Onteigening in de gemeente Amsterdam

Percelen begrepen in het bestemmingsplan `Jordaan 1999', na eerste herziening

Besluit van 12 maart 2003 no. 03.001120 tot gedeeltelijke goedkeuring van het besluit van de stadsdeelraad Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam van 27 juni 2002, no. 13, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 januari 2003 no. MJZ 2003003345, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Gelezen de brief van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam van 8 juli 2002, no. 2002007463.

Gelet op Titel IV van de onteigeningswet, Titel V van de Gemeentewet en Titel 10.2 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad van State gehoord (advies van 20 februari 2003 no. W08.03.0030/V).

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 maart 2003 no. MJZ 2003015638, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken, uitgebracht gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Beschikken bij dit besluit over de goedkeuring van het besluit van de stadsdeelraad Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam van 27 juni 2002, no. 13, tot onteigening ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder 1°, van de onteigeningswet, ten name van die gemeente, van de bij dat besluit aangewezen percelen.

Overwegingen

Ingevolge voornoemd artikel 77 van de onteigeningswet kan, zonder voorafgaande verklaring bij de wet dat het algemeen nut onteigening vordert, onteigening plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van en ter handhaving van de feitelijke toestand overeenkomstig een bestemmingsplan. De ter onteigening aangewezen percelen zijn begrepen in het onherroepelijk goedgekeurde bestemmingsplan `Jordaan 1999' van de gemeente Amsterdam alsmede in de eerste herziening van dit plan. Blijkens het stadsdeelraadsbesluit tot onteigening wenst de gemeente Amsterdam de daarin bedoelde gronden in eigendom te verkrijgen ter uitvoering van en ter handhaving van de feitelijke toestand overeenkomstig evengenoemd bestemmingsplan.

In verband met het feit, dat ten tijde van het nemen van het stadsdeelraadsbesluit tot onteigening de eerste herziening van het bestemmingsplan `Jordaan 1999' nog niet onherroepelijk was goedgekeurd, is in het stadsdeelraadsbesluit onder meer bepaald, dat:

a. niet tot dagvaarding van de rechthebbenden zal worden overgegaan voordat onherroepelijk is beslist over de eerste herziening van het bestemmingsplan `Jordaan 1999' en

b. het raadsbesluit tot onteigening vervalt, voor zover in hoogste instantie goedkeuring aan de eerste herziening van het bestemmingsplan wordt onthouden.

De in het onteigeningsplan begrepen gronden zijn in het ter uitvoering staande bestemmingsplan en de eerste herziening van dit plan aangewezen voor `Gemengde Doeleinden' en `Tuinen en erven', welke bestemmingen niet nader overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening behoeven te worden uitgewerkt.

De door de gemeente Amsterdam ter plaatse voorgestane wijze van planuitvoering strekt tot renovatie van de zich op de ter onteigening aangewezen gronden bevindende bebouwing (genaamd de cluster `Marnix III'). In de wijze van planuitvoering is onder meer inzicht verschaft door middel van overlegging van de bij voornoemd bestemmingsplan en de eerste herziening van dit plan behorende kaarten, de toelichting en de voorschriften met de daarin opgenomen beschrijving in hoofdlijnen. Voorts heeft de gemeente in het kader van het onderzoek overgelegd een haalbaarheidsonderzoek `Marnix III' dat een onderzoek naar de mogelijkheden voor behoud en herstel van de panden Marnixstraat 65 tot en met 121 en Nieuwe Willemsstraat 2 tot en met 6 inhoudt.

Het stadsdeelraadsbesluit tot onteigening heeft overeenkomstig artikel 84, eerste lid, van de onteigeningswet met ingang van 17 juli 2002 gedurende vier weken voor een ieder ter inzage gelegen op de secretarie van de gemeente Amsterdam. Binnen deze termijn zijn tegen het raadsbesluit bij Ons schriftelijke bedenkingen naar voren gebracht door:

a. F.J. Colon te Amsterdam,

b. Drs. J.B.M. Neijzen te Amsterdam en

c. Mr. F. Bracht en mr J. Dersjant, beiden te Amsterdam.

Aan artikel 86, tweede lid, van de onteigeningswet, inhoudende dat degenen, die tijdig ingevolge het derde lid van artikel 84 van die wet bedenkingen naar voren hebben gebracht, door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid worden gesteld zich te doen horen, is voldaan.

Allereerst overwegen Wij het volgende.

Zoals hiervoor overwogen strekt de door de gemeente Amsterdam ter plaatse voorgestane wijze van planuitvoering tot renovatie van de zich op de ter onteigening aangewezen gronden bevindende bebouwing (genaamd de cluster `Marnix III'). Ten aanzien van de mede ter onteigening aangewezen percelen kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie L, nos. 3952 en 3956 is uit het ter zake ingestelde onderzoek naar voren gekomen, dat de renovatie van de zich op deze gronden bevindende panden reeds is voltooid. Ook zijn de nieuwe funderingen ter plaatse reeds aangebracht. Een verdere concrete vorm van planuitvoering staat de gemeente niet voor ogen. Mitsdien kan de voorgenomen onteigening, wat deze gronden betreft, niet geacht worden te strekken ter uitvoering van of ter handhaving van de feitelijke toestand overeenkomstig het bestemmingsplan. Het stadsdeelraadsbesluit tot onteigening kan dan ook ten aanzien van deze gronden, wegens strijd met het recht, geen goedkeuring verkrijgen.

Overwegingen ten aanzien van de naar voren gebrachte bedenkingen

De totstandkoming van de door Ons - op grond van artikel 79 van de onteigeningswet - te nemen beslissing omtrent goedkeuring van een raadsbesluit tot onteigening is omgeven met wettelijke waarborgen voor een zorgvuldige belangenafweging onder meer in de vorm van een bezwarenprocedure. Deze procedure is onder andere geregeld in de artikelen 80, 84 en 85 van de onteigeningswet.

Zo is in artikel 84, derde lid, van de onteigeningswet bepaald, dat belanghebbenden, die tijdig hun zienswijze bij het gemeentebestuur naar voren hebben gebracht, gedurende de in het eerste lid van artikel 84 genoemde termijn schriftelijk bij Ons bedenkingen naar voren kunnen brengen tegen een raadsbesluit als het onderwerpelijke.

Voorts is in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald, dat onder belanghebbende moet worden verstaan, degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Verder overwegen Wij, dat in het kader van de onteigeningswet onder belanghebbende moet worden verstaan, degene, die zakelijke of persoonlijke rechten op de in het onteigeningsplan begrepen grond(en) kan doen gelden dan wel uit anderen hoofde door het onteigeningsplan als zodanig in zijn belang wordt getroffen.

Niet is gesteld noch is gebleken, dat de reclamant onder a. zakelijke of persoonlijke rechten op de in het onteigeningsplan begrepen gronden kan doen gelden of uit anderen hoofde door het onteigeningsplan als zondanig in zijn belang wordt getroffen. Deze reclamant kan dan ook niet als belanghebbende in de zin van artikel 84, derde lid, van de onteigeningswet in samenhang met artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden aangemerkt, zodat hij niet in zijn bij Ons naar voren gebrachte bedenkingen kan worden ontvangen.

In dit verband overwegen Wij voorts, dat in het kader van de door Ons te nemen beslissing omtrent goedkeuring van een (stadsdeel)raadsbesluit tot onteigening overigens ook een ambtshalve toetsing plaatsvindt.

De reclamant onder b., rechthebbende op de mede ter onteigening aangewezen percelen kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie L, nos. 3946 en 5737 en plaatselijk bekend Marnixstraat 79 en 93-95, voert aan, dat hij voor behoud en herstel van de panden aan de Marnixstraat is. Een van zijn panden acht de reclamant ideaal geschikt voor het opzetten van een praktijk voor hem en zijn vrouw. Doordat de gemeente Amsterdam onzekerheid in stand hield inzake het behoud van de panden in plaats van sloop, zijn de panden verloederd. Door de eigenaren af te raden onderhoud te plegen vanwege eventuele sloopplannen, zijn volgens de reclamant de woningen nu inderdaad aan renovatie toe. De kosten zijn inmiddels dermate hoog geworden dat een aantal eigenaren hun panden heeft verkocht aan de gemeente. Aan de hand van onderzoeken stelt de reclamant dat de funderingen van de drie bovenbedoelde panden goed zijn. Er zou door het onderzoeksbureau een garantie worden afgegeven van 25 jaar, het hoogste wat op bestaande fundering kan worden gegeven. Het is naar zijn mening onzinnig om de fundering te vernieuwen als deze nog goed is. De reclamant vindt dat de gemeente Amsterdam misbruik heeft gemaakt van haar positie. De panden hebben veel zogenaamde halve woningen, zijnde zelfstandige woningen met een klein oppervlak, geschikt voor startende jonge mensen. Op renovatie daarvan wil de gemeente geen subsidie verstrekken en geen splitsingsvergunning afgeven. De reclamant wil geen (kleine) woningen samenvoegen waardoor een aantal huurders niet kan terugkeren. Daardoor komt hij niet in aanmerking voor enige subsidie van de gemeente. Desondanks is de reclamant bereid zijn woningen te renoveren indien de gemeente Amsterdam splitsingsvergunningen op de bestaande woningen verstrekt.

Ten aanzien van de vorenaangehaalde bedenkingen van de reclamant onder b. inzake het zelf realiseren van de op zijn gronden rustende bestemmingen dient vooreerst in het algemeen het volgende te worden overwogen. In het kader van een voorgenomen onteigening zal moeten zijn aangetoond, dat zonder de voorgestelde grondverwerving door de gemeente het doel waarvoor wordt onteigend niet of niet in de door de gemeente gewenste vorm te bereiken is. Voorts is van belang, dat indien een grondeigenaar bereid en in staat is zelf de op zijn grond rustende bestemming(en) te verwezenlijken, onteigening voor dat doel in beginsel niet noodzakelijk is. Dit beginsel kan uitzondering lijden, indien door de gemeente ter verwezenlijking van de betrokken bestemming(en) een andere vorm van planuitvoering wordt gewenst dan de eigenaar voor ogen staat. In een dergelijk geval is onteigening echter slechts dan gerechtvaardigd, indien is aangetoond, dat aan die andere vorm van planuitvoering in het publiek belang dringend behoefte bestaat. De vorm van planuitvoering welke in het publiek belang geboden is, staat overigens in eerste aanleg ter beoordeling van het gemeentebestuur. Of de betrokken grondeigenaren zelf daadwerkelijk tot planuitvoering zullen (kunnen) overgaan, hangt dan ook in hoofdzaak af van de vorm van planuitvoering. De potentiële uitvoerders van het bestemmingsplan zullen met het oog daarop inzicht moeten verkrijgen in de door de gemeente voorgestane wijze van planuitvoering, hetgeen doorgaans voor een belangrijk deel uit de toelichting op het bestemmingsplan of uit de bij dat plan behorende voorschriften al dan niet met de beschrijving in hoofdlijnen blijkt.

In het bijzonder overwegen Wij dat uit de raadsvoordracht ter zake van 13 juni 2002 naar voren komt dat de gemeente, naar aanleiding van protesten van eigenaren en huurders tegen het sloop/Nieuwbouwplan, heeft ingestemd met behoud en herstel van de panden in de cluster `Marnix III'. Mede op verzoek van de eigenaren heeft de gemeente in februari 1998 besloten de panden op te knappen tot het zogenaamde vernieuwbouwniveau. Hiermee wordt de wens van de eigenaren gehonoreerd om de panden na herstel te kunnen splitsen in appartementsrechten. Bij deze aanpak geldt ook voor de fundering het vernieuwbouwniveau, dat een handhavingtermijn van 50 jaar inhoudt. Particuliere eigenaren is de mogelijkheid geboden hun panden aan de gemeente te verkopen dan wel zelfstandig het behouds- en herstelplan conform het door de gemeente gewenste kwaliteitsniveau uit te voeren of samen te werken met Woningstichting Zomers Buiten en hiertoe een contract te tekenen.

Uit meerbedoelde raadsvoordracht komt voorts naar voren dat met het vernieuwbouwniveau als uitgangspunt het in stand houden van halve woningen niet haalbaar is. De reclamant stelt weliswaar bereid te zijn de onderwerpelijke panden te renoveren maar wil hierbij de huidige situatie, halve woningen per etage in stand houden hetgeen niet overeenkomt met de gewenste vorm van uitvoering zoals de gemeente die voor ogen staat. Hij heeft tot op heden geen bouwplan ingediend om de behouds- en herstelwerkzaamheden zelfstandig aan te pakken. Ook heeft hij tot op heden geen vergunbaar verbeteringsplan ingediend dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in het in de raadsvoordracht genoemde `fase III besluit'. Voorts overwegen Wij dat blijkens het in het kader van het onderzoek overgelegde funderingsonderzoek naar voren komt dat funderingsherstel voor alle panden noodzakelijk is. Weliswaar is bij de panden op het perceel kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie L, no. 5737, een betere funderingsconstructie aangetroffen dan bij de overige onderzochte locaties, maar het desbetreffende bouwadviesbureau heeft geadviseerd, in verband met de complexmatige aanpak van het project en de vele gemeenschappelijke muren, het gehele blok waarin zich ook de panden van de reclamant zijn gevestigd van een nieuwe fundering te voorzien. Hierbij wordt, op basis van het vernieuwbouwniveau, een handhavingtermijn van 50 jaar bereikt. In dit verband overwegen Wij voorts dat uit het ter zake ingestelde onderzoek naar voren is gekomen dat de huidige fundering uit 14 meter lange palen op een eerste zandlaag bestaat. Deze eerste zandlaag zakt enigszins. Na renovatie zal het gehele woonblok op een tweede zandlaag komen te staan met nieuwe heipalen van ongeveer 20 meter. Handhaven van individuele panden op de oude palen wordt niet wenselijk geacht, omdat dan de kans op verzakkingen blijft bestaan. Onder de vorengeschetste omstandigheden en alles overziende zijn Wij van oordeel, dat weliswaar is gesteld dat de reclamant bereid en in staat is het bestemmingsplan op zijn gronden zelf te realiseren, doch dat een en ander niet of nauwelijks aannemelijk is gemaakt. Wij zijn voorts van oordeel, dat voldoende is aangetoond, dat zonder de voorgestelde grondverwerving door de gemeente het doel waarvoor wordt onteigend niet of niet in de door de gemeente gewenste vorm te bereiken is. Tot slot overwegen Wij ten aanzien van de bedenkingen van deze reclamant dat hij tijdens het horen in het kader van het onderzoek heeft aangegeven dat hij zijn drie panden ook wel wil verkopen aan de gemeente. Blijkens de eerdergenoemde raadsvoordracht van 13 juni 2002 heeft de reclamant de gemeente ook uitgenodigd tot het doen van een bod op zijn panden. De gemeente heeft op deze uitnodiging gereageerd met het doen van een bod, maar van de zijde van de reclamant is hier tot op heden geen reactie op gekomen. Tijdens het horen heeft de reclamant aangegeven dat hij het bod van de gemeente volstrekt onvoldoende acht. Te dien aanzien overwegen Wij dat dit feitelijk een bedenking is van financiële aard. Dergelijke bedenkingen kunnen evenwel aan de goedkeuring van een raadsbesluit tot onteigening niet in de weg staan, aangezien de onteigeningswet belanghebbenden een volledige schadeloosstelling waarborgt. De hoogte van deze schadeloosstelling staat in dezen niet ter beoordeling, aangezien de vaststelling daarvan geschiedt in het kader van de gerechtelijke procedure.

Gelet op het vorenstaande kunnen de bedenkingen van deze reclamant dan ook niet leiden tot gehele of gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan het onderhavige stadsdeelraadsbesluit.

De reclamanten onder c., rechthebbenden op de mede ter onteigening aangewezen percelen kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie L, nos. 3805 en 3806 en plaatselijk bekend 109 en 111, merken in hun geschrift met bedenkingen op, dat op grond van die bedenkingen het onderwerpelijke stadsdeelraadsbesluit moet worden vernietigd en dat de gemeente moet worden veroordeeld in de kosten van het geschil.

Te dien aanzien overwegen Wij, dat bij de door Ons - op grond van artikel 79 van de onteigeningswet - te nemen beslissing omtrent goedkeuring van een (stadsdeel)raadsbesluit tot onteigening vernietiging daarvan niet aan de orde is. Ook een kostenveroordeling als door de reclamanten bedoeld is in deze fase van de onteigeningsprocedure niet aan de orde. In de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure zal een en ander door de onteigeningsrechter worden beoordeeld.

De reclamanten voeren voorts aan, dat zij ten aanzien van hun panden bereid en in staat zijn de uitvoering van het bestemmingsplan zelf te realiseren. De meerderheid van de panden in de zogenaamde cluster `Marnix III' is inmiddels in eigendom van de gemeente Amsterdam of van de nauw met de gemeente samenwerkende stichting `Woningstichting Zomers Buiten'. Onder regie van deze stichting en de gemeente werd door deskundigen een uiterst gedetailleerd plan van aanpak ontwikkeld. De overige particuliere eigenaren werd de gelegenheid geboden op eigen kosten met deze plannen, in hun bewoordingen, `mee te liften'. Van deze gelegenheid hebben de reclamanten gebruik gemaakt. Zij hebben tegen aanzienlijke betaling met de `Woningstichting Zomers Buiten' een uitvoeringsovereenkomst gesloten. Ook hebben zij, eveneens tegen aanzienlijke betaling, de door de `Woningstichting Zomers Buiten' aangewezen architect en constructeur opdracht gegeven om bouwtekeningen en dergelijke te vervaardigen om te komen tot hoogwaardige renovatie van hun panden. Verder hebben de reclamanten conform de eisen van de gemeente bouwvergunningen aangevraagd en verkregen om de renovatie uit te voeren. De reclamanten hebben met de gemeente Amsterdam een overeenkomst gesloten tot uitplaatsing van hun particuliere huurders. Voorts is de huurder van de bedrijfsruimte uitgekocht. De reclamanten hebben met de door de gemeente aangewezen aannemer een aannemingsovereenkomst gesloten tot uitvoering van het project conform de eisen van de gemeente. De reclamanten hebben voorts de gehele financiering van de renovatie rond gemaakt met hun bankier en hebben tot slot beide panden geheel opgeleverd aan de aannemer. De gemeente hanteert de voorgenomen onteigening naar de mening van de reclamanten als `stok achter de deur' om hen te dwingen de uitvoering van het herstelplan op hun panden daadwerkelijk ter hand te nemen. De reclamanten stellen dat uit hun handelen blijkt dat zij geen enkele intentie hebben om zich aan de aannemingsovereenkomst te onttrekken en tevens er elk belang bij hebben dat hun woonhuis wordt gerenoveerd en in vernieuwde staat aan hen ter beschikking komt.

Ten aanzien van deze bedenkingen verwijzen Wij vooreerst naar hetgeen Wij in het algemeen hebben overwogen bij de bedenkingen van de reclamant onder b. inzake het zelf verwezenlijken van het bestemmingsplan. In het bijzonder overwegen Wij dat de reclamanten het door hun gestelde met stukken hebben gestaafd. Voorts blijkt dat de reclamanten enerzijds en de gemeente en de `Woningstichting Zomers Buiten' anderzijds het eens zijn omtrent het zelf realiseren van de beoogde renovatie van hun panden. Uit de door de gemeente overgelegde stukken, met name uit de raadsvoordracht van 13 juni 2002 blijkt dat de gemeente de onteigeningsprocedure ten aanzien van de panden van de reclamanten zal beëindigen indien aan hen een bouwvergunning is verstrekt en de `vernieuwbouw' in een vergevorderd stadium verkeert.

Gelet op het vorenstaande zijn Wij van oordeel dat voorshands niet is gebleken dat zonder de voorgestelde grondverwerving door de gemeente het doel waarvoor wordt onteigend niet of niet in de door de gemeente gewenste vorm is te bereiken. De redenen van de gemeente om deze gronden van de reclamanten in het stadsdeelraadsbesluit tot onteigening op te nemen voldoen niet aan de in artikel 79 van de onteigeningswet neergelegde grondslagen. De reclamanten moeten, gelet op het vorenstaande, bereid en in staat worden geacht tot realisering van de beoogde bestemmingen ter plaatse. Hierdoor is de noodzaak tot onteigening van de percelen van deze reclamanten vooralsnog onvoldoende aangetoond en moet het onderhavige stadsdeelraadsbesluit tot onteigening ten aanzien hiervan prematuur worden geacht. In verband hiermee wordt aan het stadsdeelraadsbesluit tot onteigening, voor zover dit deze betrokken percelen betreft, de goedkeuring onthouden.

Overige overwegingen

Zoals hiervoor overwogen wordt ten aanzien van de mede in het onteigeningsplan begrepen percelen kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie L, nos. 3805, 3806, 3952 en 3956 de goedkeuring aan het stadsdeelraadsbesluit tot onteigening onthouden. De verwerving van de overige in het onteigeningsplan begrepen gronden moet in het belang van de volkshuisvesting en een goede ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Amsterdam worden geacht en er bestaan te dien aanzien geen termen aan genoemd stadsdeelraadsbesluit de goedkeuring te onthouden.

Beslissing

Wij hebben goedgevonden en verstaan:

vorengenoemd besluit van de stadsdeelraad Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam goed te keuren, behoudens voor zover het strekt tot onteigening van de percelen kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie L, nos. 3805, 3806, 3952 en 3956, aan welk deel van het stadsdeelraadsbesluit de goedkeuring wordt onthouden.

Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met het stadsdeelraadsbesluit in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage, 12 maart 2003.
Beatrix.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,H.G.J. Kamp.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,J.W. Remkes.

Raadsbesluit

Nr. 13

Besluit van de stadsdeelraad Amsterdam-Centrum inzake onteigeningsplan voor het cluster `Marnix III'

De raad van het stadsdeel Amsterdam-Centrum,

Gezien de voordracht van het Dagelijks Bestuur van 13 juni 2002;

Gelet op het bepaalde in de Onteigeningswet,

Besluit:

I. adressant Colon in zijn zienswijze niet-ontvankelijk te verklaren;

II. adressanten Drs. J.B.M. Neijzen, Mr. F. Bracht en Mr. J. Dersjant in hun zienswijzen te ontvangen en hun zienswijzen ongegrond te verklaren;

III. ter onteigening ten name van de gemeente Amsterdam ingevolge artikel 77, lid 1, onder 1 van de Onteigeningswet aan te wijzen de eigendommen, begrepen in het bestemmingsplan Jordaan 1999, na 1e herziening, op de bij dit besluit behorende grondplankaart met zwarte lijnarcering aangeduid en vermeld in de bij dit besluit behorende lijst (onteigeningsplan Marnix III);

IV. te bepalen, dat niet tot dagvaarding van de rechthebbenden zal worden overgegaan voordat onherroepelijk is beslist over de eerste herziening van het bestemmingsplan Jordaan 1999, en dat het raadsbesluit tot onteigening vervalt, voor zover in hoogste instantie goedkeuring aan de eerste herziening van het bestemmingsplan wordt onthouden;

V. alle noodzakelijke stappen te doen, zowel in eerste aanleg als daarna en zowel als eisende als verwerende partij, om langs gerechtelijke weg de onteigening te verkrijgen van de onder III bedoelde eigendommen, nadat en voor zover de benodigde Koninklijke goedkeuring als bedoeld in artikel 80, lid 3 van de Onteigeningswet is verkegen.

Afschrift van dit besluit zal aan het Dagelijks Bestuur worden gegeven.

Aldus besloten door de stadsdeelraad voornoemd in zijn vergadering op 27 juni 2002.

Het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum,

De voorzitter.

De secretaris.

Onteigening ten behoeve van de gedeeltelijke uitvoering van en ter handhaving van de feitelijke toestand overeenkomstig het bestemmingsplan Jordaan 1999, na 1e herziening, ex art. 77, eerste lid onder 1e Onteigeningswet

Onteigening Marnix III

stcrt-2003-68-p18-SC39397-1.gifstcrt-2003-68-p18-SC39397-2.gif

B Betekent: Inzake dit perceel bestaat eenn besluit als bedoeld in art. 55 wet bodembescherming

Behoort bij raadsbesluit d.d. 27 juni 2002, nr. 13.

Naar boven