Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Overwegende dat er aanleiding bestaat nadere bepalingen vast te stellen
met betrekking tot het intrekken van het recht tot het voeren van het predikaat
`Koninklijk'
hebben besloten en beschikken:
Artikel I
In de Koninklijke beschikking van 15 augustus 1988, nr. 34, tot vaststelling
van de bijzondere voorwaarden welke aan een gerechtigde tot het voeren van
het predikaat `Koninklijk' worden gesteld (Staatscourant 193) wordt na artikel
5 een nieuw artikel 5a ingevoegd, luidende:
Artikel 5a
1. Het recht tot het voeren van het predikaat kan in ieder geval worden
ingetrokken, indien de gerechtigde zijn reputatie heeft geschaad. Daarvan
kan in het bijzonder sprake zijn, indien:
a. de gerechtigde wegens een misdrijf onherroepelijk en onvoorwaardelijk
is veroordeeld tot betaling van een geldboete die groter is dan het maximum
van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht,
b. de gerechtigde ter voorkoming van strafvervolging heeft voldaan aan
voorwaarden, gesteld door de officier van justitie, door betaling van een
bedrag dat groter is dan het maximum van de vierde categorie, bedoeld in artikel
23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of
c. aan de gerechtigde bij een besluit van een bestuursorgaan, dat formele
rechtskracht heeft verkregen, een bestuurlijke boete is opgelegd ter grootte
van een bedrag dat groter is dan het maximum van de vierde categorie, bedoeld
in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. In gevallen waarin overwogen wordt het recht in te trekken kan zulks
door Ons aan de gerechtigde worden kenbaar gemaakt met de mededeling, dat
de gerechtigde gedurende een daarbij aangegeven periode van ten hoogste een
jaar de gelegenheid heeft Ons in kennis te stellen van door hem genomen maatregelen
om herhaling van de geconstateerde feiten te voorkomen en zijn reputatie te
herstellen. Na ommekomst van deze periode zal door Ons over intrekking dan
wel bestendiging van het recht worden besloten.
Artikel II
Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
De Grootmeester is belast met de uitvoering van deze beschikking, waarvan
afschrift gezonden zal worden aan Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins van
Oranje, Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Máxima der Nederlanden, Hare
Koninklijke Hoogheid Prinses Margriet der Nederlanden, aan Mr. Pieter van
Vollenhoven, aan de Directeur van Ons Kabinet, aan Onze Algemeen Secretaris
en aan Onze Secretaris in Algemene Dienst.