Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatscourant 2004, 224 pagina 18Besluiten van algemene strekking

Regeling luchtkwaliteit ozon

Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 november 2004, nr. MJZ 2004116817, houdende regels met betrekking tot het beperken van luchtverontreiniging door ozon (Regeling luchtkwaliteit ozon)

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op richtlijn nr. 2002/3/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2002 betreffende ozon in de lucht (PbEG L 67), richtlijn nr. 96/62/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296) en de artikelen 5.1, 5.2, 5.2a, 5.3, 5.4 en 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer;

Besluit:

§ 1

Definities en algemene bepalingen

Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

a. acht-uurgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over acht achtereenvolgende uurgemiddelde concentraties, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal;

b. agglomeratie: stedelijk gebied met ten minste 250.000 inwoners, aangewezen in artikel 2 van de Meetregeling luchtkwaliteit;

c. alarmdrempel: kwaliteitsniveau van de buitenlucht dat bij kortstondige overschrijding risico’s voor de gezondheid van de mens inhoudt;

d. AOT40-waarde: gesommeerd verschil tussen de uurgemiddelde concentraties van ozon boven 80 microgram per m3 en 80 microgram per m3 tussen 08.00 uur en 20.00 uur Midden-Europese-Tijd, over een bepaalde periode, uitgedrukt in (microgram per m3) · uur;

e. informatiedrempel: kwaliteitsniveau van de buitenlucht dat bij kortstondige overschrijding risico’s voor de gezondheid van bijzonder gevoelige bevolkingsgroepen inhoudt;

f. meetmethode: procedure van het bemonsteren van de buitenlucht, het analyseren van aldus verkregen luchtmonsters, het kalibreren van daartoe te gebruiken apparatuur, alsmede de verwerking van het signaal tot uurgemiddelde, dan wel acht-uurgemiddelde concentraties;

g. minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

h. plandrempel: kwaliteitsniveau van de buitenlucht dat bij overschrijden aanleiding geeft tot het opstellen van een plan als bedoeld in artikel 13;

i. richtwaarde: bij deze regeling vastgestelde richtwaarde als bedoeld in artikel 5.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, ten aanzien van het kwaliteitsniveau van de buitenlucht;

j. uurgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over een heel uur, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal;

k. vluchtige organische stoffen: antropogene en biogene organische verbindingen, uitgezonderd methaan, die onder invloed van zonlicht door reactie met stikstofoxiden fotochemische oxidanten kunnen vormen;

l. zone: gedeelte van het Nederlandse grondgebied, aangewezen in artikel 3 van de Meetregeling luchtkwaliteit.

2. Deze regeling is niet van toepassing op een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder g, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998.

§ 2

Richtwaarden, informatiedrempel en alarmdrempel voor ozon

Artikel 2

Bestuursorganen houden, bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van ozon kunnen hebben, behoudens voorzover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, rekening met de volgende richtwaarden voor ozon, opdat die waarden op 1 januari 2010 zo veel mogelijk zijn bereikt:

a. 120 microgram per m3 als hoogste acht-uurgemiddelde concentratie van een dag, waarbij geldt dat deze gemiddeld over drie jaar op maximaal vijfentwintig dagen per kalenderjaar mag worden overschreden;

b. 18.000 (microgram per m3) · uur als AOT40-waarde voor de periode van 1 mei tot en met 31 juli, gemiddeld over vijf jaar.

Artikel 3

Bestuursorganen houden, bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van ozon kunnen hebben, behoudens voorzover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, rekening met de volgende richtwaarden voor ozon, opdat die waarden op 1 januari 2020 zo veel mogelijk zijn bereikt:

a. 120 microgram per m3 als hoogste acht-uurgemiddelde concentratie van een dag, gedurende een kalenderjaar;

b. 6.000 (microgram per m3) · uur als AOT40-waarde voor de periode van 1 mei tot en met 31 juli van een kalenderjaar.

Artikel 4

Bestuursorganen nemen voor ozon een informatiedrempel in acht van 180 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie.

Artikel 5

Bestuursorganen nemen voor ozon een alarmdrempel in acht van 240 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie.

§ 3

Controle van de luchtkwaliteit

Artikel 6

De minister stelt in agglomeraties en zones de luchtverontreiniging door ozon vast met gebruikmaking van vaste meetpunten.

Artikel 7

1. De agglomeraties Amsterdam/Haarlem, Den Haag/Leiden en Rotterdam/Dordrecht bevatten elk ten minste drie vaste meetpunten voor ozon, waarvan er twee tevens als meetpunt voor stikstofdioxide worden gebruikt. Per agglomeratie worden twee van de bedoelde meetpunten in voorstedelijk gebied geplaatst.

2. De agglomeraties Utrecht, Eindhoven en Heerlen/Kerkrade bevatten elk ten minste één vast meetpunt voor ozon, dat tevens als meetpunt voor stikstofdioxide wordt gebruikt. Per agglomeratie wordt één van de bedoelde meetpunten in voorstedelijk gebied geplaatst.

Artikel 8

1. Zone noord en zone zuid bevatten elk ten minste zes vaste meetpunten voor ozon, waarvan er drie tevens als meetpunt voor stikstofdioxide worden gebruikt.

2. Zone midden bevat ten minste zeven vaste meetpunten voor ozon, waarvan er vier tevens als meetpunt voor stikstofdioxide worden gebruikt.

3. Per zone wordt één van de in het eerste en tweede lid genoemde meetpunten in voorstedelijk gebied geplaatst.

4. Van de in het eerste en tweede lid genoemde meetpunten wordt in totaal één meetpunt tevens als meetpunt voor stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen gebruikt.

Artikel 9

Meetpunten voor de meting van concentraties ozon ter controle van de naleving van de artikelen 2, 3, 4 en 5 worden zodanig geplaatst dat:

a. gegevens kunnen worden verkregen over de gebieden binnen zones en agglomeraties waar de hoogste concentraties voorkomen waaraan de bevolking dan wel de vegetatie kan worden blootgesteld;

b. zij zich bevinden buiten de directe invloedssfeer van plaatselijke emissiebronnen;

c. gegevens kunnen worden verkregen die representatief zijn voor soortgelijke plaatsen buiten de onmiddellijke omgeving van de meetpunten.

Artikel 10

Monsterneming bij de in de artikelen 7 en 8 bedoelde meetpunten geschiedt op een zodanige wijze dat:

a. de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen en er geen voorwerpen zijn die de luchtstroom in de omgeving van de monsternemer beïnvloeden;

b. de hoogte van de inlaatbuis tussen anderhalve en vier meter boven de grond ligt;

c. de uitlaatbuis op een zodanige plaats is gesitueerd dat de lucht daaruit niet opnieuw in de inlaatbuis kan komen.

Artikel 11

Voor de meting van de luchtverontreiniging door ozon wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 1000 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor uurgemiddelde concentraties tussen 70 microgram per m3 en 500 microgram per m3.

Artikel 12

1. Per meetpunt voor de meting van ozon worden uurgemiddelde concentraties bepaald.

2. Indien minder dan vijfenveertig minuten meetsignalen beschikbaar zijn, wordt geen uurgemiddelde concentratie bepaald.

3. Uit acht achtereenvolgende uurgemiddelde concentraties worden acht-uurgemiddelde concentraties voortschrijdend berekend. Het eerste acht-uurgemiddelde op een dag betreft de periode van 17.00 uur op de voorgaande dag tot 1.00 uur; het laatste acht-uurgemiddelde op een dag betreft de periode van 16.00 uur tot 24 uur.

4. Indien in een periode van acht uur minder dan zes uurgemiddelde concentraties van ozon beschikbaar zijn, wordt geen acht-uurgemiddelde concentratie berekend.

5. Indien per dag minder dan achttien voortschrijdende acht-uurgemiddelden beschikbaar zijn wordt geen hoogste acht-uurgemiddelde per dag bepaald.

6. Uit de uurgemiddelde concentraties wordt voor de periode 1 mei tot en met 31 juli en de periode 1 april tot en met 30 september een AOT 40-waarde berekend.

7. Indien minder dan 90 procent van de uurwaarden tussen 08.00 uur en 20.00 uur Midden-Europese-Tijd in de periode van 1 mei tot en met 31 juli en in de periode van 1 april tot en met 30 september beschikbaar zijn, worden geen AOT40-waarden berekend.

8. Indien ten minste 90 procent, maar minder dan 100 procent van de uurwaarden tussen 08.00 uur en 20.00 uur Midden-Europese-Tijd in de periode van 1 mei tot en met 31 juli en in de periode van 1 april tot en met 30 september beschikbaar zijn, worden de AOT40-waarden bepaald door de gemeten AOT40-waarde te vermenigvuldigen met de uitkomst van het totaal aantal mogelijke uren in die periodes gedeeld door het aantal gemeten uurgemiddelde concentraties.

9. Indien voor vijf van de zes maanden in de periode van 1 april tot en met 30 september minder dan 90 procent van de hoogste acht-uurgemiddelde concentraties van de dagen dan wel minder dan 90 procent van de uurgemiddelde concentraties tussen 08.00 uur en 20.00 uur beschikbaar zijn, wordt het aantal overschrijdingen van de acht-uurgemiddelde concentratie en de hoogste acht-uurgemiddelde concentratie per jaar niet bepaald.

10. Indien het drie-jaargemiddelde van het aantal overschrijdingen, bedoeld in artikel 2, onder a, niet kan worden vastgesteld op basis van een volledige en ononderbroken reeks jaargegevens, wordt gebruik gemaakt van de gegevens van ten minste één jaar.

11. Indien het vijf-jaargemiddelde van de AOT40-waarde, bedoeld in artikel 2, onder b, niet kan worden vastgesteld op basis van een volledige en ononderbroken reeks jaargegevens wordt gebruik gemaakt van de gegevens van ten minste drie jaar.

§ 4

Plannen en maatregelen

Artikel 13

1. De minister stelt voor plaatsen waar de in artikel 2 genoemde richtwaarden voor ozon worden overschreden een plan vast waarin wordt aangegeven op welke wijze met inzet van proportionele maatregelen zo veel mogelijk voldaan zal worden aan die waarden. De minister draagt zorg voor de uitvoering van het plan.

2. Een plan als bedoeld in het eerste lid bevat ten minste de in de bijlage, behorende bij deze regeling, genoemde gegevens.

3. Een plan wordt vastgesteld voor 1 december van het jaar volgend op het jaar waarin de overschrijding van de waarden door de toepassing van artikel 6 is vastgesteld.

4. Voor plaatsen waar ingevolge de artikelen 25 of 26 van het Besluit luchtkwaliteit tevens voor een andere luchtverontreinigende stof een plan wordt vastgesteld en uitgevoerd, draagt de minister zorg voor één plan voor de desbetreffende stoffen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14

Op plaatsen waar de luchtkwaliteit voldoet aan de in artikel 2 genoemde richtwaarden, maar niet in overeenstemming is met de in artikel 3 genoemde richtwaarden, treft de minister kosten-effectieve maatregelen teneinde die overschrijding zoveel mogelijk te beëindigen.

§ 5

Informatie

Artikel 15

1. De commissaris van de Koningin doet van een overschrijding van de in artikel 4 genoemde informatiedrempel of de in artikel 5 genoemde alarmdrempel zo spoedig mogelijk mededeling aan het publiek. Daarbij worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:

a. de drempel die is overschreden, de datum, het tijdstip, de duur en de plaats van de overschrijding en, indien bekend, de oorzaak van de overschrijding;

b. een prognose voor de volgende middag, dag of dagen, met betrekking tot:

– de ontwikkeling van de concentratie en de gegevens die aan die verwachting ten grondslag liggen,

– het geografische gebied waar de overschrijding zich zal voordoen en

– de duur van de overschrijding;

c. de bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen waarvoor de overschrijding risico’s kan inhouden voor de gezondheid, alsmede de te verwachten symptomen en te treffen voorzorgsmaatregelen;

d. bronnen voor het verkrijgen van nadere informatie;

e. de hoogste uurgemiddelde concentratie en de hoogste acht-uurgemiddelde concentratie van ozon.

2. Wanneer de informatiedrempel, bedoeld in artikel 4, of de alarmdrempel, bedoeld in artikel 5, dreigt te worden overschreden, geeft de commissaris van de Koningin, voor zover dat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mogelijk is, uitvoering aan het eerste lid, met uitzondering van onderdeel a.

3. Artikel 48, derde lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging, is van overeenkomstige toepassing.

§ 6

Slotbepalingen

Artikel 16

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 17

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling luchtkwaliteit ozon.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 9 november 2004.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, P.L.B.A. van Geel.

Bijlage, behorende bij artikel 13, tweede lid

Gegevens die ten minste zijn opgenomen in een plan als bedoeld in artikel 13, eerste lid.

1. plaats van overschrijding van de plandrempels

• regio

• stad (kaart)

• meetpunt (kaart, geografische coördinaten)

2. algemene informatie

• soort gebied (stad, industriezone of landelijk gebied)

• raming van het verontreinigde gebied (km2) en van de omvang van de populatie die aan de verontreiniging is blootgesteld)

• relevante klimatologische gegevens

• relevante topografische gegevens

• voldoende informatie over de doelgroepen in het betrokken gebied die bescherming nodig hebben

3. verantwoordelijke instanties

• naam en adres van de personen die verantwoordelijk zijn voor de opstelling en tenuitvoerlegging van plannen ter verbetering van de luchtkwaliteit

4. aard en bewaking van de verontreiniging

• waargenomen concentraties in de voorgaande jaren (voor de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter verbetering)

• gemeten concentraties sinds de start van het project

• technieken die voor de bewaking worden gebruikt

5. bron van de verontreiniging

• lijst van de belangrijkste emissiebronnen die verantwoordelijk zijn voor de verontreiniging (kaart)

• totale emissie van deze bronnen (ton/jaar)

• informatie over de verontreiniging vanuit andere gebieden

6. analyse van de situatie

• bijzonderheden over de factoren die verantwoordelijk zijn voor de overschrijding (verplaatsing, ook grensoverschrijdende; vorming)

• bijzonderheden over mogelijke maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit

7. informatie over de maatregelen of projecten ter verbetering die reeds bestonden voordat deze richtlijn van kracht werd

• plaatselijke, regionale, nationale en internationale maatregelen

• waargenomen effecten van deze maatregelen

8. informatie over maatregelen of projecten teneinde de verontreiniging te beperken

• opsomming en beschrijving van alle in het project opgenomen maatregelen

• tijdschema voor de tenuitvoerlegging

• raming van te verwachten verbetering van de luchtkwaliteit en de tijd die nodig is om die doelstellingen te realiseren

9. informatie over de maatregelen of projecten die voor de lange termijn zijn vastgesteld of gepland

10. lijst van publicaties, documenten, werkzaamheden enz. ter aanvulling van de in deze bijlage gevraagde informatie.

Toelichting

Algemeen

1. Inleiding

Deze regeling strekt tot uitvoering van richtlijn nr. 2002/3/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2002 betreffende ozon in de lucht (PbEG L 67) (hierna: derde dochterrichtlijn).

In richtlijn nr. 1996/62/EG inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296) (hierna: kaderrichtlijn) zijn de uitgangspunten van het Europese luchtkwaliteitsbeleid vastgelegd. Tevens is daarbij een programma vastgesteld waarin de Europese Unie zich ten doel stelt om voor 13 luchtverontreinigende stoffen voorstellen te formuleren voor grenswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht. Richtlijn nr. 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in lucht (hierna: eerste dochterrichtlijn) werd de eerste resultante van het in de kaderrichtlijn opgenomen programma.

Daarna volgde Richtlijn nr. 2000/69/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 november 2000 betreffende grenswaarden voor benzeen en koolmonoxide in de lucht (PbEG L 313) (hierna: tweede dochterrichtlijn).

Implementatie van de eerste dochterrichtlijn heeft plaatsgevonden in het Besluit luchtkwaliteit (Stb. 2001, 269) en de Meetregeling luchtkwaliteit (Stcrt. 2001, 135). Overeenkomstig de toepassingsvoorwaarde in artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer, heeft meer dan één vijfde van het aantal leden van de Tweede Kamer echter de wens te kennen gegeven dat het in het Besluit luchtkwaliteit geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld (Kamerstukken II, 2000/2001, 27 793, nr. 2). Een voorstel van wet van die strekking is in voorbereiding. Het Besluit luchtkwaliteit zal in dit kader worden ingetrokken. In het voorstel van wet zullen ook regels worden opgenomen ter uitvoering van de tweede en de derde dochterrichtlijn.

Deze regeling voorziet in implementatie van de derde dochterrichtlijn, totdat het bovenbedoelde voorstel van wet tot wet is verheven en die wet in werking is getreden. De regeling is gebaseerd op artikel 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer. Daarin is bepaald dat hetgeen ingevolge de Wet milieubeheer bij algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld, bij ministeriële regeling geregeld wordt, indien de regels uitsluitend strekken ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie.

2. De inhoud van de derde dochterrichtlijn

De derde dochterrichtlijn bevat streefwaarden (artikel 3) en langetermijndoelstellingen (artikel 4) ter bescherming van de menselijke gezondheid en de vegetatie. De lidstaten dienen een plan of programma op te stellen om in 2010 aan de streefwaarden te voldoen, voorzover dat met proportionele maatregelen haalbaar is. Om de langetermijndoelstellingen in 2020 te realiseren nemen de lidstaten kosten-effectieve maatregelen.

Voorts kent de richtlijn een informatiedrempel en een alarmdrempel (bijlage II) die een functie vervullen bij het informeren van de bevolking over heersende concentraties van ozon die mogelijk risico’s kunnen opleveren voor de gezondheid van de mens, ook bij kortstondige blootstelling.

De richtlijn bevat voorts regels over de beoordeling van ozonconcentraties in de lucht en het informeren van de bevolking en de Europese Commissie omtrent de uitkomsten daarvan.

De derde dochterrichtlijn treedt in de plaats van richtlijn nr. 92/72/EEG betreffende de verontreiniging van de lucht door ozon (PbEG L 297), die op 9 september 2003 is ingetrokken. Deze richtlijn voorzag in procedures voor meting van ozonconcentraties en voorlichting aan de bevolking bij overschrijding van de informatie- en alarmdrempel. Mede op basis van de door uitvoering van die richtlijn verkregen informatie is de derde dochterrichtlijn tot stand gekomen. Richtlijn nr. 92/72/EEG is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in het Besluit uitvoering EG-ozonrichtlijn (Stb. 1995, 446). Deze algemene maatregel van bestuur heeft met de intrekking van richtlijn 92/72/EG zijn materiële betekenis verloren en zal worden ingetrokken.

3. Richtwaarden

De derde dochterrichtlijn kent voor ozon streefwaarden en langetermijndoelstellingen. Aan deze waarden ligt een advies1 van de WHO uit 2000 over ozon ten grondslag. Daarin werd gesteld dat bij een waarde van 120 microgram per m3 als hoogste acht-uurgemiddelde van een dag en een waarde van 6000 (microgram per m3) · uur als AOT40-waarde, zowel de gezondheid van de mens als de vegetatie geen schade zouden ondervinden van ozon-concentraties. Omdat de ozonniveaus in Europa nog ver boven deze advieswaarden van de WHO liggen, zijn deze waarden in de derde dochterrichtlijn vastgelegd als langetermijn-doelstellingen. De vorderingen van de Gemeenschap als geheel bij het bereiken van die langetermijndoelstellingen worden, in samenhang met richtlijn nr. 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissiemaxima voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PbEG L 309) (hierna: EG-NEC-richtlijn), periodiek getoetst, waarbij het jaar 2020 als ‘richtdatum’ gebruikt wordt en rekening wordt gehouden met de vorderingen bij het bereiken van de in de EG-NEC-richtlijn genoemde nationale emissieplafonds (artikel 4, derde lid, van de derde dochterrichtlijn).

Voor de kortere termijn zijn streefwaarden vastgelegd in de richtlijn. Bij het bepalen van het niveau van de streefwaarden is het karakter van de stof ozon en de daarbij behorende bestrijdingsstrategie, richtinggevend geweest.

Ozon wordt als zodanig niet geëmitteerd ten gevolge van menselijke activiteiten, maar ontstaat onder invloed van zonlicht uit chemische reacties van stikstofoxiden en vluchtige koolwaterstoffen. Hoge ozonconcentraties komen bovendien niet voor in de nabijheid van bronnen van stikstofoxiden en vluchtige koolwaterstoffen, maar op grote afstand daarvan. Dat maakt lokale beïnvloeding van ozonconcentraties moeilijk. Daarom is voor een Europese aanpak van de ozonproblematiek gekozen. Voor stikstofoxiden en vluchtige koolwaterstoffen zijn voor 2010 nationale emissieplafonds vastgelegd in de bovengenoemde EG-NEC-richtlijn.

In EU-verband is nagegaan welke waarden voor ozon door realisering van deze emissieplafonds in 2010 op kosteneffectieve wijze bereikt zouden kunnen worden. Aan de hand daarvan zijn de streefwaarden voor 2010 vastgesteld2 . Die waarden zijn bedoeld als een tussenstap in het bereiken van de langetermijndoelstellingen. De waarden zijn in de richtlijn vastgelegd in de vorm van streefwaarden omdat het ten gevolge van het karakter van ozon voor de lidstaten afzonderlijk nagenoeg onmogelijk is om te bewerkstelligen dat aan de waarden wordt voldaan en derhalve een resultaatverplichting niet op zijn plaats zou zijn.

Zowel de streefwaarden als de langetermijndoelstellingen uit de derde dochterrichtlijn zijn qua karakter vergelijkbaar met het in de Nederlandse wetgeving ten aanzien van milieukwaliteitseisen gehanteerde begrip richtwaarde (artikel 5.1, derde lid, Wet milieubeheer).

Een streefwaarde is in artikel 2, onder 9, van de derde dochterrichtlijn, gedefinieerd als ‘een niveau (…) dat zoveel mogelijk binnen een gegeven periode dient te worden bereikt’. Deze omschrijving is nauw verwant met de omschrijving van ‘richtwaarde’ in artikel 5.1, van de Wet milieubeheer: ‘kwaliteit (…) die op het (…) aangegeven tijdstip zo veel mogelijk moet zijn bereikt (...)’.

Een langetermijndoelstelling wordt in artikel 2, onder 10, van de derde dochterrichtlijn, gedefinieerd als een doelstelling die op lange termijn moet worden bereikt, ‘behalve in gevallen waarin dit niet door middel van proportionele maatregelen realiseerbaar is’. Ook deze beschrijving benadert het karakter van de richtwaarde heel dicht. Omdat het begrip ‘streefwaarde’ evenmin als het begrip ‘langetermijndoelstelling’ in de Nederlandse wetgeving inzake luchtkwaliteitseisen gehanteerd wordt, zijn beide waarden in deze regeling vastgelegd als richtwaarden.

4. Informatiedrempel en alarmdrempel

Naast de streefwaarden en langetermijndoelstellingen kent de richtlijn een informatiedrempel en een alarmdrempel voor ozonconcentraties (artikel 6, onder a, en bijlage II, deel I). Deze waarden zijn in de artikelen 4 en 5 van deze regeling opgenomen. De informatiedrempel is gelijk aan de informatiedrempel zoals die was opgenomen in richtlijn nr. 92/72/EEG en het Besluit uitvoering EG-ozonrichtlijn. Het niveau van de alarmdrempel is op grond van nieuwe wetenschappelijke inzichten in de derde dochterrichtlijn aangescherpt van 360 naar 240 microgram per m3.

5. Realiseren van de richtwaarden voor 2010

De ozonconcentraties in Nederland worden voor circa 90% bepaald door emissies van stikstofoxiden en vluchtige koolwaterstoffen in het buitenland. Omgekeerd dragen Nederlandse emissies in belangrijke mate bij aan ozonconcentraties in omringende landen. Terugdringing van ozonconcentraties kan alleen door internationale samenwerking. Afspraken daaromtrent zijn gemaakt in UN-ECE kader in het op 30 november 1999 te Gothenburg tot stand gekomen Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, ter bestrijding van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau (Trb. 2000, 66), en in de EG-NEC-richtlijn. In laatstgenoemde richtlijn zijn voor alle lidstaten emissieplafonds opgenomen voor 2010.

In opdracht van de Europese Commissie heeft IIASA modelstudies verricht. Daaruit blijkt dat naar alle waarschijnlijkheid geen overschrijding van de richtwaarden voor 2010 zal optreden wanneer de nationale emissieplafonds gerealiseerd worden. RIVM-berekeningen wijzen in dezelfde richting3 . Alleen onder zeer ongunstige meteorologische condities, die meerdere jaren achter elkaar optreden, kunnen nog overschrijdingen van de richtwaarden voor 2010 voorkomen in een zeer beperkt deel van Nederland. Het is echter niet waarschijnlijk dat deze ongunstige meteorologische condities zich enkele jaren achtereen zullen voordoen.

De afgelopen jaren zijn de richtwaarden voor 2010 in Nederland niet meer overschreden4 .

Overigens bepaalt artikel 5 van de derde dochterrichtlijn dat daar waar de luchtkwaliteit in overeenstemming is met de langetermijndoelstellingen, deze in stand gehouden moet worden. Aan deze bepaling wordt uitvoering gegeven via artikel 5.1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Uit de aldaar opgenomen omschrijving van een richtwaarde blijkt dat ‘de kwaliteit, (…) waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk moet worden instandgehouden’.

Bestuursorganen dienen ingevolge artikel 2 van deze regeling bij de uitoefening van bevoegdheden, die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van ozon kunnen hebben, met de richtwaarden rekening te houden. Dat vergt met name inspanningen van de rijksoverheid om te voldoen aan de internationale verplichtingen om de emissieplafonds voor stikstofdioxide en vluchtige organische stoffen te realiseren. Van provincies en gemeenten worden, gezien het karakter van ozon, geen extra inspanningen verwacht.

Ingevolge artikel 13 van de regeling stelt de minister een plan vast voor plaatsen waar de richtwaarden van artikel 2 worden overschreden. In dat plan wordt aangegeven op welke wijze in 2010 zo veel mogelijk met inzet van proportionele maatregelen aan de richtwaarden voldaan zal worden. Deze verplichting strekt tot uitvoering van artikel 3, derde lid, van de derde dochterrichtlijn.

Gelet op de reeds genoemde samenhang tussen het realiseren van de richtwaarden uit de derde dochterrichtlijn en uitvoering van de EG-NEC-richtlijn, kan aan artikel 13 uitvoering worden gegeven door middel van de rapportage ter uitvoering van de EG-NEC richtlijn, nl. de notitie ‘Erop of eronder, uitvoeringsnotitie emissieplafonds verzuring en grootschalige luchtverontreiniging 2003’, die Nederland in december 2003 heeft uitgebracht5 . In de notitie staat op welke wijze Nederland voornemens is om te voldoen aan de emissieplafonds voor 2010. De notitie is aan te duiden als een plan in de zin van artikel 13, en strekt ter uitvoering van artikel 3, derde lid, van de derde dochterrichtlijn.

Deze notitie (rapportage) is aan de Europese Commissie gezonden6 .

6. Realiseren van de richtwaarden voor 2020

De richtwaarden voor 2020 worden momenteel nog overschreden in Nederland. Gezien het karakter van ozon zullen bestuursorganen afzonderlijk nauwelijks invloed kunnen uitoefenen op de concentraties van ozon. Het rekening houden met de richtwaarden voor 2020 houdt met name in dat de rijksoverheid meewerkt aan verdergaande internationale afspraken over emissiebeperking van stikstofdioxide en vluchtige organische stoffen.

7. In acht nemen van de informatiedrempel en de alarmdrempel

Het in acht nemen van de informatiedrempel en alarmdrempel, waartoe de artikelen 4 en 5 van de regeling verplichten, houdt primair in dat de bevolking adequaat geïnformeerd wordt bij (dreigende) overschrijding van deze waarden. Artikel 10 van de kaderrichtlijn en artikel 6, juncto Bijlage II, van de derde dochterrichtlijn, bevatten deze verplichting. De derde dochterrichtlijn geeft in bijlage II, onder II, aan welke informatie dan ten minste verschaft moet worden. De verplichting voor de commissaris van de Koningin tot het verstrekken van die informatie is opgenomen in artikel 15 van de regeling (zie verder de artikelsgewijze toelichting).

In het kader van de Smogregeling 20017 en het Modeldraaiboek smog van 2001 zijn met gemeenten en provincies, ter uitwerking van de betreffende verantwoordelijkheid van de commissaris der Koningin, afspraken gemaakt omtrent het informeren van de bevolking en het geven van gedragsadviezen indien overschrijding van de informatiedrempel of alarmdrempel voorkomt. De informatiedrempel wordt gehanteerd als waarde waarbij sprake is van matige smog en de alarmdrempel als waarde waarbij sprake is van ernstige smog. In overleg met IPO en VNG zal worden bezien of en zo ja, in hoeverre de Smogregeling 2001 aanpassing behoeft in verband met implementatie van de derde dochterrichtlijn.

Wat het in acht nemen van de informatie- en alarmdrempel concreet zal inhouden, naast het informeren van de bevolking, is sterk afhankelijk van de situatie. Met de voorzieningen in het kader van de Smogregeling 2001 is hierop maximaal ingespeeld. Per situatie dienen betrokken overheden te beoordelen hoe zij de concentraties ozon zo spoedig mogelijk kunnen laten dalen tot ten minste onder het niveau van de informatie- en alarmdrempel.

De derde dochterrichtlijn verplicht de lidstaten in artikel 7 om actieplannen op te stellen waarin wordt vermeld welke specifieke tijdelijke maatregelen op korte termijn genomen moeten worden in zones waar een risico van overschrijding van de alarmdrempel bestaat, indien er significante mogelijkheden zijn dat risico te verminderen of de duur of ernst van de overschrijding van de alarmdrempel te beperken. Wanneer geconstateerd wordt dat er geen significante mogelijkheden voor de beperking van het risico, de duur of de ernst van een overschrijding in die zones bestaan, zijn de lidstaten ontheven van deze verplichting. Rond 1990 heeft in Nederland een uitgebreide discussie plaatsgevonden over het nut van tijdelijke maatregelen ingeval van smog. De conclusie was destijds dat tijdelijke maatregelen ter vermindering van hoge ozonconcentraties geen zin hebben. Het RIVM heeft deze conclusie in 2001 bevestigd voor de situatie in Nederland8 . Zelfs wanneer in het gehele Benelux-gebied en in de Duitse deelstaat Nord-Rhein-Westphalen tijdelijke verkeersbeperkende maatregelen genomen zouden worden, zou dat geen significante invloed hebben op de ozonconcentraties in Nederland. Het betreffende RIVM rapport is de Europese Commissie ter hand gesteld. De Commissie heeft daarvan kennis genomen blijkens weergave van een samenvatting in de Leidraad voor uitvoering van Richtlijn 2002/3/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende ozon9 , die de Commissie heeft opgesteld ter uitvoering van artikel 12 van de derde dochterrichtlijn.

Bij overschrijding van de informatiedrempel of alarmdrempel in zones nabij landsgrenzen dienen bevoegde autoriteiten van de betrokken aangrenzende lidstaten daarover ingevolge artikel 8, derde lid, van de derde dochterrichtlijn, zo spoedig mogelijk geïnformeerd te worden. Deze taak wordt in Nederland door het RIVM vervuld.

De Europese Commissie dient ingevolge artikel 10, tweede lid, van de derde dochterrichtlijn, uiterlijk aan het einde van de volgende maand geïnformeerd te worden over een overschrijding van de informatie- of alarmdrempel. In het kader van de Smogregeling 2001 is geregeld dat de minister van VROM zorg draagt voor deze berichtgeving in samenwerking met het RIVM en de betrokken provincies.

8. Controle van de luchtkwaliteit

Artikel 9 van de derde dochterrichtlijn regelt op welke wijze de beoordeling van de luchtkwaliteit plaatsvindt. Metingen met behulp van vaste meetpunten zijn verplicht, wanneer de ozonconcentraties tijdens één van de laatste vijf jaren een langetermijndoelstelling hebben overschreden. Dat is in Nederland het geval10 . De verplichting tot meten met vaste meetpunten is vastgelegd in artikel 6 van de regeling. De metingen vinden plaats in zones en agglomeraties. Voor de indeling in zones en agglomeraties is aangesloten bij de indeling die voor de implementatie van de eerste dochterrichtlijn is gemaakt en is vastgelegd in de Meetregeling luchtkwaliteit.

Bijlage V, deel I, van de richtlijn geeft het aantal benodigde meetstations aan. Die aantallen zijn per zone en agglomeratie vastgelegd in de artikelen 7 en 8 van de onderhavige regeling. In de artikelen 9 tot en met 12 van de regeling is vastgelegd waar de meetstations gesitueerd dienen te worden, hoe de monsterneming dient plaats te vinden, aan welke eisen de meetmethode moet voldoen, de waarden die bepaald moeten worden en de eisen die daarvoor gelden.

De verantwoordelijkheid voor de controle van de luchtkwaliteit voor ozon berust ingevolge artikel 6 van de regeling bij de minister van VROM. Gezien het karakter van ozon: een stof met een grootschalig verspreidingspatroon, waarvan de hoogste concentraties voorkomen op grote afstand van de bron en waarbij geen directe relatie bestaat tussen concentraties en lokale bronnen, ligt het voor de hand om de rijksoverheid (i.c. de minister), en niet de andere, decentrale overheden, met deze taak te belasten. In de praktijk zullen de metingen verricht worden in het kader van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, dat door het RIVM wordt beheerd.

9. Informatie en rapportage

Ingevolge artikel 6 van de derde dochterrichtlijn dienen de bevolking en betrokken organisaties systematisch te kunnen beschikken over actuele informatie over ozonconcentraties in de lucht. Dat gebeurt door middel van internet en teletekst.

In artikel 10, tweede lid, onder a, van de derde dochterrichtlijn is vastgelegd welke informatie de lidstaten jaarlijks aan de Europese Commissie moeten geven. Ter uitvoering van deze verplichting doet de minister van VROM jaarlijks schriftelijk verslag van de luchtverontreiniging door ozon en vermeldt hij daarbij de in artikel 10 van de derde dochterrichtlijn genoemde gegevens. Dat zal gebeuren op basis van gegevens, verkregen met behulp van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, welke door het RIVM worden aangeleverd.

Ingevolge artikel 10 van de derde dochterrichtlijn dienen diverse gegevens eerst op voorlopige basis aan de Europese Commissie gerapporteerd te worden. Het RIVM draagt (in opdracht van de minister van VROM) hiervoor zorg.

10. Financiële aspecten

Maatregelen

Terugdringing van de ozonconcentraties in Nederland vergt zoals reeds vermeld een Europese aanpak. De kwaliteitseisen uit de derde dochterrichtlijn zijn afgestemd op de verwachte effecten voor de luchtkwaliteit van de realisering van de emissieplafonds voor stikstofoxiden en vluchtige organische koolwaterstoffen zoals vastgelegd in de EG-NEC-richtlijn.

In de reeds genoemde notitie ‘Erop of eronder, uitvoeringsnotitie verzuring en grootschalige luchtverontreiniging 2003’ staat aangegeven welke inspanningen het realiseren van de emissieplafonds van Nederland vergt. Op 24 december 2003 is de notitie aangeboden aan de Tweede Kamer11 . In de notitie is aangegeven dat de kosten voor de doelgroepen voor aanvullend beleid voor het realiseren van het emissieplafond voor stikstofoxiden naar schatting circa 67–75 miljoen euro per jaar bedragen; voor vluchtige organische koolwaterstoffen is dit circa 75–150 miljoen euro per jaar. Deze kosten worden overigens niet alleen gemaakt om de ozonconcentraties terug te dringen, maar ook om verzuring te bestrijden en om deeltjesvorming te beperken. De uitvoering van de notitie zal in de komende jaren vorm krijgen. Dit zal voor een belangrijk deel gebeuren in overleg met de betrokken sectoren/doelgroepen via bestaande beleidstrajecten.

Wanneer de NEC-emissieplafonds in 2010 gerealiseerd zijn en er desondanks nog overschrijding zou optreden van de richtwaarden voor 2010, kan worden aangenomen dat Nederland al het mogelijke heeft gedaan om overschrijding van de richtwaarden te voorkomen. De emissies zijn dan immers teruggebracht tot het niveau dat op grond van internationale verplichtingen is vereist. Verdergaande emissiebeperkende maatregelen zijn, wanneer ze niet ook door andere lidstaten van de Europese Unie worden genomen, niet kosten-effectief aangezien ze in Nederland nauwelijks tot lagere concentraties leiden.

Controle van de luchtkwaliteit en rapportage

Het huidige aantal meetstations in het kader van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit is voldoende om uitvoering te geven aan de derde dochterrichtlijn.

De werkzaamheden ten behoeve van de rapportage over de luchtkwaliteit ten aanzien van ozon behoren tot de reguliere taken van het RIVM en leiden niet tot extra kosten.

Provincies en gemeenten

Deze regeling brengt geen extra taken met zich mee voor provincies en gemeenten. De plicht tot het geven van informatie bij (dreigende) overschrijding van de informatiedrempel en alarmdrempel berustte ingevolge het Besluit uitvoering EG-ozonrichtlijn ook al bij de provincies.

Bedrijfsleven

De regeling heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten van het bedrijfsleven en is om die reden niet voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal).

Artikelsgewijs

Artikel 1

De in deze regeling opgenomen begrippen en hun definities zijn grotendeels ontleend aan de respectievelijke begrippen en definities in het Besluit luchtkwaliteit. Enkele begrippen zijn nieuw en ontleend aan de derde dochterrichtlijn (informatiedrempel, AOT40-waarde, vluchtige organische stoffen). Omwille van de duidelijkheid en overzichtelijkheid zijn de begrippen alfabetisch gerangschikt.

Artikel 2

In dit artikel zijn de streefwaarden uit artikel 3 en bijlage I, deel II, van de derde dochterrichtlijn vastgelegd. Zij zijn vastgelegd als richtwaarden voor 2010 (zie hiervoor punt 3 van het algemene deel van de toelichting bij deze regeling).

Artikel 3

De langetermijndoelstellingen van artikel 4 van de derde dochterrichtlijn zijn in artikel 3 vastgelegd als richtwaarden voor 2020 (zie ook punt 3 van het algemene deel van de toelichting bij deze regeling).

Artikel 4

De informatiedrempel, genoemd in artikel 6, eerste lid, en bijlage II, deel I, van de derde dochterrichtlijn, is opgenomen in artikel 4.

Artikel 5

Dit artikel bevat de alarmdrempel van artikel 6, eerste lid, en bijlage II, deel I, van de derde dochterrichtlijn.

Artikel 6

Dit artikel bevat het voorschrift om in agglomeraties en zones continue metingen te verrichten met behulp van vaste meetpunten. De metingen worden van rijkswege verricht in het kader van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit.

Artikelen 7 en 8

Ter uitvoering van artikel 9 en bijlage V, deel I, van de derde dochterrichtlijn, wordt per agglomeratie en zone aangegeven hoeveel meetpunten noodzakelijk zijn om de ozonconcentraties vast te stellen en hoeveel meetpunten in voorstedelijk gebied gesitueerd moeten worden. Conform artikel 9 van de richtlijn wordt voorgeschreven dat op de helft van de meetpunten tevens stikstofdioxide wordt gemeten en dat op één meetpunt stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen gemeten worden (ter uitvoering van artikel 9, derde lid, en bijlage VI van de richtlijn).

Artikel 9

De regels over plaatsing van de meetpunten zijn ontleend aan bijlage IV, deel I, van de richtlijn.

Artikel 10

De voorschriften over monsterneming zijn gebaseerd op Bijlage IV, deel II, van de derde dochterrichtlijn.

Artikel 11

Het in dit artikel opgenomen nauwkeurigheidscriterium is afkomstig uit Bijlage VII van de richtlijn.

Artikel 12

Om na te gaan hoe de concentraties in de buitenlucht zich verhouden tot de kwaliteitsnormen dienen bepaalde parameters vastgesteld te worden. Welke parameters en welke criteria voor het bepalen daarvan gelden is geregeld in artikel 12. De criteria zijn ontleend aan Bijlage I, deel II, noot c , Bijlage III, deel II, en Bijlage VII, deel I, van de richtlijn.

Artikel 13

Overschrijding van de richtwaarden voor 2010 leidt tot de verplichting een plan als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de richtlijn, op te stellen en uit te voeren. Dit plan heeft ten doel om vanaf 2010 door middel van proportionele maatregelen te voldoen aan de streefwaarden. Gezien het karakter van de stof zijn de concentraties van ozon nauwelijks lokaal te beïnvloeden. Het opstellen en uitvoeren van het plan is daarom een taak van de minister van VROM. In het plan moet worden aangegeven op welke wijze zo veel mogelijk voldaan zal worden aan de in artikel 2 genoemde richtwaarden, uiteraard voor het in artikel 2 genoemde tijdstip (1 januari 2010).

In het tweede lid is bepaald welke gegevens het plan moet bevatten. Die zijn ontleend aan artikel 3, vierde lid, van de derde dochterrichtlijn, waarin wordt verwezen naar Bijlage IV van de kaderrichtlijn.

Ter uitvoering van artikel 3, derde lid, van de richtlijn is de verplichting opgenomen tot het opstellen van één samenhangend plan wanneer voor meer stoffen een plan opgesteld dient te worden.

De voortgang van de uitvoering van een plan wordt ingevolge artikel 10, eerste lid, onder c, van de richtlijn iedere drie jaar aan de Commissie meegedeeld. De minister van VROM heeft derhalve de taak om iedere drie jaar de voortgang van de uitvoering van het plan te beoordelen en dit te rapporteren aan de Commissie.

Artikel 14

Artikel 4 van de derde dochterrichtlijn bepaalt dat de lidstaten kosten-effectieve maatregelen nemen om de langetermijndoelstellingen te verwezenlijken in gebieden waar de luchtkwaliteit wel aan de streefwaarden (de richtwaarden voor 2010, zoals opgenomen in artikel 2 van deze regeling), maar nog niet aan de langetermijndoelstellingen (richtwaarden voor 2020, zoals opgenomen in artikel 3 van deze regeling), voldoet. Deze verplichting is in artikel 14 overgenomen.

Artikel 15

In artikel 15 is de taak om de bevolking te waarschuwen bij (dreigende) overschrijding van de informatiedrempel of alarmdrempel aan de commissaris van de Koningin (hierna: de commissaris) toevertrouwd. De commissaris draagt ingevolge artikel 48, derde lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging, immers al zorg voor het informeren van de bevolking in perioden van verhoogde luchtverontreiniging. Zo nodig kan hij de berichtgeving vergezeld doen gaan van aanbevelingen voor door de veroorzakers van de luchtverontreiniging te nemen maatregelen. Artikel 48, derde lid, is van overeenkomstige toepassing verklaard bij overschrijding van de informatiedrempel of alarmdrempel voor ozon. De commissaris kan dientengevolge ook aanbevelingen doen voor door de veroorzakers van de luchtverontreiniging te nemen maatregelen. De gegevens die de commissaris ten minste aan de bevolking verstrekt zijn vermeld in het eerste lid van artikel 15. Ze zijn overgenomen van Bijlage II, deel II van de richtlijn.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P.L.B.A. van Geel

Transponeringstabel

Artikel(lid) derde dochterrichtlijn

Implementatie NL regelgeving

artikel 1

behoeft geen implementatie

  

artikel 2, definities

 

eerste lid (lucht)

– n.v.t.

tweede lid (verontreinigende stof)

– n.v.t.

derde lid (ozonprecursoren)

– behoeft geen implementatie

vierde lid (niveau)

– artikel 1, onder i (indirect)

vijfde lid (beoordeling)

– behoeft geen implementatie

zesde lid (vaste metingen)

– paragraaf 3

zevende lid (zone)

– artikel 1, onder l.

achtste lid (agglomeratie)

– artikel 1, onder b.

negende lid (streefwaarde)

– artikel 1, onder i (richtwaarde)

tiende lid (langetermijndoelstelling)

– artikel 1, onder i (richtwaarde)

elfde lid (alarmdrempel)

– artikel 1, onder c.

twaalfde lid (informatiedrempel)

– artikel 1, onder e.

dertiende lid (vluchtige organische stoffen)

– artikel 1, onder k.

  

artikel 3,

 

eerste lid en bijlage I: streefwaarden

– artikel 2

tweede lid: lijst zones/agglomeraties

– preliminary assessment RIVM

derde lid: planverplichting

– artikel 13

vierde lid: inhoud plan en beschikbaarstelling

– artikel 13, tweede lid, bijlage en WOB

  

artikel 4,

 

eerste lid en bijlage I: lange termijn doelstellingen

– artikel 3

tweede lid: lijst zones/agglomeraties; maatregelen

– preliminary assessment RIVM; artikel 14

derde lid: vorderingen EU

– artikel 3

  

artikel 5: lijst zones en agglomeraties concentraties cf lange termijn doelstellingen

– preliminary assessment RIVM, artikel 5.1, derde lid, Wet milieubeheer

  

artikel 6,

 

eerste lid: informatie

– teletekst en internet; contract RIVM (Wet op het RIVM);

tweede lid: informatie overschrijding alarm/informatiedrempel

– artikel 15

derde lid: eisen aan informatie

– behoeft geen implementatie

  

artikel 7, korte termijn actieplannen

– n.v.t.

  

artikel 8,

 

eerste lid: int. samenwerking

– geen implementatie (EC-CAFE-programma)

tweede lid: int. actieplannen

– idem

derde lid: int. informatie-uitwisseling

– RIVM waarschuwt buurlanden (B (Vlaamsche Milieumaatschappij in Erembodegem) en D (Niedersächsisches Landesamt für Ökologie in Hildesheim en het Landesumweltamt in Essen))

vierde lid: voortzetting int. samenwerking

– behoeft geen implementatie

  

artikel 9, controle luchtkwaliteit

– paragraaf 3

  

artikel 10, indiening informatie en verslagen

– behoeft geen implementatie (feitelijk handelen Minister van VROM)

  

artikel 11, verslag Eur. Cie

– behoeft geen implementatie

  

artikel 12, leidraad Cie.

– behoeft geen implementatie

  

artikel 13, comitéprocedure

– behoeft geen implementatie

  

artikel 14, sancties

– artikelen 8.27, 18.7 en 18.11 Wm juncto artikel 5.32 Algemene wet bestuursrecht, artikel 1a Wet op de economische delicten, artikel 5.18 Wm

  

artikel 15, implementatie

– behoeft geen implementatie

  

artikel 16, intrekking richtlijn 92/72/EEG

– behoeft geen implementatie

  

artikel 17, inwerkingtreding

– behoeft geen implementatie

  

artikel 18, adressanten

– behoeft geen implementatie

  

Bijlage I, definities, streefwaarden en lange termijndoelstellingen

– artikelen 2 en 3

  

Bijlage II, informatiedrempel en alarmdrempel

– artikelen 4, 5 en 15

  

Bijlage III, te verstrekken informatie en eisen aan berekeningen

– behoeft geen implementatie (feitelijk handelen Minister van VROM)

– artikel 12

  

Bijlage IV, plaatsing meetpunten, monsterneming

– artikelen 7, 8, 9 en 10

  

Bijlage V, minimum aantal meetpunten

– artikelen 7 en 8

  

Bijlage VI, meting van ozonprecursoren

– artikel 8, vierde lid

  

Bijlage VII, nauwkeurigheidseisen metingen en modelberekeningen

– artikel 1, onder a, d en j, artikel 11

  

Bijlage VIII referentiemethode

– behoeft geen implementatie