Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2003, 249 pagina 69 | Besluiten van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2003, 249 pagina 69 | Besluiten van algemene strekking |
17 december 2003
nr. DGB2003/6980M
Directoraat-generaal Belastingdienst, Team particulieren en formeel recht
De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.
De Leidraad Invordering 1990, resolutie van 25 juni 1990, nr. AFZ 90/1990, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 23 juni 2003, nr. DGB 2003/3427M, Stcrt.120, wordt gewijzigd zoals aangegeven in de bijgevoegde bijlage.
A. In de Tekst van de lijst met gebruikte afkortingen wordt `Abw = Algemene bijstandswet' vervangen door: Wwb = Wet werk en bijstand.
B. In § 1, Inleidende opmerkingen, zevende lid, tweede tot en met vijfde volzin, wordt vervangen door: Daarnaast geldt in beginsel als uitgangspunt dat de ontvanger zich terughoudend opstelt met betrekking tot het bij de invordering betrekken van derden. Dit uitgangspunt geldt niet indien verhaal van de belastingschuld mogelijk is door middel van het doen van een vordering op grond van artikel 19 van de wet. Het verdient juist de voorkeur om reeds voordat tot de tenuitvoerlegging van het dwangbevel wordt besloten te bezien of van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, nu het daarbij gaat om een specifiek in de wet voorziene invorderingsmaatregel waarbij doelmatigheid en doeltreffendheid voorop staan.
C. In hoofdstuk I, artikel 2, § 1, eerste lid, zesde volzin, vervalt `respectievelijk artikel 55 Rv'. Voorts wordt `wijzen' vervangen door: wijze.
D. In hoofdstuk II, artikel 9, § 1, tweede lid, onder 2.3, wordt `- de grondwaterbelasting, de afvalstoffenbelasting, de brandstoffenbelasting, de belasting op uranium-235 en de regulerende energiebelasting' vervangen door: de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen.
E. Hoofdstuk II, artikel 10, § 1, wordt gewijzigd als volgt.
E.1. In het derde lid worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. Na de vierde volzin wordt ingevoegd: In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden.
b. In de zesde volzin (oud) wordt na `verstreken' ingevoegd: (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen).
c. Na de zesde volzin (oud) wordt ingevoegd: Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de in dat kader geldende twee-dagentermijn nog niet is verstreken.
E.2. In het zesde lid, derde volzin, wordt `dan is het beslag van begin af aan nietig' vervangen door: dan is van het begin af aan geen rechtsgeldig beslag gelegd.
F. Hoofdstuk III, artikel 13, wordt vervangen door:
Artikel 13
§ 1. Betekening van het dwangbevel
1. Het dwangbevel is een beschikking in de zin van de Awb. In afwijking in zoverre van artikel 3:41 Awb wordt het dwangbevel bekendgemaakt door middel van betekening.
Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden ten uitvoer gelegd. Tenuitvoerlegging van het dwangbevel is eerst mogelijk na betekening aan de belastingschuldige. Ook voor het doen van een vordering op grond van artikel 19 van de wet dient de ontvanger te beschikken over een aan de belastingschuldige betekend dwangbevel.
2. De betekening van het dwangbevel kan plaatsvinden door de belastingdeurwaarder alsmede door het ter post bezorgen van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling door de ontvanger. Hoewel de wijze waarop de betekening plaatsvindt facultatief is, maakt de ontvanger zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel per post te betekenen. Betekening per post is echter niet mogelijk indien het de ontvanger is gebleken dat de aanmaning de belastingschuldige niet heeft bereikt, hetgeen de ontvanger over het algemeen slechts kan weten indien de aanmaning onbestelbaar retour is ontvangen. Betekening per post is evenmin mogelijk indien de invordering geschiedt met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef of onderdeel a of b, van de wet.
3. De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt plaats door het ter post bezorgen van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling door de ontvanger. Op grond van de wet dient onder ter post bezorging te worden verstaan: het door de ontvanger ter verzending aanbieden van het afschrift aan TPGpost. Als betekeningsdatum geldt, behoudens voor de toepassing van de artikelen 14, 19 en 20 van de wet (zie hierna), de datum van ter post bezorging. Door de ter post bezorging is de betekeningshandeling voltooid. De verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift vindt plaats per gewone post. Uit de ongeopende envelop waarin het afschrift ter post wordt bezorgd, blijkt naast de naam en het adres van de belastingschuldige, het kantooradres en telefoonnummer van de ontvanger, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft. Het bevel tot betaling van de ontvanger luidt tot betaling binnen twee dagen na de datum van ter post bezorging. In het kader van de tenuitvoerlegging wordt dat bevel geacht mede te zijn betekend door de belastingdeurwaarder die belast is met de tenuitvoerlegging. Uitsluitend voor de toepassing van de artikelen 14, 19 en 20 van de wet, wordt het per post betekende dwangbevel met het bevel tot betaling geacht te zijn betekend twee dagen na de datum van ter post bezorging. Dit betekent dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel alsmede de vordering op grond van artikel 19 van de wet in beginsel niet kunnen plaatsvinden binnen vier dagen na die datum. Op deze termijn is de Algemene termijnenwet van toepassing. De genoemde termijn van vier dagen geldt niet indien de invordering, na betekening van het dwangbevel per post, wordt voortgezet met toepassing van artikel 15 van de wet.
De fictie dat het per post betekende dwangbevel eerst wordt geacht te zijn betekend twee dagen na de datum van ter post bezorging, geldt evenmin voor het tijdstip waarop de kosten van betekening verschuldigd zijn alsmede voor het tijdstip waarop stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden op grond van artikel 27, eerste lid, van de wet.
Adressering van per post betekende dwangbevelen
4. Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het volgens de administratie van de Belastingdienst bekende adres van de belastingschuldige. Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen het in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geregistreerde adres van de belastingschuldige zijn. Indien de belastingschuldige de wens te kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (bijvoorbeeld een postbusadres) kan verzending ook plaatsvinden aan dat andere adres.
Indien achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een - ten tijde van de terpostbezorging - onjuist adres is verzonden en het de belastingschuldige niet heeft bereikt, wordt aan het dwangbevel geen rechtsgevolg verbonden. Anders is dit indien het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het afschrift niet te hebben ontvangen. In het laatste geval geldt het dwangbevel als betekend, tenzij sprake is van door de belastingschuldige aannemelijk te maken bijzondere omstandigheden op grond waarvan dient te worden aangenomen dat het afschrift van het dwangbevel het bestemde adres niet heeft bereikt.
Betekening door de belastingdeurwaarder
5. De betekening van het dwangbevel door de belastingdeurwaarder vindt plaats overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de betekening van exploten, met dien verstande dat indien de betekening plaatsvindt overeenkomstig artikel 47 Rv, op de envelop, in afwijking van de tweede volzin van het tweede lid van dat artikel, melding wordt gemaakt van de ontvanger die de opdracht tot betekening heeft verstrekt, alsmede van diens kantooradres en telefoonnummer. Wanneer er aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan wie de belastingdeurwaarder het afschrift dient achter te laten, wordt het dwangbevel betekend op de wijze als bepaald in artikel 47, eerste lid, Rv. Deze handelwijze wordt ook gevolgd wanneer de belastingdeurwaarder aan de persoon van de huisgenoot niet de verwachting kan ontlenen dat achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan die huisgenoot er toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook daadwerkelijk bereikt.
Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het adres van het kantoor van het organisatieonderdeel van de Belastingdienst waar de belastingdeurwaarder zijn standplaats heeft. Dit geldt ook voor de situaties waarin het dwangbevel is uitgevaardigd door de ontvanger van een ander organisatieonderdeel van de Belastingdienst. Een ruimere domiciliekeuze vindt slechts plaats wanneer daartoe gelet op de, van de omstandigheden afhankelijke, bijzondere wettelijke voorschriften aanleiding bestaat.
6. Een dwangbevel dat - hetzij door terpostbezorging, hetzij door de belastingdeurwaarder - is betekend aan een minderjarige of onder curatele gestelde, dient alvorens tot tenuitvoerlegging daarvan kan worden overgegaan, mede te worden betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger. Zo nodig zal aan laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan.
De betekening van een dwangbevel inzake successierecht vindt plaats op het adres van de in de aangifte gekozen woonplaats, tenzij het dwangbevel is verleend tegen één verkrijger afzonderlijk. Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen domicilie.
G. In hoofdstuk III, artikel 14, § 1, wordt, onder vernummering van het eerste lid in lid 1a, een nieuw eerste lid opgenomen, luidende:
Tenuitvoerlegging van een per post betekend dwangbevel
1. Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden ten uitvoer gelegd. Tenuitvoerlegging van het dwangbevel is eerst mogelijk na betekening aan de belastingschuldige.
Indien het dwangbevel is betekend door het ter post bezorgen van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling door de ontvanger, vindt de tenuitvoerlegging van het dwangbevel op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet plaats dan na betekening van een hernieuwd bevel tot betaling door de belastingdeurwaarder. De betekening van het hernieuwd bevel tot betaling vindt plaats overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de betekening van exploten. Voor het exploot worden op grond van artikel 3, tweede lid, Kostenwet invordering rijksbelastingen kosten in rekening gebracht. Indien bij de betekening gevolg wordt gegeven aan het hernieuwde betalingsbevel, geeft de belastingdeurwaarder kwitantie voor het aldus aan hem betaalde bedrag. Voor het geven van deze kwitantie zijn geen kosten verschuldigd. Indien bij de betekening geen gevolg wordt gegeven aan het hernieuwde betalingsbevel, kan de belastingdeurwaarder onmiddellijk tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaan.
Indien de betekening echter geschiedt overeenkomstig artikel 47 Rv, luidt het hernieuwde betalingsbevel tot betaling binnen twee dagen na de datum van betekening van dat bevel. Op deze termijn is de Algemene termijnenwet van toepassing. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel vindt, tenzij artikel 15 van de wet van toepassing is, eerst plaats na ommekomst van de genoemde termijn van twee dagen.
H. In hoofdstuk III, artikel 15, § 1, eerste lid, wordt na de eerste volzin ingevoegd: Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat als de invordering geschiedt met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef of onderdeel a of b, van de wet betekening van een dwangbevel door terpostbezorging niet mogelijk is.
I. Hoofdstuk III, artikel 17, § 1, wordt gewijzigd als volgt.
I.1. Het derde lid wordt vervangen door:
Verzet en materiële verschuldigdheid
3. Artikel 17 van de wet vermeldt geen gronden voor verzet. Als voorbeelden van deze gronden worden hier genoemd: de belastingschuld is voldaan, verminderd of kwijtgescholden; het recht op dwanginvordering is verjaard of het dwangbevel is tegen de verkeerde persoon uitgevaardigd.
Hoewel artikel 17, derde lid, van de wet als grond voor verzet onder meer uitsluit de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld, is niettemin in de rechtspraak aangenomen dat verzet bij de burgerlijke rechter mogelijk is tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel uitgevaardigd ter zake van een belastingaanslag waarvan de materiële verschuldigdheid zo twijfelachtig is dat de ontvanger in redelijkheid niet tot de beslissing had kunnen komen om tot tenuitvoerlegging over te gaan.
Overigens mag van de belastingschuldige, die zich tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel verzet wegens vermeende materiële onverschuldigdheid van de belastingaanslag, worden verwacht dat hij de fiscale rechter verzoekt in dat kader een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 Awb. Beslist de fiscale rechter tot schorsing van een belastingaanslag of stelt hij deze anderszins voorlopig buiten werking, dan zal de ontvanger tenuitvoerlegging van het ter zake van die aanslag uitgevaardigde dwangbevel in beginsel staken, zolang die schorsing en/of buitenwerkingstelling duurt.
I.2. Na het zesde lid wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
7. Het verzet is onder meer niet mogelijk voorzover het gegrond is op de stelling dat het aanslagbiljet, de aanmaning of het afschrift van het per post betekende dwangbevel niet is ontvangen. Dit is alleen anders indien achteraf zou blijken dat het aanslagbiljet, de aanmaning of het afschrift van het per post betekende dwangbevel aan een onjuist adres is verzonden en daarom de belastingschuldige niet heeft bereikt.
J. Hoofdstuk III, artikel 19, wordt gewijzigd als volgt.
J.1. Paragraaf 1, derde lid, wordt vervangen door:
3. In het geval het dwangbevel per post is betekend en de invordering wordt vervolgd door middel van een vordering onder de werkgever (artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet) is de ontvanger verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen van zijn voornemen een vordering te doen. De vooraankondiging wordt niet eerder gedaan dan nadat vier dagen zijn verstreken na de datum waarop het afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling ter post is bezorgd door de ontvanger. De loonvordering wordt niet eerder gedaan dan zeven dagen na de dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens een werkgever die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen.
J.2. Paragraaf 3, eerste lid, wordt vervangen door:
1. Bij de beoordeling van de vraag of een vordering met betrekking tot een periodieke betaling zal worden gedaan, komt een doorslaggevende rol toe aan het feit dat de vordering een bijzonder invorderingsinstrument betreft waarmee een doelmatige en doeltreffende invordering van belastingschulden is beoogd. Dit betekent dat de vordering in beginsel de voorkeur verdient boven andere invorderingsmaatregelen waarbij het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd door middel van beslag. Wanneer het de invordering van zeer geringe bedragen betreft, bestaat er aanleiding eerst andere invorderingsmaatregelen te beproeven alvorens de derde via de vordering bij de invordering te betrekken.
J.3. In § 3, vijfde lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. Het opschrift wordt vervangen door: Gegevensverstrekking door de derde.
b. De eerste volzin wordt vervangen door: Voor de wijze waarop de vordering wordt gedaan, wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 19, § 1, vierde lid, van deze leidraad.
c. De laatste volzin vervalt.
K. In hoofdstuk IV, afdeling 1, artikel 22, § 5, vierde lid, wordt na de zestiende volzin een alinea ingevoegd, luidende: Met contracten zonder koop- of verlengingsoptie voor de lessee, worden gelijkgesteld de contracten waarin de lessee een dergelijke optie bezit tegen de `alsdan geldende marktwaarde'.
L. Hoofdstuk IV, afdeling 3, artikel 25, wordt gewijzigd als volgt.
L.1. In § 1, lid 16, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. Na de eerste volzin wordt ingevoegd: De executiewaarde van de inbeslaggenomen zaken, dan wel de hoogte van de zekerheid die gesteld wordt, dient gelijk te zijn aan de schuld waarvoor uitstel wordt verzocht. Als hetzij de aard en de omvang van de schuld in relatie tot de termijn waarvoor uitstel van betaling wordt gevraagd, hetzij het in het verleden getoonde aangifte- en betalingsgedrag daartoe aanleiding geeft, kan de ontvanger afzien van het eisen van zekerheid.
b. In de vierde volzin (oud) vervalt `en voorraden'.
c. Na de vijfde volzin (oud) wordt ingevoegd: Een aangeboden zekerheid in de vorm van een bezitloze verpanding van voorraden is in beginsel niet aanvaardbaar. Dit laatste lijdt slechts uitzondering indien aannemelijk is dat de belastingschuld niet kan worden betaald en andere zekerheidsvormen niet voorhanden zijn. De reden dat een bezitloze verpanding van voorraden niet kan worden aanvaard, is gelegen in de aard van het zekerheidsobject. In het uitzonderlijke geval dat sprake is van een bezitloze verpanding van voorraden, dient ook hier de ontvanger extra alert te zijn bij het bewaken daarvan.
d. De laatste twee volzinnen vervallen.
L.2. In § 5c, afdeling 1, derde lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
c. sprake is van een teruggaaf van wat op aandelen of winstbewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening is gestort dan wel van wat door houders van winstbewijzen is gestort of ingelegd.
L.3. In § 11, derde lid, wordt `3 Abw' telkens vervangen door: 3 Wwb.
L.4. In § 13, vierde lid, eerste volzin, wordt `artikel 3 Abw' vervangen door: artikel 3 Wwb.
L.5. In § 13A, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. In onderdeel a wordt na `gekomen' ingevoegd: ,dan wel een overeenkomst tot stand is gekomen waarvan de strekking overeenkomt met die gedragscode en waarbij voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen.
b. In onderdeel b wordt na `de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet' ingevoegd: , dan wel de schuldbemiddeling wordt uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer.
L.6. In § 14, vierde lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. In de eerste volzin wordt `een termijn geldt van ten hoogste twaalf maanden' vervangen door: een termijn van enkele maanden geldt.
b. De tweede en derde volzin worden vervangen door: De ontvanger stelt hierbij als voorwaarde dat er zekerheid wordt gesteld overeenkomstig artikel 25, § 1, lid 16, van deze leidraad. Alleen als daartoe naar het oordeel van de ontvanger, op grond van de aard en de omvang van de schuld, de aard en omvang van de zekerheid en het in het verleden getoonde aangifte- en betalingsgedrag aanleiding bestaat, zal de betalingsregeling een langere looptijd kunnen hebben dan enkele maanden. De betalingsregeling zal in elk geval een looptijd van twaalf maanden - gerekend vanaf de vervaldag van de belastingaanslag - niet te boven gaan.
M. Hoofdstuk IV, afdeling 3, artikel 26, wordt gewijzigd als volgt.
M.1. In § 2, derde lid, eerste en vierde volzin, wordt `3 Abw' vervangen door: 3 Wwb.
M.2. In § 2, zesde lid, vijfde volzin, wordt `artikel 3 Abw' vervangen door: artikel 3 Wwb.
M.3. In § 2, lid 12, wordt `artikel 3 Abw' telkens vervangen door: artikel 3 Wwb.
M.4. In § 2, lid 13, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. In de eerste volzin wordt na `wettelijke inhoudingen' ingevoegd: , zonder rekening te houden met de daarbij eventueel in mindering gebrachte jonggehandicaptenkorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001,.
b. In de derde volzin wordt `inclusief het bedrag dat wordt gereserveerd in het kader van een zogenaamde spaarloonregeling,' vervangen door: (inclusief het bedrag dat wordt gereserveerd in het kader van een zogenaamde spaarloonregeling).
Voorts wordt in de derde volzin in de tekst na het tweede gedachtestreepje `aanvullende kinderkorting of toetrederskorting' vervangen door: aanvullende kinderkorting, toetrederskorting, alsmede voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger dan vijf jaar is, aanvullende alleenstaande-ouderkorting en combinatiekorting. Bovendien wordt `artikel 43, tweede lid, onderdelen i, j, m, n en p, Abw (zie lid 17B)' vervangen door: artikel 31, tweede lid, onderdelen j, k en o, Wwb (zie lid 17b) en de langdurigheidstoeslag, bedoeld in artikel 36 van de Wwb.
M.5. In § 2, lid 17, laatste volzin, wordt `ouderen' vervangen door: personen van 21 tot 65 jaar.
M.6. Paragraaf 2, lid 17b, wordt vervangen door:
Vergoedingen ter stimulering van arbeid
17b. Niet betrokken als inkomsten bij de berekening van de betalingscapaciteit worden de in artikel 31, tweede lid, onderdelen j, k en o, verstrekte premies, kostenvergoedingen en vrij te laten inkomsten bedoeld ter stimulering van arbeid.
Het gaat in casu om de volgende bedragen:
- een eenmalige premie in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 1944 per kalenderjaar;
- een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 20 per week met een maximum van € 700 per jaar;
- inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25% van deze inkomsten, met een maximum van € 163 per maand, voor zover betrokkene algemene bijstand ontvangt en dit bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
M.7. In § 2, lid 21, tiende volzin, wordt `artikel 3 Abw' vervangen door: artikel 3 Wwb.
M.8. In § 2, lid 22, derde en laatste volzin, wordt `Abw' vervangen door: Wwb.
M.9. In § 2, lid 23, eerste en enige volzin, wordt `Abw' vervangen door: Wwb.
M.10. In § 2, lid 24A, voorlaatste volzin, wordt `€ 226,50' vervangen door: € 249.
M.11. In § 2, lid 26, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. De derde volzin wordt vervangen door: Dit geldt niet voor de in artikel 22 Wwb bedoelde ouderennormen.
b. In de negende volzin wordt `artikel 30, onderdeel c, Abw' vervangen door: artikel 21, onderdeel c, Wwb.
c. In de tiende volzin wordt `artikel 33, tweede lid, Abw' vervangen door: artikel 25, tweede lid, Wwb.
d. In de twaalfde volzin wordt `artikel 30, onderdeel b, Abw' vervangen door: artikel 21, onderdeel b, Wwb. Voorts wordt `artikel 33, tweede lid, Abw' vervangen door: artikel 25, tweede lid, Wwb.
e. In de vijftiende volzin wordt `artikel 30, onderdeel a, Abw' vervangen door: artikel 21, onderdeel a, Wwb. Voorts wordt `artikel 33, tweede lid, Abw' vervangen door: artikel 25, tweede lid, Wwb.
f. In de achttiende volzin wordt `1 juli 2003' vervangen door: 1 januari 2004.
g. In de achttiende volzin, achter het eerste gedachtestreepje, wordt `€ 821', `€ 1.026', `€ 1.077' en `€ 1.086' vervangen door onderscheidenlijk: € 833, € 1.041, € 1.090 en € 1.098.
h. In de achttiende volzin, achter het tweede gedachtestreepje, wordt `€ 718', `€ 924' en `€ 968' vervangen door onderscheidenlijk: € 729, € 937 en € 984.
i. In de achttiende volzin, achter het derde gedachtestreepje, wordt `€ 513', `€ 718' en `€ 763' vervangen door onderscheidenlijk: € 521, € 729 en € 779.
j. In voorbeeld 1 wordt in de vijfde en zesde volzin `€ 718' vervangen door: € 729. Vervolgens wordt in de zevende volzin `€ 750 minus € 718 = € 32 X 80% = € 26' vervangen door: € 750 minus € 729 = € 21 x 80% = € 16.
k. In voorbeeld 2 wordt `€ 810' en `€ 729' telkens vervangen door onderscheidenlijk: € 820 en € 738. Voorts wordt in de vijfde volzin `€ 924' en `€ 718' vervangen door onderscheidenlijk: € 937 en € 729.
l. In voorbeeld 3 wordt `€ 821' telkens vervangen door: € 833.
M.12. In § 2, lid 26a, eerste volzin, wordt `artikel 1 van de ABW' vervangen door: artikel 1 Wwb. Voorts wordt `€ 164' en `€ 256' vervangen door onderscheidenlijk: € 168 en € 262.
M.13. In § 2, lid 28, tweede en vierde volzin, wordt `artikel 3 Abw' vervangen door: artikel 3 Wwb.
M.14. In § 2a, derde lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. In de eerste volzin wordt `zijn aan te merken als natuurlijke verbintenissen' vervangen door: worden niet kwijtgescholden, maar worden aangemerkt als natuurlijke verbintenissen.
b. De vijfde volzin, onder het kopje `Boedelschuldeisers', wordt vervangen door: Als belastingschulden, die als boedelschulden kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de bewindvoerder om langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval is beslag op en uitwinning van tot de boedel behorende goederen mogelijk.
N. Hoofdstuk IV, afdeling 3, artikel 27, § 1, derde lid, wordt gewijzigd als volgt.
a. In de tweede volzin wordt na `dwangbevel' ingevoegd: , een hernieuwd bevel tot betaling.
b. Voor de laatste volzin wordt ingevoegd: Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat ingeval van stuiting van de verjaring door middel van het betekenen van een dwangbevel per post als betekeningsdatum geldt de dag van de ter post bezorging.
O. Hoofdstuk VI, afdeling 1, artikel 33, § 4, wordt gewijzigd als volgt.
O.1. Het eerste lid wordt vervangen door:
1. Voor de toepassing van artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt als bestuurder niet alleen degene aangemerkt die als zodanig in het Handelsregister staat ingeschreven, maar tevens wordt als bestuurder aangemerkt degene die zich feitelijk als bestuurder heeft gedragen.
Als gedragingen die een betrokkene tot bestuurder in de zin van dit artikel bestempelen kunnen worden aangemerkt die gedragsuitingen die normaliter kenmerkend zijn voor de persoon die als bestuurder moet worden aangemerkt. Als bestuurder in de zin van artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt tevens aangemerkt de beherend vennoot van een maat- of vennootschap.
O.2. Na het derde lid, laatste volzin, wordt toegevoegd een volzin, luidende: Voor de toepassing van dit artikel is het eerste lid van deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.
P. Hoofdstuk VI, afdeling 1, artikel 34, wordt gewijzigd als volgt.
P.1. In § 2, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. De derde volzin wordt vervangen door: Ook degene die van een doorlener inleent, kan zich van de op hem rustende aansprakelijkheid vrijwaren door middel van g-betalingen op de rekening van zijn doorlener.
b. De vierde en vijfde volzin vervallen.
P.2. In § 3, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. In de eerste volzin wordt `Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid' vervangen door: Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004. Voorts vervalt `(t.w. de `uitlenersvariant')'.
b. In de tweede volzin vervalt `(de `uitlenersvariant')'.
c. Na de laatste volzin wordt een alinea toegevoegd, luidende:
In afwijking van het vorenstaande wordt wel een g-rekeningovereenkomst afgesloten met de ondernemer die zijn bedrijf maakt van het opleiden van leerlingen die bij hem in dienst zijn en die deze leerlingen in het kader van hun opleiding tegen vergoeding uitleent.
P.3. In § 3, tweede lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. De vijfde tot en met tiende volzin vervallen.
b. In de elfde volzin (oud) vervalt `(t.w. de `uitlenersvariant')'.
c. De laatste volzin vervalt.
P.4. In § 3, derde lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. In de tweede volzin wordt `de Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid' vervangen door: de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004.
b. In de derde volzin, in de tekst achter het tweede gedachtestreepje, vervalt `via de g-rekening van de uitlener'.
c. In de laatste volzin, wordt `artikel 35, § 11, lid 1a' vervangen door: artikel 35, § 11, eerste lid.
P.5. In § 3, vierde lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. In de eerste volzin, wordt `de Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid' vervangen door: de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004.
b. In de laatste volzin vervalt `(aannemersvariant)'.
P.6. In § 5, tweede lid, voorlaatste volzin, wordt `artikel 35, § 11, lid 1a' vervangen door: artikel 35, § 11, eerste lid.
P.7. In § 5, derde lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. In de eerste volzin vervalt `- onverkort -'.
b. In de laatste volzin wordt `artikel 35, § 11, lid 1a' vervangen door: artikel 35, § 11, eerste lid.
c. Na de laatste volzin wordt toegevoegd: Indien de aansprakelijke inlener onder wie derdenbeslag is gelegd zich, in verband met het voorgaande, in zijn op grond van artikel 476a Rv af te leggen verklaring beroept op verrekening ter verzekering van zijn (voorwaardelijke) regresvordering op de uitlener, verklaart de ontvanger schriftelijk dat hij de inlener niet aansprakelijk zal houden voor het beloop van de in totaal ingevolge het derdenbeslag af te dragen geldsommen. In het geval de aansprakelijkheid van de inlener zich mede uitstrekt tot de door het Uitvoeringsinstituut geheven verzekeringspremies, treedt de ontvanger in overleg met het Uitvoeringsinstituut teneinde de hiervoor bedoelde schriftelijke verklaring mede te kunnen doen namens het Uitvoeringsinstituut.
P.8. In § 6, eerste lid, eerste volzin, wordt `de Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid' vervangen door: de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004.
Q. Hoofdstuk VI, afdeling 1, artikel 35, wordt gewijzigd als volgt.
Q.1. In § 1, eerste lid, voorlaatste volzin, wordt `In artikel 16b' vervangen door: In de artikelen 16b, 16ba en 16bb.
Q.2. In § 4, tweede lid, laatste volzin, wordt `het verpakken van goederen' vervangen door: het verpakken van zaken.
Q.3. In § 4, derde lid, wordt na de laatste volzin een volzin toegevoegd, luidende: Een beschrijving van het begrip `de vervaardiging van kleding en elke daarop gerichte handeling' in relatie tot de opdrachtgevers- en kopersaansprakelijkheid is opgenomen in artikel 35a, § 3, vierde lid, van deze leidraad.
Q.4. In § 6, lid 10, worden na de laatste volzin twee volzinnen toegevoegd, luidende: Als het winkelbedrijf in de hoedanigheid van opdrachtgever aansprakelijk kan worden gesteld (zie artikel 35a, § 3, eerste lid) blijft een aansprakelijkstelling op grond van het zogenoemde eigenbouwerschap ex artikel 35, derde lid, onderdeel b, van de wet achterwege. Het vorenstaande laat onverlet dat aansprakelijkstellingen van winkelbedrijven die vóór de inwerkingtreding van het wetsvoorstel `Opdrachtgeversaansprakelijkheid in de confectiesector' aansprakelijk zijn gesteld op grond van het eigenbouwerschap, in stand blijven.
Q.5. In § 8, eerste lid, wordt na de laatste volzin een volzin toegevoegd, luidende: Indien de koop en verkoop van de toekomstige zaak plaatsvindt binnen de confectiesector gelden ten aanzien van de ketenaansprakelijkheid de regels die zijn opgenomen in artikel 35a van deze leidraad.
Q.6. In § 8, tweede lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. In de eerste volzin wordt na `een bestaande zaak' toegevoegd: , behoudens in de gevallen waarin de overeenkomst van koop en verkoop van een bestaande zaak wordt afgesloten binnen de confectiesector. Zie artikel 35b van deze leidraad.
b. De derde tot en met zesde volzin (oud) vervallen.
Q.7. Paragraaf 11, eerste lid en lid 1a, wordt vervangen door één nieuw lid, luidende:
Vrijwaring van aansprakelijkheid door middel van betaling via de g-rekening van de (onder)aannemer.
1. Op grond van het bepaalde in artikel 35, vijfde lid, van de wet, verkrijgt de aannemer, ten belope van het bedrag dat hij stort op de g-rekening van de onderaannemer vrijwaring van zijn aansprakelijkheid voor de loonbelasting en de sociale verzekeringspremies. Deze vrijwaring geldt in beginsel ongeacht of de g-betaling de ontvanger of het Uitvoeringsinstituut daadwerkelijk bereikt. De vrijwaring geldt echter niet indien de aannemer wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de onderaannemer in gebreke zou blijven het op de g-rekening gestorte bedrag aan te wenden voor de betaling van loonbelasting of sociale verzekeringspremies. Met dit laatste wordt voorkomen dat bijvoorbeeld bij samenspanning tussen de aannemer en de onderaannemer het enkele feit dat betrokkene op een g-rekening stort al tot vrijwaring leidt.
In § 3, hiervoor, is aangegeven dat bij de berekening en vaststelling van het bedrag waarvoor de aannemer aansprakelijk is in eerste instantie geen rekening wordt gehouden met de vrijwarende betalingen door de aannemer op de g-rekening van de onderaannemer. Na de vaststelling van het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid geldt als bedoeld in § 3 brengt de ontvanger de vrijwarende betalingen op de g-rekening in mindering op het in eerste aanleg verschuldigd geworden bedrag aan aansprakelijkheidsschuld. Voor de toepassing van de in artikel 35, vijfde lid, van de wet bedoelde wettelijke vrijwaring moet tevens zijn voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004.
Als de aannemer niet heeft voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor een vrijwarende betaling wordt zijn aansprakelijkheidsschuld in eerste aanleg slechts verminderd voorzover de g-betalingen van die aannemer geacht worden bij de ontvanger terecht te zijn gekomen. Om dit laatste te bepalen zal de ontvanger alle betalingen die de onderaannemer van zijn g-rekening ten behoeve van het naheffingtijdvak heeft verricht optellen en van de som het bedrag van de gekwalificeerde g-betalingen (zie hiervoor) aftrekken. Het saldo van deze berekening wordt naar evenredigheid van hun
g-betalingen - met betrekking tot het naheffingtijdvak - toegerekend aan de aannemers die niet aan de gestelde voorwaarden hebben voldaan. Het bedrag van de aansprakelijkheid in eerste aanleg, verminderd met de 'vrijwaringen' als hiervoor toegelicht en/of met de vrijwaring als gevolg van rechtstreekse storting (zie het zesde lid van deze paragraaf), wordt vergeleken met de uitkomst van de berekening als toegelicht bij § 3, hiervoor. In de aansprakelijkstelling wordt uitgegaan van de laagste van beide uitkomsten. De berekening van het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid geldt (§ 3, eerste lid, hiervoor) en de toetsing van de uitkomst daarvan aan de hand van vrijwarende betalingen, is in bijlage VI uitgewerkt in een aantal voorbeelden.
Q.8. In § 11, zesde lid, laatste volzin, wordt `lid 1a' vervangen door: het eerste lid.
Q.9. In § 11, achtste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. In de eerste volzin vervalt `- onverkort -'.
b. In de laatste volzin wordt `artikel 35, § 11, lid 1a' vervangen door: artikel 35, § 11, eerst lid.
c. Na de laatste volzin wordt toegevoegd: Indien de aansprakelijke aannemer onder wie derdenbeslag is gelegd zich, in verband met het voorgaande, in zijn op grond van artikel 476a Rv af te leggen verklaring beroept op verrekening ter verzekering van zijn (voorwaardelijke) regresvordering op de onderaannemer, verklaart de ontvanger schriftelijk dat hij de aannemer niet aansprakelijk zal houden voor het beloop van de in totaal ingevolge het derdenbeslag af te dragen geldsommen. In het geval de aansprakelijkheid van de aannemer zich mede uitstrekt tot de door het Uitvoeringsinstituut geheven verzekeringspremies, treedt de ontvanger in overleg met het Uitvoeringsinstituut teneinde de hiervoor bedoelde schriftelijke verklaring mede te kunnen doen namens het Uitvoeringsinstituut.
Q.10. In § 12, derde lid, voorlaatste volzin, wordt `artikel 35, § 11, lid 1a' vervangen door: artikel 35, § 11, eerste lid.
Q.11. In § 14, eerste lid, wordt na de laatste volzin een alinea toegevoegd, luidende:
Zie voor de volgorde van aansprakelijkstelling van de opdrachtgever in de confectiesector, artikel 35a, § 5, eerste lid, van deze leidraad.
R. Na hoofdstuk VI, afdeling 1, artikel 35, slot, worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 35a
De opdrachtgeversaansprakelijkheid; algemeen
1. In dit artikel wordt de aansprakelijkheid van de opdrachtgever in de confectiesector (en de koper van nog te vervaardigen kleding, die met de opdrachtgever wordt gelijkgesteld) voor door de aannemer en alle onderaannemers in de keten verschuldigde belasting en premies geregeld. Omwille van de leesbaarheid is op de daarvoor geëigende plaatsen vermeden telkens de `koper van nog te vervaardigen kleding' te vermelden. Voorzover van toepassing kan hierna voor de term `opdrachtgever' ook `koper van nog te vervaardigen kleding' worden gelezen.
Op de aansprakelijkheid van de aannemer voor de belasting en premies van de onderaannemers blijft artikel 35 van de wet van toepassing. Artikel 35a bewerkstelligt dat - alleen voor de confectiesector - de keten met één schakel wordt verlengd, namelijk met de opdrachtgever, en dat uit dien hoofde de opdrachtgever aansprakelijk is voor de voldoening van de loonbelasting en premie van alle onder hem in de keten gelegen schakels met betrekking tot het werk waartoe hij opdracht heeft gegeven. De in artikel 35a van de wet opgenomen aansprakelijkheid van de opdrachtgever komt overigens overeen met de aansprakelijkheidsregels van de aannemer op grond van artikel 35 van de wet. De in artikel 35 van deze leidraad opgenomen bepalingen zijn daarom van overeenkomstige toepassing op artikel 35a en worden in dit artikel niet herhaald. Voorzover andere (beleids)regels van kracht zijn met betrekking tot de opdrachtgever zijn die in dit artikel opgenomen.
§ 2. Het begrip opdrachtgever en koper van nog te vervaardigen kleding
1. In artikel 35a, tweede lid, van de wet wordt een omschrijving gegeven van het begrip opdrachtgever in de zin van de ketenaansprakelijkheid, waarvan de toepassing is beperkt tot artikel 35a. Dit om verwarring te voorkomen met het begrip opdrachtgever in het tweede lid, onderdeel a, van artikel 35 van de wet. In de definitie ligt besloten dat de aansprakelijkheid van de opdrachtgever is beperkt tot de opdrachtgever die buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf met een ander, de aannemer, een overeenkomst heeft gesloten om voor hem kleding te vervaardigen. De omschrijving van het begrip opdrachtgever wordt bepaald door een aantal criteria die hierna afzonderlijk worden behandeld:
a. buiten dienstbetrekking,
b. in de normale uitoefening van zijn bedrijf,
c. de vervaardiging van kleding.
2. Indien de opdracht tot het vervaardigen van kleding namens de opdrachtgever is verstrekt door werknemers in het kader van de uitoefening van hun dienstbetrekking zijn zij niet aansprakelijk.
In de normale uitoefening van zijn bedrijf
3. De beoordeling of de opdracht wordt verstrekt in de normale uitoefening van het bedrijf vindt plaats op grond van de feitelijke omstandigheden van het individuele geval. Werkzaamheden worden als `normale uitoefening van het bedrijf' aangemerkt wanneer het verstrekken van opdrachten tot het vervaardigen van kleding een regelmatig terugkerend karakter heeft. Het regelmatig terugkerend karakter van de opdrachten dient feitelijk te worden beoordeeld.
De voorwaarde dat de opdracht tot het verrichten van de werkzaamheden moet plaatsvinden in de normale uitoefening van het bedrijf, sluit tevens uit dat particulieren die een opdracht verstrekken tot de vervaardiging van kleding in de ketenaansprakelijkheid worden betrokken.
4. De aansprakelijkheid van de opdrachtgever in de confectiesector ziet uitsluitend op de verschuldigde loonbelasting ter zake van een werk inhoudende de vervaardiging van kleding en elke daarop gerichte handeling. Ten aanzien van de vraag welke werkzaamheden onder het begrip `vervaardiging van kleding' vallen, is artikel 35, § 4, derde lid, van de leidraad van overeenkomstige toepassing.
De koper van een toekomstige zaak
5. In artikel 35a, derde lid, van de wet wordt degene die buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf kleding koopt die nog geheel of gedeeltelijk vervaardigd moet worden gelijkgesteld met een opdrachtgever. Degene die de geheel of gedeeltelijk nog te vervaardigen kleding verkoopt wordt gelijkgesteld met een aannemer.
§ 3. Geen eigenbouwerschap binnen opdrachtgeversaansprakelijkheid
Opdrachtgever in de confectiesector is geen eigenbouwer
1. Voor de uitvoering van de opdrachtgeversaansprakelijkheid is een aantal begrippen uit artikel 35 van de wet van overeenkomstige toepassing verklaard. De bepalingen uit artikel 35 met betrekking tot de eigenbouwer zijn echter niet van toepassing op de opdrachtgeversaansprakelijkheid. Gelet op de aard van de opdrachtgeversaansprakelijkheid kan van toepassing van het eigenbouwerschap geen sprake zijn.
§ 4. Bestuurlijke boete, rente en kosten
Aansprakelijk voor bestuurlijke boete, rente en kosten
1. Op grond van artikel 35a, eerste lid, van de wet is de opdrachtgever niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting opgelegde bestuurlijke boete. Deze bepaling laat echter onverlet de mogelijkheid de aansprakelijke aannemer op grond van artikel 32, tweede lid, van de wet aansprakelijk te stellen voor heffingsrente, invorderingsrente en kosten, voorzover het belopen daarvan aan hem is te wijten. Zie ook artikel 32, paragrafen 3 tot en met 6, van deze leidraad.
§ 5. Volgorde aansprakelijkstelling
1. Voor de opdrachtgever in de confectiesector gelden met betrekking tot de volgorde van aansprakelijkstelling dezelfde uitgangspunten als opgenomen in artikel 35, § 14, eerste lid, van deze leidraad. Dit betekent dat uitgangspunt is dat de opdrachtgever in beginsel niet direct aansprakelijk wordt gesteld, maar dat eerst de aannemer, die rechtstreeks met de in gebreke gebleven onderaannemer heeft gecontracteerd en daarna de aannemer die in de keten de minst ver verwijderde schakel vormt, aansprakelijk zal worden gesteld. De opdrachtgever zal pas in laatste instantie worden aangesproken, omdat de opdrachtgeversaansprakelijkheid het karakter van een uiterst middel heeft.
1. De opdrachtgeversaansprakelijkheid is van toepassing op alle werkzaamheden met betrekking tot de vervaardiging van kleding en alle daarop gerichte handelingen die op of na 1 oktober 2003 feitelijk zijn uitgevoerd. De aansprakelijkheid is ook van toepassing met betrekking tot na 1 oktober 2003 feitelijk verrichte werkzaamheden waarvoor vóór 1 oktober 2003 een opdracht is verstrekt.
Artikel 35b
De aansprakelijkheid van een koper van een bestaande zaak; algemeen
1. Naast de invoering van de opdrachtgeversaansprakelijkheid en de aansprakelijkheid van een bedrijfsmatige koper van een toekomstige zaak (zie artikel 35a van deze leidraad) is ook een aansprakelijkheid van de bedrijfsmatig handelende koper van kleding, die al is vervaardigd, ingevoerd. Ook van een koper van reeds vervaardigde kleding kan worden gevergd dat hij attent is op mogelijke fraude met premies en belasting. Daarnaast is met de invoering van de aansprakelijkheid van een bedrijfsmatige koper van reeds vervaardigde kleding beoogd problemen vanwege het onderscheid tussen toekomstige en bestaande kleding te voorkomen en om uit te sluiten dat bij de invoering van de aansprakelijkheid van de opdrachtgever en de koper van nog te vervaardigen kleding er zoveel mogelijk koopovereenkomsten ter zake van bestaande zaken kleding zouden worden gesloten.
De aansprakelijkheid ziet op iedere bedrijfsmatig handelende koper van de door een atelier vervaardigde kleding. Het gaat hierbij niet alleen om de eerste bedrijfsmatige koper, maar ook om iedere opvolgende bedrijfsmatig handelende koper. Hierdoor is ook de zogenaamde tussenhandelaar onder de aansprakelijkheidsregeling gebracht.
§ 2. Geen vrijwaring door storting op de g-rekening
1. Bij de aansprakelijkheid waaraan een koopovereenkomst ter zake van reeds vervaardigde kleding ten grondslag ligt, heeft de koper van reeds vervaardigde kleding niet de mogelijkheid zich te vrijwaren van de aansprakelijkheid door storting van de verschuldigde belastingen en premies op een g-rekening. De premies en belasting hadden immers veelal in een veel eerder stadium reeds betaald moeten worden.
2. De ondernemer of onderneming die op termijn te leveren kleding koopt en die op het tijdstip van de koop niet weet noch redelijkerwijs behoort te weten of die kleding reeds geheel of gedeeltelijk is vervaardigd, mag zich voor wat betreft de vrijwaring voor de gehele order beschouwen als koper van een toekomstige zaak die wordt gelijkgesteld met een opdrachtgever bedoeld in de artikelen 35a van de wet en artikel 16ba CSV. Het staat die ondernemer dan vrij om gebruik te maken van het g-rekeningensysteem. Op die wijze kan hij een wettelijke vrijwaring verkrijgen door gelden op de g-rekening van zijn (onder)aannemer te storten. Met deze safe-harbour regeling wordt het door de confectiesector gesignaleerde probleem weggenomen dat het in de praktijk niet altijd mogelijk is onderscheid te maken tussen koop van een bestaande zaak en koop van een nog geheel of gedeeltelijk te vervaardigen zaak.
§ 3. Geen aansprakelijkheid bij niet-verwijtbaarheid
Alleen koper bestaande zaak moet niet-verwijtbaar zijn
1. De koper van een bestaande zaak is gedisculpeerd als aannemelijk is dat hij op het tijdstip van de koop niet wist of behoorde te weten dat ter zake van de vervaardiging van de kleding te weinig of geen premie en belasting zouden worden betaald. Voor de disculpatievraag wordt - anders dan bij de opdrachtgever en de koper van nog te vervaardigen kleding - niet de gehele voorliggende vervaardigings- en handelsketen in de beschouwing betrokken, maar wordt uitsluitend het handelen van de koper zelf beoordeeld. Alleen als de koper van reeds vervaardigde kleding ten tijde van de koop zelf wist of behoorde te weten dat de premie of loonbelasting ter zake van het vervaardigen van kleding niet zijn betaald, dient hij de gevolgen van die wetenschap - in de vorm van aansprakelijkheid voor het niet-betaalde - te dragen. Zowel de koper van de bestaande zaak als de ontvanger zijn gehouden een bijdrage te leveren aan de bewijsvoering. De toedeling van de bewijslast is dan ook geobjectiveerd. Dit betekent dat de rechter de bewijslast zodanig kan verdelen dat beide partijen naar rato van hun mogelijkheden hieraan zullen moeten bijdragen. In de praktijk betekent dit dat de ontvanger naar de disculpatiemogelijkheid van de koper een onderzoek moet instellen voordat tot aansprakelijkstelling kan worden overgegaan en dat in de motivering van de aansprakelijkstelling op de afwezigheid van de disculpatiemogelijkheid wordt ingegaan. Van de koper kan worden verlangd dat hij eveneens een bijdrage in de bewijsvoering levert, aangezien hij het beste in staat is voor het bewijs te zorgen. Een bedrijfsmatig handelende koper die een goede administratie bijhoudt, de aan hem uitgereikte facturen bewaart en zoveel mogelijk slechts met bonafide kopers in zee gaat, zal daarmee minder moeite hebben dan degene die minder nauwgezet aan zijn administratie en bewaarverplichtingen voldoet en die regelmatig contracteert met twijfelachtige bedrijven.
§ 4. Bestuurlijke boete, rente en kosten
Aansprakelijk voor bestuurlijke boete, rente en kosten
1. Op grond van artikel 35b van de wet is de koper van een bestaande zaak niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting opgelegde bestuurlijke boete. Deze bepaling laat echter onverlet de mogelijkheid de aansprakelijke koper van een bestaande zaak op grond van artikel 32, tweede lid, van de wet aansprakelijk te stellen voor heffingsrente, invorderingsrente en kosten, voorzover het belopen daarvan aan hem is te wijten. Zie ook artikel 32, paragrafen 3 tot en met 6, van deze leidraad.
§ 5. Volgorde aansprakelijkstelling
1. Voor de koper van een bestaande zaak in de confectiesector gelden met betrekking tot de volgorde van aansprakelijkstelling dezelfde uitgangspunten als opgenomen in artikel 35, § 14, eerste lid, van deze leidraad. Dit betekent dat uitgangspunt is dat de koper van de bestaande zaak in beginsel niet direct aansprakelijk wordt gesteld, maar dat hij pas in laatste instantie wordt aangesproken, omdat de kopersaansprakelijkheid het karakter van een uiterst middel heeft.
1. De kopersaansprakelijkheid is van toepassing op alle werkzaamheden met betrekking tot de vervaardiging van kleding en alle daarop gerichte handelingen die op of na 1 oktober 2003 feitelijk zijn uitgevoerd. De aansprakelijkheid is ook van toepassing met betrekking tot na 1 oktober 2003 feitelijk verrichte werkzaamheden waarvoor vóór 1 oktober 2003 een opdracht is verstrekt.
S. Hoofdstuk VI, afdeling 1, artikel 36, § 5, lid 14, wordt gewijzigd als volgt.
a. De tweede en de derde volzin worden vervangen door: Dit betekent dat belastingschuldige door het uitspreken van de surséance niet van de meldingsplicht is ontheven. Wanneer betalingsonmacht door de bewindvoerder wordt gemeld, wordt die melding als zijnde rechtsgeldig aangemerkt.
b. In de laatste volzin wordt `Slechts als' vervangen door: Uitsluitend echter in gevallen waarin. Voorts wordt na `hun medewerking' ingevoegd: aan de melding.
T. In hoofdstuk VI, afdeling 1, artikel 37, § 1, tweede lid, wordt na de laatste volzin een volzin toegevoegd, luidende: De aansprakelijkheid van artikel 37 heeft niet alleen betrekking op de als zodanig aangewezen leider van de vaste inrichting, op de vaste vertegenwoordiger alsmede op degene die de leiding heeft van de (in Nederland verrichte) werkzaamheden, maar ook op hen die zich als zodanig gedragen.
U. Hoofdstuk VI, afdeling 2, artikel 49, wordt gewijzigd als volgt.
U.1. Na § 2, tweede lid, wordt een nieuw derde lid ingevoegd, luidende:
In gebreke zijn en uitstel van betaling
3. Als de belastingschuldige een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de belastingaanslag geldt dat bezwaarschrift als een verzoek om uitstel van betaling. Zolang de ontvanger niet op het verzoek om uitstel heeft beslist is, de belastingschuldige in beginsel niet `in gebreke' met de betaling van zijn belastingschuld. Het `in gebreke' zijn treedt in dat geval pas in als de ontvanger besluit géén uitstel te verlenen in verband met het ingediende bezwaarschrift, dan wel het eerder in verband met een ingediend bezwaarschrift verleende uitstel intrekt.
U.2. In § 2, vijfde lid, eerste en enige volzin, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. `artikel 34 en/of artikel 35' wordt vervangen door: de artikelen 34, 35, 35a of 35b.
b. Achter het eerste gedachtenstreepje wordt `de uitlener/onderaannemer' vervangen door: de uitlener, aannemer of onderaannemer.
c. Aan het slot wordt, onder vervanging van de punt door een puntkomma, aan de opsomming een (zesde) gedachtenstreepje toegevoegd, luidende:
- voorzover de aansprakelijkstelling de koper van reeds vervaardigde kleding betreft, wordt gemotiveerd aangegeven waarom geen beroep op de disculpatiemogelijkheid kan worden gedaan.
U.3. In § 3, zesde lid, derde volzin, wordt `binnen een redelijke termijn' vervangen door: binnen de termijn volgens artikel 6.1.1 van het Voorschrift Awb 1997.
V. Hoofdstuk VI, afdeling 2, artikel 51, § 1, wordt gewijzigd als volgt.
V.1. In het tweede lid worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. In de laatste volzin wordt `ook' vervangen door: in elk geval.
b. Na de laatste volzin wordt een alinea toegevoegd, luidende:
Opgemerkt wordt dat als er conservatoir beslag ligt en er sprake is van een verzoek om uitstel van betaling in verband met een bezwaar tegen de beschikking op de voet van artikel 49, eerste lid, van de wet de ontvanger dit uitstel niet verleend als geen zekerheid wordt gesteld.
V.2. In het vierde lid, tweede volzin, wordt `in een procedure omtrent de aansprakelijkheid' telkens vervangen door: in een aansprakelijkheidsprocedure - waarvoor uiterlijk 30 november 2002 een dagvaarding is uitgebracht -.
W. Hoofdstuk VI, afdeling 2, artikel 53, § 2A, vervalt.
X. Hoofdstuk VI, afdeling 3, opschrift, wordt vervangen door: Bijzondere verhaalsregelingen voor aansprakelijken
Y. Hoofdstuk VI, afdeling 3, artikel 55, § 1, wordt gewijzigd als volgt.
Y.1. In het eerste lid worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. In de eerste volzin wordt `artikelen 34, 35, 36 of 36a van de wet' vervangen door: artikelen 34, 35, 35a, 35b, 36 of 36a van de wet.
b. In de tweede volzin wordt na `inlenersaansprakelijkheid' ingevoegd: (artikel 34 van de wet).
c. In de laatste volzin wordt na `ketenaansprakelijkheid' ingevoegd: (artikelen 35, 35a of 35b van de wet).
d. Na de laatste volzin wordt een volzin toegevoegd, luidende: Bij de vaststelling van het bij te dragen bedrag wordt rekening gehouden met een eventuele beperking van de aansprakelijkheid als gevolg van een vrijwarende storting die op de g-rekening heeft plaatsgevonden.
Y.2. In het tweede lid, eerste en enige volzin, wordt `artikel 55, derde lid, van de wet' vervangen door: artikel 55, vijfde lid, van de wet.
Z. Hoofdstuk VI, afdeling 3, artikel 56, § 1, wordt gewijzigd als volgt.
Z.1. Het opschrift wordt vervangen door: Regres inleners, aannemers, opdrachtgevers en kopers van een toekomstige of bestaande zaak op bestuurders.
Z.2. Het eerste lid wordt vervangen door:
1. In artikel 56 van de wet is het verhaal geregeld voor het geval voor een zelfde schuld zowel inleners (op grond van artikel 34 van de wet), aannemers (op grond van artikel 35 van de wet), opdrachtgevers of kopers van een toekomstige zaak in de confectiesector (op grond van artikel 35a van de wet), kopers van een bestaande zaak in de confectiesector (op grond van artikel 35b van de wet) als bestuurders (op grond van artikel 36 van de wet) hoofdelijk aansprakelijk zijn. In dat geval is op grond van artikel 56, eerste lid, van de wet voor aansprakelijk gestelde inleners, aannemers evenals opdrachtgevers en kopers van een toekomstige of bestaande zaak in de confectiesector die hun aansprakelijkheidsschuld hebben betaald, verhaal mogelijk op de bestuurders van het inhoudingsplichtige lichaam. De bestuurder die betaald heeft, heeft geen verhaal op een inlener, (onder)aannemer of op een opdrachtgever dan wel een koper van een toekomstige of bestaande zaak in de confectiesector.
Z.3. Het tweede lid, eerste volzin, wordt vervangen door: Als een bestuurder heeft betaald aan een inlener, (onder)aannemer of een opdrachtgever dan wel een koper van een toekomstige of bestaande zaak in de confectiesector op grond van artikel 56, eerste lid, van de wet heeft deze bestuurder op grond van artikel 56, derde lid, van de wet verhaal op zijn medebestuurders overeenkomstig het bepaalde in artikel 55 van de wet.
Z.4. In het derde lid, eerste en enige volzin, wordt `zie artikel 56, derde lid' vervangen door: zie artikel 56, vierde lid, van de wet.
AA. In hoofdstuk VI, afdeling 3, artikel 57, § 1, eerste lid, wordt in de eerste volzin `die een belastingschuld heeft voldaan dan wel in de belasting heeft bijgedragen' vervangen door: die in de belasting heeft bijgedragen.
BB. Hoofdstuk XI, § 3, vierde lid, voorlaatste volzin, wordt vervangen door: Als belastingschulden, die als boedelschulden kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de curator om langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval kan rechtstreeks verhaal worden gezocht op de boedel.
CC. Hoofdstuk XII wordt gewijzigd als volgt.
CC.1. Paragraaf 2, eerste lid, tweede volzin, wordt vervangen door: Tegen het in rekening brengen van de aanmaningskosten en de betekeningskosten van een per post betekend dwangbevel staat bezwaar open bij de ontvanger. Tegen het in rekening brengen van de betekeningskosten van een dwangbevel dat door de belastingdeurwaarder is betekend, staat administratief beroep open bij de ontvanger.
CC.2. Paragraaf 4, eerste lid, wordt vervangen door:
1. Indien op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die belastingschuldige gestelde dwangbevelen worden betekend en die betekeningskosten in totaal alsdan meer zouden bedragen dan € 6.807 worden niet meer betekeningskosten in rekening gebracht dan € 6.807. Met ingang van 1 februari 2004 dient voor € 6.807 te worden gelezen € 10.326.
DD. In hoofdstuk XVI, § 2, tweede lid, wordt na de eerste volzin ingevoegd: Een aangeboden zekerheid in de vorm van een bezitloze verpanding van voorraden is in beginsel niet aanvaardbaar. Dit laatste lijdt slechts uitzondering indien aannemelijk is dat de belastingschuld niet kan worden betaald en andere zekerheidsvormen niet voorhanden zijn. De reden dat een bezitloze verpanding van voorraden niet kan worden aanvaard, is gelegen in de aard van het zekerheidsobject.
EE. De bijlagen worden gewijzigd als volgt.
a. Bijlage 1a wordt vervangen door een nieuwe bijlage 1a, die als bijlage A bij dit besluit is gevoegd.
b. Bijlage 1b wordt vervangen door een nieuwe bijlage 1b, die als bijlage B bij dit besluit is gevoegd.
c. In bijlage VA wordt aan het slot de punt vervangen door een punt-komma en wordt aan de opsomming toegevoegd:
voor het vierde kwartaal 2003: 2,00;
voor het eerste kwartaal 2004: 3,50.
d. In bijlage VIa wordt aan de opsomming toegevoegd:
Jaar 2004: (33,4% x € 16.265 + 40,35% x € 13.278) : € 29.543 = 36,52%
Marginaal percentage: (2 x 36,52% + 1 x 42%): 3 = 38,35%.
Dit besluit wordt verwerkt in de Leidraad Invordering 1990, zoals opgenomen in het Boekwerk Invordering 1990, onder nummer 6.00.00.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
Bijlage 1a: Beslagvrije voet per 1 januari 2004


Bij een verblijf in een inrichting in de zin van artikel 1 van de Wwb bedraagt de beslagvrije voet per maand de eventuele eigen bijdrage voor verzorging dan wel verpleging vermeerderd met:
- voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 167,94
- voor gehuwden: € 261,24.
Indien één van de gehuwden in een inrichting verblijft, bedraagt de beslagvrije voet de som van 90% van de bijstands-norm die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.
≥ = 21/65 jaar of ouder
< = jonger dan 21/65 jaar
Bijlage 1b. Overzicht normen studiefinanciering
Hulptabel opbouw maandbudget per 1 - 1 - 2004 tot 1 - 8 - 2004 (1 - 9 - 2004 voor het HO)

Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2003-249-p69-SC63215.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.