Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2004, 249 pagina 22Overig

Bijstellingsregeling 2005

17 december 2004

Nr. WDB 2004/758M

Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken/Directie Wetgeving Directe Belastingen

De Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op afdeling 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de artikelen 30a, 31 en 33 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, artikel 35a van de Successiewet 1956, artikel 8 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen en artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken;

Besluit:

Artikel I

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2.10 worden de bedragen in de tarieftabel zodanig vervangen dat die tabel komt te luiden:

Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

I

II

III

IV

€ 16 493

1,50%

€ 16 493

€ 29 957

€ 247

8,45%

€ 29 957

€ 51 362

€ 1 384

42%

€ 51 362

€ 10 374

52%

B

In artikel 3.19, tweede lid, worden ‘1,15%’, ‘€ 136’, ‘1,45%’, ‘1,65%’, ‘1,80%’, ‘2,05%’ en ‘€ 20 650’ vervangen door respectievelijk 0,80%, € 100, 1,00%, 1,15%, 1,25%, 1,40% en € 21 250.

C

In artikel 3.41, tweede lid, worden de bedragen zodanig vervangen dat de tekst van dat voorschrift komt te luiden:

2. Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van:

meer dan

maar niet meer dan

bedraagt het percentage

€ 2 000

0

€ 2 000

€ 34 000

25

€ 34 000

€ 66 000

22

€ 66 000

€ 97 000

19

€ 97 000

€ 129 000

16

€ 129 000

€ 161 000

13

€ 161 000

€ 193 000

11

€ 193 000

€ 226 000

8

€ 226 000

€ 258 000

5

€ 258 000

€ 290 000

3

€ 290 000

0

D

In artikel 3.42, vierde lid, wordt ‘€ 106 000 000’ telkens vervangen door: € 107 000 000.

E

In artikel 3.68, eerste lid, wordt ‘€ 10 799’ vervangen door: € 10 951.

F

Artikel 3.76 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid worden de bedragen zodanig vervangen dat de tekst van dat voorschrift komt te luiden:

2. Bij een winst

gelijk aan of meer dan

maar minder dan

bedraagt de zelfstan-

digenaftrek

€ 13 030

€ 6678

€ 13 030

€ 15 115

€ 6208

€ 15 115

€ 17 205

€ 5740

€ 17 205

€ 49 275

€ 5116

€ 49 275

€ 51 360

€ 4669

€ 51 360

€ 53 450

€ 4176

€ 53 450

€ 55 530

€ 3685

€ 55 530

€ 3239

2. In het derde lid wordt ‘€ 1941’ vervangen door: € 1969.

G

Artikel 3.77 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 11 000’ vervangen door: € 11 154.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 5500’ vervangen door: € 5577.

H

Artikel 3.87 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid worden de bedragen in de tabel zodanig vervangen dat die tabel komt te luiden:

Bij een reisafstand per openbaar vervoer

   

van meer dan

maar niet meer dan

op jaarbasis

10 km

10 km

15 km

€ 392

15 km

20 km

€ 524

20 km

30 km

€ 880

30 km

40 km

€ 1091

40 km

50 km

€ 1424

50 km

60 km

€ 1583

60 km

70 km

€ 1757

70 km

80 km

€ 1817

80 km

€ 1842

2.

In het vijfde lid, onderdeel b, wordt ‘€ 1816’ vervangen door: € 1842.

3.

In het zesde lid wordt ‘€ 1816’ vervangen door: € 1842.

I

In artikel 3.97, tweede lid, onderdeel a, wordt ‘€ 3710’ vervangen door: € 3821.

J

Artikel 3.112 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden ‘0,30%’, ‘0,50%’, ‘0,65%’, ‘0,85%’ en ‘€ 8500’ vervangen door respectievelijk 0,20%, 0,35%, 0,45%, 0,60% en € 8750.

2. In het vijfde lid worden ‘1,4%’ en ‘€ 8500’ vervangen door 1%, respectievelijk € 8750.

K

In artikel 3.114, eerste lid, wordt ‘€ 3710’ vervangen door: € 3821.

L

In artikel 3.118, eerste lid, worden ‘€ 137 500’ en ‘€ 31 200’ vervangen door € 139 500, respectievelijk € 31 700.

M

Artikel 3.125 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘€ 62 414’ vervangen door: € 63 288.

2. In het eerste lid, onderdeel d, wordt ‘€ 18 727’ vervangen door: € 18 990.

N

Artikel 3.127 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘€ 6244’ telkens vervangen door ‘€ 6332’ en wordt ‘€ 12 335’ vervangen door ‘€ 12 508’.

2. In het derde lid worden ‘€ 10 571’ en ‘€ 145 219’ vervangen door € 10 719, respectievelijk € 147 253.

O

Artikel 3.129 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, wordt ‘€ 396 054’ vervangen door: € 401 599.

2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘€ 198 031’ vervangen door: € 200 804.

3. In het tweede lid, onderdeel c, wordt ‘€ 99 020’ vervangen door: € 100 407.

P

Artikel 5.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 19 252’ vervangen door: € 19 522.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 38 504’ vervangen door: € 39 044.

3. In het vierde lid worden ‘€ 19 252’, ‘€ 38 504’ en ‘€ 2571’ vervangen door respectievelijk € 19 522, € 39 044 en € 2607.

Q

Artikel 5.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘€ 254 784’ vervangen door: € 258 351.

2. In het eerste lid worden de bedragen van de tabel in de laatste volzin zodanig vervangen dat de tekst komt te luiden:

Bij een inkomen uit werk en woning vóór inachtneming van de persoonsgebonden aftrek van:

meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de ouderen-

toeslag

€ 13 207

€ 25 842

€ 13 207

€ 18 373

€ 12 921

€ 18 373

nihil

3. In het tweede lid worden ‘€ 254 784’ en ‘€ 509 568’ vervangen door € 258 351, respectievelijk € 516 702.

R

In artikel 5.10, onderdeel a, wordt ‘€ 6244’ telkens vervangen door: € 6332.

S

Artikel 5.13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 51 390’ vervangen door: € 52 110.

2. In het derde lid wordt ‘€ 102 780’ vervangen door: € 104 220.

T

Artikel 5.16 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 51 390’ vervangen door: € 52 110.

2. In het derde lid wordt ‘€ 102 780’ vervangen door: € 104 220.

U

In artikel 6.18, tweede lid worden ‘€ 27 344’, ‘€ 41 017’ en ‘€ 54 688’ telkens vervangen door respectievelijk € 27 727, € 41 592 en € 55 454.

V

In artikel 6.20, tweede lid, wordt ‘€ 776’ vervangen door: € 787.

W

Artikel 6.20a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 307’ vervangen door: € 311.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 776’ vervangen door: € 787.

X

In artikel 6.21, tweede lid, wordt ‘€ 776’ vervangen door: € 787.

Y

Artikel 6.22 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 307’ vervangen door: € 311.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 776’ vervangen door: € 787.

Z

Artikel 6.24 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, worden ‘€ 6804’ en ‘€ 762’ vervangen door € 6902, respectievelijk € 773.

2. In het tweede lid, onderdeel b, worden ‘€ 6804’ en ‘€ 53 000’ vervangen door € 6902, respectievelijk € 53 750.

3. In het tweede lid, onderdeel c, worden ‘€ 53 000’ en ‘€ 5936’ vervangen door € 53 750, respectievelijk € 6020.

4. In het derde lid worden ‘€ 6804’, ‘€ 13 608’, ‘€ 762’ en ‘€ 1524’ vervangen door respectievelijk € 6902, € 13 804, € 773 en € 1546.

AA

In artikel 6.31, eerste lid, onderdeel a, worden ‘1,15%’, ‘€ 136’ en ‘€ 12 150’ vervangen door respectievelijk 0,80%, € 100 en € 12 500.

AB

In artikel 8.10, tweede lid, wordt ‘€ 1825’ vervangen door: € 1851.

AC

Artikel 8.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, worden ‘1,753%’ en ‘€ 142’ vervangen door 1,778%, respectievelijk € 144.

2. In het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, wordt ‘11,213%’ vervangen door 11,867%.

3. In het tweede lid, derde volzin, wordt ‘€ 1269’ vervangen door: € 1287.

4. In het derde lid, onderdeel a, worden ‘13,737%’ en ‘€ 1510’ vervangen door 14,410%, respectievelijk € 1532.

5. In het derde lid, onderdeel b, worden ‘16,250%’ en ‘€ 1750’ vervangen door 16,933%, respectievelijk € 1775.

6. In het derde lid, onderdeel c, worden ‘18,773%’ en ‘€ 1991’ vervangen door 19,466%, respectievelijk € 2019.

AD

Artikel 8.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘€ 59 612’ vervangen door: € 60 447.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 110’ vervangen door: € 112.

AE

Artikel 8.13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘€ 29 807’ vervangen door: € 30 225.

2. In het tweede lid, onderdeel a, worden ‘€ 28 097’ en ‘€ 547’ vervangen door € 28 491, respectievelijk € 555.

3. In het tweede lid, onderdeel b, worden ‘€ 28 097’, ‘€ 29 807’ en ‘€ 363’ vervangen door respectievelijk € 28 491, € 30 225 en € 369.

4. In het derde lid wordt ‘€ 64’ vervangen door: € 65.

AF

Artikel 8.14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘€ 4306’ vervangen door: € 4366.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 224’ vervangen door: € 228.

AG

In artikel 8.14a, tweede lid, wordt ‘€ 383’ vervangen door: € 389.

AH

In artikel 8.15, tweede lid, wordt ‘€ 1381’ vervangen door: € 1401.

AI

In artikel 8.16, tweede lid, wordt ‘€ 1381’ vervangen door: € 1401.

AJ

In artikel 8.16a, tweede lid, wordt ‘€ 531’ vervangen door: € 539.

AK

Artikel 8.17 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 30 303’ vervangen door: € 30 728.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 418’ vervangen door: € 424.

AL

In artikel 8.18, tweede lid, wordt ‘€ 248’ vervangen door: € 252.

AM

In artikel 9.4, eerste lid, wordt ‘€ 217’ vervangen door: € 221.

AN

Artikel 10.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onderdeel a, wordt ‘€ 307’ vervangen door: € 311.

2. In het vijfde lid, onderdeel a, wordt ‘€ 307’ vervangen door: € 311.

Artikel II

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 7 wordt ‘€ 17 806’ vervangen door: € 17 805.

B

In artikel 14, derde lid, wordt ‘€ 20 793’ vervangen door: € 20 791.

C

Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onderdeel a, wordt ‘€ 20 027’ vervangen door: € 20 025.

2. In het derde lid, onderdeel b, wordt € 23 015’ vervangen door: € 23 012.

Artikel III

De Successiewet 1956 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 24, eerste lid, worden de bedragen in de tarieftabel zodanig vervangen dat die tabel komt te luiden:

Gedeelte van de belaste verkrijging

Indien geërfd of verkregen wordt door:

  

I. echtgenoot, kinderen, afstammelingen in tweede of verdere graad, of een verkrijger als bedoeld in het tweede lid1)

II. broers, zusters, bloedverwanten in de rechte opgaande lijn

III. andere verkrijgers, uitgezonderd de rechtspersonen bedoeld in het vierde lid

  

a

b

a

b

a

b

0 -

21 509

0

5

0

26

0

41

21 509 -

43 013

1 075

8

5 592

30

8 818

45

43 013 -

86 017

2 795

12

12 043

35

18 494

50

86 017 -

172 026

7 955

15

27 094

39

39 996

54

172 026 -

344 044

20 856

19

60 637

44

86 440

59

344 044 -

860 095

53 539

23

136 324

48

187 930

63

860 095 en het hogere bedrag van de belaste verkrijging

172 230

27

384 028

53

513 042

68

1) Voor afstammelingen in de tweede of verdere graad bedraagt de belasting het ingevolge deze kolom verschuldigde, vermeerderd met 60% daarvan.

B

Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder 3°, wordt ‘€ 8483’ vervangen door: € 8602.

2. In het eerste lid, onder 4°, onderdeel a, wordt ‘€ 496 324’ vervangen door: € 503 273.

3. In het eerste lid, onder 4°, onderdeel b, worden ‘€ 4243’, ‘€ 8483’ en ‘€ 12 725’ vervangen door respectievelijk € 4303, € 8602 en € 12 904.

4. In het eerste lid, onder 4°, onderdeel c, wordt ‘€ 8483’ vervangen door: € 8602.

5. In het eerste lid, onder 4°, onderdeel d, worden ‘€ 8483’ en ‘€ 25 448’ vervangen door € 8602, respectievelijk € 25 805.

6. In het eerste lid, onder 4°, onderdeel e, worden ‘€ 496 324’, ‘€ 248 163’, ‘€ 198 527’, ‘€ 148 894’ en ‘€ 99 260’ vervangen door respectievelijk € 503 273, € 251 638, € 201 307, € 150 979 en € 100 650.

7. In het eerste lid, onder 4°, onderdeel f, wordt ‘€ 42 413’ vervangen door: € 43 007.

8. In het eerste lid, onder 6°, wordt ‘€ 8483’ vervangen door: € 8602.

9. In het eerste lid, onder 7°, wordt ‘€ 1839’ vervangen door: € 1865.

10. In het tweede lid worden ‘€ 12 725’ en ’€ 8483’ vervangen door € 12 904, respectievelijk € 8602.

11. In het derde lid worden ‘€ 141 807’ en ‘€ 70 909’ vervangen door € 143 793, respectievelijk € 71 902.

C

Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder 4°, wordt ‘€ 4243’ vervangen door: € 4303.

2. In het eerste lid, onder 5°, wordt ‘€ 4243’ telkens vervangen door ‘€ 4303’ en wordt ‘€ 21 209’ vervangen door ‘€ 21 506’.

3. In het eerste lid, onder 7°, wordt ‘€ 2546’ vervangen door: € 2582.

Artikel IV

De Kostenwet invordering rijksbelastingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3, eerste lid, wordt ‘€10 326’ vervangen door € 10 295.

B

In artikel 4, eerste lid, wordt ‘€ 49’ vervangen door: € 48.

Artikel V

In artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken worden ‘€ 130 429 475’, ‘€ 52 171 790’ en ‘€ 19 564 421’ vervangen door respectievelijk € 132 385 917, € 52 954 367 en € 19 857 887.

Artikel VI

In artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken wordt ‘€ 10 165’ telkens vervangen door: € 10 317.

Artikel VII

Indien het bij koninklijke boodschap van 1 juli 2004 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van belastingwetten in verband met noodzakelijk onderhoud (Fiscale onderhoudswet 2004) (Kamerstukken 2003–2004, 29 678) tot wet wordt verheven en in werking is getreden, wordt in artikel 3.77, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 ‘€ 13 068’ vervangen door: € 13 251.

Artikel VIII

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.

2. Deze regeling wordt aangehaald als: Bijstellingsregeling 2005.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Financiën, J.G. Wijn.

Toelichting

Algemeen

Deze regeling geeft uitvoering aan de indexeringsvoorschriften, neergelegd in afdeling 10.1, van de Wet IB 2001, de artikelen 30a, 31 en 33 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, artikel 35a van de Successiewet 1956, artikel 8 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen en artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken. De voor de inkomstenbelasting toegepaste indexering aan de hand van de in de artikelen 10.1 en 10.7 van de Wet IB 2001 bedoelde tabelcorrectie is ook van belang voor de loonbelasting. De artikelen 20a, tweede lid, en 22d van de Wet op de loonbelasting 1964 schrijven voor dat de in die artikelen vermelde bedragen en percentages bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege worden vervangen door de overeenkomstige bedragen en percentages van de artikelen 2.10, 8.10, 8.11, 8.16a, 8.17 en 8.18 van de Wet IB 2001.

Toepassing tabelcorrectiefactor

De bedragen die worden aangepast ingevolge artikel I, onderdelen A, C tot en met H, L tot en met Z, AB, AC, eerste lid en derde tot en met zesde lid, en AD tot en met AN, artikel III en artikel VII zijn bijgesteld op basis van de op de voet van artikel 10.2 van de Wet IB 2001 bepaalde tabelcorrectiefactor van 1,014.

In deze regeling (artikel I, onderdelen AG en AN) vindt voor het eerst bijstelling plaats met betrekking tot de aanvullende combinatiekorting (artikel 8.14a Wet IB 2001) en het bedrag genoemd in artikel 10.7, derde en vijfde lid, Wet IB 2001, waarmee rekening wordt gehouden bij de berekening bij het begin van het kalenderjaar van de percentages van de arbeidskorting als bedoeld in artikel 8.11, tweede lid, onderdeel b, en derde lid. Na bijstelling wordt het bedrag van artikel 8.14a, tweede lid, naar boven en het bedrag van artikel 10.7, derde en vijfde lid, naar beneden afgerond op hele euro’s.

Bijstelling van de bedragen en percentages van de bijtelling privé-gebruik woning, het eigenwoningforfait, de kamerverhuurvrijstelling en de vermindering van de uitgaven voor monumentenpanden

De bijstelling van de bedragen en percentages van de bijtelling privé-gebruik woning (artikel 3.19 Wet IB 2001), het eigenwoningforfait (artikel 3.112 Wet IB 2001), de kamerverhuurvrijstelling (artikelen 3.97 en 3.114 Wet IB 2001) en de vermindering van de uitgaven voor monumentenpanden (artikel 6.31 Wet IB 2001) vindt plaats ingevolge de artikelen 10.3, 10.4 en 10.6 van de Wet IB 2001. Bijstelling vindt plaats op basis van de verhouding van het indexcijfer woninghuren over juli 2004 tot dat cijfer over juli 2003. Dit resulteert in een bijstelling met de factor 113,8/110,5.

Op grond van artikel 10.3, vierde lid, dienen per 1 januari 2005, zijnde het begin van een kalenderjaar van een op grond van de Wet waardering onroerende zaken geldend tijdvak de in artikel 3.19, tweede lid, en artikel 3.112, eerste lid, laatstvermelde percentages voorts te worden bijgesteld met de verhouding van het gemiddelde van de eigenwoningwaarden die betrekking hebben op het voorafgaande tijdvak en het gemiddelde van die waarden die betrekking hebben op het per 1 januari 2005 aan te vangen tijdvak. Uit door de gemeenten aan de Waarderingskamer aangeleverde gegevens blijkt voor het nieuwe WOZ-tijdvak voor de eigenwoningen een gemiddelde waardestijging van 49% ten opzichte van het oude WOZ-tijdvak. De in artikel 10.3, vierde lid, bedoelde verhouding wordt daarom gesteld op 1:1,49.

1. Bijstelling bedrag en percentages privé-gebruik woning (artikel 3.19 Wet IB 2001) – artikel I, onderdeel B, van deze regeling

Het in artikel 3.19, tweede lid, laatstvermelde percentage en het in dat lid laatstvermelde bedrag luiden na bijstelling op grond van artikel 10.3, tweede lid, 2,1345%, respectievelijk € 21.288. Met toepassing van artikel 10.3, vierde lid, in verband met de aanvang van een nieuw WOZ-tijdvak wordt het genoemde percentage nader bijgesteld tot 1,4325%. Ingevolge artikel 10.5, eerste lid, vindt afronding plaats op 1,40%, respectievelijk € 21.250. Als basis voor de bijstelling voor 2005 gelden het genoemde niet-afgeronde percentage en niet-afgeronde bedrag.

Bijstelling van de vier eerstvermelde percentages vindt plaats op basis van artikel 10.3, zevende lid. Deze percentages zijn gelijk aan nihil, respectievelijk de drie eerstvermelde percentages van artikel 3.112, eerste lid, zoals deze luiden na bijstelling (zie hierna onder 2), telkens vermeerderd met het percentage van artikel 6.31, eerste lid, onderdeel a, zoals dat luidt na bijstelling (zie hierna onder 4). Aangezien de drie eerstvermelde percentages van artikel 3.112, eerste lid, worden vastgesteld op respectievelijk 0,20%, 0,35% en 0,45% en het percentage van artikel 6.31, eerste lid, onderdeel a, wordt vastgesteld op 0,80%, komen de vier eerstvermelde percentages van artikel 3.19, tweede lid, achtereenvolgens te luiden: 0,80%, 1,00%, 1,15% en 1,25%. Tevens is in artikel 3.19, tweede lid, en in artikel 6.31, eerste lid, onderdeel a, het bedrag van € 136 vervangen door € 100 om het bedrag in overeenstemming te brengen met 0,80% van € 12.500.

2. Bijstelling bedrag en percentages eigenwoningforfait (artikel 3.112 Wet IB 2001) – artikel I, onderdeel J, van deze regeling

Het in artikel 3.112, eerste lid, laatstvermelde percentage, luidt na bijstelling op grond van artikel 10.3, tweede lid 0,8988%. Na toepassing van artikel 10.3, vierde lid, in verband met de aanvang van een nieuw WOZ-tijdvak luidt dit percentage 0,6032%. Het in artikel 3.112, eerste lid, laatstvermelde bedrag en het in het vijfde lid vermelde bedrag luiden na bijstelling € 8.763. Ingevolge artikel 10.5, eerste lid, Wet IB 2001 vindt afronding plaats op 0,60%, respectievelijk € 8.750. Als basis voor de bijstelling voor 2005 gelden het genoemde niet-afgeronde percentage en niet-afgeronde bedrag. De in het eerste lid drie eerstvermelde percentages en het percentage in het vijfde lid worden op grond van artikel 10.3, vijfde lid, respectievelijk zesde lid, afgeleid van het in het eerste lid laatstvermelde percentage door dit percentage te vermenigvuldigen met respectievelijk 0,4, 0,6, 0,8 en 10/6. Met toepassing van het afrondingsvoorschrift van artikel 10.5, eerste lid, worden de drie eerstvermelde percentages van artikel 3.112, eerste lid, voor 2005 gesteld op respectievelijk 0,20%, 0,35% en 0,45% en wordt het percentage van artikel 3.112, vijfde lid, gesteld op 1,00%.

3. Bijstelling bedrag kamerverhuurvrijstelling (artikelen 3.97 en 3.114 Wet IB 2001) – artikel I, onderdelen I en K, van deze regeling

Bijstelling van het bedrag van de kamerverhuurvrijstelling resulteert in een bedrag voor 2005 van € 3821.

4. Bijstelling bedrag en percentage van de vermindering van de uitgaven voor monumentenpanden (artikel 6.31 Wet IB 2001) – artikel I, onderdeel AA, van deze regeling

Het in artikel 6.31, eerste lid, onderdeel a vermelde percentage en het aldaar laatstgenoemde bedrag luiden na bijstelling op grond van artikel 10.3, tweede lid, 1,2357%, respectievelijk € 12.525. Met toepassing van artikel 10.3, vierde lid, in verband met de aanvang van een nieuw WOZ-tijdvak wordt het genoemde percentage nader bijgesteld tot 0,8294%. Ingevolge artikel 10.5, eerste lid, van de Wet IB 2001 vindt afronding plaats op 0,80%, respectievelijk € 12.500. Als basis voor de bijstelling voor 2005 gelden het genoemde niet-afgeronde percentage en niet-afgeronde bedrag.

Indexering inkomensgrens en percentages arbeidskorting

De in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, van de Wet IB 2001 vermelde percentages en het aldaar in onderdeel b vermelde bedrag worden bijgesteld op basis van artikel 10.7 van genoemde wet en zijn opgenomen in artikel I, onderdeel AC, eerste en tweede lid, van deze regeling.

Het in onderdeel b vermelde bedrag wordt gesteld op het fiscale equivalent van 50% van het volwassenen-minimumloon per 1 januari 2005: € 8.101. Door de bevriezing van het wettelijk minimumloon en het voor 2005 ten opzichte van 2004 ongewijzigd blijven van het voor de bepaling van eerder genoemd fiscaal equivalent relevante percentage van de werkgeverspremie ingevolge de Ziekenfondswet is dit bedrag gelijk aan dat voor 2004. Het percentage van genoemd onderdeel a wordt berekend door het bedrag van de arbeidskorting genoemd in onderdeel a (voor 2005 na bijstelling op basis van artikel 10.1: € 144) te delen door het eerder genoemde bedrag van € 8.101. Het percentage van genoemd onderdeel b wordt berekend door het verschil tussen het bedrag van de maximale arbeidskorting genoemd in artikel 8.11, tweede lid, laatste volzin (voor 2005: € 1.287) en het eerder genoemde bedrag van € 144 te delen door het verschil van het fiscale equivalent van 108% van het volwassenen-minimumloon, verhoogd met € 311 (€ 17.733) en het fiscale equivalent van 50% van het volwassenen-minimumloon (€ 8.101), in cijfers (1.287–144)/(17.733–8.101) = 11,213%. Aanpassing van de percentages van het derde lid, onderdelen a, b en c, vindt op overeenkomstige wijze plaats waarbij het bedrag van € 1.287 telkens wordt vervangen door de in die onderdelen genoemde bedragen van de arbeidskorting.

Aanpassing van verschillende bedragen van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen

In artikel II van deze regeling worden een aantal bedragen van de afdrachtvermindering en de toetslonen van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen aangepast. Aanpassing van de bedragen van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, en achtste lid, ingevolge artikel 30a van genoemde wet is voor 2005 niet aan de orde. De aanpassing geschiedt normaliter door vermenigvuldiging van de te vervangen bedragen met de verhouding van het bedrag van het volwassenen-minimumloon per 1 januari van het kalenderjaar tot dat bedrag per 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar. Nu voor 2004 en 2005 het wettelijk minimumloon is bevroren op het niveau van 1 januari 2004 leidt dit niet tot aanpassing van genoemde bedragen. De bedragen van de afdrachtvermindering onderwijs opgenomen in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van genoemde wet zijn tot en met het jaar 2007 bevroren op grond van artikel IV, onderdeel A.5 en artikel VI van de Wet overige fiscale maatregelen 2004.

De aanpassing van de toetslonen van de afdrachtvermindering lage lonen, de afdrachtvermindering onderwijs en de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof en de in artikel 16b, eerste lid, vermelde maximum bedragen van de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof vindt plaats ingevolge artikel 31 van genoemde wet. Ingevolge artikel 33, vierde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen worden de toetslonen van de per 1 januari 2003 vervallen afdrachtvermindering langdurig werklozen, waarvoor in genoemd artikel overgangsrecht is vastgelegd, met ingang van 1 januari 2005 aangepast. Het toetsloon voor de afdrachtvermindering lage lonen wordt gesteld op het fiscale equivalent van 110,5% van het volwassenen-minimumloon per 1 januari 2005. Het toetsloon voor de afdrachtvermindering onderwijs wordt gesteld op het fiscale equivalent van 130% van het volwassenen-minimumloon per 1 januari 2005. De toetslonen voor de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof en de maximum bedragen van deze afdrachtvermindering worden gesteld op het fiscale equivalent van 70% van het minimum(jeugd)loon per 1 januari 2005. Door de bevriezing van het wettelijk minimumloon en het ongewijzigd blijven van het voor de berekening van genoemd fiscaal equivalent relevante premiepercentage van het werkgeversdeel van de ziekenfondspremie ondergaan de bedragen van de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof voor 2005 geen wijziging. De toetslonen voor de afdrachtvermindering langdurig werklozen worden gesteld op het fiscale equivalent van 125%, respectievelijk 144,5% van het volwassenen-minimumloon per 1 januari 2005.

Aanpassing bedragen in de Kostenwet invordering rijksbelastingen

De bijstelling van een aantal bedragen in de artikelen 2, 3 en 4 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen vindt plaats op basis van de op de voet van artikel 8 van deze wet bepaalde correctiefactor. Deze factor wordt berekend uit de indexcijfers van de ‘CAO-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen, CAO-sector overheid’ van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Omdat voor 1 december 2004 nog geen publicatie heeft plaatsgevonden van de relevante indexcijfers voor de maanden april tot en met juni 2004, zijn, met toepassing van het derde lid, vierde en vijfde volzin, van genoemd artikel 8, zoals dat luidt per 1 januari 2005, voor de bepaling van de correctiefactor de indexcijfers voor die maanden gesteld op het indexcijfer van de maand maart 2004 zoals gepubliceerd in het nummer van het Statistisch Bulletin waarin het indexcijfer over de maand juni 2004 voor het eerst, al dan niet voorlopig had moeten worden gepubliceerd.

De correctiefactor waarmee de in artikel 8, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen genoemde bedragen per 1 januari 2005 worden bijgesteld is, rekening houdend met rekenkundige afronding op 3 decimalen: 1,020. Ingevolge artikel XXI van de Wet overige fiscale maatregelen 2004 dient deze factor verlaagd te worden met 0,023, waardoor voor 2005 een correctiefactor resulteert van 0,997. Deze verlaging met 0,023 houdt verband met de in laatstgenoemde wet opgenomen maatregelen van het betekenen van dwangbevelen per post. Door de geringe aanpassing ten opzichte van 2004 blijven de meeste bedragen voor 2005 ongewijzigd. De bedragen die wel wijziging ondergaan zijn opgenomen in artikel IV van deze regeling. Als basis voor de bijstelling voor 2006 gelden de na bijstelling voor 2005 op 2 decimalen rekenkundig afgeronde bedragen.

Aanpassing bedragen artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken en artikel 5 van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken

De bedragen van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken worden bijgesteld aan de hand van de door het Centraal planbureau in het Centraal Economisch Plan gepubliceerde verwachte ‘prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie’ voor het kalenderjaar, verhoogd met een volume-opslag van 0,75%. Volgens genoemde publicatie bedraagt de prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie voor het jaar 2005 0,75%, zodat inclusief volume-opslag, de bedragen dienen te worden bijgesteld met 1,50%. In artikel V van deze regeling worden de bedragen voor 2005 achtereenvolgens gesteld op € 132.385.917, € 52.954 367 en € 19.857.887. In de toelichting bij artikel 5 van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken is aangegeven dat het in dat artikel vermelde bedrag de indexering volgt van het macro kostenforfait. In artikel VI van deze regeling wordt het onderhavige bedrag gesteld op € 10.317.

Bedragen in deze regeling die per 1 januari 2005 bij wet nader worden gewijzigd

De hierna genoemde bij deze regeling bijgestelde bedragen in de Wet inkomstenbelasting 2001 zullen na die bijstelling per 1 januari 2005 door de Wet tot wijziging van belastingwetten (Belastingplan 2005 worden vervangen door andere:

• Het schijventarief van artikel 2.10 (artikel I, onderdeel A, van deze regeling): het tarief met ingang van 1 januari 2005 is opgenomen in artikel I, onderdeel A, van het Belastingplan 2005;

• De tabel van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek van artikel 3.41, tweede lid (artikel I, onderdeel C, van deze regeling): de tabel met ingang van 1 januari 2005 is opgenomen in artikel I, onderdeel H, van het Belastingplan 2005;

• De tabel van de zelfstandigenaftrek van artikel 3.76, tweede lid (artikel I, onderdeel F, van deze regeling): de tabel met ingang van 1 januari 2005 is opgenomen in artikel I, onderdeel M, van het Belastingplan 2005;

• Het bedrag van de algemene heffingskorting van artikel 8.10, tweede lid (artikel I, onderdeel AB, van deze regeling) wordt volgens artikel I, onderdeel Q, van het Belastingplan 2005 verhoogd met € 43 tot € 1.894;

• De bedragen van de aanvullende kinderkorting van artikel 8.13, tweede lid, onderdelen a en b (artikel I, onderdeel AE van deze regeling) worden volgens artikel I, onderdeel R van het Belastingplan 2005 verhoogd met € 135 tot € 690, respectievelijk € 504;

• Het bedrag van de jonggehandicaptenkorting van artikel 8.16a, tweede lid (artikel I, onderdeel AJ, van deze regeling wordt volgens artikel I, onderdeel S, van het Belastingplan 2005 verhoogd met € 100 tot € 639;

• Het bedrag van de ouderenkorting van artikel 8.17, tweede lid (artikel I, onderdeel AK, van deze regeling) wordt volgens artikel I, onderdeel T, van het Belastingplan 2005 verhoogd met € 30 tot € 454;

• Het bedrag van de aanvullende ouderenkorting van artikel 8.18, tweede lid (artikel I, onderdeel AL, van deze regeling) wordt volgens artikel I, onderdeel U, van het Belastingplan 2005 verhoogd met € 35 tot € 287;

• Het bedrag van de aanslaggrens van artikel 9.4, eerste lid, onderdeel a (artikel I, onderdeel AM, van deze regeling) wordt volgens artikel I, onderdeel V, van het Belastingplan 2005 vervangen door: € 40.

De Staatssecretaris van Financiën,

J.G. Wijn