Wijziging Besluit vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen 2004

Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 augustus 2004, nr. TRCJZ/2004/4937, houdende wijziging van het besluit vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen 2004 betreffende de vrijstelling van Previcur N en Mesurol 500 SC

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

In overeenstemming met de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelezen de aanvragen van LTO Nederland;

Gezien het advies van de Plantenziektenkundige Dienst van 8 december 2003;

Gezien de adviezen van TNO en NOTOX, gecoördineerd door het College voor de toelating van Bestrijdingsmiddelen;

Gezien de beoordeling van de aanvragen door de Plantenziektenkundige Dienst;

Gelet op artikel 16aa van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;

Besluit:

Artikel I

Het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 21 april 2004, TRCJZ/2004/3332, houdende vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen 20041 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan deel II van de bijlage worden de volgende drie onderdelen toegevoegd:

II.U. Spaanse pepers – Phytophtora

Merknaam:

Previcur N

Gehalte werkzame stof:

722 g/l propamocarb-hydrochloride

Toelatingsnummer:

7920 N

Toelatingshouder:

Bayer CropScience B.V.

Knelpunt:

Spaanse pepers – Phytophthora

Gebruiksvoorschriften

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als schimmelbestrijdingsmiddel in de grondgebonden bedekte teelt van Spaanse pepers in de periode van 1 september 2004 tot 1 januari 2005

Veiligheidstermijnen:

De termijn tussen de laatste toepassing en de oogst mag niet korter zijn dan 3 dagen.

Dit middel is schadelijk voor niet-doelwit arthropoden. Vermijd onnodige blootstelling.

Het volgende moet in acht worden genomen:

• Buiten bereik van kinderen bewaren.

• Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder.

• Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik.

• Spuitnevel niet inademen.

• Na aanraking met de huid onmiddellijk wassen met veel water.

• Draag geschikte handschoenen en beschermende kleding bij aanmaken, mengen en laden, toepassen en herbetredingswerkzaamheden.

Gebruiksaanwijzingen

Algemeen

Het middel is een systemisch fungicide met een specifieke werking tegen schimmels, die voetrot en wortelrot veroorzaken, zoals Pythium-, Phytophthora-, Perenospora- en Aphanomyces-soorten.

Toepassingen

Spaanse peper in grondgebonden bedekte teelt, ter voorkoming van uitval door Phytophthora.

Behandeling voor het uitplanten (over de planten in de perspot of op plantenbed)

Dosering: 0,1% (100 ml per 100 liter water) per m² 5 liter spuitvloeistof gebruiken. Naregenen is noodzakelijk om het middel in de wortelzone te laten dringen en van de bladeren af te spoelen.

Behandeling na het uitplanten.

Kort na het uitplanten een behandeling uitvoeren door aangieten van de plantbasis.

Dosering: 0,1% (100 ml per 100 liter water). Per plant 100-150 ml oplossing gebruiken. Indien nodig de behandeling na 2 weken herhalen.

II.V. Andijvie onder glas – voetrot

Merknaam:

Previcur N

Gehalte werkzame stof:

722 g/l propamocarb-hydrochloride

Toelatingsnummer:

7920 N

Toelatingshouder:

Bayer CropScience B.V.

Knelpunt:

Andijvie – Voetrot

Gebruiksvoorschrift

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als schimmelbestrijdingsmiddel in de bedekte teelt van andijvie vanaf 1 september tot 1 november 2004:

Veiligheidstermijnen:

De termijn tussen de laatste toepassing en de oogst mag niet korter zijn dan 3 weken.

Dit middel is schadelijk voor niet-doelwit arthropoden. Vermijd onnodige blootstelling.

Het volgende moet in acht worden genomen:

• Buiten bereik van kinderen bewaren.

• Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder.

• Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik.

• Spuitnevel niet inademen.

• Na aanraking met de huid onmiddellijk wassen met veel water.

• Draag geschikte handschoenen en beschermende kleding bij aanmaken, mengen en laden, toepassen en herbetredingswerkzaamheden.

Gebruiksaanwijzing

Algemeen

Het middel is een systemisch fungicide met een specifieke werking tegen schimmels, die voetrot en wortelrot veroorzaken, zoals Pythium-, Phytophthora-, Perenospora- en Aphanomyces-soorten.

Toepassingen

Andijvie in de bedekte teelt, ter voorkoming van voetrot.

Behandeling voor het uitplanten (over de planten in de perspot of op plantenbed)

Dosering: 0,1% (100 ml per 100 liter water). Per m² 5 liter spuitvloeistof gebruiken.

Naregenen is noodzakelijk om het middel in de wortelzone te laten dringen en van de bladeren af te spoelen.

Behandeling na het uitplanten

Kort na het uitplanten een behandeling uitvoeren door aangieten van de plantbasis.

Dosering: 0,1% (100 ml per 100 liter water). Per plant 100 ml oplossing gebruiken. Indien nodig de behandeling na 2 weken herhalen.

II.W. Prei - Trips Tabaci

Merknaam:

Mesurol 500 SC

Gehalte werkzame stof:

500 g/l methiocarb

Toelatingsnummer:

11720 N

Toelatingshouder:

Bayer CropScience B.V.

Knelpunt:

prei - trips

Gebruiksvoorschriften

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als insectenbestrijdingsmiddel tot en met de maand september met maximaal 2 toepassingen per teelt of teeltseizoen in de teelt van prei, mits:

– een teeltvrije zone van tenminste 1,5 meter vanaf de insteek van het talud van een droge sloot tot de buitenste gewasrij wordt aangehouden bij gebruikmaking van minimaal 90%-driftreducerende doppen binnen een afstand van 14 meter vanaf de insteek van de sloot;

– een teeltvrije zone van tenminste 4 meter vanaf de insteek van het talud van een watervoerende sloot tot de buitenste gewasrij wordt aangehouden en driftarme doppen overeenkomstig het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij worden gebruikt binnen een afstand van 14 meter vanaf de insteek van een watervoerende sloot: of

– een teeltvrije zone van tenminste 3 meter vanaf de insteek van het talud van een watervoerende sloot tot de buitenste gewasrij wordt aangehouden bij gebruikmaking van minimaal 90%-driftreducerende doppen binnen een afstand van 14 meter vanaf de insteek van een watervoerende sloot;

– het middel niet wordt gebruikt in grondwaterbeschermingsgebieden bedoeld in de Wet Milieubeheer, met een organisch stofgehalte kleiner dan 2% en minder dan 10% afslibbaar;

– het middel wordt gespoten bij een spuitdruk van maximaal 3 bar, met het oog op driftbeperking.

Dit middel is gevaarlijk voor bijen en hommels en andere niet-doelwit arthropoden. Niet toegestaan is toepassing in bloeiende gewassen of in gewassen wanneer deze actief bezocht worden door bijen of hommels.

Niet toegestaan is toepassing wanneer bloeiende onkruiden aanwezig zijn.

Het middel is giftig voor waterorganismen, daarom het middel zodanig toepassen dat het niet in oppervlaktewater terecht kan komen.

Dit middel is giftig bij opname door de mond.

Het volgende moet daarom in acht worden genomen:

• Buiten bereik van kinderen bewaren.

• Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder.

• Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik.

• Draag geschikte beschermende kleding, geschikte handschoenen en een beschermingmiddel voor de ogen.

• Vermijd contact van het middel met de huid en de ogen.

• Na aanraking met de huid en de ogen onmiddellijk met overvloedig water afspoelen.

• Bij een ongeval of indien men zich onwel voelt onmiddellijk een arts raadplegen (indien mogelijk hem dit etiket tonen).

Veiligheidstermijn

De termijn tussen de laatste toepassing en de oogst mag niet korter zijn dan 2 weken voor prei.

Gebruiksaanwijzing

Toepassingen

Prei, ter bestrijding van tabakstrips (Thrips tabaci).

Dosering:

eerste bespuiting

1,5 l/ha

 

volgbespuiting

1,0 l/ha

De bespuiting zonodig éénmaal met een interval van 10 dagen herhalen.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
voor deze: de Directeur-Generaal,
R.M. Bergkamp.

Toelichting

Aanleiding voor het onderhavige besluit

LTO-Nederland heeft aanvragen ingediend tot vrijstelling op grond van artikel 16aa van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: de wet) voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen voor andere teelten dan waarvoor deze zijn toegelaten. Op grond van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht is de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gehouden binnen een redelijke termijn op voornoemde aanvragen te beslissen.

Werkwijze

Dit besluit is een wijziging van het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 21 april 2004, TRCJZ/2004/3332, houdende vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen 2004 (Stcrt. 77). In de toelichting van voornoemd besluit is een beschrijving gegeven van de algemene werkwijze. In de bijlagen van voornoemd besluit staat vermeld welke gewasbeschermingsmiddelen voor welk knelpunt zijn vrijgesteld. Deze bijlagen worden telkenmale na de ontvangst van nieuwe aanvragen aangevuld met nieuwe vrijstellingen voor zover de minister tot verlening van vrijstelling overgaat. Dit bevordert de inzichtelijkheid van de beschikbare vrijstellingen via elektronische databanken zoals www.overheid.nl en www.wetten.nl.

Toetsing van de drie aanvragen aan artikel 16aa van de wet

Ten aanzien van de onderliggende aanvragen geldt dat de werkzame stof van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen vóór 26 juli 1993 op de Europese markt is gekomen en is opgenomen in een werkprogramma van de Commissie der Europese Gemeenschappen voor onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (Pb L 230) (hierna: de richtlijn). Over de betrokken werkzame stoffen is nog geen communautair besluit genomen. Hiermee wordt derhalve voldaan aan het bepaalde in artikel 16aa, eerste lid, onderdelen a, b, en c van de wet. Uit het advies van de Plantenziektenkundige Dienst blijkt dat de aanvragen betrekking hebben op knelpunten in de bestrijding van een ziekte of plaag die niet volgens de methodiek van geïntegreerde bestrijding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de wet en artikel artikel 2, onderdeel 13, en artikel 3, derde lid, van de richtlijn bestreden kunnen worden. Er treden in economisch opzicht onaanvaardbare verliezen op als inzet van een gewasbeschermingsmiddel niet mogelijk is. Daarmee is aangetoond dat het belang van de landbouw de inzet van een gewasbeschermingsmiddel dringend vereist als bedoeld in het eerste lid, aanhef, van artikel 16aa van de wet. Bovendien blijkt uit de adviezen van TNO en NOTOX, gecoördineerd door het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, dat toepassing van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen onder te stellen voorschriften geen onaanvaardbare gevolgen voor arbeidsveiligheid, volksgezondheid of milieu hebben.

Over de vrijstelling op basis van artikel 16aa Bestrijdingsmiddelenwet 1962 stelt de voorzieningenrechter van het College Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) in zijn uitspraak in de voorlopige voorziening van 28 mei 2004, dat bij de beoordeling van de aanvragen in verband met de toepassing van artikel 16aa Bestrijdingsmiddelenwet 1962 toetsing op grond van de criteria, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de richtlijn dient plaats te vinden.

Voor zover de richtlijn zou dwingen tot toepassing van artikel 8, derde lid, betekent dat een risicobeoordeling ten aanzien van het milieu een toetsing moet omvatten van de tien grondbeginselen, genoemd in bijlage 6 van de richtlijn.

Beoordeling van de aanvragen voor Previcur N

Voor de knelpunten Andijvie onder glas – Voetrot en Spaanse peper – Phytoph⁠tora is het gewasbeschermingsmiddel Previcur N aangedragen als oplossing. Uit de rapporten van TNO en NOTOX blijkt dat er bij de toepassing van dit middel geen acuut of chronisch risico wordt verwacht voor de volksgezondheid. Ten aanzien van de risico’s voor de toepasser worden persoonlijke beschermingsvoorschriften gegeven die het risico voldoende reduceren.

Het middel is reeds toegelaten in een andere toepassing. De milieurisico’s zijn beoordeeld overeenkomstig de procedure van de vereenvoudigde uitbreidingstoelating. Op grond van de ervaringen met de andere toepassing is geconcludeerd dat er geen additioneel risico voor het milieu te verwachten valt.

Beoordeling aanvraag voor Mesurol

Als oplossing voor het knelpunt Prei – Trips Tabaci is het middel Mesurol 500 SC aangedragen. Volgens het bij de brief van het College voor de toelating van bestrijdingsmidelen van 24 maart 2004, kenmerk 04/1087 LHO/SEG, geleverde TNO en NOTOX rapport komt Mesurol 500 SC niet in aanmerking voor een vrijstelling. Bij brief van 25 mei 2004 is LTO Nederland in de gelegenheid gesteld op grond van artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht haar zienswijze te geven tegen het voornemen om haar aanvraag tot vrijstelling van Mesurol 500 SC voor de bestrijding van trips in de teelt van prei af te wijzen vanwege volksgezondheidsrisico’s. Bij brief van 25 juni 2004 hebben LTO Nederland en vele anderen hun zienswijze gegeven. LTO Nederland heeft daarbij aangegeven dat de toelatingshouder Bayer CropScience B.V. bereid is extra gegevens aan te leveren met betrekking tot de volksgezondheidsaspecten. TNO en NOTOX zijn op basis van deze nieuwe gegevens tot de conclusie gekomen dat er geen risico’s voor de volksgezondheid verwacht worden. De risico’s voor de gebruiker worden voldoende gereduceerd door het gebruik van de voorgeschreven persoonlijke beschermingsmiddelen.

Voor het milieu is geconcludeerd dat er verschillende risico’s aan de toepassing kleven. De milieurisico’s worden gereduceerd door het gebruik van 90% drift-reducerende doppen en een zo groot mogelijke teeltvrije zone aan te houden. Ter verdere beperking van de milieurisico’s wordt in afwijking van de aanvraag het gebruik slechts toegestaan tot en met de maand september. Deze voorwaarden zijn verwerkt in de gebruiksvoorschriften bij de vrijstelling.

Vervolgprocedure

Het onderhavige besluit is vanwege de aanvang van het teeltseizoen op grond van het bepaalde in artikel 4:11, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht niet voorgelegd aan belanghebbenden die naar verwachting bedenkingen hebben tegen het onderhavige besluit, te weten de Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie en de Stichting Natuur en Milieu. In verband met het bepaalde in artikel 4:11, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht is van belang dat beide organisaties dit jaar tweemaal eerder de gelegenheid hebben gehad een zienswijze inzake vrijstellingen in te dienen. In beide gevallen beperkte de zienswijze zich tot de van deze organisaties bekende opvatting inzake de verhouding tussen artikel 16aa van de wet en de bepalingen van de richtlijn.

Deze zienswijze is weerlegd in de beslissing op bezwaar bij het besluit ‘Vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen eerste kwartaal 2004’. De motivering van die beslissing op bezwaar maakt voor het onderhavige besluit met betrekking tot de verhouding tussen de richtlijn en artikel 16aa van de wet onderdeel uit van deze toelichting en wordt bij de ter inzage liggende stukken gevoegd. Een belanghebbende kan, binnen zes weken na de in artikel III bedoelde datum, tegen dit besluit of een onderdeel daarvan een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Afdeling Rechtsbescherming, Postbus 20401, 2500 EK Den Haag.

De stukken, die ten grondslag liggen aan dit besluit, liggen ter inzage bij de Centrale Bibliotheek van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Bezuidenhoutseweg 73, 2594 AC, Den Haag, en de Plantenziektenkundige Dienst, Geertjesweg 15, 6706 EA Wageningen.

Voorts is informatie verkrijgbaar bij de regiodirecties van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de regionale vestigingen van de Plantenziektenkundige Dienst.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

voor deze: de Directeur-Generaal,

R.M. Bergkamp

  • 1

    Stcrt. 2004, 77; laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 15 juli 2004 (Stcrt. 139).

Naar boven