Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2003, 249 pagina 11Besluiten van algemene strekking

Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2004

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 13 december 2003, nr. WJZ 3072489, houdende vaststelling van de vaste bedragen per kWh ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie voor het jaar 2004 (Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2004)

De Minister van Economische Zaken,

Handelend na overleg met de Staatssecretaris van Financiën en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op artikelen 72o, derde lid en 72p, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998;

Besluit:

Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

a. zuivere biomassa: producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw – met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen –, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken die geheel biologisch afbreekbaar zijn, alsmede industrieel en huishoudelijk afval dat geheel biologisch afbreekbaar is;

b. niet-zuivere biomassa: biomassa, niet zijnde zuivere biomassa;

c. afvalverbrandingsinstallatie: een productie-installatie waarin al dan niet de opgewekte warmte wordt teruggewonnen en die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor:

1°. de verbranding door oxidatie van afvalstoffen;

2°. een andere thermische behandeling van afvalstoffen dan bedoeld onder 1º ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand, of

3°. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling van afvalstoffen;

d. productie-installatie voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie op zee: een productie-installatie waarin elektriciteit wordt opgewekt met behulp van windenergie, die is opgericht in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone;

e. productie-installatie voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie op land: een productie-installatie waarin elektriciteit wordt opgewekt met behulp van windenergie, niet zijnde een productie-installatie als bedoeld in onderdeel d.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, worden producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw – met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen –, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede industrieel en huishoudelijk afval met een aandeel onvermijdbare kunststoffen en ander materiaal van langcyclisch organische oorsprong van ten hoogste drie massaprocent per partij geacht geheel biologisch afbreekbaar te zijn.

3. Het rendement voor afvalverbrandingsinstallaties wordt berekend door de som van:

a. de opgewekte en aan het net of aan andere productie-installaties dan de productie-installatie die de elektriciteit opwekt te leveren elektriciteit, en

b. tweederde van de opgewekte en nuttig aan te wenden warmte,

c. te delen door het product van de massa van het te verwerken afval en de calorische onderwaarde van dit afval.

Artikel 2

Het vaste bedrag ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie voor duurzame elektriciteit, opgewekt in een productie-installatie met een nominaal elektrisch vermogen van ten hoogste 50 MW, niet zijnde een afvalverbrandingsinstallatie, bedraagt bij subsidieverlening in 2004:

a. indien zuivere biomassa, met uitzondering van stortgas en biogas uit slibvergisting, wordt omgezet in elektriciteit:

1°. van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 € 0,067 per kWh;

2°. van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2004 € 0,082 per kWh;

3°. vanaf 1 januari 2005 € 0,097 per kWh;

b. indien niet-zuivere biomassa wordt omgezet in elektriciteit: € 0,029 per kWh.

Artikel 3

Het vaste bedrag ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie voor duurzame elektriciteit, opgewekt in een productie-installatie met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW, niet zijnde een afvalverbrandingsinstallatie, bedraagt bij subsidieverlening in 2004:

a. indien zuivere biomassa, met uitzondering van diermeel, stortgas en biogas uit slibvergisting, wordt omgezet in elektriciteit:

1°. van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 € 0,04 per kWh;

2°. van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2004 € 0,055 per kWh;

3°. vanaf 1 januari 2005 € 0,07 per kWh;

b. indien zuivere biomassa, uitsluitend bestaande uit diermeel, wordt omgezet in elektriciteit:

1°. van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 € 0,0 per kWh;

2°. van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2004 € 0,006 per kWh;

3°. vanaf 1 januari 2005 € 0,021 per kWh;

c. indien niet-zuivere biomassa, met uitzondering van diermeel, wordt omgezet in elektriciteit: € 0,029 per kWh.

Artikel 4

Het vaste bedrag ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie voor duurzame elektriciteit opgewekt met behulp van een productie-installatie voor de productie van elektriciteit met behulp van stortgas, bedraagt bij subsidieverlening in 2004:

a. van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 € 0,0 per kWh;

b. van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2004 € 0,006 per kWh;

c. vanaf 1 januari 2005 € 0,021 per kWh.

Artikel 5

Het vaste bedrag ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie voor duurzame elektriciteit, met uitzondering van elektriciteit opgewekt met behulp van stortgas of biogas uit slibvergisting, opgewekt in een afvalverbrandingsinstallatie met een minimum rendement van 26%, bedraagt bij subsidieverlening in 2004 € 0,029 per kWh.

Artikel 6

1. Het vaste bedrag ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie voor duurzame elektriciteit, opgewekt in een productie-installatie voor de productie van elektriciteit met behulp van windenergie op land, bedraagt bij subsidieverlening in 2004:

a. van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 € 0,048 per kWh;

b. van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2004 € 0,063 per kWh;

c. vanaf 1 januari 2005 € 0,078 per kWh.

2. Het vaste bedrag ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie voor duurzame elektriciteit, opgewekt in een productie-installatie voor de productie van elektriciteit met behulp van windenergie op zee, bedraagt bij subsidieverlening in 2004:

a. van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 € 0,067 per kWh;

b. van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2004 € 0,082 per kWh;

c. vanaf 1 januari 2005 € 0,097 per kWh.

Artikel 7

Het vaste bedrag ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie voor duurzame elektriciteit, opgewekt in een productie-installatie voor de productie van elektriciteit met behulp van zonne-energie, bedraagt bij subsidieverlening in 2004:

a. van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 € 0,067 per kWh;

b. van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2004 € 0,082 per kWh;

c. vanaf 1 januari 2005 € 0,097 per kWh.

Artikel 8

Het vaste bedrag ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie voor duurzame elektriciteit, opgewekt in een productie-installatie voor de productie van elektriciteit met behulp van golfenergie of van getijdenenergie, bedraagt bij subsidieverlening in 2004:

a. van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 € 0,067 per kWh;

b. van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2004 € 0,082 per kWh;

c. vanaf 1 januari 2005 € 0,097 per kWh.

Artikel 9

Het vaste bedrag ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie voor duurzame elektriciteit, opgewekt in een productie-installatie voor de productie van elektriciteit met behulp van waterkracht, bedraagt bij subsidieverlening in 2004:

a. van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 € 0,067 per kWh;

b. van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2004 € 0,082 per kWh;

c. vanaf 1 januari 2005 € 0,097 per kWh.

Artikel 10

Het vaste bedrag ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie voor elektriciteit, opgewekt in een productie-installatie voor warmtekrachtkoppeling, bedraagt bij subsidieverlening in 2004:

a. voor zover een producent de elektriciteit op een net invoedt: € 0,0057 per kWh;

b. voor zover een producent de elektriciteit op een installatie invoedt,

1°. indien de producent per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting meer dan 10 miljoen kWh elektriciteit van het net inkoopt, € 0,0052 per kWh vanaf het moment dat de door de producent ingekochte elektriciteit en de op een installatie ingevoede elektriciteit in de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 tezamen meer dan 5 miljoen kWh bedragen;

2°. indien de producent per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting minder dan 10 miljoen kWh elektriciteit van het net inkoopt, € 0,0057 per kWh vanaf het moment dat de door de producent ingekochte elektriciteit en de op een installatie ingevoede elektriciteit in de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 tezamen meer dan 5 miljoen kWh bedragen;

3°. indien de producent op grond van artikel 36q van de Wet belastingen op milieugrondslag een vrijstelling is verleend voor de belasting over elektriciteit boven een gebruik van 10 miljoen kWh per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting, € 0,0057 per kWh vanaf het moment dat de door de producent ingekochte elektriciteit en de op een installatie ingevoede elektriciteit in de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 tezamen meer dan 5 miljoen kWh bedragen.

Artikel 11

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.

Artikel 12

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2004.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 13 december 2003.
De Minister van Economische Zaken, L.J. Brinkhorst.

Toelichting

1. Doel en aanleiding

Met de wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ten behoeve van de stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie is in de Elektriciteitswet 1998 een voorziening getroffen voor de subsidiëring van duurzame elektriciteit, klimaatneutrale elektriciteit en elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling.

De subsidie wordt verstrekt voor het aantal geproduceerde en op het net of op een productie-installatie ingevoede kWh’s. Ingevolge artikel 72p, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 wordt bij ministeriële regeling jaarlijks de hoogte vastgesteld van de vaste bedragen per kWh ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie. Deze bedragen variëren per type productie-installatie en per wijze van opwekking van duurzame elektriciteit. In onderhavige regeling worden de subsidiebedragen vastgesteld die van toepassing zijn indien de subsidie in 2004 wordt verleend. De subsidie wordt, uitgezonderd de subsidie voor warmtekrachtkoppeling, voor maximaal 10 jaar verleend en is afhankelijk van onder meer het moment dat de investering is gepleegd. Gedurende de gehele toekenningsduur worden de bedragen, in de vorm van een voorschot, uitgekeerd die in de onderhavige regeling zijn opgenomen.

2. Duurzame elektriciteit

2.1 Uitgangspunten subsidiebedragen

In de artikelen 2 tot en met 9 van deze regeling zijn de subsidiebedragen voor duurzame elektriciteit opgenomen. De subsidiebedragen zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat de onrendabele top van opwekking van duurzame elektriciteit wordt weggenomen ten opzichte van conventionele (fossiele) opwekking van elektriciteit.

Er zijn verschillende wijzen van opwekking van duurzame elektriciteit, met onderlinge verschillen in de onrendabele top ten opzichte van conventioneel opgewekte elektriciteit. Om de juiste subsidie voor de onrendabele top te kunnen berekenen, zijn in deze regeling verschillende categorieën productie-installaties onderscheiden. Deze indeling komt grotendeels overeen met de indeling die in de Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2003 is gehanteerd. De verschillen worden gevormd door stortgas en door grootschalige verbranding van diermeel. Uit een studie die ECN en KEMA in 2003 gezamenlijk hebben verricht in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken is gebleken dat de onrendabele top voor stortgas en voor grootschalige verbranding van diermeel lager is dan de stimulering die plaats vindt op grond van artikel 36i van de Wet op de milieubelastingen, het verlaagde REB-tarief. Het subsidiebedrag voor deze twee categorieën wordt daarom vastgesteld op 0. Omdat het verlaagde REB-tarief op 1 juli 2004 wordt gewijzigd, ontstaat er weer een onrendabele top voor stortgas en voor grootschalige verbranding van diermeel ter hoogte van € 0,006. Op 1 januari 2005, de datum waarop de tweede wijziging van het verlaagde REB-tarief plaatsvindt, wordt de onrendabele top voor deze twee categorieën € 0,021. De subsidiebedragen voor stortgas en voor de grootschalige verbranding van diermeel worden derhalve op voornoemde bedragen vastgesteld.

De bovengenoemde wijzigingen van het verlaagde REB-tarief werken ook door in de subsidiebedragen voor enkele andere categorieën. Daarnaast worden de bedragen die zijn opgenomen in artikel 36i van de Wbm op 1 januari 2004 geïndexeerd. Met deze indexatie is rekening gehouden bij het vaststellen van de bedragen in deze regeling. In onderhavige regeling worden de daarom subsidiebedragen vastgesteld die gelden voor de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004, en – in verband met een correctie als gevolg van een wijziging per 1 juli 2004 en 1 januari 2005 van het tarief dat is bedoeld in artikel 36i, zesde lid van de Wet belastingen op milieugrondslag – de subsidiebedragen die gelden van 1 juli tot en met 31 december 2004 en vanaf 1 januari 2005. Producenten aan wie op grond van deze regeling in 2004 subsidie wordt verleend, ontvangen in de onderscheiden periodes voorschotten ter grootte van genoemde bedragen.

2.2 Wijze berekening onrendabele top

In de eerder genoemde studie van ECN en KEMA is bij de berekening van de onrendabele top als uitgangspunt gekozen de gebruikte technologie en brandstof in combinatie met de schaalgrootte. Dit heeft geresulteerd in een aantal categorieën. Binnen deze categorieën is onder andere bij de berekening van de onrendabele top rekening gehouden met de investeringskosten, de operationele kosten en de afbetaaltermijn van leningen. Voor zon- en windenergie is voorts rekening gehouden met de kosten van de zogenaamde onbalans. Deze kosten vloeien voort uit het feit dat zon- en windenergie niet continu geleverd kunnen worden. Hierdoor moet de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet elektriciteit bijkopen om de balans te handhaven. Deze kosten worden doorberekend aan de producent. Daarnaast is rekening gehouden met de voordelen van eventuele subsidies en fiscale regelingen voor duurzame elektriciteit, zoals bij voorbeeld de EIA (energie-investeringsaftrek).

2.3 Biomassa algemeen

De productie van elektriciteit door middel van biomassa kent een groot palet aan brandstoffen, technieken en schaalgrootten. Op basis van factoren gerelateerd aan de brandstof, techniek en schaalgrootte, ontstaan verschillen in de onrendabele top. Een eerste onderscheid in deze regeling is de vraag of er al dan niet sprake is van een afvalverbrandingsinstallatie. In artikel 1, eerste lid, onderdeel c, is een definitie opgenomen van een afvalverbrandingsinstallaties. Deze definitie sluit aan bij de in de Regeling groencertificaten Elektriciteitswet 1998 gehanteerde definitie.

2.4 Verwerking van biomassa anders dan in afvalverbrandingsinstallaties

Voor zover productie-installaties die met behulp van biomassa elektriciteit opwekken, géén afvalverbrandingsinstallatie zijn, wordt in de eerste plaats een onderscheid gemaakt naar grootte van de productie-installatie. Artikel 2 van deze regeling ziet op productie-installaties met een nominaal elektrisch vermogen van ten hoogste 50 MW. Artikel 3 van deze regeling ziet op productie-installaties met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW.

Op brandstofniveau wordt, voor zowel de grote als de kleine productie-installaties, een onderscheid gemaakt tussen zuivere biomassa en niet-zuivere biomassa. Ook hiervoor zijn in artikel 1 van deze regeling definities opgenomen. In de praktijk zal bij de subsidieverlening eerst worden bepaald om welk type biomassa-installatie het gaat. Vervolgens zullen voorschotten worden verstrekt op basis van de groencertificaten die voor de elektriciteitsproductie uit de desbetreffende productie-installatie worden aangemaakt. Uit de groencertificaten blijkt of er sprake is van zuivere of niet-zuivere biomassa.

Door middel van de groencertificaten wordt ook gewaarborgd dat uitsluitend subsidie wordt verstrekt aan de elektriciteit die te relateren is aan de zuivere biomassa en biologisch afbreekbare fractie van de niet- zuivere biomassa.

Tot slot wordt opgemerkt dat in artikel III, negende lid, van de wet van 5 juni 2003 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ten behoeve van de stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie voor productie-installaties van ten minste 50 MW die zuivere biomassa als brandstof gebruiken, een overgangsregeling is getroffen. Deze overgangsregeling houdt in dat drie jaar na inwerkingtreding van de in de Elektriciteitswet 1998 opgenomen subsidieregeling, het subsidiebedrag voor de resterende subsidieperiode wijzigt in het op dat moment geldende subsidiebedrag. Dit in tegenstelling tot het algemene uitgangspunt dat het aan het begin van de subsidie geldende subsidiebedrag, voor de hele subsidiabele periode ongewijzigd blijft.

2.5 Verwerking van biomassa in afvalverbrandingsinstallaties

Anders dan bij de meeste andere productie-installaties voor de verwerking van biomassa, zijn bij afvalverbrandingsinstallaties de brandstofkosten negatief. De exploitant van de productie-installatie krijgt geld om de brandstof (afval) te verwerken. Om te voorkomen dat afvalverbrandingsinstallaties die geen onrendabele top hebben, subsidie zouden ontvangen, is in artikel 4 van de regeling een rendementseis gesteld. De rendementseis van 26% is vastgesteld door uit te gaan van het subsidiebedrag voor elektriciteit opgewekt uit niet-zuivere biomassa. Dit is € 0,029. Uitgaande van dit subsidiebedrag is een onrendabele top bepaald, en is gekomen tot een rendementseis van 26,4%, afgerond 26%. De wijze van berekenen van deze rendementseis is opgenomen in artikel 1, derde lid, van deze regeling. Het minimum rendement wordt bepaald door de energie-output te delen door de energie-input. De energie-output is gedefinieerd als de op te wekken elektriciteit en 2/3 deel van de nuttig aan te wenden warmte. De opgewekte elektriciteit dient aan het net of aan een andere productie-installatie dan de productie-installatie die de elektriciteit opwekt te worden geleverd. De elektriciteit ten behoeve van de eigen bedrijfsactiviteiten van de productie-installatie wordt dus niet meegenomen in de rendementsberekening aangezien dit geen energie-output van de productie-installatie in zijn geheel is. Onder nuttig aan te wenden warmte wordt de warmte verstaan die nuttig wordt gebruikt in processen buiten de afvalverbrandingsinstallatie of ten behoeve van de verwarming van gebouwen.

De warmte die wordt gebruikt voor de eigen bedrijfsactiviteiten van de afvalverbrandingsinstallatie en de warmte die wordt vernietigd wordt in ieder geval niet beschouwd als nuttig aan te wenden warmte. De op te wekken elektriciteit en de op te wekken warmte in de teller van de breuk dienen uiteraard gerelateerd te zijn aan het afval in de noemer van de breuk. Dit betekent dat de elektriciteit en de warmte die zijn te relateren aan eventuele andere brandstoffen dan het afval, niet in de berekening mee mogen worden genomen.

De energie-input is het product van massa van het afval dat in de productie-installatie wordt verwerkt en de calorische onderwaarde van dit afval. Aangezien uitsluitend de duurzame elektriciteit, opgewekt in een productie-installatie met een rendement van 26% of hoger, voor subsidie in aanmerking komt, dient informatie over het rendement van een afvalverbrandingsinstallatie bij de subsidieaanvraag te worden verstrekt. Vandaar dat in artikel 1, derde lid, wordt gesproken over de ‘te leveren elektriciteit en aan te wenden warmte’. Bij bestaande afvalverbrandingsinstallaties ligt het desalniettemin voor de hand om de berekening uit te voeren op basis van historische gegevens, daarbij rekening houdend met eventuele veranderingen die zijn of worden doorgevoerd en die van invloed kunnen zijn op de rendementsberekening.

Bij nieuwe afvalverbrandingsinstallaties dient van het ontwerprendement te worden uitgegaan, waarbij het voor de hand ligt om in een situatie van normaal bedrijf te toetsen of dit ontwerprendement ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Uiteraard kan een producent bij de subsidieaanvraag een berekeningsrapport toevoegen over het rendement van de productie-installatie. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet heeft de taak om het opgegeven rendement van een afvalverbrandingsinstallatie te verifiëren. Indien nodig zal hij daarvoor een onafhankelijke derde inschakelen. Met name bij nieuwe productie-installaties kan het gewenst zijn om na te gaan of het beoogde rendement bij het ontwerp van de afvalverbrandingsinstallatie, ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Bij de subsidiebeschikking kunnen, op basis van artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht, nadere voorschriften worden gesteld over een periodieke controle op het rendement van afvalverbrandingsinstallaties. Te denken valt bij voorbeeld aan het voorschrift dat periodiek een overzicht wordt gegeven van de gerealiseerde rendementen of dat wijzigingen in het bij de aanvraag opgegeven rendement worden gemeld. Ook bij de eindafrekening zijn gegevens over het behaalde rendement van belang, aangezien dit ook van invloed zal zijn op de vaststelling van de subsidie. Om deze reden wordt ook informatie gevraagd over het rendement ten behoeve van de subsidievaststelling.

3. Warmtekrachtkoppeling

Voor warmtekrachtkoppeling (hierna: WKK) is in de Elektriciteitswet 1998 de mogelijkheid opgenomen om de hoogte van de subsidie af te laten hangen van de mate van de vermindering van de uitstoot van kooldioxide bij de productie van WKK-elektriciteit (zie artikel 72n, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Elektriciteitswet 1998). In artikel 10 van deze regeling is echter een vast bedrag voor elektriciteit, opgewekt met behulp van WKK opgenomen.

Het subsidiebedrag voor elektriciteit opgewekt met een warmtekrachtinstallatie blijft tot de invoering van de kooldioxide-index in 2004 gelijk met het subsidiebedrag dat in de Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2003 is vastgesteld en bedraagt € 0,0057 per kWh, uitgezonderd een onderstaande correctie in verband met de wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag. Op 1 juli 2004 wordt de Regeling kooldioxide-index warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998 (Stcrt. 2003, nr. 234) van kracht. Hierdoor verandert de berekeningswijze voor de subsidie voor elektriciteit opgewekt met een warmtekrachtinstallatie. Het huidige subsidiebedrag is dus vastgesteld tot 30 juni 2004; het subsidiebedrag dat vanaf 1 juli 2004 zal gelden wordt tijdig in 2004 vastgesteld.

Per 1 januari 2004 wijzigt de belastingheffing op elektriciteit. In de Wet belastingen op milieugrondslag gaat voor het elektriciteitsgebruik boven 10 miljoen kWh vanaf 1 januari 2004 een tarief gelden van € 0,0005 per kWh. Het eigen gebruik van WKK-elektriciteit is vrijgesteld van belasting en dus betekent dit nieuwe tarief een voordeel voor WKK. In verband hiermee is het subsidiebedrag voor het ‘eigen gebruik’ met dit bedrag verlaagd van € 0,0057 naar € 0,0052 (artikel 10, onderdeel b, onder 1°).

Energie-intensieve bedrijven kunnen op grond van artikel 36q van de Wet belastingen op milieugrondslag met ingang van 1 januari 2004 een vrijstelling aanvragen indien zij meer dan 10 miljoen kWh per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting verbruiken. Indien een dergelijk energie-intensief bedrijf naast de grootschalige inkoop van elektriciteit tevens elektriciteit opwekt met behulp van een warmtekrachtinstallatie en deze elektriciteit invoedt op zijn eigen productie-installatie, dan komt deze producent in aanmerking voor een subsidiebedrag voor het opwekken van elektriciteit met een warmtekrachtinstallatie ter hoogte van € 0,0057 per kWh (artikel 10, onderdeel b, onder 3°). Bedrijven aan wie een dergelijke vrijstelling is verleend, genieten immers niet van het voordeel van vermeden belastingbetaling. Als voorwaarde voor het verkrijgen van de belastingvrijstelling geldt verder dat wordt deelgenomen aan het met de overheid gesloten Convenant Benchmarking Energie-efficiency dan wel een Meerjarenafspraak Energie-efficiency.

Voor producenten die minder dan 10 miljoen kWh elektriciteit inkopen, is artikel 36q van de Wet belastingen op milieugrondslag niet relevant. Omdat een dergelijke producent geen vrijstelling aan kan vragen, zou het niet redelijk zijn hem te confronteren met de negatieve gevolgen daarvan. Deze producent kan dus aanspraak maken op een subsidie van € 0,0057 per kWh (artikel 10, onderdeel b, onder 2°). een elektronische communicatiedienst die voor het publiek beschikbaar is voor alleen uitgaande gesprekken, onderscheidenlijk alleen binnenkomende gesprekken.

4. Klimaatneutrale elektriciteit

Voor klimaatneutrale elektriciteit zijn in deze regeling nog geen bedragen opgenomen omdat er thans in Nederland nog geen productie-installaties zijn die klimaatneutrale elektriciteit opwekken en op het net invoeden. Het subsidiebedrag voor klimaatneutrale elektriciteit zal worden vastgesteld op het moment dat er zicht op is dat in Nederland daadwerkelijk klimaatneutrale elektriciteit wordt geproduceerd.

De Minister van Economische Zaken,

L.J. Brinkhorst