Wijziging Vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen 2004

Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 31 augustus 2004, nr. TRCJZ/2004/5179, houdende wijziging van het besluit vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen 2004 betreffende de vrijstelling van Ramrod SC en Gaucho Tuinbouw

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

In overeenstemming met de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelezen de aanvragen van Plantum NL;

Gezien het advies van de Plantenziektenkundige Dienst van 8 december 2003;

Gezien de adviezen van TNO en NOTOX, gecoördineerd door het College voor de toelating van Bestrijdingsmiddelen;

Gezien de beoordeling van de aanvragen door de Plantenziektenkundige Dienst;

Gelet op artikel 16aa van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;

Besluit:

Artikel I

Hetbesluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 21 april 2004, TRCJZ/2004/3332, houdende vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen 20041 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan deel I van de bijlage wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

I.D. Bloemzaadteelt – Onkruid

Gebruiksvoorschrift

Merknaam:

Ramrod SC

Gehalte werkzame stof:

480 g/l propachloor

Toelatingsnummer:

laatstelijk toegelaten onder 7559 N

Toelatingshouder:

Monsanto Europe N.V.

Knelpunt:

Bloemenzaadteelt – Onkruid

Gebruiksvoorschriften

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als onkruidbestrijdingsmiddel met gebruikmaking van drifreducerende doppen van 90% in de onbedekte teelt van bloemenzaad met dien verstande dat maximaal 5 ha per persoon per dag mag worden behandeld.

Het is verboden dit middel in grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet Milieubeheer, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodem-aantasting zoals grondboringen zijn verboden, te gebruiken.

Het middel is giftig voor waterorganismen, derhalve zodanig toepassen dat er zo min mogelijk in oppervlaktewater terecht komt.

Dit middel is schadelijk bij opname door de mond, irriterend voor de huid en kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid.

Het volgende moet daarom in acht worden genomen:

• Buiten bereik van kinderen houden.

• Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder.

• Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik.

• Aanraking met de huid vermijden.

• Draag geschikte handschoenen en beschermende kleding.

• Spuitnevel niet inademen.

• Indien men zich onwel voelt een arts raadplegen (indien mogelijk hem/haar dit etiket tonen).

Gebruiksaanwijzing

Algemeen

Het middel werkt zowel door opname via de wortels van de onkruiden als door opname via het blad en bestrijdt kiemende onkruidzaden en net opgekomen onkruiden. Onkruiden met meer dan 2 echte blaadjes en reeds opgekomen hanepoot worden niet afdoende bestreden. Spuit dus niet te laat. Niet of weinig gevoelig zijn veelknopigen (vooral zwaluwtong, Polygonum convolvulus), kleine brandnetel (Urtica urens) en varkenskers (Coronopus spp.). Het middel moet worden toegepast op een vochtige, fijn korrelige grond met 400–600 liter water per ha. Bij toepassingen over het gewas moet het gewas droog zijn. Voorts moet er de eerste uren na toepassing geen regen vallen.

Toepassingen

bloemenzaad in onbedekte teelt, ter bestrijding van éénjarige onkruiden.

a. Kort na het zaaien van Hesperis matronalis, Iberis umbellata, Lavatera spec., Saponaria officinalis en Saponaria vaccaria.

b. Kort na het uitplanten van Pyrethrum (Pyrethrum roseum), Viola tricolor en Dianthus caryophyllus.

c. Kort na het uitplanten of in een gezaaid gewas na het uitplantstadium van Chrysanthemum coccineum.

d. Over het gewas bij Alyssum spec. van 4 à 5 cm hoogte en bij Saponaria officinalis met tenminste 3 à 4 echte blaadjes.

Dosering: 8 l per ha.

Attentie

Bij warm weer niet spuiten in de buurt van bloeiende tulpen, daar dan schade kan ontstaan (zgn. kiepers). In mindere mate geldt dit ook voor andere siergewassen b.v. hyacint, narcis, pioenroos.

B

Aan deel II van de bijlage wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

II.X. Kool – Bladluizen

Gebruiksvoorschrift

Merknaam:

Gaucho Tuinbouw

Gehalte werkzame stof:

70% imidacloprid

Toelatingsnummer:

12341 N

Toelatingshouder:

Bayer Copscience B.V.

Knelpunt:

Koolsoorten – Bladluizen

Gebruiksvoorschriften

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als middel voor de behandeling van zaden ten behoeve van sluitkool, Chinese kool, boerenkool en spruitkool ter voorkoming van aantasting door insecten.

Dit middel is schadelijk bij opname door de mond.

Het volgende moet daarom in acht worden genomen:

• Buiten bereik van kinderen bewaren.

• Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder.

• Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik.

• Draag geschikte beschermende kleding en handschoenen

• Draag een volgelaatsmasker met verse luchttoevoer tijdens het gebruik (mengen, laden, afzakken en schoonmaken doseersysteem).

Behandelde zaden niet voor menselijke of dierlijke consumptie bestemmen

Volgteelt

Na de teelt van sluitkool, Chinese kool, boerenkool en spruitkool, die direct gezaaid worden op het zaaibed, zijn alleen de volgende volggewassen mogelijk: prei, sla (m.u.v. veldsla), sluitkool, Chinese kool, broccoli, spruitkool, boerenkool, andijvie, radicchio rosso of een niet-consumptiegewas.

Als sluitkool, Chinese kool, boerenkool en spruitkool eerst in perspot of tray wordt gezaaid en later op het veld wordt uitgeplant geldt deze restrictie niet als er een kerende grondbewerking op het productieveld heeft plaatsgevonden.

Gebruiksaanwijzing

Algemeen

Gaucho Tuinbouw is een systemisch insecticide, het middel wordt via de wortels opgenomen en door de hele plant verspreid.

Toepassingen

Sluitkool, spruitkool, Chinese kool, boerenkool en broccoli, ter voorkoming van aantasting door bladluizen onder andere melige koolluis (Brevicoryne brassicae) en perzikluis (Myzus persicae).

Dosering: 215 gram middel per eenheid zaden (100.000 zaden).

Waarschuwing: het middel uitsluitend toepassen bij het pilleren van zaden. Bij combinatie met andere insecticiden dient de gewasverdraagzaamheid per gewas en ras opnieuw te worden gecontroleerd. Er kan enige opkomstvertraging en vertraging in de groei van kiemplanten optreden in de opkweekfase, deze is echter op het moment van uitplanten op het productieveld niet meer zichtbaar.

Artikel II

In artikel I, onderdeel D, van het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 15 juli 2004, nr. TRCJZ/2004/4419, Directie Juridische Zaken, houdende wijziging van Besluit vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen 2004 betreffende onder andere de vrijstelling van Dursban 5g en Gallant 2000 wordt de zinsnede ‘de volgende 6 onderdelen’ vervangen door: de volgende vijf onderdelen.

Artikel III

1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

2. Artikel II werkt terug tot en met 4 augustus 2004.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
voor deze:de Directeur-Generaal Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
R.M. Bergkamp.

Toelichting

Aanleiding voor het onderhavige besluit

Plantum NL heeft aanvragen ingediend tot vrijstelling op grond van artikel 16aa van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: de wet) voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen voor andere teelten dan waarvoor deze zijn toegelaten. Op grond van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht is de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gehouden binnen een redelijke termijn op voornoemde aanvragen te beslissen.

Werkwijze

Dit besluit is een wijziging van het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 21 april 2004, TRCJZ/2004/3332, houdende vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen 2004 (Stcrt. 77). In de toelichting van voornoemd besluit is een beschrijving gegeven van de algemene werkwijze. In de bijlagen van voornoemd besluit staat vermeld welke gewasbeschermingsmiddelen voor welk knelpunt zijn vrijgesteld. Deze bijlagen worden telkenmale na de ontvangst van nieuwe aanvragen aangevuld met nieuwe vrijstellingen voor zover de minister tot verlening van vrijstelling overgaat. Dit bevordert de inzichtelijkheid van de beschikbare vrijstellingen via elektronische databanken zoals www.overheid.nl en www.wetten.nl.

Toetsing van de drie aanvragen aan artikel 16aa van de wet

Ten aanzien van de onderliggende aanvragen geldt dat de werkzame stof van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen vóór 26 juli 1993 op de Europese markt is gekomen en is opgenomen in een werkprogramma van de Commissie der Europese Gemeenschappen voor onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (Pb L 230) (hierna: de richtlijn). Over de betrokken werkzame stoffen is nog geen communautair besluit genomen. Hiermee wordt derhalve voldaan aan het bepaalde in artikel 16aa, eerste lid, onderdelen a, b, en c van de wet. Uit het advies van de Plantenziektenkundige Dienst blijkt dat de aanvragen betrekking hebben op knelpunten in de bestrijding van een ziekte of plaag die niet volgens de methodiek van geïntegreerde bestrijding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de wet en artikel artikel 2, onderdeel 13, en artikel 3, derde lid, van de richtlijn bestreden kunnen worden. Er treden in economisch opzicht onaanvaardbare verliezen op als inzet van een gewasbeschermingsmiddel niet mogelijk is. Daarmee is aangetoond dat het belang van de landbouw de inzet van een gewasbeschermingsmiddel dringend vereist als bedoeld in het eerste lid, aanhef, van artikel 16aa van de wet. Bovendien blijkt uit de adviezen van TNO en NOTOX, gecoördineerd door het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, dat toepassing van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen onder te stellen voorschriften geen onaanvaardbare gevolgen voor arbeidsveiligheid, volksgezondheid of milieu hebben.

Over de vrijstelling op basis van artikel 16aa Bestrijdingsmiddelenwet 1962 stelt de voorzieningenrechter van het College Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) in zijn uitspraak in de voorlopige voorziening van 28 mei 2004, dat bij de beoordeling van de aanvragen in verband met de toepassing van artikel 16aa Bestrijdingsmiddelenwet 1962 toetsing op grond van de criteria, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de richtlijn dient plaats te vinden.

TNO en NOTOX hebben geadviseerd over de toepassing van deze criteria.

Beoordeling aanvraag voor Ramrod SC

Als oplossing voor het knelpunt Bloemzaadteelt – Onkruid is het middel Ramrod SC aangedragen. Volgens het bij de brief van het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen van 24 maart 2004, kenmerk 04/1087 LHO/SEG, geleverde TNO en NOTOX rapport voor de mens geen blootstelling verwacht van residuen op consumptieproducten. Voor de toepasser worden geen nadelige gezondheidseffecten verwacht mits van de voorgeschreven persoonlijke beschermingsmiddelen gebruik wordt gemaakt en niet meer dan 5 hectare per dag wordt behandeld. Ter voorkoming van gebruiker worden voldoende gereduceerd door het gebruik van de voorgeschreven persoonlijke beschermingsmiddelen.

Voor het milieu is geconcludeerd dat er verschillende risico’s aan de toepassing kleven. Het middel moet zodanig worden toegepast dat er zo min mogelijk van het middel in het oppervlaktewater terechtkomt. Dit milieurisico wordt gereduceerd door het gebruik van 90% drift-reducerende doppen. Ter verdere beperking van de milieurisico’s mag het middel niet in specifiek omschreven grondwaterbeschermingsgebieden worden toegepast en wordt het gebruik slechts toegestaan tot en met de maand september. Deze voorwaarden zijn verwerkt in de gebruiksvoorschriften bij de vrijstelling.

Beoordeling van de aanvraag voor Gaucho Tuinbouw

Voor het knelpunt Kool – Bladluizen is het gewasbeschermingsmiddel Gaucho tuinbouw aangedragen als oplossing. Uit de rapporten van TNO en NOTOX blijkt dat er bij de toepassing van dit middel geen additioneel risico voor de aspecten volksgezondheid, toepasser en milieu wordt verwacht, mits voor de toepasser persoonlijke beschermingsmiddelen worden voorgeschreven en een restrictie ten aanzien van volggewassen wordt opgenomen in het gebruiksvoorschrift. In het onderhavige besluit is daartoe een volgelaatsmasker voorgeschreven en zijn de volggewassen in het gebruiksvoorschrift benoemd. Hiermee is aan het advies van TNO en Notox gehoor gegeven en kan vrijstelling worden verleend.

Vervolgprocedure

Het onderhavige besluit is vanwege de aanvang van het teeltseizoen op grond van het bepaalde in artikel 4:11, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht niet voorgelegd aan belanghebbenden die naar verwachting bedenkingen hebben tegen het onderhavige besluit, te weten de Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie en de Stichting Natuur en Milieu. In verband met het bepaalde in artikel 4:11, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht is van belang dat beide organisaties dit jaar tweemaal eerder de gelegenheid hebben gehad een zienswijze inzake vrijstellingen in te dienen. In beide gevallen beperkte de zienswijze zich tot de van deze organisaties bekende opvatting inzake de verhouding tussen artikel 16aa van de wet en de bepalingen van de richtlijn.

Deze zienswijze is weerlegd in de beslissing op bezwaar bij het besluit ‘Vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen eerste kwartaal 2004’. De motivering van die beslissing op bezwaar maakt voor het onderhavige besluit met betrekking tot de verhouding tussen de richtlijn en artikel 16aa van de wet onderdeel uit van deze toelichting en wordt bij de ter inzage liggende stukken gevoegd. Een belanghebbende kan, binnen zes weken na de in artikel III bedoelde datum, tegen dit besluit of een onderdeel daarvan een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Afdeling Rechtsbescherming, Postbus 20401, 2500 EK Den Haag.

De stukken, die ten grondslag liggen aan dit besluit, liggen ter inzage bij de Centrale Bibliotheek van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Bezuidenhoutseweg 73, 2594 AC, Den Haag, en de Plantenziektenkundige Dienst, Geertjesweg 15, 6706 EA Wageningen.

Voorts is informatie verkrijgbaar bij de regiodirecties van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de regionale vestigingen van de Plantenziektenkundige Dienst.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

voor deze:de Directeur-Generaal Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

R.M. Bergkamp

  • 1

    Stcrt. 2004, 77; laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 4 augustus 2004 (Stcrt. 149).

Naar boven