Opslagvergunning Grijpskerk

31 maart 2003

ME/EP/UM/3005738

De Minister van Economische Zaken,

Feiten:

- De Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. is houder van de winningsvergunningen (voorheen concessies) `Groningen', verleend bij koninklijk besluit van 30 mei 1963, no. 39 (Stcrt. 126) en `Tietjerksteradeel', verleend bij koninklijk besluit van 17 februari 1969, nr. 33 (Stcrt. 47); beide vergunningen zijn na de verlening enkele malen gewijzigd;

- De houder van de winningsvergunningen `Groningen' en `Tietjerksteradeel' slaat aardgas op in het voorkomen, genaamd `Grijpskerk', dat is gelegen binnen het gebied van beide winningsvergunningen;

- De concessies `Groningen' en `Tietjerksteradeel' zijn bij de koninklijke besluiten nr. 01.000275, resp. nr. 01.000277 van 12 februari 2001 (Stcrt. nr. 60) gewijzigd met het oog op het ondergronds opslaan van aardgas in het voorkomen `Grijpskerk'; de bij de concessies behorende overeenkomsten zijn bij overeenkomsten van 15 maart 2001 eveneens gewijzigd. Ingevolge de concessies `Groningen' en `Tiejerksteradeel' rust op de winningsvergunninghouder de verplichting om een gedeelte van de met de ondergrondse opslag van aardgas behaalde winst aan de Staat uit te keren.

- De Mijnbouwwet bepaalt in artikel 149, eerste lid, dat de houder van een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143 van rechtswege een opslagvergunning verkrijgt, indien de houder of zijn rechtsvoorganger voor de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet met de staat een overeenkomst gesloten heeft omtrent het opslaan van stoffen, waarvoor bij de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet op grond van artikel 25 een vergunningplicht geldt;

- Ingevolge artikel 149, tweede lid, van de Mijnbouwwet stelt de Minister van Economische Zaken binnen drie maanden na de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet de bij de opslagvergunning behorende beperkingen en voorschriften vast. De beperkingen en voorschriften worden afgestemd op de in het eerste lid van artikel 149 van de Mijnbouwwet bedoelde overeenkomst.

Besluit:

1. Aan de opslagvergunning die op grond van artikel 149, eerste lid, van de Mijnbouwwet van rechtswege is verleend zijn de volgende beperkingen en voorschriften verbonden:

1.1. De opslagvergunning geldt voor het gebied dat begrensd wordt door de punten A, B, C, D en E en de rechte lijnen daartussen. De coördinaten van de vermelde punten zijn:

stcrt-2003-67-p12-SC39357-1.gif

Alle coördinaten zijn weergegeven volgens het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting

1.2. De stoffen die opgeslagen mogen worden zijn aardgas en andere stoffen die onvermijdelijk meekomen met het aardgas dat wordt opgeslagen.

1.3. De stoffen, als bedoeld in 1.2, die worden opgeslagen moeten voor het einde van de looptijd van de vergunning zijn teruggehaald.

1.4. De houder van de opslagvergunning is jaarlijks een afdracht verschuldigd aan de Staat der Nederlanden. De afdracht bestaat uit twee delen:

- voor het gedeelte van het voorkomen dat gelegen is in de winningsvergunning Tietjerksteradeel `, verleend bij koninklijk besluit van 17 februari 1969, nr. 33 (Stcrt. 47) en nadien enkele malen gewijzigd, zijn de artikelen 54, 65 tot en met 70 van de Mijnbouwwet alsmede de voor die artikelen in Mijnbouwwet opgenomen overgangsbepalingen van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in afwijking van artikel 66, eerste lid, de heffingsmaatstaf 24% van het resultaat van gasopslag is. Op de toerekening van kosten en opbrengsten zijn de regels, die zijn vastgelegd in de Overeenkomst tussen Minister van Economische Zaken en Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. van 16 december 1996, van toepassing.

- voor het gedeelte van het voorkomen dat gelegen is in de winningsvergunning Groningen zijn de bepalingen van het Staataandeel en de `Aanvullende Betaling', zoals vastgelegd in de overeenkomst behorende bij de aardgas- en aardolieconcessie `Groningen', verleend bij koninklijk besluit van 30 mei 1963, no. 39, (Stcrt. 126) en nadien enkele malen gewijzigd, van toepassing, met dien verstande dat in afwijking van de overeenkomst de heffingsmaatstaf 24% van het voordelige saldo van gasopslag is. Op de toerekening van kosten en opbrengsten zijn de regels, die zijn vastgelegd in de Overeenkomst tussen de Minister van Economische Zaken en Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. van 27 januari 1997, van toepassing.

1.5. Op verzoek van de houder of de medehouder van deze vergunning, die tevens houder of medehouder is van één of meer opslag- en winningsvergunningen, kan onder door de Minister van Economische Zaken te stellen voorwaarden een geconsolideerde winst- en verliesrekening worden opgemaakt.

1.6. De Overeenkomst van Samenwerking bij de winningsvergunning `Groningen', voor zover zij betrekking heeft op de opslag van aardgas, wordt beschouwd als een overeenkomst in de zin van artikel 90, eerste lid, van de Mijnbouwwet; zij is van toepassing op de opslag van gas in het gedeelte van het voorkomen dat gelegen is in de winningsvergunning `Groningen'.

1.7. De opslagvergunning geldt voor onbepaalde duur.

2. Deze beschikking heeft betrekking op gasopslag in de periode vanaf 1 januari 2003.

3. Deze beschikking treedt in werking op 1 april 2003 en werkt terug tot en met 1 januari 2003.

Deze beschikking wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

's-Gravenhage, 31 maart 2003.
De Minister van Economische Zaken,namens deze:
J.C. De Groot, directeur Energieproductie.

Tegen dit besluit kan degene, wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken, binnen 6 weken na de dag van verzending van dit besluit, een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Minister van Economische Zaken, directie Wetgeving en Juridische Zaken (ALP G/502), Postbus 20101, 2500 EC `s-Gravenhage. Dit besluit is verzonden op de in de aanhef van deze brief vermelde datum.

Naar boven