Subsidieregeling emancipatieprojecten

Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 december 2003, Directie Coördinatie Emancipatiebeleid, nr. DCE/03/77037, houdende vaststelling van een subsidieregeling voor emancipatieprojecten (Subsidieregeling emancipatieprojecten)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

Artikel 1

Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. emancipatieproces: het proces van verandering van de maatschappelijke positie van vrouwen ten opzichte van die van mannen;

b. liquiditeitsbehoefte: objectief vast te stellen behoefte aan geld om het project ten uitvoer te brengen;

c. minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Artikel 2

Doelstelling

De minister kan op aanvraag aan een rechtspersoon subsidie verstrekken als bijdrage in de kosten van de uitvoering van een project dat bijdraagt aan het versterken van het emancipatieproces.

Artikel 3

Subsidieverstrekking

De subsidie, bedoeld in artikel 2, wordt slechts verstrekt voor een project gericht op vrouwen in een kwetsbare positie, dat een verbetering van de positie van deze vrouwen beoogt op het gebied van:

a. rechten en veiligheid;

b. maatschappelijke participatie, of

c. besluitvorming en bestuur.

Artikel 4

Het projectplan

1. De subsidieaanvrager dient bij de aanvraag een projectplan in waarin is opgenomen:

a. een opgave van de startdatum en de duur van het project;

b. een beschrijving en analyse van het probleem waar het project zich op richt;

c. een beschrijving van de doelstellingen en beoogde resultaten van het project;

d. een beschrijving van de te bereiken doelgroep, in kwalitatieve en kwantitatieve termen;

e. een beschrijving van de uit te voeren activiteiten, alsmede een tijdpad waarbinnen deelactiviteiten uitgevoerd moeten zijn;

f. een beschrijving van de wijze waarop de resultaten van het project worden geëvalueerd;

g. een beschrijving van de wijze waarop de doelgroep betrokken is bij de opzet, uitvoering en evaluatie van het project;

h. informatie over de subsidieaanvrager en de overige participanten in het project;

i. de verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen de subsidieaanvrager en de overige participanten in het project;

2. Het projectplan, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een begroting, gespecificeerd per projectjaar. De begroting gaat vergezeld van een financieringsplan met liquiditeitsbehoefte per projectjaar.

Artikel 5

De aanvraag

De subsidieaanvrager maakt bij de indiening van de aanvraag gebruik van het daarvoor door de minister verstrekte formulier, dat is ingericht overeenkomstig het model van bijlage 1 van deze regeling.

Artikel 6

Indiening en beoordeling van de aanvraag

1. Subsidieaanvragen worden per kalenderjaar ingediend in de periode 1 januari tot:

a. 1 maart voor projecten op het gebied van rechten en veiligheid;

b. 1 mei voor projecten op het gebied van maatschappelijke participatie;

c. 1 september voor projecten op het gebied van besluitvorming en bestuur.

2. Na het verstrijken van de periode van indiening worden de aanvragen in rangorde geplaatst. Daarbij worden de aanvragen beoordeeld naar de mate waarin de voorgestelde projecten voldoen aan de volgende criteria:

a. de te bereiken doelgroep en de te verwachten verandering voor deze doelgroep binnen de projectperiode;

b. de te verwachten inbedding, overdraagbaarheid of verspreiding van de projectresultaten na afloop van de projectperiode;

c. participatie van de doelgroep of doelgroeporganisaties in de opzet, uitvoering en evaluatie van het project;

d. de samenwerking met voor het specifieke beleidsterrein relevante actoren;

e. de verhouding tussen beoogde resultaten en de kosten van het project;

f. de inzet van eigen middelen of medefinanciering door derden.

Artikel 7

Verlening subsidie

Subsidie wordt binnen 8 weken na het verstrijken van een periode als bedoeld in artikel 6, eerste lid, verleend aan de subsidieaanvrager volgens de rangorde als bedoeld in artikel 6, tweede lid, totdat het subsidieplafond, bedoeld in artikel 9, is bereikt.

Artikel 8

Weigeringsgronden

1. Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

a. subsidieverstrekking het meest geëigende instrument is om het met de betrokken activiteiten beoogde doel te bereiken;

b. de duur van een project ten hoogste 36 kalendermaanden bedraagt.

2. Subsidie wordt niet verstrekt voor activiteiten:

a. die zijn aangevangen voorafgaande aan de subsidieverlening;

b. waarvoor vanuit het regulier beleid van de rijksoverheid, provincie of gemeente rechtstreekse financieringsmogelijkheden bestaan.

Artikel 9 Subsidieplafond

1. Het subsidieplafond bedraagt per kalenderjaar, vanaf het kalenderjaar 2004:

a. voor projecten als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, 1,5 miljoen euro;

b. voor projecten als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, 1,5 miljoen euro;

c. voor projecten als bedoeld in artikel 3, onderdeel c, 0,7 miljoen euro.

2. Genoemde plafonds zijn van toepassing onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

Artikel 10

Subsidiabele kosten

Voor subsidie kunnen slechts in aanmerking worden gebracht de volgende noodzakelijke, rechtstreeks aan de uitvoering en het beheer van het project toe te rekenen, feitelijk gemaakte en betaalde kosten van:

a. personeel;

b. activiteiten, of

c. overhead.

Artikel 11

Maximale subsidiabele kosten

De subsidie bedraagt 100% van de kosten, bedoeld in artikel 10, tot een maximum van 100.000 euro per projectjaar.

Artikel 12

Voorschot

1. De minister kan op aanvraag een voorschot verlenen.

2. De aanvraag tot voorschotverlening is opgenomen in het financieringsplan met liquiditeitsbehoefte per projectjaar.

3. Het voorschot bedraagt maximaal 80% van de te verlenen subsidie.

4. Bevoorschotting in het tweede of derde projectjaar vindt plaats op basis van een tussenrapportage waaruit de voortgang van het project blijkt.

5. In afwijking van artikel 8 van de Algemene Regeling SZW-subsidies kan de minister desgevraagd tijdens de laatste zes maanden van de projectperiode een hoger voorschot verlenen wanneer naar het oordeel van de minister de liquiditeitspositie van de subsidieaanvrager daartoe aanleiding geeft en het voor de minister aannemelijk is dat bij afwezigheid van een hogere bevoorschotting het project geen doorgang kan vinden.

Artikel 13

Verantwoording

1. De minister ontvangt van de subsidieontvanger uiterlijk vier maanden na afloop van de projectperiode waarover een subsidie is verleend, een verantwoording met betrekking tot de voor subsidie in aanmerking gebrachte kosten en de bereikte resultaten. Bij de verantwoording wordt een declaratie ingediend.

2. De controle door een accountant en de daarop gebaseerde verklaring bedoeld in artikel 16 van de Algemene Regeling SZW-subsidies, worden ingericht volgens het voorgeschreven controle- en rapportageprotocol van bijlage 2 van deze regeling.

Artikel 14

Vaststelling

De minister stelt de subsidie vast uiterlijk zes maanden na ontvangst van de overeenkomstig paragraaf 4 van de Algemene Regeling SZW-subsidies ingediende verantwoording en declaratie.

Artikel 15

Evaluatie en monitoring

De subsidieontvanger is verplicht gedurende de looptijd van de gesubsidieerde activiteiten en na afloop daarvan alle medewerking te verlenen aan evaluatie en monitoring van de activiteiten en het daarmee beoogde doel.

Artikel 16

Intrekking Subsidieregeling emancipatieondersteuning 1998

De Subsidieregeling emancipatieondersteuning 1998 wordt ingetrokken.

Artikel 17

Citeerregel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling emancipatieprojecten.

Artikel 18

Inwerkingtreding

De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De bijlagen 1 en 2 worden met ingang van 1 januari 2004 ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.J. de Geus.

Toelichting

Artikel 2

Deze regeling beoogt het emancipatieproces in de Nederlandse samenleving te ondersteunen. Op deze regeling is de Algemene Regeling SZW-subsidies van toepassing.

Subsidie wordt uitsluitend verleend voor projecten. Met projecten worden plannen bedoeld waarin een bepaald doel ten behoeve van een bepaalde doelgroep gedurende een bepaalde periode wordt nagestreefd door middel van een samenhangend geheel van activiteiten. Projecten kunnen een experimenteel karakter hebben, of kunnen gebruik maken van of voortbouwen op reeds beproefde methodes. Eenmalige en op zichzelf staande activiteiten, zoals de organisatie van een bijeenkomst, conferentie, debat of cursus, de ontwikkeling van een bepaalde lesmethode of module, de productie van een publicatie of film, komen op zich zelf niet in aanmerking voor subsidie. Dit soort activiteiten is echter wel subsidiabel wanneer ingekaderd in een groter project waarvan duurzamere resultaten verwacht kunnen worden dan van de eenmalige activiteit zelf. Zo kan de ontwikkeling van een lesmodule onderdeel zijn van een project waarin de lesmodule uiteindelijk vast onderdeel is geworden van een regulier onderwijsprogramma, een cursus kan onderdeel zijn van een project waarin de cursisten het geleerde ook in de praktijk brengen, de productie van een brochure of film kan onderdeel zijn van een voorlichtingsproject, etc.

Artikel 3

De Subsidieregeling emancipatieprojecten is een uitvloeisel van Beleidsartikel 12, Coördinatie Emancipatiebeleid van de Begroting 2004 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In dit Beleidsartikel zijn drie prioriteiten op het emancipatieterrein voor de periode vanaf 2004 vastgelegd: (i) rechten en veiligheid, (ii) arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid, en (iii) besluitvorming en bestuur. Het eerste en het derde thema zijn in de subsidieregeling integraal overgenomen. Ten aanzien van het tweede thema is gekozen voor een afgeleide, te weten maatschappelijke participatie, omdat voor de rechtstreekse bevordering van arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid ook andere financiële middelen beschikbaar zijn, o.⁠a. binnen gemeentelijk arbeidsmarktbeleid en ESF-subsidies.

Rechten en veiligheid

Met dit prioritaire beleidsthema streeft de overheid naar het terugdringen van het aantal vrouwen en meisjes dat slachtoffer is van geweld. Geweld vindt plaats in de publieke, maar zeker ook in de privé-sfeer. Geweld kan de vorm hebben van fysiek geweld (al dan niet seksuele mishandeling) maar ook intimidatie, dwang, vrijheidsberoving, of toepassing van traditionele praktijken waarbij sprake is van verminking, worden gezien als vormen van geweld tegen vrouwen.

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten die op de lange termijn beogen bij te dragen aan het algemene beleidsdoel van vermindering van geweld tegen vrouwen en meisjes. Gedacht kan worden aan projecten die een bijdrage leveren aan:

– bewustwording van of kennis over rechten;

– bewustwording van de ontoelaatbaarheid en tevens bestrijding van praktijken als eerwraak, genitale verminking;

– bespreekbaar maken van relatie- en gezinsproblemen;

– kennis over bestaande dienstverlening;

– herkenning van risicofactoren en eerste signalen van geweld door intermediairs;

– zelfredzaamheid;

– weerbaarheid;

– verhoging van keuzevrijheid en keuzemogelijkheden.

Maatschappelijke participatie

In Beleidsartikel 12 luidt het tweede prioritaire beleidsthema arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van vrouwen. In de subsidieregeling is echter gekozen voor het thema maatschappelijke participatie. Subsidie kan worden verstrekt voor projecten in de voorwaarden scheppende sfeer, waarbij maatschappelijke participatie wordt gezien als voorwaarde voor, of belangrijke eerste stap op weg naar, het uiteindelijk te bereiken doel van arbeidsparticipatie. Gedacht kan worden aan projecten die een bijdrage leveren aan:

– het doorbreken van isolement;

– verhoogde participatie in vrijwilligersactiviteiten, verenigingsleven, etc.;

– verbetering van de contacten van de doelgroep met, en toegang tot formele instanties;

– bespreekbaar maken van traditionele rolopvattingen;

– verhoogde participatie in formele en informele scholing;

– verbeterde randvoorwaarden voor arbeid buitenshuis.

Besluitvorming en bestuur

Met het derde prioritaire beleidsthema streeft de overheid naar een evenredige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in politieke besluitvorming en bestuur. In het kader van deze subsidieregeling wordt vooral gedacht aan activiteiten die een bijdrage leveren aan het verhogen van de deelname van vrouwen in verenigingsbesturen, wijkraden, ouderraden, besturen van belangenorganisaties en zelforganisaties, etc.

Het begrip kwetsbare positie duidt op een achterstandspositie ten opzichte van andere vrouwen. Gedacht moet worden aan een sociaal-economische achterstand die zich bijvoorbeeld uit door een lage arbeidsparticipatie, een lage participatie in belangenorganisaties of bestuursorganen, een sociaal isolement, of een kwetsbare positie in de zin van blootgesteld worden aan (dreiging van) geweld, mishandeling, intimidatie, dwang of vrijheidsberoving.

Positieverbetering van vrouwen in kwetsbare posities vergt ook aandacht voor de rol die mannen hierbij (kunnen) spelen. Projecten waarin activiteiten op mannen betrekking hebben, komen voor subsidie in aanmerking mits het beoogde doel een verandering in gender verhoudingen behelst en daarmee uiteindelijk een verbetering van de positie van vrouwen. Hierbij wordt ook weer expliciet gedoeld op vrouwen in een kwetsbare positie.

Artikel 4

Een projectvoorstel begint doorgaans met een beschrijving van het probleem waar het project een oplossing voor aandraagt. De probleemanalyse gaat in op vragen als wat zijn de oorzaken van het probleem, wat wordt er al aan dit probleem gedaan en door wie, waarom moet er meer aan gebeuren.

Doelen en activiteiten dienen in een projectplan zodanig te zijn beschreven dat het, tussentijds of na afloop van het project, ook mogelijk is te verantwoorden wat er gedaan is en in hoeverre het doel bereikt is. Dat betekent dat de beoogde effecten, of doelstellingen, vertaald worden in concrete en meetbare termen, of beoogde resultaten. Daarbij is het belangrijk dat niet alleen kwalitatieve termen worden gehanteerd maar ook kwantitatieve termen. Een projectplan dient altijd aan te geven hoe groot de totale doelgroep is, dat wil zeggen de groep mensen die in het gebied (regio of locatie) waar het project uitgevoerd wordt met dit probleem te kampen heeft, en welk deel van deze totale doelgroep met het project daadwerkelijk bereikt wordt.

Artikel 5

De aanvraagformulieren voor deze subsidieregeling zijn verkrijgbaar bij het Ministerie en ook via het web (www.emancipatieweb.nl) toegankelijk. Op dit aanvraagformulier worden alle gevraagde onderdelen toegelicht.

Artikel 6

Na ontvangst van de aanvraag wordt in eerste instantie getoetst of de aanvraag voldoet aan de in deze regeling genoemde voorwaarden. Alleen projectaanvragen die aan alle voorwaarden voldoen worden meegenomen in de onderlinge weging om te komen tot een rangorde. In de onderlinge weging worden projecten beoordeeld aan de hand van de genoemde criteria.

De eerste twee criteria hebben betrekking op het bereik van en de effectiviteit voor de doelgroep. Wie vormen de doelgroep, hoe groot is deze doelgroep en welke concrete veranderingen kan het project voor deze doelgroep bewerkstelligen binnen de gestelde projectperiode? Daarnaast wordt gekeken naar langere termijn verwachtingen: is er een reële kans dat (onderdelen van) het project worden ingebed in bestaande structuren, worden overgedragen aan andere instanties zodat ook na de looptijd van het project activiteiten kunnen worden voortgezet, of worden de projectresultaten op een dusdanige wijze verspreid/bekend gemaakt dat op langere termijn een groter effect te verwachten is?

Het derde criterium verwijst naar actieve betrokkenheid van de doelgroep, of een doelgroeporganisatie, bij het project. De subsidieregeling is specifiek bedoeld voor activiteiten die vanuit of dicht bij de doelgroep worden uitgevoerd. Voor alle projecten geldt daarom dat de doelgroep en/of doelgroeporganisaties actief betrokken dienen te zijn bij de opzet, uitvoering en evaluatie van het project.

Voor alle projecten geldt dat samenwerking met voor het project relevante instanties of organen en medefinanciering vanuit andere fondsen en/of middelen tot aanbeveling strekt.

Projecten zijn effectiever wanneer zij in samenwerking met voor het specifieke beleidsterrein relevante actoren worden uitgevoerd. De kans op beklijfbaarheid van resultaten is dan groter.

Voor niet-doelgroeporganisaties die een aanvraag indienen, betekent dit dat er samenwerking gezocht dient te zijn met vertegenwoordigers uit of organisaties van de doelgroep. Daarnaast kunnen er uiteraard ook andere niet-doelgroeporganisaties als partner in het project optreden.

Voor doelgroeporganisaties die een aanvraag indienen, geldt eveneens dat samenwerking met andere organisaties zoals gemeentelijke instanties, onderwijsinstellingen, hulpverlenende organisaties, etc., de effectiviteit van het project kan verhogen.

Het samenwerken is geen absolute vereiste maar vormt bij de onderlinge weging van aanvragen wel een belangrijk beoordelingscriterium.

Net zoals samenwerking met andere actoren de effectiviteit van projecten kan verhogen, draagt ook een medefinanciering door derden vaak bij aan draagvlak voor en effectiviteit van projecten. In het geval van lokale projecten bijvoorbeeld, onderstreept een significante bijdrage vanuit de gemeente het belang dat de gemeente hecht aan het uit te voeren project. Zodoende verhoogt dit de kans op beklijfbare resultaten.

Ook voor projecten met een landelijke uitstraling onderstreept medefinanciering het draagvlak voor het project en de te bereiken doelen. Evenals voor samenwerking geldt dat medefinanciering geen vereiste is maar bij de onderlinge weging van aanvragen een belangrijk beoordelingscriterium vormt.

Artikel 7

Indien in de uitvoering van een project meerdere organisaties betrokken zijn, kan de subsidieaanvrager de ontvangen subsidie conform met andere organisaties overeengekomen afspraken over taken en verantwoordelijkheden, met deze organisaties delen. De subsidieaanvrager is daarbij verantwoordelijk voor het zorgvuldig vastleggen van de afspraken met deze organisaties. De subsidieaanvrager blijft verantwoordelijk voor een juist beheer en verantwoording van de subsidiegelden.

Artikel 8

De subsidieregeling beoogt bij te dragen aan de versterking van het emancipatieproces in de Nederlandse samenleving. Hoewel op deelterreinen het emancipatieproces is ingebouwd of verankerd in het reguliere beleidsproces, blijven extra impulsen vaak noodzakelijk. Deze regeling beoogt deze extra impulsen te ondersteunen. Daarbij zij nadrukkelijk vermeld dat aanvragen voor een type activiteiten waarvoor binnen het regulier beleid al financieringsmogelijkheden bestaan, niet voor financiering in aanmerking komen.

Artikel 10

Ten aanzien van aan het project toe te rekenen personeelskosten wordt ook verwezen naar de toelichting op artikel 13. Indien een uurtarief gehanteerd wordt, dient reeds bij de indiening van de aanvraag gespecificeerd te worden uit welke componenten dit uurtarief is opgebouwd.

Met kosten van activiteiten wordt bedoeld, alle kosten die direct aan projectactiviteiten kunnen worden toegerekend, inclusief (huur van) materialen, instrumenten en accommodatie die voor de uitvoer van de activiteiten noodzakelijk zijn.

Met kosten van overhead wordt bedoeld, alle kosten die indirect aan het project zijn toe te rekenen, waaronder administratieve- of managementondersteuning vanuit de subsidieontvangende organisatie, gebruik van kantoorruimte en middelen. Kosten van overhead dienen, evenals andere kosten, controleerbaar te zijn. Dat wil zeggen dat aangetoond moet kunnen worden dat deze kosten ten behoeve van het project zijn gemaakt.

Artikel 13

In artikel 12 van de Algemene Regeling SZW-subsidies zijn eisen opgenomen waaraan de administratie van de subsidieontvanger moet voldoen. Als medewerkers gedurende het project volledig worden ingezet op het project, kan een verklaring hiervan gegeven worden waarin de inzet in uren per week is weergegeven. Als medewerkers een gedeelte van hun arbeidstijd op het project worden ingezet, moeten zij al hun aan het project bestede tijd registreren. Hierbij moet sprake zijn van een sluitende urenadministratie die in totaal aansluit op de salaris- en contractadministratie. Een sluitende urenadministratie impliceert dat alle uren die een medewerker maakt worden geregistreerd, ook de gewerkte uren die niet zijn besteed aan het project. Deze uren moeten (exclusief overwerk) overeenstemmen met de arbeidsovereenkomst of het contract. De formulieren waarop de uren zijn geregistreerd, dienen door de leidinggevende voor akkoord te zijn getekend.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A.J. de Geus

Naar boven