratieve lasten is beperkt. In overleg met de toezichthouder is gekozen voor het minst belastende alternatief.

Onderhavige regeling bevat informatieverplichtingen voor trustkantoren. De informatieverplichtingen houden verband met de opgave van gegevens voor de heffingsmaatstaf van jaarlijkse omzet en overige opbrengsten uit trustdiensten. Deze opgave van gegevens zal naar verwachting leiden tot slechts een beperkte toename van de administratieve lasten voor een specifieke groep van trustkantoren. De heffingsmaatstaf van jaarlijkse omzet en overige opbrengsten sluit aan bij gegevens die trustkantoren voor de eigen bedrijfsadministratie bijhouden. Daarnaast verstrekken trustkantoren reeds gegevens over jaarlijkse omzet en overige opbrengsten in het kader van fiscale wet- en regelgeving. Ingeval deze gegevens voor de opgave in verband met de heffingsmaatstaf worden gebruikt, vloeien uit onderhavige regeling derhalve geen extra administratieve lasten voort. Alleen ingeval een trustkantoor onderdeel uitmaakt van een onderneming die ook niet-trustdiensten aanbiedt, zijn naar verwachting extra administratieve lasten verbonden met de opgave van de jaarlijkse omzet en overige opbrengsten. De jaarlijkse omzet en overige opbrengsten uit trustdiensten moeten dan immers worden gescheiden van die uit andere diensten. Grove schatting is dat de hiermee verbonden administratieve lasten in totaal ca. € 5000 bedragen (ongeveer 10 trustkantoren x ca. € 500 per trustkantoor).

II. Artikelen

Artikel 1

Dit artikel bevat enkele begripsomschrijvingen. Het in de regeling veelvuldig gehanteerde begrip ‘toezichthouder’ is omschreven in artikel 1, onderdeel i, van de wet.

Artikel 2

Het artikel verplicht de toezichthouder jaarlijks een begroting voor het volgende jaar op te stellen met betrekking tot zijn toezichthoudende taak uit hoofde van de wet. De vastgestelde begroting moet ter instemming worden voorgelegd aan de minister. De toezichthouder doet van de begroting waarmee is ingestemd onverwijld mededeling in de Staatscourant en maakt haar op elektronische wijze openbaar. Binnen de toezichthouder zal het intern toezichthoudende orgaan, de raad van commissarissen, ingevolge de statuten met de vaststelling van de op te stellen begroting worden belast. Dit betekent dat de raad van commissarissen primair verantwoordelijk is voor het toetsen van de begrotingsinformatie en de toelichting daarop.

Vanwege de complementaire positie van de raad van commissarissen en de rol van de minister zal deze laatste zich bij zijn beslissing omtrent de instemming kunnen baseren op de bevindingen van de raad van commissarissen. De omstandigheid dat met de begroting moet worden ingestemd, impliceert niet dat de minister de begroting tot op het laatste detail vastlegt. Dit zou ook in strijd zijn met het uitgangspunt dat de toezichthouder zelf de vrijheid en verantwoordelijkheid heeft om zijn bedrijfsprocessen naar eigen inzicht zo goed mogelijk in te richten. De instemming van de minister strekt ertoe dat hij er politiek de verantwoordelijkheid voor neemt dat de uitoefening van de wettelijke taken door de toezichthouder langs de in de begroting aangegeven lijnen zal verlopen tegen de daarin begrote kosten.

In de terminologie van het vijfde en zesde lid is het woord ‘instemming’ gebruikt in plaats van ‘goedkeuring’. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat de handeling van de minister niet valt binnen de omschrijving van artikel 10:25 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De vaststelling van de begroting, die ingevolge de statuten geschiedt door de raad van commissarissen, betreft geen besluit in de zin van de Awb, omdat de rechtshandeling tot vaststelling van de begroting uitsluitend interne werking heeft. Daar komt bij dat het vaststellende orgaan (raad van commissarissen) niet met openbaar gezag bekleed is en dus niet als een bestuursorgaan kan worden aangemerkt. Omdat afdeling 10.2.1 van de Awb niet van toepassing is, is in het vijfde lid bepaald dat instemming kan worden geweigerd vanwege strijd met het recht of het algemeen belang. Een onthouding van instemming wegens strijd met algemeen belang kan pas aan de orde zijn wanneer de bezwaren tegen de instemming overwegend van aard zijn (vgl. Kamerstukken II 1994/95, 23 700, nr. 3, blz. 187).

Artikel 3

Dit artikel bepaalt dat aanmerkelijke verschillen die lopende het boekjaar ontstaan of dreigen te ontstaan bij de minister moeten worden gemeld. De beoordeling van hetgeen onder aanmerkelijke verschillen wordt verstaan, is primair de verantwoordelijkheid van de toezichthouder. Door de melding van aanmerkelijke verschillen verkrijgt de minister informatie die bijvoorbeeld bruikbaar kan zijn bij de besluitvorming omtrent instemming met de begroting of verantwoording.

Artikel 4

Dit artikel regelt de jaarlijks door de toezichthouder aan de minister af te leggen verantwoording.

De verantwoording gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de toezichthouder aangewezen accountant. Een nieuw element betreft het door de accountant bij zijn verklaring te voegen verslag van bevindingen over de vraag of de inning en besteding van de middelen rechtmatig is geweest. De verantwoording heeft uitsluitend betrekking op taken van de toezichthouder die uit hoofde van de Wet toezicht trustkantoren zijn opgedragen. De plicht tot het opstellen van de verantwoording betekent dat de toezichthouder in zijn administratie van baten en lasten onderscheid maakt tussen toezicht op basis van met die wet verband houdende taken en overige taken. Met de verantwoording kan een helder inzicht worden verkregen in het financieel beheer van door de toezichthouder uitgeoefend toezicht uit hoofde van de wet. Voorts kan een ongewenste vermenging met het financieel beheer van de andere taken worden voorkomen. Overigens hoeft de verantwoording pas voor het eerst te worden opgesteld over het jaar 2004. In het jaar 2003 waren nog geen taken en bevoegden uit hoofde van de wet aan de toezichthouder toegekend.

De minister zal bij de instemming volstaan met een toetsing, die gebaseerd zal zijn op de voorafgaande toetsing door het intern toezichthoudende orgaan: de raad van commissarissen van de toezichthouder. De beoordeling door de minister van de door de raad van commissarissen vast te stellen verantwoording van de toezichthouder heeft uitsluitend betrekking op de bij of krachtens de wet opgedragen taken en daaruit voortvloeiende werkzaamheden.

Artikel 5

Een exploitatiesaldo zal in de verantwoording zichtbaar worden gemaakt. Als een exploitatiesaldo is ontstaan, zal de toezichthouder dit tekort of overschot in de regel toevoegen aan of in mindering brengen op de kosten die worden doorberekend aan onder toezicht staande trustkantoren. De toezichthouder zal daartoe een voorstel doen in de verantwoording om het exploitatiesaldo te betrekken bij de kosten die ingevolge artikel 7 in rekening worden gebracht bij onder toezicht staande trustkantoren. De instemming met de verantwoording door de minister dient dan als grondslag voor het verrekenen van het in het voorafgaande jaar gerealiseerde tekort of overschot, resulterend uit het exploitatiesaldo, met de op basis van de begroting waarmee is ingestemd, geraamde kosten voor het lopende jaar. Hierdoor kan de toezichthouder met betrekking tot de reguliere toezichtkosten jaarlijks volstaan met één factuur waarin de begrote kostendoorberekening wordt verrekend met het gerealiseerde exploitatiesaldo.

In bijzondere omstandigheden kan ervoor worden gekozen om de mee- of tegenvallers uit het voorafgaande jaar niet door te berekenen, maar binnen de begroting van het lopende jaar te verdisconteren. Zo zou de toezichthouder een tekort kunnen opvangen door met betrekking tot een bepaalde uitgavenpost minder te besteden dan begroot. Overigens heeft de voorkeur een tijdige melding van aanmerkelijke verschillen tussen begroting en realisatie conform artikel 3, zodat op dat moment, lopende het jaar, de minister er op kan aandringen dat adequate maatregelen worden genomen.

Artikel 6

Het eerste lid van dit artikel heeft betrekking op het bedrag dat een aanvrager verschuldigd is voor de kosten van de behandeling van een aanvraag van een vergunning. Ook de kosten van bij de behandeling van de aanvraag noodzakelijke toetsingen van personen op deskundigheid of betrouwbaarheid maken hier onderdeel vanuit. Er zijn verschillende categorieën van aanvragers bepaald. Per categorie zal door de minister jaarlijks een tarief worden vastgesteld.

Het tarief zal hoger zijn naar gelang met de aanvrager meer entiteiten organisatorisch verbonden zijn. Een organisatorische verbond, waarvan de aanvrager deel uitmaakt, wordt op grond van artikel 1, onderdeel f, van de wet aangemerkt als een groep. Achtergrond van een hoger verschuldigd bedrag bij een aanvraag die meerdere entiteiten betreft, is de omstandigheid dat behandeling van een dergelijke aanvraag voor de toezichthouder verhoudingsgewijs meer werkzaamheden vergt en dus ook meer kosten meebrengt. Het tweede lid heeft betrekking op het bedrag dat de aanvrager verschuldigd is voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing.

Artikel 7

In dit artikel is het beginsel van kostendekking vastgelegd voor door de toezichthouder te verrichten werkzaamheden die geen betrekking hebben op de in de artikel 6 genoemde toezichthandelingen. Het betreft de zogenoemde reguliere toezichtkosten.

In het tweede lid worden regels gesteld met betrekking tot de kosten die op basis van het eerste lid in rekening worden gebracht. Voor de duidelijkheid wordt erop gewezen dat aan het begrip ‘kosten’ een ruime betekenis toekomt. Het betreft de integrale kosten die verband houden met het verrichten van toezichtwerkzaamheden. Ook kosten van overhead maken hier onderdeel van uit. Het uitgangspunt is dat de kosten worden geraamd op basis van de verwachte ontwikkeling van de kosten en toezichtinspanningen in het jaar waarin de bedragen in rekening worden gebracht. Dit vindt zijn grondslag in de begroting. Op de aldus geraamde kosten worden in mindering gebracht de kosten van het toezicht die bekostigd worden uit de algemene middelen. De rijksbijdrage dient tot dekking van een deel van de handhavingskosten.

Het derde lid, onderdeel b, regelt dat wanneer met betrekking tot een trustkantoor een bestuurlijke boete of dwangsom is geïncasseerd én tegen het daaraan ten grondslag liggende besluit niet langer een rechtsmiddel openstaat, het geïncasseerde bedrag volledig in mindering wordt gebracht op de toegerekende kosten. Voorts kan, op grond van onderdeel a, ook het exploitatieoverschot van het voorafgaande jaar in mindering worden gebracht op de toegerekende kosten. In het vierde lid is het omgekeerde geregeld met betrekking tot een exploitatietekort. Aldus wordt de begrote doorberekening gecorrigeerd met het exploitatiesaldo van het voorafgaande jaar. De toezichthouder stuurt met betrekking tot de reguliere toezichtkosten derhalve jaarlijks slechts éénmaal een factuur.

Artikel 8

Dit artikel bevat de maatstaf die de grondslag vormt voor het in rekening te brengen jaarlijkse bedrag, bedoeld in artikel 7, eerste lid. Als maatstaf is gekozen voor de jaarlijkse omzet en overige opbrengsten uit trustdiensten. In het tweede lid zijn bandbreedtes vastgesteld. De bandbreedtes hebben betrekking op de door een trustkantoor behaalde omzet en overige opbrengsten. Voor elke bandbreedte geldt een ander tarief. Het tarief heeft betrekking op de hoogte van het in rekening te brengen bedrag, bedoeld in artikel 7, eerste lid.

Het tarief per bandbreedte wordt jaarlijks voor 1 juli op voorstel van de toezichthouder door de minister vastgesteld. Bij de tariefstelling zal uiteraard onder toepassing van artikel 7 uit worden gegaan van de geraamde en gerealiseerde kosten. Voorts volgt uit het derde lid dat de tariefstelling geschiedt op basis van de (totale) omzet- en opbrengstengegevens van trustkantoren die betrekking hebben op het voorafgaande jaar.

Artikel 9

De hoogte van het jaarlijkse per geregistreerd trustkantoor in rekening te brengen bedrag is afhankelijk van de op het trustkantoor betrekking hebbende bandbreedte en het bijbehorende tarief. De in het voorafgaande jaar behaalde omzet en overige opbrengsten van trustkantoren bepalen binnen welke bandbreedte een trustkantoor valt. Als voor een trustkantoor geen omzetgegevens bekend zijn van het voorafgaande jaar omdat het kantoor pas in het lopende jaar is gestart met trustdiensten, vormen de (verwachte) gegevens van het lopende jaar het uitgangspunt . Dit volgt uit het tweede lid.

In het derde lid is geregeld dat als een trustkantoor pas gedurende het begrotingsjaar geregistreerd wordt, het jaarlijkse bedrag in rekening wordt gebracht naar evenredigheid van het aantal maanden dat het trustkantoor geregistreerd is.

Artikel 10

Dit artikel geeft de toezichthouder de mogelijkheid om een schatting te doen van de gegevens die hij niet binnen de gestelde redelijke termijn ontvangt of als sprake is van ontvangen gegevens die kennelijk onjuist zijn.

Ingevolge artikel 9 van de wet kan de toezichthouder aan een trustkantoor gegevens vragen met betrekking tot de behaalde omzet en overige opbrengsten uit trustdiensten. Deze gegevens zijn om een tweetal redenen van belang. In de eerste plaats zijn de gegevens samen met de op grond van artikel 7 toegerekende kosten bepalend voor de vaststelling van de tarieven, bedoeld in artikel 7. In de tweede plaats zijn de gegevens van het trustkantoor bepalend voor de bandbreedte waarbinnen het trustkantoor valt en daarmee de hoogte van het op grond van artikel 9 van deze regeling te bepalen bedrag.

Artikel 11

Dit artikel vormt het spiegelbeeld van artikel 9, derde lid. Wanneer een trustkantoor niet langer is ingeschreven, krijgt het naar evenredigheid van het aantal maanden het betaalde bedrag terug.

Artikel 12

Dit artikel regelt de doorberekening van kosten ingeval van een juridische fusie van twee onder toezicht staande instellingen (vgl. artikel 309 e.v. van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek), met dien verstande dat is aangesloten bij het begrip vermogen uit het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 13

Een trustkantoor dat pas lopende het jaar in het register wordt ingeschreven, omdat het dan pas een vergunning heeft verkregen, hoeft vanzelfsprekend niet het volledige jaarbedrag te betalen ter vergoeding van de kosten voor het reguliere toezicht. Het is immers slechts voor een gedeelte van het jaar gerechtigd om als trustkantoor werkzaam te zijn, namelijk vanaf het moment dat het de vergunning heeft verkregen. Dit volgt uit artikel 9, derde lid.

Voor trustkantoren die op het moment van inwerkingtreding van de wet reeds werkzaam waren als trustkantoor liggen de zaken anders. Deze trustkantoren zijn niet onderworpen aan het verbod om zonder vergunning als trustkantoor werkzaam te zijn. Als gevolg hiervan kunnen deze trustkantoren het hele jaar trustdiensten verrichten, ook wanneer pas lopende dat jaar aan hen een vergunning wordt verleend en registratie plaatsvindt. Om die reden wordt artikel 9, derde lid, voor deze groep van trustkantoren buiten toepassing gelaten. De bepaling is met name relevant voor het jaar 2005. In dit jaar zullen voor het eerst reguliere toezichtkosten worden doorberekend en zal naar verwachting voor sommige trustkantoren als bedoeld in artikel 50 van de wet beslist worden omtrent de vergunningverlening.

De Minister van Financiën,

G. Zalm