De Minister van Economische Zaken,
Feiten:
- De Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. is houder van de winningsvergunningen
(voorheen concessies) `Groningen', verleend bij koninklijk besluit van 30
mei 1963, no. 39 (Stcrt. 126) en `Tietjerksteradeel', verleend bij koninklijk
besluit van 17 februari 1969, nr. 33 (Stcrt. 47); beide vergunningen zijn
na de verlening enkele malen gewijzigd;
- De houder van de winningsvergunningen `Groningen' en `Tietjerksteradeel'
slaat aardgas op in het voorkomen, genaamd `Grijpskerk', dat is gelegen binnen
het gebied van beide winningsvergunningen;
- De concessies `Groningen' en `Tietjerksteradeel' zijn bij de koninklijke
besluiten nr. 01.000275, resp. nr. 01.000277 van 12 februari 2001 (Stcrt.
nr. 60) gewijzigd met het oog op het ondergronds opslaan van aardgas in het
voorkomen `Grijpskerk'; de bij de concessies behorende overeenkomsten zijn
bij overeenkomsten van 15 maart 2001 eveneens gewijzigd. Ingevolge de concessies
`Groningen' en `Tiejerksteradeel' rust op de winningsvergunninghouder de verplichting
om een gedeelte van de met de ondergrondse opslag van aardgas behaalde winst
aan de Staat uit te keren.
- De Mijnbouwwet bepaalt in artikel 149, eerste lid, dat de houder van
een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143 van rechtswege een opslagvergunning
verkrijgt, indien de houder of zijn rechtsvoorganger voor de inwerkingtreding
van de Mijnbouwwet met de staat een overeenkomst gesloten heeft omtrent het
opslaan van stoffen, waarvoor bij de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet op
grond van artikel 25 een vergunningplicht geldt;
- Ingevolge artikel 149, tweede lid, van de Mijnbouwwet stelt de Minister
van Economische Zaken binnen drie maanden na de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet
de bij de opslagvergunning behorende beperkingen en voorschriften vast. De
beperkingen en voorschriften worden afgestemd op de in het eerste lid van
artikel 149 van de Mijnbouwwet bedoelde overeenkomst.
Besluit:
1. Aan de opslagvergunning die op grond van artikel 149, eerste lid, van
de Mijnbouwwet van rechtswege is verleend zijn de volgende beperkingen en
voorschriften verbonden:
1.1. De opslagvergunning geldt voor het gebied dat begrensd wordt door
de punten A, B, C, D en E en de rechte lijnen daartussen. De coördinaten
van de vermelde punten zijn:

Alle coördinaten zijn weergegeven volgens het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting
1.2. De stoffen die opgeslagen mogen worden zijn aardgas en andere stoffen
die onvermijdelijk meekomen met het aardgas dat wordt opgeslagen.
1.3. De stoffen, als bedoeld in 1.2, die worden opgeslagen moeten voor
het einde van de looptijd van de vergunning zijn teruggehaald.
1.4. De houder van de opslagvergunning is jaarlijks een afdracht verschuldigd
aan de Staat der Nederlanden. De afdracht bestaat uit twee delen:
- voor het gedeelte van het voorkomen dat gelegen is in de winningsvergunning
Tietjerksteradeel `, verleend bij koninklijk besluit van 17 februari 1969,
nr. 33 (Stcrt. 47) en nadien enkele malen gewijzigd, zijn de artikelen 54,
65 tot en met 70 van de Mijnbouwwet alsmede de voor die artikelen in Mijnbouwwet
opgenomen overgangsbepalingen van overeenkomstige toepassing met dien verstande
dat in afwijking van artikel 66, eerste lid, de heffingsmaatstaf 24%
van het resultaat van gasopslag is. Op de toerekening van kosten en opbrengsten
zijn de regels, die zijn vastgelegd in de Overeenkomst tussen Minister van
Economische Zaken en Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. van 16 december
1996, van toepassing.
- voor het gedeelte van het voorkomen dat gelegen is in de winningsvergunning
Groningen zijn de bepalingen van het Staataandeel en de `Aanvullende Betaling',
zoals vastgelegd in de overeenkomst behorende bij de aardgas- en aardolieconcessie
`Groningen', verleend bij koninklijk besluit van 30 mei 1963, no. 39, (Stcrt.
126) en nadien enkele malen gewijzigd, van toepassing, met dien verstande
dat in afwijking van de overeenkomst de heffingsmaatstaf 24% van het
voordelige saldo van gasopslag is. Op de toerekening van kosten en opbrengsten
zijn de regels, die zijn vastgelegd in de Overeenkomst tussen de Minister
van Economische Zaken en Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. van 27 januari
1997, van toepassing.
1.5. Op verzoek van de houder of de medehouder van deze vergunning, die
tevens houder of medehouder is van één of meer opslag- en winningsvergunningen,
kan onder door de Minister van Economische Zaken te stellen voorwaarden een
geconsolideerde winst- en verliesrekening worden opgemaakt.
1.6. De Overeenkomst van Samenwerking bij de winningsvergunning `Groningen',
voor zover zij betrekking heeft op de opslag van aardgas, wordt beschouwd
als een overeenkomst in de zin van artikel 90, eerste lid, van de Mijnbouwwet;
zij is van toepassing op de opslag van gas in het gedeelte van het voorkomen
dat gelegen is in de winningsvergunning `Groningen'.
1.7. De opslagvergunning geldt voor onbepaalde duur.
2. Deze beschikking heeft betrekking op gasopslag in de periode vanaf
1 januari 2003.
3. Deze beschikking treedt in werking op 1 april 2003 en werkt terug tot
en met 1 januari 2003.
Deze beschikking wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
Tegen dit besluit kan degene, wiens belang rechtstreeks bij dit besluit
is betrokken, binnen 6 weken na de dag van verzending van dit besluit, een
gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Minister van Economische Zaken,
directie Wetgeving en Juridische Zaken (ALP G/502), Postbus 20101, 2500 EC
`s-Gravenhage. Dit besluit is verzonden op de in de aanhef van deze brief
vermelde datum.