Wijziging Regeling bekostiging financieel toezicht

Regeling van de Minister van Financiën van 16 december 2004, Directie Financiële Markten, nr. FM 2004-1598, tot wijziging van de Regeling bekostiging financieel toezicht

De Minister van Financiën,

Gelet op de artikelen 28 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, 42 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, 91, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, 186, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en 7 van de Wet inzake de geldtransactiekantoren;

Besluit:

Artikel I

De Regeling bekostiging financieel toezicht1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt na ‘artikel 16, eerste lid’ ingevoegd: of 26a, eerste lid.

2. In het vierde lid, wordt ‘niet in Nederland gevestigde effecteninstelling’ vervangen door: in een andere lidstaat gevestigde effectenbemiddelaar als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 3°, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

B

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vervanging van de punt aan het slot door een komma wordt aan het zevende lid toegevoegd:

met uitzondering van het deel van het bedrag dat strekt ter vergoeding van de kosten ter uitvoering van artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Ten aanzien van laatstbedoelde kosten wordt door de Autoriteit Financiële Markten slechts voor één categorie of subcategorie een bedrag in rekening gebracht.

2. Er wordt een achtste lid toegevoegd:

8. Voor zover het bedrag, bedoeld in het eerste lid, strekt ter vergoeding van de kosten ter uitvoering van het Besluit financiële bijsluiter wordt dit door de Autoriteit Financiële Markten niet in rekening gebracht, indien de desbetreffende onder toezicht staande instelling geen complexe producten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit financiële bijsluiter aanbiedt.

C

Aan artikel 12 wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma een onderdeel ingevoegd, luidende:

i. kredietinstellingen of financiële instellingen als bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

D

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b komt te luiden:

b. subcategorieën van effecteninstellingen:

1°.  in Nederland gevestigde effecteninstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland effectendiensten aanbieden of verrichten;

2°. in Nederland gevestigde effecteninstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die niet of niet uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland effectendiensten aanbieden of verrichten;

3°. niet in Nederland gevestigde effecteninstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland effectendiensten aanbieden of verrichten;

4°. niet in Nederland gevestigde effecteninstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die niet uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland effectendiensten aanbieden of verrichten;

5°. ondernemingen of instellingen als bedoeld in artikel 6 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder h, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 als effecteninstelling diensten mogen aanbieden of verrichten;

6°. ondernemingen of instellingen als bedoeld in artikel 31 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder h, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 als effecteninstelling diensten mogen aanbieden of verrichten;

7°. ondernemingen of instellingen als bedoeld in artikel 32 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder h, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 als effecteninstelling diensten mogen aanbieden of verrichten;

8°. ondernemingen of instellingen als bedoeld in artikel 38 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder h, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 als effecteninstelling diensten mogen aanbieden of verrichten;

9°. effecteninstellingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder i, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 ten aanzien waarvan een kennisgeving is ontvangen overeenkomstig dat artikel;

10°. effecteninstellingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder j, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die een kennisgeving hebben gezonden overeenkomstig dat artikel;

11°. effecteninstellingen waarop een vrijstelling van toepassing is als bedoeld in artikel 12 van de Vrijstellingsregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995;

12°. effecteninstellingen waarop een vrijstelling van toepassing is als bedoeld in artikel 14 van de Vrijstellingsregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995;

13°. effecteninstellingen waarop een vrijstelling van toepassing is als bedoeld in artikel 15 van de Vrijstellingsregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995;

2. De onderdelen c tot en met e worden verletterd tot d tot en met f.

3. Er wordt na onderdeel b een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. subcategorieën van houders van effectenbeurzen:

1°. houders van een effectenbeurs waaraan een erkenning is verleend als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

2°. houders van een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 22, vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

3°. houders van effectenbeurzen waaraan ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 25 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

4. In onderdeel d (nieuw) , onder 3°, wordt ‘aandelen’ vervangen door: effecten.

5. Onderdeel f (nieuw) komt te luiden:

f. subcategorieën van verzekeraars:

1°. schadeverzekeraars met een vergunning als bedoeld in artikel 24 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 die uitsluitend grote risico’s verzekeren;

2°. andere schadeverzekeraars dan bedoeld onder 1° die uitsluitend grote risico’s verzekeren;

3°. schadeverzekeraars met een vergunning als bedoeld in artikel 24 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 die niet uitsluitend grote risico’s verzekeren;

4°. andere schadeverzekeraars dan bedoeld onder 3° die niet uitsluitend grote risico’s verzekeren;

5°. levensverzekeraars met een vergunning als bedoeld in artikel 24 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993;

6°. andere levensverzekeraars dan bedoeld onder 5°;

7°. natura-uitvaartverzekeraars;

8°. onderlinge waarborgmaatschappijen als bedoeld in artikel 2 van het Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994;

9°. onderlinge waarborgmaatschappijen als bedoeld in artikel 3 van het Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994;

E

Artikel 14, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen e en f worden verletterd tot f en g.

2. Er wordt na onderdeel d een onderdeel ingevoegd, luidende:

e. houders van effectenbeurzen als bedoeld in artikel 13, onderdeel c, onder 1°: het aantal effectentransacties totstandgekomen op de effectenbeurs;.

F

In artikel 17, eerste lid, onderdeel d, wordt na ‘geldtransacties, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren’ ingevoegd: over een periode van twaalf maanden.

G

Artikel 22, tweede lid, eerste volzin, komt te luiden:

Voor de categorie van instellingen, genoemd in artikel 12, onderdeel i, de subcategorieën van effecteninstellingen, genoemd in de artikelen 13, onderdeel b, onder 3°, 4° en 6° tot en met 13° en 16, onderdelen c tot en met e, de subcategorieën van houders van een effectenbeurs, genoemd in artikel 13, onderdeel c, onder 2° en 3°, de subcategorieën van effectenuitgevende instellingen, genoemd in artikel 13, onderdeel d, de subcategorieën van vennootschappen, genoemd in artikel 13, onderdeel e, en de subcategorieën van verzekeraars, bedoeld in artikel 13, onderdeel f, onder 2°, 4°, 6°, 8° en 9°, stelt de minister op voorstel van de toezichthoudende autoriteit jaarlijks voor 1 juli de hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 11, eerste lid, vast.

Artikel II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën, G. Zalm.

Toelichting

I. Algemeen

Deze regeling strekt tot wijziging van de Regeling bekostiging financieel toezicht. De wijziging houdt in hoofdzaak verband met recente ontwikkelingen met betrekking tot houders van effectenbeurzen. De samenstelling van de in Nederland aanwezige beurzen is inmiddels veranderd. Tot voor kort was er in Nederland één instelling waaraan een erkenning voor het houden van een effectenbeurs was verleend in de zin van artikel 22 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995). Inmiddels zijn dat er meer. Verder is van de gelegenheid gebruik gemaakt de Regeling bekostiging financieel toezicht op een aantal andere onderdelen te wijzigen. Deze wijzigingen zijn veelal meer technisch van aard. Onderhavige wijzigingsregeling brengt geen nieuwe administratieve lasten voor het bedrijfsleven met zich mee.

II. Onderdelen

Onderdeel A

De toevoeging in het eerste lid, onderdeel c, strekt ertoe een heffing mogelijk te maken ter vergoeding van de kosten van de behandeling van een aanvraag om een verklaring van geen bezwaar in een effectenbeurs in de zin van artikel 26a van de Wte 1995.

Met de beperking van het vierde lid wordt nauwer aangesloten bij de oorspronkelijk bedoeling van de bepaling (het oude artikel 5, vijfde lid, tweede volzin, van de Regeling toezichtskosten Wet toezichteffectenverkeer 1995). Het betreft de voortzetting van de bestaande praktijk dat effecteninstellingen uit andere lidstaten die uitsluitend effectendiensten verrichten voor eigen rekening in Nederland en die reeds onder adequaat toezicht staan, geen heffing voor de behandeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 7 van de Wte 1995 opgelegd krijgen.

Onderdeel B

Dit onderdeel betreft een tweetal aanvullingen op artikel 11. De eerste betreft het zevende lid. In dat lid is het uitgangspunt neergelegd dat een onder toezicht staande instelling die valt onder meerdere (sub)categorieën van onder toezicht staande instellingen voor elk van die categorieën een bedrag in rekening krijgt gebracht ter vergoeding van de zogeheten reguliere toezichtkosten. Thans wordt geregeld dat dit uitgangspunt voortaan uitzondering lijdt, voor zover het de doorberekening van de kosten betreft die samenhangen met de uitoefening van het zogeheten effectentypisch gedragstoezicht. Gebleken is namelijk dat de werkzaamheden die de AFM verricht ten aanzien van het effectentypisch gedragstoezicht niet of nauwelijks toenemen, indien een onder toezicht staande instelling naast een vergunning uit hoofde van de ene wet, bijvoorbeeld de Wte 1995, een vergunning verkrijgt uit op grond van een andere financiële toezichtwet, bijvoorbeeld de Wet toezicht beleggingsinstellingen. Het (deel)bedrag met de kosten voor effectentypisch gedragstoezicht dat het beste aansluit bij de werkelijke toezichtinspanning zal in rekening worden gebracht.

De tweede aanvulling betreft een nieuw achtste lid. Op grond van dit lid brengt de AFM de kosten van het toezicht uit hoofde van het Besluit financiële bijsluiter niet in rekening aan een onder toezicht staande instelling, indien de desbetreffende onder toezicht staande instelling hoewel daartoe gerechtigd geen complexe producten aanbiedt.

Onderdeel C

Aan artikel 12 is een nieuwe categorie instellingen toegevoegd. Het zijn kredietinstellingen die geen effectendiensten verlenen en die op grond van artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995) dienen te voldoen aan regels van effectentypisch gedragstoezicht. Ingevolge artikel 42 van die wet kunnen de kosten die verband houden met het toezicht op de naleving van die regels worden doorberekend.

Onderdelen D en F

Onderdeel b (subcategorieën van effecteninstellingen onder toezicht van de AFM) van artikel 13 is opnieuw vastgesteld. De vernieuwing betreft de invoeging van het woord ‘(niet) uitsluitend’ in de onderdelen 1 en 2. Hiermee wordt bereikt dat in Nederland gevestigde effecteninstellingen met een vergunning die uitsluitend handelen voor eigen rekening vallen onder de subcategorie, genoemd in onderdeel 1. Alle overige in Nederland gevestigde effecteninstellingen met een vergunning vallen onder de subcategorie, genoemd in onderdeel 2. De laatste groep kan niet meer tevens op basis van onderdeel 1 worden aangeslagen, ingeval er ook voor eigen rekening gehandeld wordt. Ten tweede wordt in artikel 13 voor de kredietinstellingen die als effecteninstelling diensten mogen verrichten voortaan, kort gezegd, een onderscheid gemaakt tussen vergunninghouders en instellingen die op basis van een andere geldige publiekrechtelijke titel (onder meer Europees paspoort) diensten verrichten. Een dergelijke uitsplitsing van de subcategorieën is ook aangebracht in onderdeel f. Met bedoelde uitsplitsingen wordt het mogelijk om groepen van (buitenlandse) instellingen ten aanzien waarvan de toezichtinspanning nagenoeg nihil is een lagere heffing op te leggen. In onderdeel f zijn ook aparte subcategorieën opgenomen voor de onderlinge waarborgmaatschappijen in de zin van de artikelen 2 en 3 van het Besluit onderlinge waarborgmaatschappijen 1994. Achtergrond hiervan is dat het wenselijk is voor deze groepen een apart vast bedrag op basis van artikel 22, tweede lid, in rekening te brengen.

In artikel 13 is voorts een nieuw onderdeel c ingevoegd. Dit onderdeel bevat een drietal subcategorieën van houders van effectenbeurzen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen houders met een erkenning op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wte 1995, houders van een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 22, vierde lid, en houders van een ontheffing als bedoeld in artikel 25 van die wet. Dit onderscheid is gerechtvaardigd, aangezien het toezicht van de AFM op de laatstbedoelde twee groepen aanmerkelijk minder intensief is dan op de eerstbedoelde groep.

Onderdeel E

In artikel 14 wordt een heffingsmaatstaf vastgesteld voor houders van een effectenbeurs in de zin van artikel 22, eerste lid, van de Wte 1995. Gelet op de veranderde samenstelling van de markt van effectenbeurzen wordt doorberekening van toezichtkosten via een zogenoemd vast bedrag namelijk niet langer passend geacht.

Onderdeel G

Het tweede lid van artikel 22 is aangepast aan de gewijzigde (sub)categorieën in de artikelen 12 en 13.

  • 1

    Stcrt. 2003, 249; laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 8 oktober 2004 (Stcrt. 199).

Naar boven