Beleidsregel ontheffingverlening LZV

Beleidsregel ontheffingverlening ten behoeve van de proef met langere of langere en zwaardere vrachtautocombinaties (Beleidsregel ontheffingverlening LZV)

12 december 2003

HDJZ/AWW/2003-2845

Hoofddirectie Juridische Zaken

De directeur van de Dienst Wegverkeer en de Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 4 van de Regeling ontheffingverlening Dienst Wegverkeer1;

Besluiten:

Artikel 1

Deze beleidsregel is van toepassing op vrachtautocombinaties waarvoor door de Ambtelijke adviescommissie LZV een positief advies, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV, is gegeven of ingetrokken.

Artikel 2

1. Op basis van een positief advies van de Ambtelijke adviescommissie LZV, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV2, keurt de Dienst Wegverkeer de vrachtautocombinatie overeenkomstig de in de bijlage opgenomen eisen.

2. Van deze keuring wordt schriftelijk bewijs geleverd.

Artikel 3

1. De Dienst Wegverkeer verleent naar aanleiding van een positief advies van de Ambtelijke adviescommissie LZV en het bewijs van keuring als bedoeld in artikel 2, van deze beleidsregel een ontheffing:

a. als bedoeld in artikel 149, eerste lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 voor wegen in beheer van het Rijk;

b. als bedoeld in artikel 149, eerste lid, onder b, c en d, van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover het mandaat dat door overige wegbeheerders aan de RDW is gegeven, daartoe strekt.

2. De Dienst Wegverkeer verleent ondersteuning bij de aanvraag voor ontheffingverlening bij de in artikel 149, eerste lid, onder b, c en d, van de Wegenverkeerswet 1994, genoemde bevoegde wegbeheerders voor alle weggedeelten, die deel uitmaken van een te rijden traject als bedoeld in de bijlage, onder II, van het Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV.

3. De kosten verbonden aan het aanvragen en verlenen van een ontheffing zijn voor rekening van de aanvrager.

Artikel 4

Indien een positief advies van de Ambtelijke adviescommissie LZV, zoals bedoeld in artikel 4 van het Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV, wordt ingetrokken, wordt de ontheffing, bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregel, op overeenkomstige wijze ingetrokken.

Artikel 5

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst.

Artikel 6

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel ontheffingverlening LZV.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De directeur van de Dienst Wegverkeer,
J.G. Hakkenberg.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,K.M.H. Peijs.

Bijlage

EISEN WAARAAN DE VRACHTAUTOCOMBINATIE MOET VOLDOEN

1. Een vrachtautocombinatie bestaat uit een trekkende eenheid van de categorie N2 of N3 en een of meerdere eenheden van de categorie O3 of O4, bedoeld in bijlage II, van richtlijn nr. 70/156/EEG3.

2. De totale lengte van een vrachtautocombinatie mag inclusief uitrustingsdelen niet meer bedragen dan 25,25 m.

3. Een vrachtautocombinatie heeft een minimale lengte van de laadruimte, bedoeld in bijlage 1, onder 1.7, van richtlijn nr. 96/53/EG4, van tenminste 18,00 m. Indien als laadeenheden containers worden gebruikt, dient de vrachtautocombinatie geschikt te zijn voor het vervoer van 3 TEU5.

4. Een vrachtautocombinatie vertoont onder alle omstandigheden een stabiel weggedrag.

5. Het remsysteem van de voertuigen van een vrachtautocombinatie is voorzien van een antiblokkeersysteem en voldoet voor het overige tenminste aan richtlijn nr. 71/320/EEG6, zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 88/194/EEG7.

6. Een combinatie van oplegger en dolly wordt, met uitzondering van de totale lengte, beschouwd als een autonome aanhangwagen, bedoeld in bijlage 1, punt 2.2.3, van richtlijn 97/27/EG8 en dient te voldoen aan de eisen met betrekking tot de bijbehorende reminrichting.

7. De breedte van het zichtveld, aansluitend aan de rechterzijde van een vrachtautocombinatie, bedraagt bij naar rechts doorrijden van een cirkel met een buitenstraal van 14,50 m, ten minste 5 m over de gehele lengte van de vrachtautocombinatie;.

8. Een vrachtautocombinatie is geschikt voor de in de combinatie optredende krachten en belastingen. Indien de totale massa van de vrachtautocombinatie meer bedraagt dan 50.000 kg, zijn de trekkende voertuigen voorzien van een ontheffingsattest, waaruit de geschiktheid van het voertuig moet blijken voor de opgegeven waarde van de aangevraagde ontheffing.

9. De totale massa van de vrachtautocombinatie mag niet meer bedragen dan bedoeld in artikel 5.18.18, tweede lid, onderdeel b, van het Voertuigreglement, tenzij het trekkend motorvoertuig is voorzien van een hulpwegrij-inrichting , bedoeld in bijlage I. punt 2.14, van richtlijn nr. 97/27/EG.

10. Een samenstel beschikt over ten hoogste twee draaipunten.

11. De voertuigen van een samenstel zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 89/297/EEG9, en is uitgevoerd als een doorlopend vlak.

12. Het trekkend motorvoertuig van een samenstel is voorzien van een afscherming aan de voorzijde als bedoeld in richtlijn nr. 2000/40/EG10 dan wel van een afscherming die dezelfde veiligheid biedt.

13. De voertuigen van een samenstel zijn voorzien van opspatafschermingen, die voldoen aan richtlijn 91/226/EG.

14. Het trekkend motorvoertuig beschikt over een motorvermogen van ten minste 5 x 10-3 kW per kg van de toegestane totale massa van een vrachtautocombinatie.

15. Het trekkend motorvoertuig beschikt over een motor die voldoet aan de emissie-eisen voor voertuigen die een eerste registratie hadden na 1oktober 2001 (Euro-III, eisen, zoals vermeld in Rij A, van de tabellen onder 6.2.1, van richtlijn nr. 1999/96/EG11) met uitzondering van trekkende voertuigen die hebben deelgenomen aan de eerder gehouden proef en voldeden aan de `Voorwaarden voor proeven met langere en/of zwaardere vrachtwagens' (Stcrt. 1999, nr. 218).

16. Indien het trekkende motorvoertuig is voorzien van zogenoemde `super-singles' op de aangedreven as, is deze as voorzien van een Electronic Stability Programme (of daarmee gelijk te stellen inrichting) of een zogenaamde `Inner Safety Tube'.

17. Het trekkend motorvoertuig is voorzien van een brandstofverbruiksmeter of on-boardcomputer of boordcomputer, die in staat is per afgelegd traject het brandstofverbruik tot in tienden van liters nauwkeurig weer te geven.

18. De voertuigen in een vrachtautocombinatie zijn voorzien van een doorlopende zijmarkering, bedoeld in ECE-reglement nr. 10412, inclusief Amendment 1.

19. De stuurinrichting van trekkende eenheden is aan de linkerzijde in de cabine aangebracht, bedoeld in bijlage I, punt 1.3, van richtlijn nr. 70/311/EEG13.

20. Het achterste voertuig van een vrachtautocombinatie is aan de achterzijde voorzien van een in retroreflecterend materiaal uitgevoerd waarschuwingsbord waarop de tekst `Let op' en totale lengte in meters van de vrachtautocombinatie is vermeld.

21. Een vrachtautocombinatie heeft een bestreken baan van ten hoogste 8 m, wanneer deze een cirkel rijdt met een buitenstraal van 14,50 m.

22. De voertuigen die deel uitmaken van een vrachtautocombinatie zijn zonder aanpassingen in te zetten in een standaard toegelaten combinatie met uitzondering van voertuigen die hebben deelgenomen aan de eerder gehouden proef en voldeden aan de `Voorwaarden voor proeven met langere en/of zwaardere vrachtwagens' (Stcrt. 1999, nr. 218).

1 Stcrt. 1996, nr. 121; laatstelijk gewijzigd bij regeling van 19 december 2002, Stcrt. nr. 247.

2 Instelling Ambtelijke adviescommissie proeven met langere of langere en zwaardere vrachtautocombinaties (Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV)

3 Richtlijn nr. 70/156/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 24).

4 Richtlijn nr. 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten (PbEG L 235);

5 TEU = Twenty Feet Equivalent, de standaard maat van een ISO-container.

6 Richtlijn nr. 71/320/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 202).

7 Richtlijn nr. 88/194/EEG van de Commissie van 24 maart 1988 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 71/320/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid- Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan.

8 Richtlijn nr. 97/27/EG van het europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juli 1997 betreffende de massa's en afmetingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en tot wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG (PbEG L 233).

9 Richtlijn nr. 89/297/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 april 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de zijdelingse afscherming (zijdelingse beschermingsinrichtingen) bij bepaalde motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 124).

10 Richtlijn nr. 2000/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 juni 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden van motorvoertuigen en houdende wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG van de Raad (PbEG L 203).

11 Richtlijn nr. 1999/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking en tot wijziging van Richtlijn 88/77/EEG van de Raad (PbEG L 44).

12 VN/ECE-reglement nr. 104 met uniforme eisen betreffende de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor zware en lange voertuigen en hun aanhangwagens, behorende bij de overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen.

13 Richtlijn nr. 70/311/EEG van de Raad van 8 juni 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid- Staten betreffende de stuurinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 133).

Toelichting

Algemeen

Begin 2004 zal gestart worden met een proef met langere of langere en zwaardere vrachtautocombinaties (LZV). Bij het Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV wordt een adviescommissie ingesteld die tot taak heeft deelnemers te beoordelen en selecteren voor deze proef. Aan de hand van een aantal toetsingscriteria, bijvoorbeeld over te rijden routes of bestuurders, zullen deelnemers worden beoordeeld. De vrachtautocombinaties die geselecteerd zijn, op basis van een positief advies van de Ambtelijke adviescommissie LZV na toetsing aan de toetsingscriteria, kunnen voor een ontheffing in aanmerking komen, indien ook voldaan is aan een aantal technische voertuigeisen. Deze beleidsregel geeft aan welke voertuigeisen gesteld worden aan de LZV's en op basis waarvan een benodigde ontheffing voor de LZV's kan worden afgegeven.

Artikel 149 van de Wegenverkeerswet 1994 geeft aan welke wegbeheerders ontheffing kunnen verlenen van hetgeen krachtens de wet is opgesteld, zoals bijvoorbeeld het Voertuigreglement. Voor het rijkswegennet geldt dat de RDW de bevoegde instantie is om deze ontheffingen af te geven. Op basis van artikel 4 van de Regeling ontheffingverlening RDW kunnen in bepaalde gevallen de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Directeur van de RDW tezamen bepaalde gevallen aanwijzen waarin een dergelijke ontheffing kan worden gegeven; de proef met de LZV's is een dergelijk geval.

Technische keuring

Nadat de Ambtelijke adviescommissie LZV een positief advies heeft gegeven over de aanvraag van een ontheffing voor een LZV, zal de LZV een technische keuring moeten doorstaan. Aan de eisen zoals opgenomen in de bijlage bij deze beleidsregel, zal worden getoetst. Van deze keuring, die anders is dan bijvoorbeeld een toelatingskeuring of algemene periodieke keuring van voertuigen, wordt een schriftelijk bewijs geleverd. Indien de keuring positief is afgerond, kan overgegaan worden tot de afgifte van een voor een LZV benodigde ontheffing.

De technische voertuigeisen betreffen met name veiligheidsaspecten zoals afmetingen, aslasten, belastbaarheid van onderdelen, draaicirkel, remsysteem en beschermingsinrichtingen aan de voor- en achterzijde en zijdelingse afschermingen; deze eisen zijn voor het overgrote deel in overeenstemming met de voor bedrijfsauto's geldende Europese richtlijnen.

Ontheffingverlening

De vrachtautocombinatie die gaat deelnemen aan deze proef, kan zoals hierboven aangegeven slechts met een ontheffing van de daartoe bevoegde wegbeheerder gebruik maken van de openbare weg. Voor het rijkswegennet is de RDW de bevoegde instantie om een ontheffing af te geven. Daarnaast heeft de RDW van bepaalde provincies en gemeenten het mandaat gekregen in hun naam een ontheffing af te geven. Tenslotte zal de RDW ondersteuning leveren bij het verkrijgen van de noodzakelijke ontheffingen van de overige wegbeheerders.

Intrekking ontheffing

Afgezien van het niet (langer) voldoen aan de bij de ontheffing opgestelde voorschriften, wordt een ontheffing die door de RDW voor het rijkswegennet is afgegeven, tevens ingetrokken indien het positieve advies van de Ambtelijke adviescommissie LZV wordt ingetrokken. Voor wegen in beheer bij een andere wegbeheerder dan het Rijk, en ook voor die wegen waarvoor de RDW het mandaat heeft om voor een andere wegbeheerder dan het Rijk een ontheffing te verlenen, wordt de intrekking van deze afgegeven ontheffing door de RDW geïnitieerd; het mandaat dat de RDW heeft om ontheffngen af te geven voor andere wegbeheerders strekt niet zover dat in bepaalde gevallen ook tot intrekking ervan mag worden overgegaan.

De directeur van de Dienst Wegverkeer,

J.G. Hakkenberg.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

K.M.H. Peijs.

Naar boven