Beleidsregels kwaliteit kinderopvang

Beleidsregels van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 november 2004, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/KO/2004/71131, tot uitvoering van de Wet kinderopvang op het terrein van de kwaliteit van de kinderopvang (Beleidsregels kwaliteit kinderopvang)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 49, 50, 51 en 56 van de Wet kinderopvang;

Besluit:

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. wet: Wet kinderopvang;

b. dagopvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen;

c. buitenschoolse opvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen in de leeftijd dat zij naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd, evenals gedurende vrije dagen of middagen en in de schoolvakanties;

d. groep: een eenheid die bestaat uit een aantal kinderen met een of meer beroepskrachten;

e. stamgroep: een vaste groep kinderen in een passend ingerichte vaste groepsruimte;

f. risico-inventarisatie: de risico-inventarisatie, bedoeld in artikel 51 van de wet;

g. vraagouder: ouder die kinderopvang vraagt die geboden wordt door een gastouder.

Paragraaf 2. Kwaliteit kindercentra

Artikel 2. Pedagogisch beleidsplan

1. Ter uitvoering van de artikelen 49, eerste lid, en 50 van de wet beschikt een kindercentrum over een pedagogisch beleidsplan, waarin de voor dat kindercentrum kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.

2. Een pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen ten minste een beschrijving van:

a. de wijze waarop emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke- en sociale competentie, en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt;

b. de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen;

c. de (spel)activiteiten die kinderen buiten de stamgroep kunnen verrichten; en van

d. de wijze waarop beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door andere volwassenen.

3. Waar nodig wordt in een pedagogisch beleidsplan onderscheid gemaakt tussen dagopvang en buitenschoolse opvang.

4. De houder en de personen werkzaam bij een kindercentrum handelen in de praktijk van dagopvang of buitenschoolse opvang naar het door de houder vastgestelde pedagogisch beleidsplan.

5. Een pedagogisch beleidsplan wordt voor de eerste maal vastgesteld binnen zes maanden na de melding, bedoeld in artikel 45 van de wet.

Artikel 3. Dagopvang

1. Bij dagopvang vindt de opvang plaats in stamgroepen, met dien verstande dat in een groep:

a. in de leeftijd tot één jaar gelijktijdig ten hoogste twaalf kinderen aanwezig zijn;

b. in de leeftijd tot en met drie jaar gelijktijdig ten hoogste zestien kinderen aanwezig zijn, waaronder ten hoogste acht kinderen in de leeftijd tot één jaar.

2. Bij dagopvang bedraagt de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal feitelijke aanwezige kinderen ten minste:

a. één beroepskracht per vier kinderen in de leeftijd tot één jaar;

b. één beroepskracht per vijf kinderen in de leeftijd van één tot twee jaar;

c. één beroepskracht per zes kinderen in de leeftijd van twee tot drie jaar;

d. één beroepskracht per acht kinderen in de leeftijd van drie tot vier jaar.

3. Het aantal beroepskrachten, bedoeld in het tweede lid, bij een gemengde leeftijdsgroep wordt bepaald aan de hand van het rekenkundige gemiddelde van de voor de aanwezige leeftijdscategorieën geldende maximale aantallen kinderen, waarbij naar boven kan worden afgerond.

4. Indien kinderen bij (spel)activiteiten de stamgroep verlaten, is het eerste lid niet van toepassing.

5. Indien bij dagopvang per dag ten minste tien aaneengesloten uren opvang wordt geboden kunnen, in afwijking van het tweede, derde of vierde lid, voor ten hoogste drie uren per dag, direct na opening aan het begin van de dag, respectievelijk tijdens de middagpauze en voor sluiting van een kindercentrum aan het eind van de dag, minder beroepskrachten worden ingezet, met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal ingevolge het tweede of derde lid vereiste beroepskrachten wordt ingezet.

6. Indien ingevolge het vijfde lid slechts één beroepskracht in het kindercentrum wordt ingezet, dient ter ondersteuning van deze beroepskracht ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig te zijn.

7. Indien ingevolge het tweede of derde lid slechts één beroepskracht in een kindercentrum aanwezig is, dan dient de ondersteuning van deze beroepskracht door een andere volwassene in geval van calamiteiten te zijn geregeld.

Artikel 4. Buitenschoolse opvang

1. Bij buitenschoolse opvang vindt de opvang plaats in stamgroepen, met dien verstande dat een groep uit ten hoogste twintig kinderen bestaat in de leeftijd van vier jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt.

2. In afwijking van het eerste lid kan een stamgroep, voor kinderen in de leeftijd van acht jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt, bestaan uit ten hoogste dertig kinderen.

3. Bij buitenschoolse opvang bedraagt de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het feitelijk aanwezige aantal kinderen ten minste één beroepskracht per tien kinderen.

4. Bij buitenschoolse opvang voor kinderen in de leeftijd van acht jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt in een stamgroep met ten hoogste dertig kinderen, bedraagt de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het feitelijke aantal aanwezige kinderen, in afwijking van het derde lid, ten minste twee beroepskrachten, waarbij de beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door een andere volwassene.

5. Indien kinderen bij (spel)activiteiten de stamgroep verlaten, is het eerste of tweede lid niet van toepassing.

6. In afwijking van het derde of vierde lid kunnen voor en na de dagelijkse schooltijd alsmede gedurende vrije middagen voor ten hoogste een half uur per dag, na opening en voor sluiting van een kindercentrum, minder beroepskrachten worden ingezet, met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal beroepskrachten wordt ingezet. Op vrije dagen of tijdens de schoolvakanties kan, indien per dag ten minste tien aaneengesloten uren buitenschoolse opvang wordt geboden, de in de vorige volzin bedoelde afwijkende inzet van beroepskrachten ten hoogste drie uur per dag bedragen, voor zover deze inzet plaatsvindt direct na opening aan het begin van de dag, respectievelijk tijdens de middagpauze en voor sluiting van een kindercentrum aan het eind van de dag, met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal ingevolge het derde of vierde lid vereiste beroepskrachten wordt ingezet.

7. Indien ingevolge het zesde lid slechts één beroepskracht in het kindercentrum wordt ingezet, dient ter ondersteuning van deze beroepskracht ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig te zijn.

8. Indien ingevolge het derde of vierde lid één beroepskracht in een kindercentrum aanwezig is, dan dient de ondersteuning van deze beroepskracht door een andere volwassene in geval van calamiteiten te zijn geregeld.

Artikel 5. Verblijfruimten voor kinderen

1. Elke stamgroep beschikt over afzonderlijke vaste groepsruimte van per kind minimaal 3,5 m2 bruto-oppervlakte passend ingerichte speelruimte, daaronder mede begrepen passend voor spelactiviteiten ingerichte ruimtes buiten de groepsruimte.

2. Elke ruimte is ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen.

Artikel 6. Slaapruimten voor kinderen

Een kindercentrum, waar dagopvang wordt geboden, beschikt voor kinderen tot de leeftijd van 1,5 jaar over op het aantal kinderen afgestemde afzonderlijke slaapruimte.

Artikel 7. Buitenspeelterrein

1. Voor dagopvang beschikt een kindercentrum over aangrenzende, voor kinderen veilige en toegankelijke, alsmede op de leeftijd van de kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte, waarvan de oppervlakte minimaal 3 m2 bruto-oppervlakte speelruimte per aanwezig kind bedraagt.

2. Voor buitenschoolse opvang beschikt een kindercentrum over voor kinderen veilige en toegankelijke, vaste en op de leeftijd van de kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte, bij voorkeur aangrenzend aan het kindercentrum, waarvan de oppervlakte minimaal 3 m2 bruto oppervlakte speelruimte per aanwezig kind bedraagt. In het geval een buitenspeelruimte niet aangrenzend is, is deze gelegen in de directe nabijheid van een kindercentrum en voor kinderen toegankelijk en veilig bereikbaar.

Artikel 8. Inhoud risico-inventarisatie

1. Een risico-inventarisatie als bedoeld in artikel 51 van de wet bevat:

a. een beschrijving van de veiligheids- en gezondheidsrisico's die de opvang van kinderen in alle voor kinderen toegankelijke ruimtes in een kindercentrum, daaronder mede begrepen de buitenspeelruimte, met zich brengt;

b. een plan van aanpak, waarin is aangegeven welke maatregelen en binnen welke termijn deze maatregelen zijn respectievelijk worden genomen in verband de onder a bedoelde risico's en de samenhang daartussen.

2. De beschrijving van de risico's, bedoeld in het eerste lid, onder a, beschrijft op het terrein van de veiligheid van kinderen in ieder geval de risico's ten aanzien van verbranding, vergiftiging, verdrinking, valongevallen, verwondingen, beknelling, botsen, stoten, steken en snijden.

3. De beschrijving van de risico's, bedoeld in het eerste lid, onder a, beschrijft op het terrein van gezondheid van kinderen in ieder geval de risico's ten aanzien van het voorkomen van ziektekiemen, het binnenmilieu in een kindercentrum, het buitenmilieu bij een kindercentrum en medisch handelen.

4. Een risico-inventarisatie ten aanzien van de veiligheid van de op te vangen kinderen bevat tevens een lijst van ongevallen waarop de aard en plaats van het ongeval, de leeftijd van het kind, de datum waarop het ongeval zich heeft voorgedaan wordt geregistreerd, alsmede een overzicht van de maatregelen die de houder naar aanleiding van elk ongeval heeft getroffen ter voorkoming van verdere ongevallen.

5. De houder zorgt er voor dat personen werkzaam bij een kindercentrum kennis kunnen nemen van de voor dat centrum vastgestelde risico-inventarisatie.

6. De houder stelt jaarlijks voor elk door hem geëxploiteerd kindercentrum een risico-inventarisatie op. Onverminderd de eerste volzin stelt de houder een risico-inventarisatie op ingeval van een ingrijpende verbouwing of gewijzigd gebruik van een door hem geëxploiteerd kindercentrum.

Artikel 9. Beroepskwalificatie personeel

1. Beroepskrachten beschikken over een voor de werkzaamheden passende beroepskwalificatie overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst kinderopvang.

2. De inzet van beroepskrachten in opleiding geschiedt overeenkomstig de voorwaarden van de collectieve arbeidsovereenkomst kinderopvang.

Artikel 10. Verklaring omtrent het gedrag

1. Personen als bedoeld in de artikelen 50, tweede lid, en 90, derde lid, van de wet zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële documentatie of afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag, voor zover zij als houder, als bestuurder of als werknemer werkzaam krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Voor een werknemer geldt het eerste lid, voor zover deze persoon op een kindercentrum werkzaam is.

3. Voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is, geldt de verplichting van artikel 50, derde lid, van de wet de eerste maal voordat deze persoon zijn werkzaamheden op een kindercentrum aanvangt.

Paragraaf 3. Kwaliteit gastouderbureaus en gastouderopvang

Artikel 11. Pedagogisch beleidsplan

1. Ter uitvoering van artikel 49, tweede lid, van de wet beschikt een gastouderbureau over een pedagogisch beleidsplan, waarin de voor dat gastouderbureau kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.

2. Een pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijk en observeerbare termen ten minste een beschrijving van:

a. de samenstelling van het aantal kinderen dat door een gastouder wordt opgevangen; en

b. de eisen die aan gastouderschap worden gesteld, waarbij in ieder geval als eis wordt gesteld dat de woning waar gastouderopvang door tussenkomst van het gastouderbureau plaatsvindt over voldoende speel- en slaapruimte voor kinderen beschikt en over voldoende buitenspeelmogelijkheden, afgestemd op het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen.

3. De in het tweede lid, onder b, bedoelde eisen worden jaarlijks door de houder getoetst op naleving.

4. Artikel 2, tweede lid, onder a, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12. Risico-inventarisatie

1. Ter uitvoering van artikel 49, tweede lid, van de wet voert de houder een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen in woningen waar gastouderopvang door zijn tussenkomst plaatsvindt zoveel mogelijk is gewaarborgd.

2. De houder legt voor elke woning waar gastouderopvang plaatsvindt in een jaarlijkse risico-inventarisatie vast welke veiligheids- en gezondheidsrisico's de opvang van kinderen in alle voor kinderen toegankelijke ruimtes in die woningen voor kinderen met zich brengt. Een houder draagt er zorg voor dat elke gastouder in geval van noodsituaties, waarin kinderen tijdens de opvang in en rondom een woning kunnen komen te verkeren, adequaat kan handelen.

3. Per woning waar gastouderopvang plaatsvindt, wordt door de houder in een plan van aanpak geadviseerd welke maatregelen binnen welke termijn zijn respectievelijk worden genomen in verband met de in het tweede lid bedoelde risico's.

4. De gastouder of vraagouder in wiens woning de gastouderopvang plaatsvindt wordt door de houder op de hoogte gebracht van de uitkomst van een risico-inventarisatie, evenals van de daaruit voortvloeiende plan van aanpak. De risico-inventarisatie is tevens inzichtelijk voor die ouders, wier kinderen in de betreffende woning worden opgevangen.

5. Artikel 8, tweede, derde, vierde, en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op de in het tweede lid bedoelde risico-inventarisatie.

Artikel 13. Huisbezoeken

Elke houder draagt zorg voor ten minste één huisbezoek per jaar in de woning waar gastouderopvang plaatsvindt door personen werkzaam bij het gastouderbureau.

Artikel 14. Beroepskwalificatie personeel

Ten aanzien van de beroepskwalificatie van beroepskrachten werkzaam bij een gastouderbureau is artikel 9, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15. Verklaring omtrent het gedrag

Personen werkzaam bij een gastouderbureau als bedoeld in de artikelen 56, derde lid, en 90, derde lid, van de wet zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële documentatie of afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag, voor zover zij als houder, als bestuurder, als hoofd gastouderbureau of als bemiddelingsmedewerker werkzaam krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

Paragraaf 4. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 16. Overgangsbepalingen

1. Artikel 2 geldt voor een houder van een kindercentrum als bedoeld in artikel 90, eerste lid, van de wet voor het eerst zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kinderopvang.

2. Artikel 11 geldt voor een houder van een gastouderbureau als bedoeld in artikel 90, eerste lid, van de wet voor het eerst zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kinderopvang.

3. Artikel 12 geldt voor een houder die op 1 januari 2005 een gastouderbureau exploiteert eerst zes maanden na dat tijdstip.

Artikel 17. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag van dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en geldt voor kalenderjaren die aanvangen op of na 1 januari 2005.

Artikel 18. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregels kwaliteit kinderopvang.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 10 november 2004.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,A.J. de Geus.

Toelichting

1. Algemeen

De kwaliteit van de kinderopvang moet goed zijn geregeld. Dat is in de eerste plaats nodig voor kinderen en hun ouders of verzorgers; voor kinderen is de periode dat zij worden opgevangen in een kindercentrum of dat zij door tussenkomst van een gastouderbureau door een gastouder worden opgevangen, de belangrijkste ontwikkelingsfase in hun leven. Maar ook degenen die (voornemens zijn) een kindercentrum of gastouderbureau (te gaan) exploiteren hebben baat bij duidelijke en herkenbare regels. Regels die tegelijkertijd voldoende flexibel zijn om verantwoord te ondernemen. Goede kwaliteitsregels hebben verder een maatschappelijk belang. De kinderopvang in Nederland heeft immers een belangrijke maatschappelijke positie verworven.

Aanbieders en afnemers van kinderopvang hebben daarom samen kwaliteitseisen opgesteld voor de kinderopvang in Nederland. De MOgroep (Maatschappelijk Ondernemers Groep), de Branchevereniging Ondernemers in de kinderopvang en BOinK (Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang) hebben die afspraken vastgelegd in een door vertegenwoordigers van deze organisaties op 13 oktober 2004 ondertekend convenant (convenant `Verantwoorde kinderopvang: verdere stappen naar de toekomst'). De daarin vastgelegde afspraken zijn basiseisen voor kwaliteit; het staat individuele kinderopvangondernemers uiteraard vrij daarin verder te gaan.

De eisen die in het convenant worden gesteld aan de houder van een kindercentrum of gastouderbureau hebben gediend als uitgangspunt voor de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang. Daarmee geven deze beleidsregels op een moderne wijze uitleg aan een aantal specifieke globale (kwaliteits)normen van de Wet kinderopvang en sluiten zij aan bij de laatste inzichten uit de praktijk van de kinderopvang. Bovendien is sprake van een dynamisch instrument. De convenantpartijen hebben afgesproken het convenant begin 2006 te evalueren. Mocht daartoe aanleiding bestaan op basis van die evaluatie of op basis van andere gegevens, bijvoorbeeld uit wetenschappelijk onderzoek, dan kunnen ook deze beleidsregels worden aangepast. Het convenant bevat geen nadere opleidingseisen voor beroepskrachten, noch de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding kunnen worden belast met de verzorging en opvang van kinderen. Deze eisen en voorwaarden zijn geregeld in de collectieve arbeidsovereenkomst kinderopvang en worden aldus in het convenant als een gegeven beschouwd. Het is om die reden dat in de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang in dat geval wordt verwezen naar de collectieve arbeidsovereenkomst kinderopvang.

Verder is van de gelegenheid gebruikt gemaakt om nader te duiden welke personen, werkzaam bij een kindercentrum of gastouderbureau in het bezit dienen te zijn van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële documentatie of afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag.

Deze beleidsregels zijn geschreven voor houders van kindercentra en gastouderbureaus om hen duidelijkheid te bieden op welke wijze in de praktijk aan een aantal specifieke globale (kwaliteits)normen van de Wet kinderopvang dient te worden voldaan. Deze beleidsregels zijn tevens bedoeld als houvast voor het (eerstelijns)toezicht door het college van burgemeester en wethouders, uitgevoerd door de GGD. Ten slotte bieden deze beleidsregels ook ouders duidelijkheid over wat zij ten minste mogen verwachten aan basiskwaliteit bij een kindercentrum of gastouderbureau.

De onderhavige beleidsregels geven invulling aan een beperkt aantal globale (kwaliteits)normen uit de Wet kinderopvang. Beleidsregels zijn voor degene die verplicht is tot naleving van de betrokken wettelijke voorschriften niet bindend. Uitgangspunt is echter dat, wanneer conform het gestelde in deze beleidsregels wordt gehandeld, er op vertrouwd mag worden dat de desbetreffende wettelijke regels in voldoende mate worden nageleefd. Indien een kinderopvangondernemer echter op een andere gelijkwaardige of betere wijze aan de betreffende wettelijke voorschriften kan voldoen, vinden deze beleidsregels geen toepassing. De toezichtkaders die de GGD hanteert bij de uitvoering van de toezichtwerkzaamheden zijn ingericht op het onderscheid tussen de naleving van de wettelijke kwaliteitsvoorschriften en de naleving van de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang. Een en ander komt voorts expliciet tot uitdrukking in de inspectierapporten die de GGD vaststelt.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Uit de aanhef van artikel 1 van de Wet kinderopvang blijkt dat de in die wet al gedefinieerde begrippen ook voor de toepassing van deze regeling gelden. Zij hoeven dus niet opnieuw in deze regeling gedefinieerd te worden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de begrippen gastouderopvang en gastouderbureau.

Dagopvang (onder b) wordt verzorgd door een kindercentrum en heeft betrekking op de opvang van kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen. Onder dagopvang wordt hele of halve dagopvang begrepen. Aangezien in de begripsomschrijving geen begrenzing gedurende de dag is aangebracht, valt tevens 24-uurs opvang (opvang zowel overdag als 's avonds en/of 's nachts) onder de reikwijdte van deze regeling.

Buitenschoolse opvang wordt verzorgd door een kindercentrum en kan bestaan uit voorschoolse opvang, naschoolse opvang en opvang tijdens de schoolvakanties of een combinatie van beiden (onder c).

In de omschrijving van een stamgroep (onder e) wordt gesproken over een vaste groep kinderen in een passend ingerichte ruimte. Onder passend ingericht wordt begrepen: in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. Dat houdt in dat de inrichting van de ruimte een structureel karakter heeft en geschikt voor meerdere activiteiten die voor de betreffende leeftijdsgroep geschikt zijn. Passend wil ook zeggen dat de inrichting veilig moet zijn.

Artikel 2

Deze bepaling geeft aan dat een kindercentrum dient te beschikken over een pedagogisch beleidsplan. Het pedagogische beleidsplan is een belangrijke toetssteen voor ouders. Het pedagogische beleid dient te leiden tot verantwoorde kinderopvang, dat wil zeggen kinderopvang waarbij sprake is van de volgende vier competenties (tweede lid, onder a):

1) het bieden van voldoende veiligheid voor het kind;

2) het bieden van voldoende mogelijkheden voor de kinderen om persoonlijke competentie te ontwikkelen;

3) het bieden van voldoende mogelijkheden voor de kinderen voor het ontwikkelen van sociale competentie;

4) overdracht van normen en waarden.

Deze competenties worden in overleg met de oudercommissie in een pedagogisch beleidsplan uitgewerkt (verwezen zij naar artikel 60, eerste lid, onder a, van de wet). Aangezien ouders ook moeten weten in welke stamgroep hun kind zit en welke leidsters bij welke groep horen, bevat het beleidsplan tevens de werkwijze, samenstelling en de maximale omvang van de stamgroepen (tweede lid, onder b). Een belangrijk onderdeel van de pedagogische praktijk daarbij is de wijze waarop beroepskrachten met de kinderen omgaan, oftewel de leidster-kind-interactie. Hierbij wordt aandacht besteed aan de fysieke omgeving waar de kinderen worden opgevangen, groepsprocessen, het activiteitenaanbod en het gebruik van spelmateriaal. Verder geeft een pedagogisch beleidsplan aan op welke wijze het zogenaamde open-deuren-beleid wordt gevoerd. In dat geval maken kinderen gebruik van verschillende ruimtes en verlaten hun stamgroep (tweede lid, onder c). Het tweede lid, onder d heeft betrekking op de beschrijving van de wijze waarop beroepskrachten worden ondersteund door andere volwassenen in situaties, zoals beschreven in artikel 3, zesde en zevende lid, en artikel 4, zevende en achtste lid.

Het ligt in de rede dat het pedagogische beleid een vertaling krijgt per vestiging. In ieder geval wordt het beleidsplan, waar nodig, uitgewerkt naar de soorten kinderopvang die de houder aanbiedt.

Artikel 3

Er moeten duidelijke regels zijn voor het aantal kinderen dat een beroepskracht ten hoogste mag opvangen; het gaat dan om het aantal gelijktijdig aanwezige kinderen. Het uitgangspunt van dit artikel is: verantwoorde kinderopvang met vaste groepen in een eigen ruimte (stamgroepen), maar een zogenaamd open-deuren-beleid moet mogelijk zijn.

Het vierde lid voorziet voor dagopvang in de mogelijkheid tot het voeren van een zogenaamd open-deuren-beleid. De kinderen mogen bij activiteiten de stamgroep verlaten. De maximale omvang van de stamgroep wordt in die situaties tijdelijk losgelaten. Het aantal kinderen per beroepskracht blijft van kracht, toegepast op het totale aantal aanwezige kinderen op de locatie.

Het vijfde lid biedt houders van kindercentra, die dagopvang (van ten minste tien aaneengesloten uren per dag) bieden, de mogelijkheid gedurende ten hoogste drie uur per dag (niet aaneengesloten) minder beroepskrachten in te zetten dan volgens het tweede, derde of vierde lid is voorgeschreven. Aan de inzet van minder beroepskrachten zit vanzelfsprekend een grens. Ten minste de helft van het aantal beroepskrachten dient gedurende deze drie uur ingezet te worden. Houders van kindercentra kunnen deze drie uur naar eigen inzicht over de dag verdelen, met dien verstande dat de verminderde inzet van beroepskrachten aan het begin en einde van de dag respectievelijk tijdens middagpauzes kan plaatsvinden. Voor kindercentra met een beperkt aantal openingsuren, bijvoorbeeld halve dagopvang of opvang gedurende acht uur per dag, is er geen roostertechnische noodzaak tot afwijking van de leidster-kind-ratio met drie uren per dag, maar kan de tijdsduur van deze afwijking beperkt worden tot bijvoorbeeld de tijd dat de beroepskrachten pauze hebben.

Wanneer tijdens de toegestane perioden met minder beroepskrachten slechts één beroepskracht in het kindercentrum wordt ingezet, dient ingevolge het zesde lid ten minste een volwassene ter ondersteuning van deze beroepskracht aanwezig te zijn.

Opgemerkt dient te worden dat bij beduidend minder kinderen - bijvoorbeeld aan het begin of aan het eind van de dag - het uiteraard ook is toegestaan met een beroepskracht minder te werken, mits dit conform de zogenaamde leidster-kind-ratio is. Indien een beroepskracht conform de leidster-kind-ratio alleen op een kindercentrum aanwezig is, bijvoorbeeld bij een klein kindercentrum, dan dient een achterwachtfunctie geregeld te zijn. Het gaat daarbij om een andere volwassene die in ingeval van calamiteiten, waarbij de veiligheid van de opgevangen kinderen in het geding is, beschikbaar is. De houder van het kindercentrum beschrijft in het pedagogische beleidsplan hoe hij deze achterwachtfunctie heeft vormgegeven (verwezen zij naar artikel 2, tweede lid, onder d). Het moet duidelijk zijn dat er een voorziening is getroffen.

Artikel 4

Buitenschoolse opvang vindt evenals dagopvang plaats in stamgroepen. De stamgroep bestaat uit ten hoogste twintig kinderen. In het derde lid wordt geregeld dat de leidster-kind-ratio één beroepskracht per tien kinderen bedraagt. Het gaat voor alle duidelijkheid in dit geval om kinderen in de leeftijd vanaf vier jaar tot de leeftijd, waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt. In afwijking hiervan kunnen 8 tot 12-jarige kinderen in groepen van ten hoogste dertig kinderen worden opgevangen, waarbij een leidster-kind-ratio van 1:15 van toepassing is en de inzet van een extra volwassene vereist is (vierde lid).

Het vijfde lid voorziet voor buitenschoolse opvang in de mogelijkheid tot het voeren van een zogenaamd open-deuren-beleid. De kinderen mogen bij activiteiten de stamgroep verlaten. De maximale omvang van de stamgroep wordt in die situaties tijdelijk losgelaten. Het aantal kinderen per beroepskracht blijft van kracht, toegepast op het totale aantal aanwezige kinderen op de locatie.

Het zesde lid biedt houders van kindercentra die gedurende hele dagen (in schoolvakanties of tijdens vrije dagen) buitenschoolse opvang bieden de mogelijkheid, evenals bij dagopvang, gedurende drie niet aangesloten uren per dag minder beroepskrachten in te zetten dan volgens het derde of vierde lid is voorgeschreven. De buitenschoolse opvang dient dan wel ten miste tien aaneengesloten uren per dag open te zijn. Vindt de buitenschoolse opvang voor of na schooltijd dan wel op vrije middag plaats dan mag de houder van kindercentrum gedurende een half uur minder beroepskrachten inzetten, aangezien de buitenschoolse opvang in die gevallen in uren beperkt is. Net zoals bij dagopvang is de verminderde inzet van beroepskrachten, gedurende de dag, gekoppeld aan te onderscheiden perioden.

Wanneer tijdens deze perioden slechts één beroepskracht wordt ingezet, bepaalt het zevende lid dat in het kindercentrum ten minste een volwassene ter ondersteuning van deze beroepskracht aanwezig dient te zijn. Deze eis heeft te maken met de veiligheid van de kinderen. Ingeval slechts één beroepskracht bij een kindercentrum aanwezig is, dan dient ingevolge het achtste lid erin te zijn voorzien dat een andere volwassene in geval van calamiteiten de beroepskracht kan ondersteunen.

Artikel 5

Huisvesting is een belangrijk onderdeel van de kwaliteit. In dit artikel wordt bepaald dat voor elk kind minimaal 3,5 m2 bruto oppervlak speelruimte in de groepsruimte aanwezig is. Speelruimtes dienen passend te zijn ingericht voor spelen en rusten. Bij de inrichting van de binnenspeelruimte dient verder rekening te worden gehouden met het aantal kinderen dat van een ruimte gebruik maakt en met de leeftijd van de kinderen. `Voor elk kind' betekent dat ieder kind ook daadwerkelijk over minimaal 3,5 m2 bruto speelruimte kan beschikken. Het gaat daarbij om het totale aantal vierkante meters die beschikbaar zijn in de groepsruimtes. Dus de lengte vermenigvuldigd met de breedte van de ruimtes waar de kinderen spelen. Indien andere ruimten als speelruimte zijn ingericht, dan wordt deze ruimte evenredig toebedeeld aan de groepsruimte. Dit betekent bijvoorbeeld een speelhal, die door meerdere groepen wordt gebruikt, kan worden meegerekend. De bruto oppervlakte van de speelhal wordt in dat geval gedeeld door het aantal groepen en dit wordt opgeteld bij de oppervlakte van de groepsruimte. Dat betekent dat de in die ruimte aanwezige kasten, stoelen, tafels en verwarmingen niet worden afgetrokken van de bruto oppervlakte. Slaapkamers kunnen alleen dan worden meegerekend indien deze ruimtes ook daadwerkelijk als speelruimte wordt gebruikt (dus niet een vaste slaapkamer met vaste bedden, maar wel een slaapruimte met stretchers die na het slapen van de kinderen kunnen worden verwijderd).

Artikel 6

Voor de allerjongste kinderen tot circa 1,5 jaar beschikt elk kindercentrum dat dagopvang biedt over afzonderlijke slaapruimten, afgestemd op de aantallen kinderen.

Artikel 7

Dit artikel geeft aan dat de buitenspeelruimte voor kinderen die gebruikmaken van dagopvang aangrenzend aan het kindercentrum dient te zijn gesitueerd; bovendien afgestemd op de leeftijd van de kinderen, veilig en toegankelijk voor kinderen. Bij buitenschoolse opvang is de buitenspeelruimte bij voorkeur aangrenzend aan het kindercentrum. Wanneer dat niet het geval is, mag een buitenspeelruimte voor buitenschoolse opvang ook in de directe nabijheid liggen, mits toegankelijk en veilig bereikbaar. Als het bijvoorbeeld gaat om een openbare speeltuin/-ruimte gaat, dan moet die speeltuin/-ruimte daadwerkelijk open zijn op de tijden dat de kinderen worden opgevangen.

Evenals de binnenruimte dient de buitenruimte voor spel geschikt te zijn en te zijn ingericht in overeenstemming met de behoeften en mogelijkheden van de kinderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het aantal kinderen dat van een ruimte gebruik maakt en met de leeftijd van de kinderen. De speelruimte bestaat per aanwezig kind minimaal 3 m2 bruto oppervlakte. Voor een toelichting op de bruto norm zij verwezen naar de toelichting op artikel 5. Met `aanwezig kind' wordt gedoeld op in het kindercentrum aanwezige kinderen, niet noodzakelijkerwijs buitenspelend.

Artikel 8

Een kindercentrum dient voldoende veilig te zijn en een voor kinderen gezonde omgeving te bieden. Daartoe voert de houder ingevolge artikel 51 van de wet een verantwoord veiligheids- en gezondheidsbeleid. De Wet kinderopvang eist op dit punt van de houder een risico-inventarisatie. Om tot een weldoordacht beleid te komen, moet de ondernemer inzicht hebben in alle risico's die zich in een kindercentrum (inclusief de buitenruimte) kunnen voordoen en maatregelen treffen die deze risico's afdoende beperken. Dit kan per kindercentrum verschillend zijn. Zonder dat inzicht zal een dergelijk beleid niet veel meer zijn dan een beleid, gebaseerd op incidenten, waarbij geen prioriteiten worden gesteld of planmatig wordt gewerkt aan structurele oplossingen voor gesignaleerde problemen. Om tot een dergelijk beleid te komen biedt dit artikel een aantal opdrachten aan de ondernemer. Zo moet elke ondernemer in een schriftelijk document (de risico-inventarisatie) de veiligheids- en gezondheidsrisico's beschrijven. Verder legt de ondernemer in een plan van aanpak, als onderdeel van de risico-inventarisatie, vast welke maatregelen binnen welke termijn genomen zijn respectievelijk worden in verband met die risico's. Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat deze maatregelen kunnen worden uitgesteld. Als handreiking kunnen de ondernemers voor het onderwerp veiligheid gebruik maken van een model risico-inventarisatie ontwikkeld door Stichting Consument en Veiligheid, dat ook elektronisch ter beschikking wordt gesteld. Voor het onderwerp gezondheid is als handreiking voor de ondernemers een model ontwikkeld door het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid. Bovendien is aan de ondernemers als onderdeel van de implementatie van de Wet kinderopvang gratis ondersteuning geboden bij de invoering van de risico-inventarisatie.

Ten aanzien de risico-inventarisatie met betrekking tot de veiligheid zij volledigheidshalve opgemerkt dat de lijst van ongevallen (vierde lid) in ieder geval betrekking heeft op ongevallen, waarbij een arts of tandarts is ingeschakeld of een ziekenhuisbezoek noodzakelijk was. Voorts gaat het om ongevallen die met een zekere regelmaat terugkeren, ook al hoeft in die gevallen de arts of tandarts niet te worden ingeschakeld en is een bezoek aan een ziekenhuis niet aan de orde. Een voorbeeld. Kinderen die voortdurend op een zelfde plek in een kindercentrum uitglijden.

Gezien het belang van de risico-inventarisatie voor de gehele organisatie is tevens bepaald dat elk personeelslid van dit document kennis moet kunnen nemen (vijfde lid). De houder kan dit op vele manieren doen. Hoewel dit niet expliciet is vermeld, geldt dit uiteraard ook voor iedere wijziging van de risico-inventarisatie. De ondernemer is vrij in de wijze waarop hij het personeel betrekt bij de risico-inventarisatie. De risico-inventarisatie is ook openbaar voor ouders. Dat laatste vloeit voort uit artikel 53 van de wet. Ingevolge dat artikel dient de houder ouders wier kinderen in een kindercentrum worden opgevangen te informeren over het te voeren beleid, daaronder mede begrepen het beleid op het terrein van veiligheid en gezondheid.

Een risico-inventarisatie is een actueel document, toegesneden op het vigerende gebruik van de accommodatie. In verband daarmee zal een risico-inventarisatie jaarlijks moeten worden uitgevoerd (zesde lid). Voorkomen moet worden dat het beleid en de risico-inventarisatie een statisch karakter krijgen. Tegen deze achtergrond wordt tevens een risico-inventarisatie uitgevoerd na een ingrijpende verbouwing (daaronder begrepen uitbreiding) of gewijzigd gebruik van de accommodatie (bijvoorbeeld een extra babygroep of een nieuwe stamgroep voor de buitenschoolse opvang). De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de houder.

Voor alle duidelijkheid zij erop gewezen dat de oudercommissie ingevolge artikel 60, eerste lid, onder b, van de wet over een voorgenomen besluit met betrekking tot de risico-inventarisatie een adviesrecht toekomt.

Artikel 9

De Wet kinderopvang geeft in artikel 50, eerste lid, onder andere aan dat de houder ter uitvoering van de norm verantwoorde kinderopvang aantoonbaar aandacht besteedt aan de opleidingseisen van de beroepskrachten en de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding kunnen worden belast met de verzorging en opvang van kinderen. Hieraan is op de volgende wijze invulling aangegeven. In het Convenant kwaliteit kinderopvang dat aanbieders en afnemers zijn overeengekomen, is vastgelegd dat de houder zorgt voor voldoende en goed opgeleid personeel. Tegelijkertijd vermeldt het convenant dat de afspraken uit de collectieve arbeidsovereenkomst kinderopvang onverkort gelden. Daarin zijn onder andere de opleidingseisen opgenomen. In verband hiermee is in dit artikel verwezen naar de collectieve arbeidsovereenkomst als aangrijpingspunt voor de opleidingseisen.

Artikel 10

Het eerste lid van dit artikel bevat een interpretatie van artikel 50, tweede lid, en artikel 90, derde lid, van de wet. Deze artikelen bepalen dat personen werkzaam bij een kindercentrum in het bezit dienen te zijn van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële documentatie of de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. Aangegeven is nu om welke personen het concreet gaat. Dat betreft de houder, de bestuurder of de werknemer met een arbeidsovereenkomst (ongeacht of het een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd betreft dan wel om voltijd of deeltijdwerk). Vrijwilligers en stagiaires zonder stagecontract vallen hier dus niet onder.

Het tweede lid geeft aan dat het in geval van werknemers moet gaan om personen werkzaam op de locatie waar kinderen worden opgevangen. Dat betekent bijvoorbeeld dat kantoorpersoneel (bijvoorbeeld beleids- en stafmedewerkers, administratieve medewerkers), werkzaam op de hoofdvestiging, niet zijnde een kindercentrum, niet noodzakelijkerwijs hoeft te beschikken over een dergelijke verklaring omtrent het gedrag. Een houder of bestuurder van een kindercentrum dient vanwege diens verantwoordelijkheid echter in alle gevallen te beschikken over een dergelijke verklaring.

Het derde lid regelt dat werknemers die als uitzendkracht werkzaam zijn slechts de eerste maal dienen te voldoen aan artikel 50, derde lid, van de wet. Dit laat onverlet dat de houder, wanneer hij redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, een nieuwe verklaring kan verlangen.

Artikel 11

Dit artikel geeft aan dat een gastouderbureau, net zoals een kindercentrum dient te beschikken over een pedagogisch beleidsplan. Gelet op het bijzondere karakter van gastouderopvang is het beleidsplan op onderdelen afwijkend van het plan, waarover een kindercentrum dient te beschikken. Dit komt bijvoorbeeld in het pedagogisch beleidsplan tot uitdrukking in de eisen die aan gastouderschap worden gesteld.

Artikel 12

Net zoals bij kindercentra hebben ondernemers die een gastouderbureau exploiteren een actieve rol bij het controleren van de veiligheids- en gezondheidsrisico's aan de hand van een jaarlijkse inventarisatie van de risico's die kinderen lopen in woningen waar gastouderopvang plaatsvindt. Dit kan de woning van de vraagouder of de woning van de gastouder zijn. Om die reden wordt in dit artikel in algemene bewoordingen gesproken over de woning waar gastouderopvang plaatsvindt.

De opzet van de risico-inventarisatie lijkt op die voor kindercentra, maar is toegespitst op het gegeven dat woningen geïnspecteerd worden door gastouderbureaus. Daardoor is het mogelijk dat de GGD de veiligheid en de gezondheid van de woning waar de gastouderopvang plaatsvindt, kan beoordelen op basis van de door het gastouderbureau uitgevoerde risico-inventarisatie. Om zeker te zijn dat een gastouder of een vraagouder zijn medewerking verleent aan de risico-inventarisatie, is van belang dat de gastouder of vraagouder hiermee instemt. Het ligt in de rede dat dit wordt vastgelegd in de overeenkomst die een gastouder/vraagouder sluit met de houder van een gastouderbureau. In welke overeenkomst één en ander wordt vastgelegd, hangt af van de plaats waar de opvang plaatsvindt, ofwel in de woning van de gastouder ofwel in die van de vraagouder. Aangezien de modellen die ondernemers bij de risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid kunnen hanteren rond 1 januari 2005 gereed is, is voorzien in een overgangsbepaling in artikel 16 van deze regeling. Ondernemers behoeven eerst zes maanden na 1 januari 2005 aan deze regel te voldoen.

Artikel 13

Deze bepaling moet worden bezien in het licht van de rol van het gastouderbureau. Het gastouderbureau dient voorwaarden te scheppen voor een kwalitatief goede opvang. De werkzaamheden van een gastouderbureau hebben betrekking op de totstandbrenging en begeleiding van de gastouderopvang. Daarbij gaat het om het resultaat van die werkzaamheden, namelijk dat die werkzaamheden moeten leiden tot gastouderopvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind. Zo moeten bijvoorbeeld gastouders aangeven mee te zullen werken aan de risico-inventarisatie (artikel 12) en aan minimaal één huisbezoek per jaar door een medewerker van het betreffende gastouderbureau (artikel 13).

Artikel 14

Wat betreft de toelichting op dit artikel zij verwezen naar de toelichting op artikel 9.

Artikel 15

Dit artikel bevat een interpretatie van artikel 56, derde lid, en artikel 90, derde lid, van de wet. Deze artikelen bepalen dat personen werkzaam bij een gastouderbureau in het bezit dienen te zijn van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële documentatie of de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. Aangegeven is nu om welke personen het concreet gaat. Dat betreft de houder, de bestuurder, dan wel het hoofd van het gastouderbureau of de bemiddelingsmedewerker met een arbeidsovereenkomst (ongeacht of het een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd betreft dan wel om voltijd of deeltijdwerk). Deze interpretatie van bovengenoemde artikelen laat onverlet dat gastouders (waaronder de volwassen huisgenoten van de gastouder die bij opvang worden ingezet) op grond van dezelfde artikelen altijd over een dergelijke verklaring dienen te beschikken.

Artikel 16

Dit artikel bevat ten aanzien van het pedagogisch beleidsplan en de risico-inventarisatie die door een houder van een gastouderbureau dient te worden opgesteld verschillende overgangstermijnen. Eerst na het verstrijken van deze overgangstermijnen dient aan de artikelen 2 en 11 respectievelijk 12 te worden voldaan.

De Minister van Sociale Zaken

en Werkgelegenheid,

A.J. de Geus.

Naar boven