Besluit houdende erkenning van het openbaar belang van
werken tot aanleg en instandhouding van twee transportleidingen, een signaalkabel
en drie elektriciteitskabels ten behoeve van de winning van steenzout door
Frisia Zout B.V. in de provincie Friesland ingevolge de steenzoutconcessie
Barradeel II
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 oktober
2004, nr. HKW/R 2004/8124, Hoofdkantoor van de Waterstaat, Stafdienst Bestuurlijk
Juridische Zaken;
Gelezen het verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Frisia Zout B.V., gevestigd te Harlingen, van 12 juli 2004 met referentie
brief\RWS124 tot erkenning van het openbaar belang van werken ex artikel 1
Belemmeringenwet Privaatrecht in verband met de voorgenomen aanleg en instandhouding
van twee transportleidingen, een signaalkabel en drie elektriciteitskabels
ten behoeve van de winning van steenzout door Frisia Zout B.V. in het concessiegebied
Barradeel II binnen de provincie Friesland;
Gezien de door Frisia zout B.V. overgelegde stukken;
Gezien het advies van het college van Gedeputeerde Staten van Friesland
van 19 augustus 2004 met kenmerk 568808, alsmede het advies van de hoofdingenieur-directeur
van de Rijkswaterstaat in de Directie Noord-Nederland van 1 september 2004
met kenmerk DNN 2004/4516, aan welker inhoud ik mij conformeer;
Gelet op de Belemmeringenwet Privaatrecht en de Algemene wet bestuursrecht;
Overwegende,
dat de aanvraag tot erkenning van het openbaar belang van Frisia Zout
B.V. voortvloeit uit het feit dat de voorzieningenrechter van de rechtbank
Leeuwarden (onder meer op 19 maart 2004) heeft beslist dat (naar zijn aanvankelijk
oordeel) de door Frisia Zout B.V. te ondernemen werken niet zijn te kwalificeren
als werken bedoeld in artikel 5 Mijnbouwwet bepalende dat werken die worden
of zijn uitgevoerd ten behoeve van het opsporen of winnen van delfstoffen
voor de toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht worden aangemerkt
als openbare werken van algemeen nut, zijnde een voorwaarde voor de noodzakelijke
toepassing van laatstgenoemde wet ten behoeve van Frisia Zout B.V.;
dat Frisia Zout B.V. om bedrijfseconomische redenen niet kan wachten tot
het moment waarop in de hoofdzaak (definitief) terzake van dit geschil is
beslist;
dat ingevolge artikel 1 Belemmeringenwet Privaatrecht (onder meer los
van het bepaalde in artikel 5 Mijnbouwwet) door mij kan worden beslist tot
erkenning van het openbaar belang van werken in verband met de voorgenomen
toepassing van de in deze wet neergelegde gedoogplichtprocedure;
dat bij besluit van 19 april 2002 met kenmerk ME/EP/MA/02019107 door de
Minister van Economische Zaken concessie is verleend aan Frisia Zout B.V.
ten behoeve van de winning van steenzout en andere tezamen met het steenzout
in dezelfde afzetting voorkomende delfstoffen waarvan de samenhang met genoemde
delfstof gelijktijdige winning noodzakelijk maakt in het concessiegebied Barradeel
II;
dat sedert de totstandkoming van de Mijnwet 1810 delfstoffen worden beschouwd
als zijnde gemeenschapsbezit. Een dergelijk bezit heeft alleen dan waarde
als de betreffende delfstof ook daadwerkelijk kan worden gewonnen. Onlosmakelijk
verbonden met de winning van zout in casu is de aanleg van een tweetal transportleidingen
(waarvan een wordt gebruikt voor de aanvoer van water en de ander voor de
afvoer van pekel), een signaalkabel en een drietal elektriciteitskabels vanaf
de winlocatie naar de fabriek van Frisia B.V. te Harlingen;
dat voor het noodzakelijke transport van de te winnen/gewonnen stoffen
vervoer per as via de weg in financiële zin niet tot de mogelijkheden
behoort;
dat vervoer via de weg evenmin als praktisch redelijk alternatief voor
buisleidingentransport kan gelden, gelet op de grote druk welke dit op het
lokale wegennet (gemiddeld een tankauto per die minuten en de daaruit voortvloeiende
milieubelasting) zou veroorzaken;
dat derhalve naar mijn oordeel gesteld kan worden dat het transport ondergronds
van gewonnen zout een publiek belang dient;
dat Frisia Zout B.V. in de provincie Friesland op jaarbasis ongeveer een
miljoen ton zout (ongeveer achttien procent van de totale jaarproductie binnen
Nederland) wint, zijnde vacuümzout, een zeer zuiver zout. Hiervan wordt
circa tachtig procent geleverd aan de chemische industrie. Vacuümzout
vormt de grondstof voor bijvoorbeeld oplosmiddelen, brandblusmiddelen, desinfecterende
middelen, waterzuivering, pvc-kunststoffen, reinigingsmiddelen, productie
van aluminium, glas, medicijnen, diervoeding en bakpoeder. De overige twintig
procent wordt toegepast ten behoeve van voeding van mens en dier, gladheidbestrijding
en waterontharding;
dat het in voldoende mate beschikbaar zijn van deze grondstof tegen een
concurrerende prijs van economische betekenis is en derhalve het openbaar
belang dient;
dat de activiteiten van Frisia Zout B.V. van belang zijn voor de regionale
economie aangezien deze vennootschap zorgdraagt voor directe en indirecte
werkgelegenheid van ongeveer tweehonderd personen;
dat de werkgelegenheid in de fabriek van Frisia Zout B.V. te Harlingen
is gediend bij de aanvoer van voldoende pekel vanaf de winlocaties;
dat de haveninfrastructuur in belangrijke mate steunt op (continuering
van) de activiteiten van Frisia Zout B.V. aangezien van de productie van zout
ruim achthonderduizend ton per schip via de recent uitgebreide zeehaven van
Harlingen wordt verladen (zijnde een derde van de totale verlading vanuit
deze haven);
dat met de hierdoor af te dragen kade- en havengelden een belangrijke
bijdrage wordt geleverd aan de instandhouding van de infrastructuur;
dat derhalve ook op dit punt sprake is van een te dienen openbaar belang;
Hebben goedgevonden en verstaan:
het openbaar belang te erkennen van de werken welke door de besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid Frisia Zout B.V., gevestigd te Harlingen, ingevolge
de bij besluit van Onze Minister van Economische Zaken van 19 april 2002 met
kenmerk ME/EP/MA/02019107 aan voornoemde vennootschap verleende steenzoutconcessie
Barradeel II zijn of zullen worden ondernomen in het kader van de ontginning
van steenzout in de provincie Friesland binnen het concessiegebied Barradeel
II.
Dit besluit dat zal worden bekend gemaakt in de Staatscourant en zal worden
uitgereikt door toezending in afschrift aan Frisia Zout B.V.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van
de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is besluit met de uitvoering van
dit besluit.