Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatscourant 2003, 7 pagina 11 | Overig |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatscourant 2003, 7 pagina 11 | Overig |
Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 december 2002, nr. SAS/2002102583, houdende regels met betrekking tot subsidies aan gemeenten om hen te stimuleren tot het verminderen van milieudruk door het bevorderen van preventie en scheiding van huishoudelijke afvalstoffen en door het optimaliseren van vergunningverlening en handhaving met betrekking tot afvalpreventie, afvalscheiding en energiebesparing 2003
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Gelet op artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer;
Besluit:
Artikel 1 (Begripsomschrijvingen)
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. samenwerkingsverband: verband van twee of meer Nederlandse gemeenten die aan de hand van een regeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, dan wel van een schriftelijke verklaring kunnen aantonen dat zij samenwerken bij het uitvoeren van projecten als bedoeld onder i, j, l, m, n en o;
b. afvalpreventie: het voorkomen of beperken van het ontstaan van afvalstoffen of het verminderen van de milieuschadelijkheid daarvan door interne nuttige toepassing of reductie aan de bron;
c. afvalscheiding: het scheiden en gescheiden houden van afvalstoffen en deze gescheiden afgeven;
d. energiebesparing: verbeteren van de energie-efficiency door het treffen van maatregelen binnen een inrichting;
e. sorteeranalyse: sorteeranalyse die is uitgevoerd overeenkomstig de Richtlijn Sorteeranalyse van het Afval Overleg Orgaan;
f. huishoudelijke afvalstoffen: groente-, fruit- en tuinafval, papier en karton, glas, textiel, wit- en bruingoed, klein chemisch afval en grove huishoudelijke afvalstoffen;
g. nulmeting: inventarisatie van gegevens over afvalscheiding en afvalpreventie, voorzover het huishoudelijke afvalstoffen betreft, volgens de opgave in de bijlage bij deze regeling;
h. plan van aanpak huishoudelijke afvalstoffen: beschrijving van feitelijk voorgenomen activiteiten ter bereiking van het in artikel 2, onder a, beschreven doel, waarin in elk geval de volgende onderdelen zijn uitgewerkt en opgenomen:
1° activiteiten, gericht op het optimaliseren van afvalscheiding, voorzover het huishoudelijke afvalstoffen betreft; de activiteiten hebben in elk geval betrekking op twee huishoudelijke afvalstoffen, daaronder begrepen de afvalstof waarvan op grond van een sorteeranalyse is gebleken dat deze, gerekend in kilogrammen, het grootste aandeel heeft in de te verwijderen afvalstoffen;
2° activiteiten, gericht op het optimaliseren van afvalpreventie, voorzover het huishoudelijke afvalstoffen betreft;
3° communicatie-activiteiten met burgers ten behoeve van afvalscheiding en afvalpreventie, voorzover het huishoudelijke afvalstoffen betreft;
4° monitoring;
i. basisproject huishoudelijke afvalstoffen: samenhangend geheel van activiteiten, inhoudende het uitvoeren van een nulmeting en, gebaseerd op de resultaten daarvan, het opstellen van een plan van aanpak huishoudelijke afvalstoffen;
j. plusproject huishoudelijke afvalstoffen: samenhangend geheel van activiteiten, inhoudende het uitvoeren van een plan van aanpak huishoudelijke afvalstoffen;
k. beleidsplan inrichtingen: beschrijving van voorgenomen activiteiten ter bereiking van het in artikel 2, onder b, beschreven doel, waarin in elk geval de volgende onderdelen zijn uitgewerkt en opgenomen:
1° de samenstelling van het gemeentelijk inrichtingenbestand;
2° het bestaande niveau van vergunningverlening en handhaving en de aanwezige kennis en vaardigheden met betrekking tot afvalpreventie, afvalscheiding en energiebesparing;
3°. maatregelen, gericht op het verhogen van het in onderdeel 2o bedoelde niveau om daarmee uiterlijk op 31 december 2005 voor vergunningverlening en handhaving met betrekking tot afvalpreventie, afvalscheiding en energiebesparing een adequaat niveau te hebben bereikt;
4°. monitoring;
l. beleidsproject inrichtingen: samenhangend geheel van activiteiten, inhoudende het opstellen van een beleidsplan inrichtingen, gericht op het actualiseren van bestaand beleid of het opstellen van nieuw beleid;
m. kennisproject inrichtingen: samenhangend geheel van activiteiten, gericht op het verkrijgen van specifieke kennis en vaardigheden op het gebied van vergunningverlening en handhaving betreffende afvalpreventie, afvalscheiding en energiebesparing of op het vergroten van de toegankelijkheid tot specifieke kennis en vaardigheden;
n. uitvoeringsproject inrichtingen: samenhangend geheel van activiteiten, gericht op:
1°. verbetering van vergunningverlening of handhaving op het gebied van afvalpreventie, afvalscheiding en energiebesparing, of
2°. stimulering van categorieën van inrichtingen tot het nemen van maatregelen op het gebied van afvalpreventie, afvalscheiding en energiebesparing, waarbij de wijze en het tijdstip waarop vergunningverlening of handhaving plaatsvindt, is aangegeven;
o. combinatieproject inrichtingen: een project waarin een kennis- en een uitvoeringsproject inrichtingen zijn samengevoegd;
p. groep: economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:
1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon die direct of indirect:
- meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,
- volledig aansprakelijk vennoot is van, of
- overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en
2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;
q. Novem: Nederlandse organisatie voor energie en milieu.
Op grond van deze regeling wordt subsidie verleend aan gemeenten of samenwerkings-verbanden voor:
a. het nemen van maatregelen om het niveau van afvalpreventie en afvalscheiding, voorzover het huishoudelijke afvalstoffen betreft, te verhogen om daarmee de milieudruk, veroorzaakt door het verwijderen van deze afvalstoffen, te verminderen;
b. het optimaliseren van vergunningverlening en handhaving met betrekking tot afvalpreventie, afvalscheiding en energiebesparing om daarmee de milieudruk, veroorzaakt door te verwijderen afvalstoffen en het energieverbruik binnen inrichtingen, te verminderen.
1. Een basisproject huishoudelijke afvalstoffen kan voor subsidie in aanmerking komen, indien:
a. het betrekking heeft op het geheel of een deel van het gemeentelijk gebied van de aanvragende gemeente of het aanvragende samenwerkingsverband,
b. de aanvraag om subsidie afkomstig is van een orgaan als bedoeld in artikel 10, eerste lid, dat nog niet eerder een aanvraag op grond van deze of aan deze regeling voorafgaande regelingen heeft ingediend,
c. de start van het project plaatsvindt uiterlijk drie maanden na datum van verlening van subsidie en
d. de duur van het project, gerekend vanaf de datum van verlening van subsidie, niet meer dan twee jaar bedraagt.
2. Een gemeente die, of een samenwerkingsverband dat een aanvraag tot subsidieverlening voor een basisproject huishoudelijke afvalstoffen heeft ingediend, kan pas na inhoudelijke afronding van dat project een aanvraag voor een plusproject huishoudelijke afvalstoffen indienen.
3. Een plusproject huishoudelijke afvalstoffen kan alleen voor subsidie in aanmerking komen, indien:
a. de voorgenomen activiteiten in het plan van aanpak nieuw en additioneel zijn ten opzichte van de huidige situatie,
b. het betrekking heeft op het geheel of een deel van het gemeentelijk gebied van de aanvragende gemeente of het aanvragende samenwerkingsverband,
c. bij de aanvraag de resultaten van een nulmeting zijn overgelegd, welke niet ouder zijn dan twee jaar,
d. bij de aanvraag een plan van aanpak huishoudelijke afvalstoffen is overgelegd,
e. in het project is voorzien in een sorteeranalyse die wordt uitgevoerd aan het einde van het project,
f. de start van het project plaatsvindt uiterlijk drie maanden na datum van verlening van subsidie en
g. de duur van het project, gerekend vanaf de datum van verlening van subsidie, niet meer dan drie jaar bedraagt.
4. Een beleidsproject inrichtingen kan alleen voor subsidie in aanmerking komen, indien:
a. de in de aanvraag vermelde voornemens zullen leiden tot een adequate beschrijving van activiteiten als bedoeld in een beleidsplan inrichtingen,
b. de start van het project plaatsvindt uiterlijk drie maanden na datum van verlening van subsidie en
c. de duur van het project maximaal zes maanden bedraagt.
5. Een kennisproject inrichtingen kan alleen voor subsidie in aanmerking komen, indien:
a. bij de aanvraag de volgende gegevens worden overgelegd:
1° een beleidsplan inrichtingen,
2° gegevens omtrent de wijze en het tijdstip waarop verkregen kennis en vaardigheden worden toegepast bij vergunningverlening of handhaving voor onderscheiden categorieën van inrichtingen met betrekking tot afvalpreventie, afvalscheiding en energiebesparing,
3° gegevens omtrent de wijze waarop monitoring plaatsvindt van resultaten van toegepaste kennis of vaardigheden,
b. de start van het project plaatsvindt uiterlijk drie maanden na datum van verlening van subsidie en
c. het project uiterlijk op 31 december 2005 zal zijn uitgevoerd.
6. Een uitvoeringsproject inrichtingen kan alleen voor subsidie in aanmerking komen, indien:
a. bij de aanvraag de volgende gegevens worden overgelegd:
1° een beleidsplan inrichtingen,
2° de categorieën van inrichtingen waar het project betrekking op heeft,
3° de wijze waarop monitoring plaatsvindt van resultaten van uitgevoerde projecten,
b. de start van het project plaatsvindt uiterlijk drie maanden na datum van verlening van subsidie en
c. het project uiterlijk op 31 december 2005 zal zijn uitgevoerd.
7. Een combinatieproject inrichtingen kan alleen voor subsidie in aanmerking komen, indien:
a. het voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het vijfde lid, onder a, en het zesde lid, onder a,
b. de start van het project plaatsvindt uiterlijk drie maanden na datum van verlening van subsidie en
c. het project uiterlijk op 31 december 2005 zal zijn uitgevoerd.
Artikel 4 (Beoordelingscriteria)
1. Bij een beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden de volgende aspecten bezien:
a. of en in welke mate het project bijdraagt aan de in artikel 2 genoemde doelstellingen;
b. de kosten van het project in relatie tot de kwaliteit, de beoogde resultaten ervan en de wijze van monitoring;
c. of de resultaten van het project structurele invloed zullen hebben op de uitvoering van het gemeentelijk milieubeleid.
2. Naast de aspecten, bedoeld in het eerste lid, worden plusprojecten huishoudelijke afvalstoffen beoordeeld op de volgende aspecten:
a. de volledigheid en actualiteit van de gegevens over afvalscheiding en afvalpreventie, voorzover het huishoudelijke afvalstoffen betreft, waarop het plan van aanpak huishoudelijke afvalstoffen is gebaseerd;
b. de wijze waarop de maatregelen in het plan van aanpak huishoudelijke afvalstoffen aansluiten op gegevens over afvalscheiding en afvalpreventie, voorzover het huishoudelijke afvalstoffen betreft.
3. Naast de aspecten, bedoeld in het eerste lid, worden projecten voor inrichtingen beoordeeld op de volgende aspecten:
a. ingeval van een beleidsproject inrichtingen: de aard en de uitvoerbaarheid van de in het beleidsplan inrichtingen aan te geven maatregelen;
b. ingeval van een kennisproject inrichtingen: de inhoud van het beleidsplan inrichtingen en of er specifieke kennis en vaardigheden aan de bestaande kennis en vaardigheden worden toegevoegd;
c. ingeval van een uitvoeringsproject inrichtingen: de inhoud van het beleidsplan inrichtingen en de wijze waarop het uit te voeren project daarbinnen is verankerd;
d. ingeval van een combinatieproject inrichtingen: de aspecten van projecten als bedoeld onder b en c.
Een aanvraag tot subsidieverlening wordt afgewezen indien:
a. niet wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3;
b. op grond van de aspecten, genoemd in artikel 4, wordt vastgesteld dat het project een te geringe of onevenwichtige bijdrage levert aan de doelstelling van deze regeling;
c. voor een project als bedoeld in artikel 1, onder m, n of o, de subsidiabele kosten van een desbetreffend project lager zijn dan € 19.000,-.
Artikel 6 (Subsidiabele kosten)
1. Als subsidiabele kosten worden in aanmerking genomen:
a. de volgende noodzakelijke, rechtstreeks aan het project toe te rekenen en door de aanvrager tot subsidieverlening gemaakte en betaalde kosten:
1° loonkosten van het bij de uitvoering van het project direct betrokken personeel, berekend op basis van het brutoloon volgens de kolommen 3 en 4 van de loonstaat van de betrokken medewerkers, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige betrekking, gedeeld door 1600,
2° aan derden verschuldigde kosten terzake van door hen verleende diensten en terzake van verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede terzake van de bescherming van die rechten, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep, en
3° een opslag voor algemene kosten, groot 40 % van de loonkosten, bedoeld in onderdeel a, onder 1°;
b. de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen, exclusief winstopslagen binnen een groep.
2. Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, kan de minister daarvoor een bedrag vaststellen, dat als projectkosten mede in aanmerking wordt genomen.
3. Kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieaanvrager de omzetbelasting niet kan verrekenen.
4. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend. Een uitzondering hierop vormen de kosten van sorteeranalyses die uitgevoerd zijn na 1 januari 2002 en onderdeel uitmaken van een aanvraag tot subsidieverlening voor een basisproject huishoudelijke afvalstoffen.
5. Niet subsidiabel zijn kosten voor de aanschaf en de afschrijving van:
a. inzamelmiddelen, daaronder begrepen registratiesystemen, voor huishoudelijke afvalstoffen;
b. middelen voor directe toepassing binnen inrichtingen;
c. niet project-gebonden automatisering en registratiesystemen voor inrichtingen.
6. Niet subsidiabel zijn kosten van deelname aan een van rijkswege opgezet kennistraject dat betrekking heeft op onderwerpen als bedoeld in artikel 2, onder b.
Artikel 7 (Hoogte van de subsidie)
1. De subsidie voor een basisproject huishoudelijke afvalstoffen bedraagt 50 % van de subsidiabele kosten, met een maximum bedrag van € 1,- per inwoner van het gebied waarop het project betrekking heeft.
2. Indien de subsidie, berekend voor een project als bedoeld in het eerste lid, minder dan € 15.000,- bedraagt, en de nulmeting betrekking heeft op alle in de bijlage bij deze regeling genoemde onderdelen van een meting, bedraagt de subsidie 100 % van de subsidiabele kosten met een maximum van € 15.000,-.
3. De subsidie voor een plusproject huishoudelijke afvalstoffen bedraagt 50 % van de subsidiabele kosten, met een maximum bedrag van € 2,- per inwoner van het gebied waarop het project betrekking heeft.
4. De subsidie voor een beleidsproject inrichtingen, gericht op het opstellen van een beleidsplan inrichtingen bedraagt ten hoogste € 5000,- of, ingeval van een samenwerkingsverband, ten hoogste € 12.500,-.
5. De subsidie voor een kennisproject inrichtingen bedraagt 40 % of, ingeval van een samenwerkingsverband, 50 % van de subsidiabele kosten, met een maximum bedrag van € 100.000,-.
6. De subsidie voor een uitvoeringsproject inrichtingen bedraagt 50 % of, ingeval van een samenwerkingsverband, 60 % van de subsidiabele kosten, met een maximum bedrag van € 200.000,-.
7. De subsidie voor een combinatieproject inrichtingen bedraagt 50 % of, ingeval van een samenwerkingsverband, 60 % van de subsidiabele kosten, met een maximum bedrag van € 200.000,-.
8. Het totaal van de te verlenen subsidie voor projecten als bedoeld in artikel 1, onder m, n of o, aan een samenwerkingsverband dan wel aan een gemeente of een samenwerkingsverband waarvan de betrokken gemeente deel uitmaakt, bedraagt in 2003 ten hoogste € 300.000,-.
Artikel 8 (Verplichtingen van de subsidieontvanger)
De subsidieontvanger is verplicht:
a. het geactualiseerde overzicht van activiteiten als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit milieusubsidies elke zes maanden aan Novem te verstrekken op grond van een door Novem vastgesteld model;
b. medewerking te verlenen aan activiteiten met het oog op het evalueren van resultaten of het uitwisselen van kennis en ervaringen die zijn verkregen door het project.
1. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2003 bedraagt € 6.200.000,-.
2. Van het bedrag, genoemd in het eerste lid, is voor de periode tot 1 juli 2003 beschikbaar voor:
a. basisprojecten huishoudelijke afvalstoffen en plusprojecten huishoudelijke afvalstoffen: tezamen € 3.100.000,-;
b. beleidsprojecten inrichtingen, kennisprojecten inrichtingen, uitvoeringsprojecten inrichtingen en combinatieprojecten inrichtingen: tezamen € 3.100.000,-.
Artikel 10 (Aanvraag tot subsidieverlening en subsidievaststelling)
1. Een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend door een Nederlandse gemeente dan wel een stadsdeel van een zodanige gemeente dat bevoegd is tot het zelfstandig voeren van beleid met betrekking tot onderwerpen als bedoeld in deze regeling, of een samenwerkingsverband.
2. Ingeval van samenwerking anders dan in een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, dragen de samenwerkende gemeenten de bevoegdheid tot het ontvangen en verantwoorden van subsidie over aan een van hen. In de aanvraag tot subsidieverlening dient in dat geval te worden aangegeven de naam van de gemeente waaraan deze bevoegdheid is overgedragen. Tevens dient in dat geval de aanvraag tot subsidieverlening een verklaring te bevatten, waaruit de overdracht van deze bevoegdheid van de andere gemeenten blijkt.
3. Een aanvraag tot subsidieverlening of tot subsidievaststelling wordt ingediend bij Novem, met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier.
4. Een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend vóór 16 oktober 2003.
5. Bij de subsidieverlening wordt beslist in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat, wanneer de aanvrager tot subsidieverlening krachtens artikel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling aanpak milieudrukvermindering 2003.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage, 20 december 2002.
De Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,P.L.B.A.
van Geel.

Als gevolg van de economische groei, is de druk op het milieu toegenomen. Het aanbod aan afvalstoffen waarvoor geen verbrandingscapaciteit bestaat, is nog steeds aanzienlijk en leidt tot het storten van een forse hoeveelheid afvalstoffen. Preventie en scheiding, zowel van huishoudelijke als van bedrijfsafvalstoffen, zijn de primaire aangrijpingspunten om het aanbod aan te verwijderen afvalstoffen (verbranden of storten) terug te dringen. In het Landelijk Afvalbeheerplan 2002 - 2012 is het daarvoor uit te voeren beleid weergegeven. Ook het energieverbruik en de daarmee samenhangende druk op het milieu vertonen een sterke stijging. Het is daarom van belang energie zo efficiënt mogelijk te gebruiken. Het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is voornemens jaarlijks € 6.806.703 beschikbaar te stellen om het aanbod aan afvalstoffen terug te dringen. Daarnaast stellen het Ministerie en het Ministerie van Economische Zaken tezamen voor de periode tot en met 2004 in totaal € 6.806.703 beschikbaar voor energiebesparing binnen inrichtingen. Van deze gelden is voor 2003 € 6.200.000,- voor deze subsidieregeling beschikbaar. Het geld is bestemd voor door gemeenten te ondernemen activiteiten. Voor huishoudelijke afvalstoffen is de ondersteuning bedoeld om maatregelen te nemen om het niveau van afvalscheiding en afvalpreventie door burgers te verhogen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het verlagen van de milieudruk, veroorzaakt door het verwijderen (verbranden of storten) van huishoudelijke afvalstoffen. Met betrekking tot inrichtingen is de ondersteuning bedoeld voor het reguleren, daaronder begrepen het stimuleren, van afvalpreventie, afvalscheiding en energiebesparing. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan een vermindering van milieudruk, veroorzaakt door bedrijfsmatige activiteiten.
De Subsidieregeling aanpak milieudrukvermindering 2003 (SAM 2003) betreft een voortzetting van de regelingen van 2001 en 2002 en heeft eveneens betrekking op scheiding en preventie van huishoudelijke afvalstoffen en op afvalpreventie, afvalscheiding en energiebesparing binnen inrichtingen. In paragraaf 2 wordt ingegaan op de achtergrond en de inhoud van beide onderwerpen. Paragraaf 3 betreft een toelichting per artikel op de verschillende soorten subsidiabele projecten en de procedure voor een aanvraag tot subsidieverlening.
Bij een aanvraag tot subsidieverlening moeten de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk 15 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieusubsidies in acht worden genomen. Op grond van deze wet en dat besluit is een aantal bepalingen rechtstreeks van toepassing op de aanvrager dan wel de verkrijger van subsidie. Dit geldt onder meer ingeval van cumulatie van subsidies, de wijze waarop gemeenten hun administratie moeten inrichten en de voorwaarden waaraan een aanvraag tot subsidievaststelling moet voldoen.
§ 2. Verband met onderliggende programma's
Het Afval Overleg Orgaan (AOO) heeft op 25 januari 2001 het `Stimuleringsprogramma afvalscheiding en afvalpreventie van huishoudelijk afval' vastgesteld. Het programma wordt beheerd door het AOO en wordt door middel van het vaststellen van een jaarprogramma elk jaar geactualiseerd. Een belangrijk onderdeel van het programma is de onderhavige regeling, die beoogt gemeenten en samenwerkingsverbanden financieel te ondersteunen bij het bevorderen van afvalscheiding en afvalpreventie van huishoudelijke afvalstoffen voor de componenten groente-, fruit- en tuinafval, papier en karton, glas, textiel, wit- en bruingoed, klein chemisch afval en grove huishoudelijke afvalstoffen. De ondersteuning vindt plaats door het beschikbaar stellen van subsidie voor uit te voeren basis- of plusprojecten huishoudelijke afvalstoffen. Novem is belast met de uitvoering van de subsidieregeling.
Afvalpreventie, afvalscheiding en energiebesparing binnen inrichtingen
In oktober 2001 is het programma `Met preventie naar duurzaam ondernemen, een programma voor en door overheden 2001 - 2005' vastgesteld. Hoofddoelstelling van dit programma is het verminderen van milieudruk, veroorzaakt door bedrijfsmatige activiteiten. Het programma kent twee programmadoelstellingen die strekken tot het op een adequaat niveau brengen van vergunningverlening en handhaving.Voor vergunningen luidt de doelstelling: `In 2005 zijn preventiemaatregelen in daarvoor in aanmerking komende Wm-vergunningen op de juiste wijze opgenomen en wordt hier tevens op gehandhaafd'. Voor inrichtingen die vallen onder algemene regels luidt de doelstelling: `In 2005 handhaven de gemeenten op effectieve wijze in algemene maatregelen van bestuur benoemde onderwerpen van preventie (artikel 8.40 amvb's)'.
Voor een toelichting op deze doelstellingen en de betekenis van een term als `de juiste wijze' heeft InfoMil een praktijkblad uitgebracht (PDO06-01 Met preventie naar duurzaam ondernemen; Verruimde reikwijdte Wm in vergunningverlening en handhaving).
De onderhavige regeling maakt deel uit van genoemd programma en vormt een belangrijk middel om de regulerende doelstellingen daarvan tot uitvoering te brengen.
Wat de inhoud betreft, beoogt de regeling (samenwerkende) gemeenten financieel te ondersteunen bij het bevorderen van afvalpreventie, afvalscheiding en energiebesparing binnen inrichtingen. De ondersteuning vindt plaats door het beschikbaar stellen van subsidie voor het opstellen van een beleidsplan inrichtingen, een kennisproject inrichtingen, een uitvoeringsproject inrichtingen of een combinatie van de twee laatstgenoemde projectsoorten. Projecten dienen in elk geval betrekking te hebben op genoemde onderwerpen. Echter, indien de aard van het project dat met zich brengt, kunnen ook andere onderwerpen als bijvoorbeeld waterbesparing of vervoermanagement tot een project behoren. Novem is belast met de uitvoering van de regeling.
Definities, subsidiabele projecten en daarbij horende voorwaarden (artikelen 1 en 3)
In artikel 1, onder b, is aangegeven dat onder afvalpreventie onder meer is begrepen `interne nuttige toepassing'. Daarmee wordt bedoeld het toepassen van afvalstoffen binnen het huishouden of binnen de inrichting waar zij zijn ontstaan. In onderdeel f zijn de huishoudelijke afvalstoffen benoemd waar de regeling betrekking op heeft. Een daarvan is grove huishoudelijke afvalstoffen. Daaronder worden verstaan grove delen van huishoudelijke afvalstoffen zoals groot wit- en bruingoed (koelkasten, tv's), meubilair, grof tuinafval en `huishoudelijk' bouw- en sloopafval. Door grove huishoudelijke afvalstoffen terecht te laten komen in een `tweedehands circuit' dan wel deze te selecteren voor vormen van nuttige toepassing, wordt een bijdrage geleverd aan het verminderen van de hoeveelheid te verwijderen afvalstoffen. Wit- en bruingoed wordt genoemd bij zowel de afzonderlijke componenten als bij grove huishoudelijke afvalstoffen. In het eerste geval betreft het het kleine wit- en bruingoed als scheerapparaten of mixers. In het tweede geval gaat het om het grote wit- en bruingoed.
In onderdeel h, de aanhef, is aangegeven dat een plan van aanpak betrekking moet hebben op feitelijk voorgenomen activiteiten. Uit de beschrijving van activiteiten moet blijken wat er wordt ondernomen, wie het uitvoert en tegen welke kosten dat zal geschieden. Deze eisen gelden voor zowel een plan van aanpak dat behoort bij een basis als bij een plusproject huishoudelijke afvalstoffen.
Basisproject huishoudelijke afvalstoffen (art. 1, onder i en art. 3, eerste en tweede lid)
Gemeenten die nader inzicht wensen in hun huidige situatie en de mogelijkheden die er zijn om afvalscheiding en afvalpreventie van huishoudelijke afvalstoffen te verbeteren, kunnen een aanvraag tot subsidieverlening indienen voor een basisproject. De uitvoering van een basisproject start met een nulmeting, waarmee op een gestructureerde wijze informatie wordt vergaard. In de bijlage bij deze regeling zijn de elementen van de nulmeting beschreven. Voor het onderdeel `inzamel- en verwerkingskosten en opbrengsten per afvalstof' geldt dat indien deze gegevens nog niet per afvalstof kunnen worden gespecificeerd omdat de wijze van registratie daar nog niet in voorziet, volstaan kan worden met de gegevens zoals deze wel geregistreerd worden. Een registratie per afvalstof dient dan een aandachtspunt te zijn in het onderdeel `monitoring' van het plan van aanpak. Indien onderdelen van een nulmeting recent zijn uitgevoerd en goed bruikbaar zijn, is het niet nodig deze opnieuw uit te voeren. Om gemeenten te ondersteunen met het uitvoeren van het in de bijlage genoemde bewonersonderzoek heeft het AOO een `Handreiking bewonersonderzoek' uitgebracht. Aldaar is ook verkrijgbaar de Richtlijn Sorteeranalyse.
Aan de hand van de nulmeting dient vervolgens een plan van aanpak te worden opgesteld, gericht op het optimaliseren van afvalscheiding en afvalpreventie van huishoudelijke afvalstoffen zoals opgesomd in artikel 1, onder f. De uitwerking van het plan kan per afvalstof verschillend zijn. Dat hangt af van het niveau waarop afvalscheiding van een desbetreffende afvalstof zich bevindt en de mogelijkheden om daar verbetering in aan te brengen. In elk geval dient het plan betrekking te hebben op twee van de in onderdeel f genoemde afvalstoffen, waaronder begrepen de afvalstof die gerekend in kilogrammen het meest in het restafval voorkomt. De voorwaarde van `twee afvalstoffen' strekt ertoe dat het plan substantieel van inhoud is en niet beperkt wordt tot de aanpak van één afvalstof. En met de voorwaarde dat het plan betrekking moet hebben op de afvalstof die in gemeten in kilogrammen het meest in het restafval voorkomt, wordt het plan uitgewerkt voor die afvalstof die zich het beste leent om de hoeveelheid restafval terug te dringen. Bij een aanvraag zal de gemeente draadkrachtig moeten motiveren op welke gronden zij haar keuzen heeft gemaakt. Daartoe behoren in elk geval de resultaten van een sorteeranalyse zoals voorgeschreven bij het uitvoeren van een nulmeting.
Daarnaast dient in een plan van aanpak een uitwerking te zijn gegeven van de communicatie-activiteiten met de burgers en aan de wijze van monitoring. Belangrijk is dat de monitoring zich in elk geval richt op de onderdelen van de nulmeting.
Plusproject huishoudelijke afvalstoffen (art. 1, onder j, en art. 3, derde lid)
Gemeenten, die al een goed inzicht hebben in hun huidige situatie en willen overgaan tot het uitvoeren van activiteiten voor een verdergaande optimalisatie van gescheiden inzameling en preventie, kunnen subsidie aanvragen voor een daarop gericht plusproject. Om daarvoor in aanmerking te komen, dient een aanvragende gemeente of samenwerkingsverband te beschikken over een plan van aanpak. Het dient gebaseerd te zijn op informatie over de situatie in het betreffende gebied, in elk geval de informatie die is verkregen uit een nulmeting. Ook dient in het plan aandacht besteed te zijn aan de onderdelen zoals die genoemd zijn in `plan van aanpak huishoudelijke afvalstoffen'. Voorop staat dat een kenbare bijdrage wordt geleverd aan het terugdringen van de hoeveelheid te verwijderen afvalstoffen De hiervoor gegeven toelichting voor een basisproject huishoudelijke afvalstoffen is hier van overeenkomstige toepassing. Als bijzondere voorwaarde geldt dat wordt voorzien in een sorteeranalyse aan het einde van het project. Daarmee wordt inzicht verkregen in de effecten van de uitgevoerde maatregelen en is tevens aangegeven dat monitoring van de resultaten van groot belang wordt geacht. De activiteiten moeten bovendien nieuw en additioneel zijn ten opzichte van wat er plaatsvindt in de bestaande situatie. Er moet sprake zijn van een wezenlijke verandering en geen sprake zijn van een voortzetting van reeds ingevoerde maatregelen.
Subsidieontvangers kunnen voor het opstellen van een plan van aanpak op diverse manieren kennis en informatie vergaren, bijvoorbeeld door het inschakelen van een adviesbureau of een milieudienst, het raadplegen van de publicaties, ervaringen op grond van deelname aan een benchmarkkring of kwaliteitscirkel op grond van het stimuleringsprogramma van het AOO en uiteraard door gebruik te maken van kennis in de eigen gelederen of buurgemeenten. Hieronder is een aantal voorbeelden gegeven van activiteiten. Het betreft geen uitputtende opsomming, in de loop van 2003 zullen activiteiten en successen van uitgevoerde projecten worden samengevat in een AOO-publicatie. Voorbeelden zijn:
- invoeren van gedifferentieerde tarieven na optimalisatie van de structuur en faciliteiten voor afvalscheiding
- optimalisatie van en communicatie over ophaaldata- en tijden
- professionalisering van de inzameling door verenigingen en vrijwilligers
- wijkgebonden aanpak voor communicatie, afgestemd op de specifieke lokale situatie en gebruik maken van bestaande kanalen
- terugkoppeling van inzamelresultaten naar burgers
- de `nee/nee' of `nee/ja/'-sticker ter voorkoming van ongewenst drukwerk, met de mogelijkheid om aan te geven geen reclameuitingen te willen ontvangen
- het stimuleren van milieubewust winkelen, waarbij aandacht wordt besteed aan bijvoorbeeld materialen en verpakkingen
- communicatie over hoe de inzameling en verwerking van huishoudelijk afval plaatsvindt en wat de mogelijkheden zijn voor afvalpreventie en afvalscheiding, door middel van excursies, cursusmateriaal voor scholen, buurtverenigingen, maatregelen die gebruik maken van spaarsystemen, kortingen en dergelijke om afvalpreventie of afvalscheiding te stimuleren.
- het stimuleren van thuiscomposteren, bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van compostvaten, een handleiding om te kunnen composteren en de mogelijkheid tot het vragen om advies
- professionalisering van het tweedehandscircuit/kringloopwinkels en verbetering van nascheiding van grove huishoudelijke afvalstoffen op milieustraten
Meer informatie kan worden gevonden in:
Leidraad GIHA Systematiek voor verbetering afvalscheiding 2000; Handreiking bewonersonderzoek; Minder Afval, Ideeën voor gemeenten voor het bevorderen van preventie en het verminderen van zwerfafval; Projectenoverzicht huishoudelijk afval (praktijkvoorbeelden). Dit zijn AOO-publicaties, aldaar verkrijgbaar of via www.afvalscheiding.info. Zie verder Gemeentelijke communicatie met burgers over huishoudelijk afval, NVRD-publicatie R02001, januari 2002, www.nvrd.nl.
Beleidsproject inrichtingen (art. 1, onder l, en art. 3, vierde lid)
Gemeenten kunnen een bijdrage ontvangen voor het opstellen van een beleidsplan inrichtingen (artikel 1, onder k). Belangrijk element van een plan is het benoemen van maatregelen die ertoe moeten leiden dat in 2005 een adequaat niveau van vergunningverlening en handhaving is bereikt. Het jaartal is afgeleid van het in paragraaf 2 genoemde programma `Met preventie naar duurzaam ondernemen'. Het opstellen van een beleidsplan inrichtingen dient dan ook in deze context plaats te vinden. Om dit te vergemakkelijken heeft InfoMil daar een aantal publicaties over uitgebracht (www.InfoMil.nl.) Voorts wordt veel belang gehecht aan het benoemen van de wijze van monitoring, zodat bij uitvoering van het plan de effecten, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht, zichtbaar worden. Voor het opstellen van een beleidsplan heeft Novem een opzet gemaakt (Hulpmiddel bij het opstellen van Beleidsplan Verruimde Reikwijdte: een format; zie www.novem.nl/subsidies).
Kennisprojecten inrichtingen (art. 1, onder m, en art. 3, vijfde lid)
Met het verkrijgen van kennis en vaardigheden of het vergroten van de toegankelijkheid daarvan worden vergunningverleners en handhavers beter in staat gesteld om de regulering en stimulering van afvalpreventie, afvalscheiding en energiebesparing ter hand te nemen. Het gaat hier wel om het verkrijgen van specifieke kennis en niet het oefenen van basale vaardigheden. Voor dat laatste is door InfoMil een cursus opgezet, waarop gemeenten kunnen inschrijven. Bij `specifieke kennis' kan het bijvoorbeeld gaan om het opbouwen van specialistische kennis, te gebruiken bij het reguleren van genoemde onderwerpen, zowel ten behoeve van vooroverleg met bedrijven als bij concrete vergunningverlening of handhaving. Zeker bij het voorzien in gespecialiseerde kennis ligt samenwerking voor de hand. Blijkens artikel 7, vijfde lid, van deze regeling, wordt hiervoor extra subsidie verstrekt. Met de voorwaarden, gesteld in artikel 3, vijfde lid, is tot uitdrukking gebracht dat een kennisproject niet op zichzelf moet staan, maar gerelateerd moet zijn aan het gemeentelijke beleid. Een beleidsplan inrichtingen behoort daarom tot de te overleggen gegevens. Daarnaast is vereist dat wordt vastgelegd wanneer en op welke wijze de opgedane kennis en vaardigheden bij daartoe aangewezen categorieën van inrichtingen worden toegepast. Hierbij is van belang dat goed gebruik wordt gemaakt van elders beschikbare kennis, bijvoorbeeld die van InfoMil. Tot slot wordt grote waarde gehecht aan het monitoren van de resultaten, zodat effecten zichtbaar worden en ervaringen kunnen worden gebruikt ten behoeve van anderen.
Uitvoeringsprojecten inrichtingen (art. 1, onder n, en art. 3, zesde lid)
Met het ondersteunen van uitvoeringsprojecten wordt beoogd dat gemeenten feitelijk aan de slag gaan met regulering van afvalpreventie, afvalscheiding en energiebesparing, zowel bij vergunningplichtige bedrijven als bij bedrijven die onder art. 8.40 amvb's vallen. De praktijk laat zien dat het simpelweg overgaan tot regulering (vergunningverlening of handhaving) niet altijd effectief is. Daarom kan ook subsidie worden verleend voor het stimuleren van genoemde onderwerpen bij categorieën van inrichtingen, waarbij wel een vereiste is dat de wijze en het tijdstip van vergunningverlening of handhaving is aangegeven. Voor het overige wordt verwezen naar de hiervoor gegeven toelichting op kennisprojecten inrichtingen. Tot slot wordt opgemerkt dat met het oog op een doelmatige uitvoering van een project het voor de hand ligt zonodig te overleggen met ander betrokken bevoegd gezag, bijvoorbeeld het waterschap.
Combinatieprojecten inrichtingen (art. 1, onder o, en art. 3, zevende lid)
Om verkregen kennis en vaardigheden tegelijk in de praktijk te kunnen toepassen, wordt de mogelijkheid geboden een kennis- en uitvoeringsproject inrichtingen te combineren. Voorbeelden hiervan zijn het trainen van vergunningverleners en het tegelijkertijd actualiseren van een aantal vergunningen of het toepassen van kennis bij een gebiedsgerichte benadering (winkelcentra, bedrijventerreinen). Zoals reeds aangegeven, moet het hier gaan om specifieke kennis en geen algemene training.
Onderdeel b van het eerste lid geeft aan dat voor het uitvoeren van een basisproject huishoudelijke afvalstoffen maar éénmaal een beroep op deze of de hieraan voorafgaande regelingen kan worden gedaan. Daarmee worden bedoeld de Subsidieregelingen aanpak milieudrukvermindering 2001 en 2002. Een basisproject is immers bedoeld als een voorbereidende actie om de hoeveelheid te verwijderen afvalstoffen daadwerkelijk terug te dringen.
Beoordelingscriteria (artikel 4)
Een aanvraag wordt altijd beoordeeld op grond van het bepaalde in het eerste lid, onder a, b en c. Naast een beoordeling over het bijdragen aan de doelstellingen van de regeling en de kosten in relatie tot de kwaliteit, de resultaten en de wijze van monitoring, moeten de resultaten van een project ook van structurele invloed zijn op de uitvoering van het gemeentelijk milieubeleid. Voor plusprojecten huishoudelijke afvalstoffen bevat het tweede lid specifieke aspecten waarop wordt beoordeeld. Het betreft de volledigheid en de actualiteit van de overgelegde gegevens over de situatie in het betreffende gebied en de wijze waarop de voorgenomen maatregelen daarop aansluiten. Belangrijk daarbij is dat het plan van aanpak aansluit op de knelpunten en de kansen zoals die zijn gesignaleerd.
Voor projecten die betrekking hebben op inrichtingen, bevat het derde lid de nadere aspecten waarop wordt beoordeeld. Zo zullen kennis- en uitvoerings- of combinatieprojecten inrichtingen moeten passen binnen het door de gemeente overgelegde beleidsplan inrichtingen.
In onderdeel b is aangegeven dat de bijdrage van een project aan de doelstelling van de regeling niet te gering of onevenwichtig moet zijn. Een voorbeeld hiervan is het aantal of soort categorieën van inrichtingen die een gemeente opvoert voor een kennis- of een uitvoeringsproject inrichtingen. Indien het inrichtingen betreft die in de desbetreffende gemeente van geringe omvang zijn of voor te behalen milieuwinst weinig of niet relevant zijn, draagt een desbetreffend project te weinig bij aan de doelstelling van de regeling.
Onderdeel c heeft betrekking op een minimum aan subsidiabele kosten. Uit te voeren projecten moeten namelijk een substantiële bijdrage leveren aan een te verbeteren situatie.
Subsidiabele kosten (artikel 6)
Subsidiabel zijn loonkosten van eigen, direct betrokken personeel (inclusief sociale lasten en pensioenvoorzieningen), kosten van derden en aanschafkosten van in het project te verbruiken materialen en hulpmiddelen. Hierbij geldt een strikte relatie tussen het doel van deze regeling en de subsidiabele kosten. Subsidie kan worden toegekend voor subsidiabele kosten die gemaakt worden vanaf de datum van indiening van de aanvraag. Uitzondering hierop vormen de kosten voor sorteeranalyses voor basisprojecten huishoudelijk afval die zijn uitgevoerd vóór indiening, maar na 1 januari 2002. Van subsidiëring zijn uitgezonderd de kosten voor aanschaf en afschrijving van inzamelmiddelen, daaronder begrepen registratiesystemen, voor huishoudelijke afvalstoffen en, ingeval een aanvraag betrekking heeft op projecten voor inrichtingen, de kosten voor niet-projectgebonden automatisering en registratiesystemen. Tevens is bij deze projecten uitgezonderd de aanschaf en afschrijving van middelen die bij de inrichtingen zelf worden toegepast, zoals inzamelmiddelen en energiezuinige lampen. Ook aanpassingen van apparatuur om bijvoorbeeld besparingen te realiseren, zijn niet subsidiabel.
Het zesde lid heeft betrekking op het door InfoMil opgezette kennistraject over onderwerpen waar deze regeling betrekking op heeft. Het ligt niet in de rede dat deelname aan dat traject ook op grond van deze regeling zou worden gesubsidieerd.
Hoogte van de subsidie huishoudelijk afval (art. 7, eerste t/m derde lid)
Voor beide typen projecten zijn de subsidiabele kosten gerelateerd aan het inwoneraantal van de aanvragende gemeente. Bepalend daarvoor is het aantal inwoners op 1 januari 2003.
Bij de uitvoering van de regeling in de jaren 2001 en 2002 is gebleken dat kleine gemeenten voor een basisproject relatief (procentueel) vaak weinig subsidie kunnen krijgen, omdat de hoogte van de subsidie begrensd is door het inwonertal. Een basisproject kent namelijk bepaalde kostenposten waarvan de hoogte niet volledig is gerelateerd aan het inwonertal. Om gemeenten toch te stimuleren tot het uitvoeren van een basisproject kan daarom van de standaard berekeningswijze worden afgeweken.
Hoogte van de subsidie met betrekking tot inrichtingen (art. 7,vierde t/m achtste lid)
Indien een project wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband of sprake is van een combinatieproject inrichtingen, wordt extra subsidie toegekend. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat daar een meerwaarde aan wordt toegekend. Op grond van het achtste lid is het totaal van toe te kennen subsidiebedragen gelimiteerd. Daarmee wordt voorkomen dat een beperkt aantal aanvragers een onevenredig beslag op de beschikbare subsidiegelden zouden kunnen leggen. De limiet geldt zowel voor een samenwerkingsverband als voor individuele gemeenten. In dat laatste geval wordt aan een gemeente ook dat deel aan subsidie toegerekend dat zij heeft verkregen door onderdeel uit te maken van een project van een samenwerkingsverband. Ingeval sprake is van stadsdelen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, worden eventueel aan stadsdelen toebedeelde subsidies gerekend tot de gemeente waartoe zij behoren. Derhalve geldt ook in die gevallen de genoemde limiet. Rapportage en kennisoverdracht (art. 8)
Elke zes maanden moet worden gerapporteerd aan de hand van een door Novem vastgesteld model. Daarmee wordt bereikt dat op eenduidige wijze wordt gerapporteerd over de voortgang en de resultaten van projecten. Zeker bij projecten met een lange looptijd zal aan de hand van deze rapportages worden bezien of opgedane ervaringen tussentijds reeds kunnen worden benut.
De uitvoering van deze regeling zal worden gemandateerd aan Novem. Aanvragen kunnen worden ingediend vóór 16 oktober 2003. Zij worden behandeld in volgorde van binnenkomst. Bij elke aanvraag tot subsidieverlening geldt dat Novem extern advies kan inwinnen.
De tekst van het programma en het aanvraagformulier zijn verkrijgbaar bij:
Novem, Duurzaam Produceren
Postbus 8242
3503 RE Utrecht
tel. 030-23 93 493
fax 030-23 16 491
of via www.novem.nl
Voor vragen: helpdesk 030-2393533
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2003-7-p11-SC38078.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.