Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
College Sanering ZiekenhuisvoorzieningenStaatscourant 2003, 55 pagina 24Besluiten van algemene strekking

Mandaterings- en volmachtbesluit College sanering ziekenhuisvoorzieningen

Het College sanering ziekenhuisvoorzieningen,

Besluit:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. de Wet: de Wet ziekenhuisvoorzieningen;

b. ziekenhuisvoorziening: een inrichting voor gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c van de Wet;

c. het College: het College sanering ziekenhuisvoorzieningen, genoemd in artikel 2m, eerste lid van de Wet;

d. de voorzitter: de voorzitter van het College sanering ziekenhuisvoorzieningen, en als zodanig door de minister benoemd op grond van artikel 2m, derde lid jo artikel 2a, tweede lid, van de Wet;

e. de vice-voorzitter: degene die door het College als zodanig is aangewezen;

f. de directeur: degene als bedoeld in artikel 6 van het bestuursreglement;

g. de plaatsvervangend directeur: degene die de directeur vervangt bij diens afwezigheid en als zodanig is benoemd;

h. de gemachtigde: een persoon, aangewezen door het College, conform artikel 3, eerste lid van het Besluit sanering instellingen voor gezondheidszorg;

i. het secretariaat: het geheel van het ingevolge artikel 2m, lid 3 jo artikel 2c van de Wet benoemde personeel;

j. sanering: het geheel van maatregelen dat wordt genomen:

1. op grond van een besluit als bedoeld in artikel 18b, eerste lid, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen;

2. ter uitvoering van een voornemen als bedoeld in artikel 17a van de Wet ziekenhuisvoorzieningen;

3. op grond van een besluit als bedoeld in artikel 12a, onder a en b, van de Wet ambulancevervoer.

Artikel 2

De directeur is - op basis van aanmelding door een ziekenhuisvoorziening op grond van artikel 17a van de Wet ziekenhuisvoorzieningen - bevoegd namens het College te beslissen dat het bestuur van een ziekenhuisvoorziening de gebouwen of terreinen, of delen daarvan, niet kan verhuren, vervreemden of aan enig beperkt recht onderwerpen zonder zijn goedkeuring.

Artikel 3

1. De directeur is bevoegd in spoedeisende gevallen, ex artikel 10 Regels taakuitoefening van de gemachtigde, te besluiten dat een beoogd gemachtigde reeds een aanvang maakt met zijn werkzaamheden voordat conform artikel 2 van de Regels taakuitoefening van de gemachtigde door het College is besloten tot aanwijzing van een gemachtigde:

a. ten behoeve van de sanering en het toezicht daarop ex artikel 18b van de Wet;

b. ten behoeve van het verhuren, vervreemden en met enig beperkt recht bezwaren van een gebouw of terrein van een ziekenhuisvoorziening waarvoor goedkeuring vereist is op grond van artikel 17a van de Wet;

c. ten behoeve van de sanering, wijziging of opheffing ingevolge artikel 12a Wet ambulancevervoer;

d. ten behoeve van speciale verzoeken van de minister.

2. De directeur is bevoegd:

a. in geval van meer dan één aangewezen gemachtigde de onderlinge taakverdeling in overleg te regelen;

b. de gemachtigde decharge te verlenen indien een casus via besluitvorming van het College is afgerond;

c. tezamen met de voorzitter en/of vice-voorzitter een functioneringsgesprek te voeren met de gemachtigden.

Artikel 4

1. De directeur is bevoegd tot de ondertekening van de correspondentie en beschikkingen op basis van besluiten genomen door het College, tenzij het College heeft besloten dat ondertekening (mede) dient te geschieden door de voorzitter of bij diens afwezigheid de vice-voorzitter.

2. De directeur is, binnen het kader van de begroting en met inachtneming van door het College vastgesteld beleid, bevoegd namens het College privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten.

3. De directeur is, in overleg met de voorzitter, bevoegd tot het openen en opheffen van bank- en/of girorekeningen ten name van het College en het stellen van zekerheid voor overeengekomen betalingsverplichtingen.

Artikel 5

De directeur is bevoegd in voorkomende gevallen een beslissing tot het verlenen van een voorschot te nemen, mits het bedrag van het voorschot het in de liquidatiebegroting genoemde bedrag niet te boven gaat zoals bepaald in artikel 17 Bestuursreglement jo artikel 6 jo artikel 7 Nadere regels subsidie.

Artikel 6

1. De directeur is verantwoordelijk voor het functioneren van het secretariaat. In dit kader, en binnen de begroting van het College, is de directeur bevoegd in naam van het College besluiten te nemen tot het aanstellen en bevorderen van medewerkers van het secretariaat van het College.

2. Bij ingrijpende maatregelen zoals het schorsen en ontslaan van medewerkers van het secretariaat van het College besluit, op voordracht van de directeur, het College. In spoedeisende gevallen is de directeur bevoegd, in overleg met de voorzitter, medewerkers van het secretariaat van het College op staande voet te ontslaan en te schorsen.

3. De directeur heeft mandaat om, binnen de grenzen van CAO Ziekenhuizen en de begroting, arbeidsvoorwaarden vast te stellen en arbeidsovereenkomsten aan te gaan met de medewerkers van het secretariaat, en deze te wijzigen.

Artikel 7a

De directeur is bevoegd, conform artikel 7:10, derde lid, Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn op een ingediend bezwaarschrift met vier weken te verdagen.

Artikel 7b

De directeur is bevoegd deskundigen in te schakelen voor advies in een casus.

Artikel 8

De directeur is bevoegd tot:

1. het verzoeken om informatie met betrekking tot lopende casus bij de openbare registers, kadaster, notarissen en dergelijke;

2. het geven van voorlichting over het beleid op het terrein van de sanering van ziekenhuisvoorzieningen en onroerende zaken alsmede op grond van artikel 12a Wet ambulancevervoer;

3. het desgevraagd verstrekken van inlichtingen aan de Minister van VWS, alsmede het aan deze minister verschaffen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden ingevolge artikel 2n van de Wet;

4. het desgevraagd aan de in artikel 2o van de Wet genoemde colleges verschaffen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.

Artikel 9

De directeur heeft, alleen na daarvoor verkregen instemming van de voorzitter of bij diens ontstentenis de vice-voorzitter, mandaat tot het verrichten van handelingen welke in het onder 1 t/m 8 gestelde niet zijn geregeld, maar die in het belang worden geacht voor het goed functioneren van het College.

Artikel 10

1. De directeur is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en ondervolmacht aan de plaatsvervangend directeur in alle bevoegdheden zoals beschreven in dit besluit.

2. De directeur is, bij ontstentenis van zowel de directeur als de plaatsvervangend directeur, bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en ondervolmacht aan een medewerker van het secretariaat om de bevoegdheden genoemd in artikel 2, artikel 3 eerste lid, artikel 4 eerste lid en artikel 7 uit te oefenen.

3. De directeur verleent mandaat aan de coördinator klachtbehandeling om de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis te stellen van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht alsmede van de eventuele conclusies die daaraan verbonden zijn ex artikel 8, eerste lid van de klachtenregeling.

Artikel 11

1. Het College behoudt te allen tijde zijn bevoegdheden.

2. De directeur rapporteert een keer per drie maanden aan het College middels een overzicht over het gebruik van het mandaterings- en volmachtbesluit. Tevens wordt in dit overzicht vermeld indien de directeur ondermandaat en ondervolmacht heeft verleend aan de plaatsvervangend directeur.

Artikel 12

Deze regeling vervangt bestaande mandateringsbesluiten dan wel bestaande volmachtbesluiten met ingang van 1 juli 2000.

Artikel 13

Het besluit is in werking getreden op 1 juli 2000 voor een termijn van een jaar en de werking van het besluit wordt met ingang van 1 juli 2001 verlengd voor onbepaalde tijd.

Gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant, 25 juli 2000, 141; 27 november 2000, 230; 6 juli 2001,128.