Wijziging Stimuleringsregeling breedtesport

Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 januari 2004, nr. S/P&K-2451251, houdende een wijziging van de Stimuleringsregeling breedtesport

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op de artikelen 5, 44, eerste lid, en 56 van het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid;

Besluit:

Artikel I

De Stimuleringsregeling breedtesport1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 5 wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. In afwijking van het derde lid wordt een meerjarige uitkering voor een breedtesportproject waarvan de subsidiëring aanvangt met ingang van 1 januari 2005, voor niet meer dan vier jaar verleend.

B

Na artikel 5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5a

Activiteiten van een breedtesportproject waarvoor een uitkering is verstrekt, kunnen met toestemming van de minister worden vervangen door andere activiteiten, indien:

a. het doel van de activiteit is bereikt, of

b. de activiteit onvoldoende succesvol is gebleken.

C

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste, tweede en vierde lid vervallen.

2. Het derde lid wordt vernummerd tot eerste lid en komt te luiden:

1. Een aanvraag van een meerjarige uitkering voor een breedtesportproject waarvan de subsidiëring aanvangt met ingang van 1 januari 2005, wordt uiterlijk 1 mei 2004 bij de minister ingediend.

3. Het vijfde lid wordt vernummerd tot tweede lid.

D

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. In het eerste lid wordt de zinsnede ‘waarvan de inwilliging in vergelijking met andere aanvragen’ vervangen door: waarvan de inwilliging gelet op de artikelen 3 en 4 in vergelijking met andere aanvragen.

3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

2. Indien dit, ondanks de toepassing van het eerste lid, voor de verdeling van het beschikbare budget noodzakelijk is, geeft de minister bij de beoordeling van de aanvragen ten behoeve van breedtesportprojecten waarvan de subsidiëring aanvangt met ingang van 1 januari 2005, voorrang aan gezamenlijke breedtesportprojecten als bedoeld in artikel 2, tweede lid.

3. Indien dit, ondanks de toepassing van het eerste en tweede lid, voor de verdeling van het beschikbare budget noodzakelijk is, geeft de minister bij de beoordeling van de aanvragen voorrang aan projecten die aansluiten bij de volgende beleidsthema’s, waarbij de volgorde van de opsomming het belang van het thema weergeeft:

a. de betrokkenheid en de versterking van sportverenigingen waarmee wordt bijgedragen aan het oplossen van de problemen met het kaderbeleid en aan het tegengaan van het tekort aan vrijwilligers in de sport;

b. de versterking op lokaal niveau van de sociale cohesie in wijken, de versterking van de samenwerking tussen organisaties op het gebied van school en jeugd alsmede de verbetering van verenigingsondersteuning;

c. de bevordering van gezond beweeggedrag;

d. de bevordering van deelname door ouderen en mensen met een handicap.

E

Artikel 9 komt te luiden:

Artikel 9

1. De gemeente kan met toestemming van de minister activiteiten van een breedtesportproject waarvoor een uitkering is verstrekt, uitvoeren buiten de periode waarvoor de uitkering is verstrekt, doch uiterlijk tot een jaar na beëindiging van de uitkering.

2. De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 1 oktober van het laatste projectjaar gevraagd.

F

In artikel 9c wordt ‘€ 113.445,05’ telkens vervangen door: € 113.445,–.

G

Artikel 9e vervalt.

H

Onder vernummering van artikel 9f tot artikel 9e wordt de zinsnede ‘en vervalt met ingang van 31 december 2013’ vervangen door: en vervalt met ingang van 1 januari 2005, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft ten aanzien van de uitkeringen of voorschotten die op grond van deze regeling zijn verstrekt.

I

De bijlagen 2 en 3 worden vervangen door de bij deze regeling horende bijlagen 1 en 2.

Artikel III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, C.I.J.M. Ross-van Dorp.

Bijlage 1

Bijlage 2 behorende bij de Stimuleringsregeling breedtesport, artikel 5, eerste lid

Aantal inwoners per gemeente1

Projectduur in jaren

Maximale totale uitkering per project

Maximale uitkering in een projectjaar2

minder dan 10.000

 

n.v.t.

 
    

10.000 tot 25.000

3

€ 90.756

€ 45.378

 

4

€ 113.445

€ 45.378

 

5

€ 136.134

€ 45.378

 

6

€ 158.823

€ 45.378

    

25.000 tot 50.000

3

€ 181.512

€ 90.756

 

4

€ 226.890

€ 90.756

 

5

€ 272.268

€ 90.756

 

6

€ 317.646

€ 90.756

    

50.000 tot 100.000

3

€ 272.268

€ 136.134

 

4

€ 340.335

€ 136.134

 

5

€ 408.402

€ 136.134

 

6

€ 476.469

€ 136.134

    

100.000 tot 150.000

3

€ 363.024

€ 181.512

 

4

€ 453.780

€ 181.512

 

5

€ 544.536

€ 181.512

 

6

€ 635.292

€ 181.512

    

150.000 tot 200.000

3

€ 453.780

€ 226.890

 

4

€ 567.225

€ 226.890

 

5

€ 680.670

€ 226.890

 

6

€ 794.115

€ 226.890

    

meer dan 200.000

3

€ 680.670

€ 340.335

 

4

€ 850.838

€ 340.335

 

5

€ 1.021.005

€ 340.335

 

6

€ 1.191.173

€ 340.335

1 Het inwoneraantal gebaseerd op de meest recente cijfers vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Dit inwoneraantal geldt gedurende de gehele projectperiode.

2 De maximale uitkering wordt slechts gedurende één projectjaar verleend. In overige projectjaren is de uitkering lager dan de maximale uitkering.

Bijlage 2

Bijlage 3 behorende bij de Stimuleringsregeling breedtesport, artikel 5, tweede lid

Aantal inwoners per gemeente1

Projectduur in jaren

Maximale totale uitkering per project

Maximale uitkering in een projectjaar2

minder dan 10.000

3

€ 49.916

€ 22.689

 

4

€ 62.395

€ 22.689

 

5

€ 74.874

€ 22.689

 

6

€ 87.353

€ 22.689

    

10.000 tot 25.000

3

€ 99.832

€ 45.378

 

4

€ 124.790

€ 45.378

 

5

€ 149.748

€ 45.378

 

6

€ 174.705

€ 45.378

    

25.000 tot 50.000

3

€ 199.663

€ 90.756

 

4

€ 249.579

€ 90.756

 

5

€ 299.495

€ 90.756

 

6

€ 349.410

€ 90.756

    

50.000 tot 100.000

3

€ 299.495

€ 136.134

 

4

€ 374.369

€ 136.134

 

5

€ 449.242

€ 136.134

 

6

€ 524.116

€ 136.134

    

100.000 tot 150.000

3

€ 399.327

€ 181.512

 

4

€ 499.158

€ 181.512

 

5

€ 598.990

€ 181.512

 

6

€ 698.822

€ 181.512

    

150.000 tot 200.000

3

€ 499.158

€ 226.890

 

4

€ 623.948

€ 226.890

 

5

€ 748.737

€ 226.890

 

6

€ 873.527

€ 226.890

    

meer dan 200.000

3

€ 748.737

€ 340.335

 

4

€ 935.922

€ 340.335

 

5

€ 1.123.106

€ 340.335

 

6

€ 1.310.290

€ 340.335

1 Het inwoneraantal gebaseerd op de meest recente cijfers vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Dit inwoneraantal geldt gedurende de gehele projectperiode.

2 De maximale uitkering wordt slechts gedurende één projectjaar verleend. In overige projectjaren is de uitkering lager dan de maximale uitkering.

Toelichting

Algemeen deel

Op 1 oktober 1999 is de Stimuleringsregeling breedtesport in werking gestreden. Deze regeling beoogt gemeenten ondersteuning te bieden bij het opzetten van initiatieven die bijdragen tot een duurzame verbetering van het lokale sportaanbod. Aan provincies kan een uitkering worden verleend voor projecten die de gemeenten ondersteunen bij het ontwikkelen en uitvoeren van breedtesportprojecten.

Tijdens het Algemeen Overleg in de Tweede Kamer over de begroting voor Sport op 24 november 2003 is uitgesproken dat het accent van het breedtesportbeleid zal blijven liggen op het lokale niveau. De breedtesportregeling is als breedtesportimpuls op lokaal niveau erg succesvol gebleken. Dat neemt niet weg dat er, mede in het kader van het nieuwe subsidiebeleid, behoefte bestaat om de inhoud en de reikwijdte van deze regeling aan te passen.

Daarom wordt de regeling per 1 januari 2005 beëindigd in die zin dat na die datum geen nieuwe uitkeringen meer worden verstrekt. De reeds verleende uitkeringen blijven gehandhaafd.

Dit betekent dat de laatste mogelijkheid voor gemeenten om alsnog een uitkering aan te vragen eindigt op 1 mei 2004. Een tweede wijziging houdt in dat de meerjarige uitkering voor maximaal vier jaar wordt verleend in plaats van de oorspronkelijke zes jaar. Ook is er een beperkt budget beschikbaar voor de uitkering voor breedtesportprojecten die met ingang van 1 januari 2005 starten. Het voor nieuwe aanvragen beschikbare budget bedraagt € 7 miljoen.

Er worden geen wijzigingen doorgevoerd voor de provincies, omdat alle provincies reeds een meerjarige breedtesportuitkering hebben aangevraagd.

Gelet op de mogelijkheid dat het genoemde budget niet toereikend is, zie ik mij genoodzaakt een aantal aanvullende criteria te stellen die bij de beoordeling van de aanvragen zullen worden gehanteerd. Allereerst worden de aanvragen beoordeeld aan de hand van de bestaande criteria van de artikelen 3 en 4. Wordt niet aan deze criteria voldaan dan zal geen uitkering worden verleend. Als meer aanvragen voldoen dan uit het beschikbare budget kunnen worden gehonoreerd, zullen die aanvragen voor een uitkering in aanmerking worden gebracht die gelet op de artikelen 3 en 4 meer van belang zijn voor het beleid en meer bijdragen aan het doel van de regeling. Kan op deze wijze onvoldoende onderscheid worden gemaakt dan zal prioriteit worden gegeven aan aanvragen van meerdere gemeenten voor een gezamenlijk breedtesportproject.

Biedt het criterium van de gezamenlijke breedtesportprojecten niet voldoende onderscheid dan worden de aanvragen die dan nog overblijven getoetst aan de criteria als genoemd in artikel 8, derde lid. De volgorde bepaalt het belang van het thema bij de beoordeling van de aanvragen, waarbij het belangrijkste thema als eerste en het minst zwaarwegende thema als laatste wordt genoemd. Deze zijn afgeleid uit de kernthema’s als genoemd in het Hoofdlijnenakkoord die in het toekomstig sportbeleid verder gestalte zullen krijgen.

Verder wordt met deze regeling een aantal wijzigingen doorgevoerd die betrekking hebben op de uitvoering van een breedtesportproject. In de praktijk is als belemmerend ervaren dat de uitkering alleen werd verleend voor activiteiten opgenomen in het plan dat de basis vormt voor de uitkering, zonder dat de regeling de mogelijkheid tot wijziging van de activiteiten bood.

Thans is wel een zodanige regeling opgenomen. Verder is gebleken dat een aantal gemeenten hun breedtesportproject niet op de termijn waarin hun plan voorzag, konden starten. Dit levert problemen op, omdat de termijn van de uitkering samenvalt met die van het plan. Er moet immers worden afgerekend aan het einde van de termijn, terwijl dan nog niet alle voorgenomen activiteiten zijn uitgevoerd met de onderhavige wijziging zijn deze belemmeringen weggenomen.

Artikelsgewijs deel

Artikel I

Onderdeel A (artikel 5, vijfde lid)

Voordat de regeling komt te vervallen, wordt aan gemeenten waarvan nog geen uitkering voor een breedtesportproject is verleend, een laatste mogelijkheid geboden om alsnog een aanvraag in te dienen. Aan deze aanvragen worden echter wel beperkingen gesteld. In afwijking van breedtesportuitkeringen die voorafgaand aan deze wijziging van de regeling zijn verleend, kan ten behoeve van een breedtesportproject waarvoor met ingang van 1 januari 2005 de subsidiëring aanvangt, ten hoogste een uitkering van vier jaar worden verleend. De minimale termijn waarvoor een uitkering kan worden verleend, blijft ongewijzigd.

Onderdeel B (nieuw artikel 5a)

Dit artikel biedt de mogelijkheid om activiteiten van het breedtesportproject gedurende de loop van het project aan te passen. Als het doel van een activiteit sneller is bereikt dan verwacht, kan deze worden vervangen door een andere activiteit. Een activiteit kan ook worden vervangen als blijkt dat zij niet voldoende succesvol is. In de eerste situatie is voorzetting van de activiteit niet meer nodig, terwijl dit in de tweede situatie niet langer wenselijk is. Een gemeente kan een onderdeel van het breedtesportproject alleen wijzigen met toestemming van de minister.

Onderdeel C (artikel 6)

In het algemeen deel van de toelichting wordt uitvoerig ingegaan op de wijziging van het eerste lid van artikel 6.

Gelet op het budget voor de nieuwe aanvragen is er geen ruimte om de gemeenten de mogelijkheid te bieden een ingediende onvolledige aanvraag alsnog aan te passen. Daarom komt het tweede lid van artikel 6 te vervallen.

Onderdeel D (artikel 8)

Op dit onderdeel wordt in het algemeen deel van de toelichting uitvoerig ingegaan.

Onderdeel E (artikel 9)

Bij de toepassing van de regeling is gebleken dat een groot aantal gemeenten in tijdnood komt met betrekking tot het uitvoeren van de activiteiten. Besloten is deze gemeenten de mogelijkheid te bieden de activiteiten tot een jaar na afloop van de uitkering alsnog uit te voeren, mits de minister daarvoor toestemming verleent. De minister beoordeelt of er sprake is van omstandigheden die aan nalatigheid van de gemeente zijn toe te schrijven. Een gemeente waaraan kan worden verweten dat zij de activiteiten niet heeft uitgevoerd in de periode waarvoor de uitkering is verleend, zal geen toestemming krijgen.

Onderdelen F en I (artikel 9c en de bijlagen)

In artikel 9c en de bijlagen 2 en 3 zijn de bedragen afgerond op hele euro’s. Bedragen kleiner dan 50 eurocent zijn naar beneden afgerond, de bedragen groter zijn dan 50 eurocent naar boven.

Onderdeel H (artikel 9e)

De regeling blijft van toepassing op de bestaande gevallen. De reeds verleende uitkeringen blijven ongewijzigd.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

C.I.J.M. Ross-van Dorp

  • 1

    Stcrt. 1999, 229; laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 15 maart 2002 (Stcrt. 2002, 66).

Naar boven