Regeling herziening bedragen ouderdomspensioen en vakantie-uitkering Algemene Ouderdomswet

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 juni 2004, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/V&V/04/40286, houdende herziening van de bedragen van ouderdomspensioen en vakantie-uitkering van de Algemene Ouderdomswet.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 12, eerste lid, en 30, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;

Besluit:

Artikel 1

De in artikel 9, tiende lid, onderdelen a, b en c, van de Algemene Ouderdomswet genoemde bedragen worden vervangen door € 920,17, € 630,66 onderscheidenlijk € 1139,39.

Artikel 2

De in artikel 29, zesde lid, onderdelen a, b, c, en d, van de Algemene Ouderdomswet genoemde bedragen worden vervangen door € 62,40, € 56,17, € 43,69 onderscheidenlijk € 31,20.

Artikel 3

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2004.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 15 juni 2004.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte.

Toelichting

1. Inleiding

Deze regeling strekt ertoe het ouderdomspensioen en de vakantie-uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) per 1 juli 2004 aan te passen. Deze aanpassing is noodzakelijk in verband met de onverkorte nettokoppeling van de uitkeringen op grond van de AOW aan het wettelijke minimumloon. Hoewel het bruto wettelijke minimumloon onveranderd blijft, heeft de wijziging per 1 juli 2004 van de premie AWBZ een wijziging van het netto wettelijke minimumloon tot gevolg. Hierdoor ondergaan ook de AOW-bedragen per 1 juli 2004 een wijziging.

De fiscale ouderenkorting en de aanvullende ouderenkorting blijven voor de berekening van de loonheffing buiten beschouwing, waardoor de feitelijk betaalde nettopensioenen hoger zullen zijn dan die volgens de koppelingssystematiek worden vastgesteld. In geval sprake is van een AOW-gerechtigde met jongere partner zal bij de loonheffing op het AOW-pensioen met toeslag slechts eenmaal de algemene heffingskorting (voor personen van 65 jaar en ouder) worden verrekend. Dit beïnvloedt dus het feitelijk te ontvangen netto-AOW-pensioen. Daar staat tegenover dat de jongere partner zelf het bedrag van de algemene heffingskorting (voor personen jonger dan 65 jaar) ontvangt via een voorlopige teruggaaf van de belastingdienst. Het totale bedrag van de te ontvangen heffingskortingen kan echter niet hoger zijn dan de te betalen loonheffing door beide partners.

2. Vaststelling pensioenbedragen AOW

In artikel 9 van de AOW is het beginsel neergelegd, dat:

– het netto-ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde gelijk is aan 70% van het nettominimumloon per maand,

– het netto-ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde gelijk is aan 50% van het nettominimumloon per maand en

– het netto-ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde, die een kind heeft dat jonger is dan 18 jaar en voor wie hij of zij kinderbijslag ontvangt of zal ontvangen, gelijk is aan 90% van het nettominimumloon per maand.

Voorts heeft de gehuwde pensioengerechtigde van wie de echtgenoot nog geen 65 jaar is, onder bepaalde voorwaarden aanspraak op een toeslag. De hoogte van de toeslag is afhankelijk van het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de jongere echtgenoot. Van inkomen uit arbeid wordt een gedeelte niet in mindering gebracht op de toeslag. Deze vrijlating bedraagt 15% van het brutominimumloon plus een derde gedeelte van het meerdere aan bruto-inkomen. Deze vrijlating geldt niet voor inkomen in verband met arbeid.

In artikel 9, negende lid, van de AOW is bepaald, dat de volledige brutotoeslag gelijk is aan het bruto-ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde.

Op grond van artikel 12 van de AOW dienen de pensioenbedragen, genoemd in artikel 9, tiende lid, van de AOW telkens te worden herzien, indien en voorzover in de hiervoor genoemde nettokoppelingen een verstoring optreedt.

In onderstaand overzicht zijn de nieuwe nettovergelijkingen weergegeven in eurobedragen.

 

minimum-

loon

 

AOW-

gehuwd

 

AOW-

ongehuwd

 

AOW-

ongehuwd,

kind <18

bruto per maand

1.264,80

 

630,66

 

920,17

 

1.139,39

        

premie ZFW*)

15,81

 

52,94

 

77,10

 

95,64

premie WW*)

0,47

      
        

loonheffing*)

149,25

 

28,08

 

73,58

 

54,41

netto per maand

1.099,27

 

549,64

 

769,49

 

989,34

*) premie Zfw: 1,25% werknemersdeel en 6,75% werkgeversdeel; over het AOW-pensioen bedraagt de premie 8%;

premie WW: 5,80% met een franchise van € 58,– per dag.

loonheffing:

33,70% heffingstarief 1e schijf voor personen jonger dan 65 jaar;

40,65% heffingstarief 2e schijf voor personen jonger dan 65 jaar;

15,80% heffingstarief 1e schijf voor personen van 65 jaar en ouder;

22,75% heffingstarief 2e schijf voor personen van 65 jaar en ouder.

Bij bovenstaande vergelijking moeten nog de volgende kanttekeningen worden gemaakt.

Voor de berekening van de loonheffing is ten aanzien van gehuwde pensioengerechtigden van wie ook de echtgenoot 65 jaar of ouder is, uitgegaan van een fictief bedrag. Dit bedrag wordt berekend door de loonheffing vast te stellen over een bedrag van tweemaal het gehuwdenpensioen volgens de tabel voor boven-65-jarigen, rekening houdend met tweemaal de algemene heffingskorting (65+) en zonder rekening te houden met de ouderenkortingen. De helft van de aldus berekende loonheffing wordt in mindering gebracht op het gehuwdenpensioen. Deze inhouding kan in werkelijkheid niet voorkomen.

Voor het vaststellen van de loonheffing op het ouderdomspensioen van een ongehuwde pensioengerechtigde met een kind jonger dan 18 jaar wordt rekening gehouden met de algemene heffingskorting (65+) en de alleenstaande-ouderkorting (65+). Ten aanzien van de overige ongehuwde pensioengerechtigden wordt de loonheffing bepaald met inachtneming van eenmaal de algemene heffingskorting (65+).

De volledige brutotoeslag op het ouderdomspensioen voor een gehuwde met een echtgenoot jonger dan 65 jaar is gelijk aan het bruto-ouderdomspensioen voor een gehuwde.

3. Vaststelling vakantie-uitkeringen AOW

Op grond van artikel 29, eerste lid, van de AOW gelden voor de vakantie-uitkering de volgende nettogelijkheden:

– de nettovakantie-uitkering per maand voor een ongehuwde pensioengerechtigde met een kind tot 18 jaar, is gelijk aan 90% van de nettovakantie-uitkering van het minimumloon per maand,

– de nettovakantie-uitkering per maand voor een ongehuwde pensioengerechtigde is gelijk aan 70% van de nettovakantie-uitkering van het minimumloon per maand en

– de nettovakantie-uitkering per maand voor een gehuwde pensioengerechtigde zonder toeslag of met een echtgenoot ouder dan 65 jaar, is gelijk aan 50% van de nettovakantie-uitkering van het minimumloon per maand.

In artikel 29, tweede lid, is bepaald, dat de brutovakantie-uitkering per maand voor een gehuwde pensioengerechtigde met een volledige toeslag, gelijk is aan tweemaal de vakantie-uitkering per maand voor de gehuwde echtgenoot zonder toeslag of met een echtgenoot ouder dan 65 jaar. Het bedrag van deze laatste uitkering wordt bepaald in artikel 29, zesde lid, onderdeel a; de overige uitkeringen in de onderdelen b tot en met d.

In onderstaand overzicht zijn de nieuwe nettovergelijkingen in eurobedragen weergegeven.

 

AOW-gehuwd

met toeslag

 

AOW-

gehuwd

 

AOW-

ongehuwd

 

AOW-

ongehuwd,

kind <18

bruto per maand

62,40

 

31,20

 

43,69

 

56,17

        

premie ZFW

       

premie WW

       

loonheffing

9,85

 

4,92

 

6,90

 

8,87

        

netto per maand

52,55

 

26,28

 

36,79

 

47,30

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte

Naar boven