Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Defensie | Staatscourant 2004, 250 pagina 11 | Ontheffingen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Defensie | Staatscourant 2004, 250 pagina 11 | Ontheffingen |
Eindhovense Aero Club Motorvliegen
23 december 2004
Nr. B2004.039854
Koninklijke Luchtmacht
De Staatssecretaris van Defensie en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
Gelezen het verzoek van de Eindhovense Aero Club Motorvliegen (EACm) d.d. 26 oktober 2004;
Gelet op artikel 34, tweede lid, van de Luchtvaartwet (Stb. 1958, 47);
Besluiten:
Aan de leden van de Eindhovense Aero Club Motorvliegen (EACm) te Eindhoven, die optreden als gezagvoerder van een luchtvaartuig, wordt ontheffing verleend van de verbodsbepaling van artikel 34, eerste lid, onder a, van de luchtvaartwet, met betrekking tot het medegebruik van het militaire luchtvaartterrein Eindhoven.
De ontheffing geldt voor jaarlijks maximaal 12.000 vliegtuigbewegingen met burgerluchtvaartuigen, waarbij de vlucht een recreatief karakter heeft.
1. De Algemene en Bijzondere Voorwaarden betreffende het medegebruik van militaire luchtvaartterreinen door derden, zoals vastgesteld in de ministeriële beschikking van 8 mei 1967, nr. 202.620/11k, laatstelijk gewijzigd bij beschikking van 26 november 1980, nr. CWL 80/028, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder `de vergunning' dit besluit dient te worden verstaan.
2. In afwijking van het eerste lid kan de EACm alleen van het militair luchtvaartterrein Eindhoven gebruik maken op dagen en tijden dat het is opengesteld, zoals gepubliceerd in de Military Aeronautical Information Publication Netherlands (MILAIP) of Notice To Airman (NOTAM).
De ontheffing wordt voorts verleend onder de voorwaarde dat de vastgelegde geluidszone niet wordt overschreden.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005 en vervalt op 1 januari 2008.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Hoofddorp, 23 december 2004.
De Staatssecretaris van Verkeer
en Waterstaat,namens deze,
de directeur-hoofdinspecteur van
de Divisie Luchtvaart a.i.,
namens deze,
wnd. hoofd van de Unit Infrastructuur,
J.H.
Wilbrink.
's-Gravenhage, 23 december 2004.
De Staatssecretaris van
Defensie,voor deze,
de Luchtvaartautoriteit Koninklijke Luchtmacht,
E.H.
Evers, generaal-majoor.
Tegen dit besluit kunnen belanghebbenden, op grond van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zes weken na de dag waarop het besluit bekend is gemaakt, een bezwaarschrift indienen bij de Staatssecretaris van Defensie, Postbus 20701, 2500 ES 's-Gravenhage.
In de Luchtvaartwet wordt voor de toepassing van het bij of krachtens de Luchtvaartwet bepaalde, verstaan onder `Onze Minister' voor wat betreft de burgerluchtvaart en de algemene verkeersveiligheid in de lucht, de Minister van Verkeer en Waterstaat. Voor wat de militaire luchtvaart betreft wordt onder `Onze Minister', de Minister van Defensie verstaan. Op een verzoek tot medegebruik van een militair luchtvaartterrein door burgerluchtvaartuigen zal de Minister van Defensie beoordelen of hij het militaire luchtvaartterrein wil openstellen. De Minister van Verkeer Waterstaat zal beoordelen of het medegebruik van het militaire luchtvaartterrein door burgerluchtvaartuigen voldoet aan de voor de burgerluchtvaart geldende veiligheidseisen.
Het rijksbeleid voor het burgermedegebruik van militaire luchtvaartterreinen ligt vast in het Structuurschema Militaire Terreinen (SMT) en de nota Regionale luchthavenstrategie (RELUS). In het SMT is aangegeven dat de recreatieve luchtvaart mogelijk blijft indien daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid en de taakuitvoering van de militaire luchtvaart, met inachtneming van de geluidhinderproblematiek. Onderhavige ontheffing past in het huidige beleid van de betrokken ministeries. Indien dit beleid in het kader van de herziening van de in procedure gebrachte structuurschema militaire terreinen-2 zodanig zal worden gewijzigd dat dit rechtstreeks van invloed is op dit besluit, zal door middel van een wijzigingsbesluit tot aanpassing worden overgegaan.
De leden van de Eindhovense Aero Club Motorvliegen mogen gebruik maken van het luchtvaartterrein Eindhoven met inachtneming van de tijden en voorwaarden zoals opgenomen in de algemene en bijzondere voorwaarden betreffende het medegebruik van militaire luchtvaartterreinen door derden. De actuele openstellingstijden worden gepubliceerd in de MilAIP en NOTAM's.
Ten aanzien van de geluidsbelasting is het volgende van belang. De luchtvaartuigen van de EACm behoren tot de zogenaamde kleine luchtvaart. In de Luchtvaartwet is vastgelegd dat de geluidsbelasting door startende en landende vliegtuigen van een luchtvaartterrein wordt berekend. De geluidsbelasting door de grote civiele en militaire luchtvaart wordt berekend op jaarbasis en wordt uitgedrukt in Kosteneenheden. De geluidsbelasting wordt berekend volgens een daartoe vastgesteld berekeningsvoorschrift en met inachtneming van het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaart (BGGL). Deze systematiek is van toepassing op alle vliegtuigen met uitzondering van vaste vleugelvliegtuigen met schroefaandrijving lichter dan 6000 kg. Voor de - in de Ke-systematiek uitgesloten categorie - kleine luchtvaart wordt de geluidsbelasting uitgedrukt in de eenheid bkl. Ook hiervoor is een berekeningsvoorschrift vastgesteld. De beoordeling van de geluidsbelasting in bkl geldt - op basis van het Besluit geluidsbelasting kleine luchtvaart (BGKL) - evenwel niet wanneer de bkl zone geheel binnen een Ke zone valt. In dat geval is het regime van de Ke zonering dominant. Met de wijziging van de Luchtvaartwet in 1994 is echter bepaald dat vliegtuigbewegingen van luchtvaartuigen met een toegelaten totaalmassa van minder dan 6000 kg, maar meer dan 390 kg, voorzover dit hefschroefvliegtuigen betreft dan wel deze luchtvaartuigen gebruik maken van dezelfde aan- en uitvliegroutes als de luchtvaartuigen van ten minste 6000 kg, dan wel de vliegpatronen van deze luchtvaartuigen overeenkomen met die van luchtvaartuigen van tenminste 6000 kg moeten worden meegenomen in de berekening van de geluidsbelasting in Kosteneenheden.
Ten aanzien van de geluidszone van het militair luchtvaartterrein Eindhoven het volgende. De Kroon heeft in 1979 (Supplement Stcrt. van 14 september 1979, nr. 179) in het kader van de ter gelegenheid van de baanverlegging van het militaire luchtvaartterrein Eindhoven gevolgde beroepsprocedure betreffende de aanwijzing van dit luchtvaartterrein bepaald, dat de geluidsbelasting nabij het militaire luchtvaartterrein Eindhoven de grens van 35 Kosteneenheden (Ke), zoals aangegeven op de bij de beschikking behorende kaart berekeningsnummer 780519121143 van mei 1978, niet mag overschrijden. De op deze kaart aangegeven 35 Ke-lijn is gebaseerd op een prognose van 4475 sorties met militaire vliegtuigen en 18050 civiele vliegtuigbewegingen bij het luchtvaartterrein Eindhoven in het jaar 1985. Dit betreft vliegtuigbewegingen zoals uitgevoerd door vliegtuigen met uitzondering van vaste vleugelvliegtuigen met schroefaandrijving met een maximaal toegelaten totaalgewicht van minder dan 6000 kg. De kaart met de geluidscontouren is als indicatieve geluidszone opgenomen in het Structuurschema Militaire Terreinen (SMT), en als zodanig met de vaststelling van het SMT in 1985 vastgelegd.
Door de vastlegging in 1979 van de indicatieve Ke-geluidszone voor het militair luchtvaartterrein Eindhoven is geoordeeld dat geen verplichting tot het vaststellen van een bkl-geluidszone zou bestaan, zolang de geluidsbelasting ten gevolge van de kleine luchtvaart, volgens de normering van deze geluidsbelasting en de berekeningsvoorschriften in die tijd, de grenzen van de Ke-geluidscontour niet zou gaan overschrijden.
Overigens wordt thans gewerkt aan de totstandkoming van een definitieve geluidszone. In 1999 is de zoneringsprocedure stopgezet omdat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 december 1998 inzake luchtvaartterrein Volkel is gebleken dat het niet mogelijk was om een geluidszone vast te stellen zonder daartoe de volledige aanwijzingsprocedure te doorlopen van de (in 1994 gewijzigde) Luchtvaartwet. Deze volledige procedure vergt onder meer dat het vaststellen van de geluidszone moet worden uitgevoerd als wijziging van het aanwijzingsbesluit, alsmede, daaraan voorafgaand het opstellen van een milieu-effectrapport (m.e.r.). In september 2000 is hiertoe de startnotitie uitgebracht en is de mogelijkheid geboden daarop in te spreken. De richtlijnen voor het m.e.r. zijn, nadat de Commissie voor de Milieu-effectenrapportage daarover in december 2000 advies heeft uitgebracht, in juni 2001 vastgesteld. In februari 2001 is in het EG Publicatieblad een uitnodiging geplaatst voor gegadigden voor de aanbesteding. Dit aanbestedingstraject is in november 2001 afgerond. Aansluitend is een aanvang gemaakt met het m.e.r.-onderzoek. Eind 2004 wordt het Milieu Effect Rapport MER) voor het Militair Luchtvaartterrein Eindhoven aan het bevoegd gezag aangeboden.
Sinds 1932 zijn veelvuldig vliegtuigbewegingen met kleine luchtvaartuigen uitgevoerd. Voor zover deze vliegtuigbewegingen moeten worden gerekend tot de Bggl-geluidsnormering tellen deze normaal mee in de berekening van de geluidsbelasting, welke wordt uitgedrukt in Kosteneenheden. Voor de overige vliegtuigbewegingen is geen afzonderlijke normering van kracht, omdat geen bkl-geluidszone rond het luchtvaartterrein aanwezig is.
Indien kleine luchtvaartuigen gebruik maken van de grote routes, worden deze geregistreerd door middel van het zogenaamde RAMZAL-systeem (Registration of Aircraft Movements for Zoning at Airbase Level). In dit systeem worden gegevens over vliegtuigen en vliegtuigbewegingen ingevoerd. Het systeem bewerkt en cumuleert deze vervolgens voor aanlevering aan het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR), dat vervolgens ieder jaar met behulp van de ingevoerde gegevens de geluidsbelasting, die in het voorafgaande jaar is veroorzaakt door het totaal aantal opstijgende en landende vliegtuigen, berekent en rapporteert. De berekening geschiedt volgens het Voorschrift voor de berekening van de geluidsbelasting in Kosteneenheden (Ke) ten gevolge van het vliegverkeer, het resultaat wordt gepresenteerd in de vorm van geluidscontouren. Door middel van vergelijking van deze berekende actuele jaarcontouren met de indicatieve geluidszone kan worden vastgesteld of de indicatieve geluidszone in het desbetreffende jaar is overschreden.
De rapportages over de afgelopen jaren laten zien dat de geluidszone van het militaire luchtvaartterrein Eindhoven in die jaren niet is overschreden. Een groot gedeelte van de civiele vliegtuigbewegingen valt niet onder de Ke-normering. Theoretisch zou sprake kunnen zijn van een dermate groot aandeel van de kleine luchtvaart in het totaal aantal vliegtuigbewegingen dat een op basis daarvan berekende bkl-geluidszone de vastgelegde, indicatieve Ke-geluidszone op enig punt zou kunnen overschrijden, waarmee de verplichting zou ontstaan de bkl-geluidszone rond dit luchtvaartterrein vast te stellen.
Voor het militair luchtvaartterrein Eindhoven is in het kader van de lopende m.e.r.-procedure een fictieve Bkl-geluidszone berekend op basis van 23.808 vliegtuigbewegingen door de zogenaamde kleine luchtvaart. De op dat aantal berekende fictieve bkl-geluidszone voor Eindhoven viel ruim binnen de indicatief vastgestelde Ke-geluidszone rond de vliegbasis Eindhoven. Dit feit leidt tot de constatering dat het aantal van 12.000 vliegtuigbewegingen t.b.v. sportvluchten, die met de ontheffing mogelijk zijn, niet leiden tot de verplichting een bkl-geluidszone vast te stellen.
Desondanks is thans besloten in de ontheffing een limitering op te nemen voor wat betreft het aantal vliegtuigbewegingen. De limitering is gebaseerd op de hoeveelheid vliegtuigbewegingen die door de EACm in de afgelopen jaren is uitgevoerd. Van 1999 tot en met 2003 betrof dit respectievelijk 9.790, 12.084, 8.573, 10.027 en 9.278 vliegtuigbewegingen. Met het jaarlijks aantal van 12.000 vliegtuigbewegingen wordt de EACm in staat gesteld hetzelfde vliegprogramma uit te voeren als in de afgelopen jaren. Tegelijkertijd wordt met dit aantal vooruitgelopen op ontwikkelingen in de luchtvaartwetgeving, waarbij wordt onderkend dat de verschillende vormen van gebruik inzichtelijk en handhaafbaar dienen te zijn.
Toetsing aan andere milieuparameters heeft niet plaatsgevonden, aangezien de ontheffing een verlenging betreft van een reeds bestaand uitvoeringsbesluit op grond van de Luchtvaartwet en zich geen (significante) intensivering voordoet t.o.v. het maximum van 12.084 wat in het jaar 2000 heeft plaatsgevonden, nu het maximum aantal op 12.000 vliegtuigbewegingen per jaar is gesteld, voor de eerstkomende jaren.
In de onmiddellijke nabijheid van de militaire luchtvaartterreinen is een Habitatrichtlijngebied gelegen. Ten aanzien van het verzoek om voortzetting van het bestaande medegebruik kan worden gesteld dat er geen redenen zijn aan te nemen dat als gevolg van dit voortgezette gebruik significante effecten zullen optreden waarvoor het gebied is aangewezen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2004-250-p11-SC68244.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.