Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Verkeer en Waterstaat | Staatscourant 2003, 165 pagina 22 | Besluiten van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Verkeer en Waterstaat | Staatscourant 2003, 165 pagina 22 | Besluiten van algemene strekking |
Bekendmaking minimumbemanning van sleepboten en havensleepboten op de binnenwateren
7 augustus 2003
Nr. DS-200945/03
Inspectie Verkeer en Waterstaat
Het hoofd van de Scheepvaartinspectie, tevens voorzitter van de Commissie van Deskundigen voor de Rijnvaart,
Overwegende:
dat het gewenst is om voor categorieën van schepen de minimumbemanning vast te stellen;
dat het hoofd van de Scheepvaartinspectie, dan wel de Commissie van Deskundigen voor de Rijnvaart, voor categorieën schepen de minimumbemanning kan vaststellen;
Gelet op:
artikel 14, eerste en tweede lid, van het Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, en op artikel 23.14 van het Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995;
Maakt bekend:
In deze bekendmaking wordt verstaan onder:
a. sleepboot: een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen, geen havensleepboot zijnde;
b. havensleepboot: een schip met eigen mechanische aandrijving dat voor het slepen, het duwen of het assisteren van zeeschepen is gebouwd of uitgerust;
c. havensleepdienst: het geheel van werkzaamheden en activiteiten ten behoeve van het assisteren bij het meren, ontmeren en verhalen van zeeschepen die gebruik maken van eigen voortstuwing, inkomend van of uitgaand naar zee;
d. paaltrek: de maximale trekkracht die het schip via een sleepdraad kan uitoefenen op een te slepen object als aangegeven op een certificaat, afgegeven door een binnen de sfeer van de sleepvaart algemeen daartoe erkende organisatie. Indien geen certificaat betreffende de paaltrek wordt overgelegd, wordt voor de paaltrek een trekkracht aangenomen van 20 kg/kW van het geïnstalleerde voortstuwingsvermogen.
1. Deze bekendmaking is niet van toepassing op sleepboten en havensleepboten die zijn voorzien van geldige certificaten voor de zee- of kustvaart.
2. Artikel 4 van deze bekendmaking is uitsluitend van toepassing voor de vaart op de Nederlandse binnenwateren.
Artikel 3: Minimumbemanning van sleepboten en havensleepboten gedurende de tijd dat geen havensleepdiensten worden verricht
1. De minimumbemanning van sleepboten en havensleepboten gedurende de tijd dat geen havensleepdiensten worden verricht bestaat uit:

2. Indien een schip als bedoeld in het eerste lid niet voldoet aan de voorschriften van artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, dan wel niet voldoet aan de voorschriften van artikel 23.09, eerste lid, onderdeel 1.1, van het Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995, wordt de minimumbemanning uitgebreid overeenkomstig artikel 13, derde, vierde en vijfde lid, van het Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, dan wel overeenkomstig artikel 23.13 van het Besluit reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995.
3. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie geeft voor schepen als bedoeld in het eerste lid een verklaring betreffende de bouw en de inrichting af, waarin staat vermeld of het schip al dan niet voldoet aan de voorschriften als genoemd in het tweede lid.
4. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie geeft een verklaring af waarin de minimumbemanning is vastgelegd. In deze verklaring is de verklaring, bedoeld in het derde lid, opgenomen.
5. In afwijking van het derde en het vierde lid vermeldt de Commissie van Deskundigen voor schepen die zijn voorzien van een certificaat van onderzoek op grond van het Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 de minimumbemanning, al naar gelang hun bouw en hun inrichting, in het certificaat van onderzoek.
Artikel 4: Minimumbemanning van sleepboten en havensleepboten gedurende de tijd dat havensleepdiensten worden verricht
1. De minimumbemanning van sleepboten en havensleepboten gedurende de tijd dat havensleepdiensten worden verricht bestaat uit:

2. Indien een schip als bedoeld in het eerste lid niet voldoet aan de voorschriften van artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, wordt de minimumbemanning uitgebreid overeenkomstig hetgeen in artikel 13, derde, vierde en vijfde lid, van dat besluit is bepaald voor de exploitatiewijze A1.
3. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie geeft voor schepen als bedoeld in het eerste lid een verklaring betreffende de bouw en de inrichting af, waarin staat vermeld of het schip al dan niet voldoet aan de voorschriften als genoemd in het tweede lid.
4. Indien een schip, ingedeeld in groep 2 dan wel in groep 3 van het eerste lid, voldoet aan de volgende bepalingen betreffende de bouw en de inrichting wordt de minimumbemanning verminderd met één matroos:
a. Alle belangrijke bedieningsapparatuur en signalerings- en controle instrumenten voor de hoofdaandrijfinstallaties, de stroomvoorziening en overige voor het bedrijf belangrijke installaties, zijn in het stuurhuis aangebracht.
b. Een schip dat is ingedeeld in groep 2 is voorzien van een sleeplier, dan wel van een sleephaak gecombineerd met een kaapstander of een draadberglier.
c. Een schip dat is ingedeeld in groep 3 is voorzien van een sleeplier, dan wel van een sleephaak gecombineerd met een draadberglier.
d. Sleeplieren en draadberglieren kunnen zowel vanaf het dek als vanaf de brug worden bediend.
e. Er is een noodbediening waarmee de sleeplier dan wel de sleephaak kan worden gevierd c.q. geslipt. Deze mogelijkheid is ook in geval van stroomuitval vanaf het dek verzekerd.
f. Stuurstellingen op de brug zijn zodanig geplaatst en uitgevoerd dat bij alle voorkomende manoeuvreer- omstandigheden een volledig overzicht door degene die het vaartuig voert, is gegarandeerd.
g. Bedieningsapparatuur is aangebracht binnen het bereik van degene die het vaartuig voert. Zowel bij de bedieningsplaats voor de sleeplier dan wel de draadberglier als op de plaats waar signalerings- en controle instrumenten kunnen worden waargenomen, is voldoende ruimte aanwezig zodat de bediening van de sleeplier dan wel de draadberglier door degene die het vaartuig voert niet bemoeilijkt wordt bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden.
h. Het schip is voorzien van een radarinstallatie. Daarbij is het radarbeeld zonder kap of scherm, ongeacht de buiten het stuurhuis heersende lichtomstandigheden, duidelijk zichtbaar.
i. Door adequate middelen is gewaarborgd dat onder alle weersomstandigheden door de ruiten die in de belangrijkste blikrichtingen zijn gelegen, helder zicht mogelijk is.
j. Gemeenschappelijke reddingmiddelen zijn zodanig opgesteld dat zij door slechts één bemanningslid te water kunnen worden gelaten.
k. Regelbare dekverlichting voor het belichten van de sleeplijn, die vanuit het stuurhuis kan worden bediend, is geïnstalleerd. De lampen voor het werkdek zijn zo geplaatst en zodanig uitgevoerd dat een ongestoorde verlichting van het werkdek is verzekerd en voorts geen gevaar bestaat voor verblinding van degene die het vaartuig voert. Hierbij is met name rekening gehouden met het geval van mist.
l. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie geeft een verklaring af waaruit blijkt dat wordt voldaan aan deze bepalingen.
5. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie geeft een verklaring af waarin de minimumbemanning is vastgelegd. In deze verklaring zijn de verklaringen, bedoeld in het derde lid en in het vierde lid, onderdeel l, opgenomen.
Artikel 5: Wijziging Bekendmaking aan de Rijn- en binnenvaart Nr. SI / 21053/96 van 15 mei 1996 (Stcrt. 1996, 102)
Bekendmaking aan de Rijn- en binnenvaart nr. SI / 21053/96 van 15 mei 1996 (Stcrt. 1996, 102) wordt als volgt gewijzigd:
a. In de opsomming in de titel vervalt het woord sleepboten.
b. Na de zinsnede `Maakt bekend:' vervalt nr. 1.
c. Bijlage A vervalt.
d. In de toelichting vervallen de zinsneden betreffende sleepboten en de verwijzing naar Bijlage A.
Deze bekendmaking treedt in werking met ingang van 1 september 2003.
Deze bekendmaking wordt aangehaald als: Bekendmaking minimumbemanning van sleepboten en havensleepboten op de binnenwateren.
Deze bekendmaking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Rotterdam, 7 augustus 2003.
Het hoofd van de Scheepvaartinspectie,
tevens voorzitter van de Commissie van Deskundigen voor de Rijnvaart,
H.G.H.
ten Hoopen.
In artikel 14, eerste en tweede lid, van het Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, verder BVBB te noemen, is bepaald dat het hoofd van de Scheepvaartinspectie, na overleg met het bevoegde districtshoofd van de Arbeidsinspectie, de minimumbemanning van schepen waarop de artikelen 12, 12a, 12b en 12c van het BVBB niet van toepassing zijn, kan vaststellen. Dit geldt onder andere voor sleepboten en havensleepboten.
In artikel 13 van het BVBB wordt bepaald onder welke voorwaarden met name genoemde categorieën schepen met een minimumbemanning mogen worden geëxploiteerd.
In artikel 23.09 van het Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995, verder ROSR te noemen, wordt bepaald onder welke voorwaarden met name genoemde categorieën schepen met een minimumbemanning zoals aangegeven in de artikelen 23.10 tot en met 23.12 mogen worden geëxploiteerd.
In artikel 23.14 van het ROSR is bepaald dat de Commissie van Deskundigen de minimumbemanning van niet onder de artikelen 23.10 tot en met 23.12 vallende vaartuigen, vaststelt, naar gelang hun bouwwijze, inrichting en bestemming. Dit geldt onder andere voor sleepboten en havensleepboten.
Deze bekendmaking is niet van toepassing op sleepboten en havensleepboten die zijn voorzien van geldige certificaten voor de zee- of kustvaart. Voor deze schepen heeft het hoofd van de Scheepvaartinspectie het aantal bemanningsleden vastgesteld op grond van de Schepenwet en de Zeevaartbemanningswet.
Met de Bekendmaking aan de Rijn- en binnenvaart nr. SI / 21053/96 van 15 mei 1996 (Stcrt. 1996, 102) heeft het hoofd van de Scheepvaartinspectie, mede als voorzitter van de Commissie van Deskundigen voor de Rijnvaart, onder andere de minimumbemanning van sleepboten, niet zijnde havensleepboten, vastgesteld. In de bij die bekendmaking behorende Bijlage A wordt in tabelvorm de minimumbemanning weergegeven.
Het is wenselijk gebleken dat ook voor havensleepboten een regeling voor de minimumbemanning wordt vastgesteld. Er heeft uitvoerig overleg met de betrokken organisaties plaatsgevonden. Tevens bleek het nodig de oorspronkelijke tabel voor de minimumbemanning voor sleepboten te wijzigen.
Voor de conventionele sleepboten in de binnenvaart, waarvoor de oorspronkelijke regeling was bedacht, is de wijziging met betrekking tot de vaart op de Nederlandse binnenwateren niet van invloed, met uitzondering van de sleepboten met een lengte van meer dan 35 m. Deze sleepboten vallen thans binnen de groepen 1 en 2 van artikel 3 van de onderhavige bekendmaking. Voor de vaart op de Rijn buiten Nederland is bepaald dat de minimumbemanning van sleepboten met een voortstuwingsvermogen van 500 kW of minder in de exploitatiewijze A1 uit ten minste een schipper en een matroos bestaat. Het vorenstaande komt voort uit het feit dat de oorspronkelijke regeling gedacht was voor de vaart binnen Nederland. Het bleek wenselijk om ten behoeve van de regeling voor de vaart op de Rijn buiten Nederland niet al te zeer af te wijken van hetgeen in de omringende landen gebruikelijk is.
Speciaal voor havensleepdiensten gebouwde en uitgeruste sleepboten kunnen ook worden gebruikt voor overige sleepdiensten op de binnenwateren. Omdat deze schepen veelal zijn uitgerust met een hoger voortstuwingsvermogen, is de oorspronkelijke tabel uitgebreid, waarbij de minimumbemanning van groep 3 van de oorspronkelijke tabel overeenkomt met die van groep 3 van artikel 3 van de onderhavige bekendmaking. Voor sleepboten met een voortstuwingsvermogen van meer dan 3750 kW dan wel met een paaltrek van meer dan 75 ton wordt de minimumbemanning voor elk schip afzonderlijk door het hoofd van de Scheepvaartinspectie vastgesteld.
In de huidige systematiek is er voor gekozen de regeling voor de minimumbemanning voor de sleepboten, geen havensleepboten zijnde, zoals vermeld in de Bekendmaking aan de Rijn- en binnenvaart nr. SI / 21053/96, in te trekken en in een nieuwe bekendmaking de minimumbemanning voor sleepboten en voor havensleepboten vast te stellen. De onderhavige bekendmaking bevat de gecombineerde regeling voor deze beide categorieën van schepen.
Noch in het Binnenschepenbesluit, noch in het ROSR is het begrip havensleepboot gedefinieerd. In geen der beide reglementen zijn afzonderlijke technische eisen voor dit scheepstype opgenomen. Daarom is er in de onderhavige bekendmaking vooralsnog voor gekozen om voor sleepboten en havensleepboten de minimumbemanning afhankelijk te stellen van het al dan niet verrichten van de gedefinieerde havensleepdiensten.
Sleepboten en havensleepboten zijn, teneinde met een minimumbemanning te mogen worden geëxploiteerd, uitgerust en ingericht overeenkomstig de technische eisen van artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het BVBB, dan wel van artikel 23.09, eerste lid, onderdeel 1.1, van het ROSR. Voor sleepboten en havensleepboten gedurende de tijd dat havensleepdiensten worden verricht met een paaltrek van meer dan 15 ton, doch niet meer dan 75 ton, is nu bepaald dat, wanneer deze bovendien voldoen aan een aantal aanvullende bepalingen, de minimumbemanning kan worden verminderd. Deze aanvullende bepalingen zijn in de onderhavige bekendmaking opgenomen.
Voor sleepboten en havensleepboten gedurende de tijd dat havensleepdiensten worden verricht is in een afzonderlijk besluit een arbeids- en rusttijdenregeling opgesteld. Op grond daarvan is de voorgeschreven minimumbemanning niet afhankelijk van een exploitatiewijze.
Het hoofd van de Scheepvaartinspectie, tevens voorzitter van de Commissie van Deskundigen voor de Rijnvaart,
H.G.H. ten Hoopen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2003-165-p22-SC60767.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.