Inwerkingtreding (Dublin-)verordening (EG) nr. 343/2003 op 1 september 2003

Tussentijds Bericht Vreemdelingen- circulaire TBV 2003/32

Aan:

- de Korpschefs Politieregio's

- de Korpsbeheerders Politieregio's

- de Bevelhebber van de Koninklijke Marechaussee

i.a.a:

- de Procureurs-Generaal

Onderdeel: Stafdirectie Uitvoeringsbeleid

Datum: 27 augustus 2003

Ons kenmerk: HKUIT03-4079(AUB)

Code: TBV 2003/32

Juridische achtergrond: Verordening (EG) nr. 343/2003, Hoofdstukken C1, C2, C3 en C5 van de Vreemdelingencirculaire

Geldigheidsduur: Van 1 september 2003 tot 1 september 2004

Onderwerp: Inwerkingtreding (Dublin-)verordening (EG) nr. 343/2003 op 1 september 2003

Inleiding

Ten aanzien van de Overeenkomst van Dublin (in werking getreden op 1 september 1997), heeft een Europees-brede evaluatie plaatsgevonden, op grond waarvan een nieuwe (Dublin-)verordening tot stand is gekomen. Deze Verordening (Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van de Europese Unie, hierna te noemen als: de Verordening) is op 17 maart 2003 in werking getreden. Op 1 september 2003 is de Verordening van toepassing op asielaanvragen.

De uitgangspunten zoals deze gelden in de Overeenkomst van Dublin (OvD) met betrekking tot de verantwoordelijkheidsbepaling van een asielverzoek alsmede met betrekking tot de terug- en overnamebepalingen, zijn in de Verordening grotendeels ongewijzigd gebleven. De wijzigingen ten aanzien van de Overeenkomst van Dublin die in de Verordening zijn opgenomen, zien met name op het voeren van een efficiëntere uitvoering van de procedure. Zo worden in de Verordening kortere termijnen gehanteerd, zijn er specifieker regels inzake de verantwoordelijkheidsbepaling opgenomen en is de humanitaire clausule, als verwoord in artikel 9 van de OvD en in Besluit 1/2000, in de essentie opgenomen in de Verordening.

In de Verordening is bepaald dat een verzoek tot overname van een asielzoeker binnen 3 maanden (was 6 maanden) dient te worden gedaan. Dit verzoek tot overname dient in principe uiterlijk binnen 2 maanden (was 3 maanden) te worden beantwoord. Voorts dient de overdracht binnen 6 maanden plaats te vinden waarbij na deze termijn van 6 maanden de verantwoordelijkheid van de overdracht verschuift van de aangezochte naar de verzoekende lidstaat. Deze automatische verantwoordelijkheidswissel in het geval van termijnoverschrijding is nieuw ten opzichte van de OvD.

Alle lidstaten aangesloten bij de Overeenkomst van Dublin hebben aangegeven deel te willen nemen aan de aanneming en de toepassing van de Verordening. Echter, voor Denemarken geldt dat de onderhandelingen tot deelname nog niet zijn afgerond. Dit betekent dat de Overeenkomst van Dublin van kracht en van toepassing blijft tussen Denemarken en de lidstaten die aan deze Verordening wel zijn verbonden. Met betrekking tot de overige lidstaten komt de Verordening in de plaats van de Overeenkomst van Dublin.

Door middel van dit TBV wordt de Verordening in de Vreemdelingencirculaire verwerkt.

Wijziging tekst onder C1/2

De tekst onder C1/2 wordt als volgt gewijzigd:

1/ 2 De imperatieve afwijzingsgronden

[Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van de Europese Unie, Overeenkomst van Dublin, artikel 21, eerste lid, Besluit 1/97 van het Comité van artikel 18 bij de Overeenkomst van Dublin, Besluit 1/2000 van het Comité van artikel 18 van de Overeenkomst van Dublin, artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, artikel 8 en 30 Vreemdelingenwet]

Wijziging van C1/2.2

Paragraaf C1/2.2 wordt als volgt gewijzigd:

2. Een ander land is verantwoordelijk

2.1 Partijen bij de Overeenkomst van Dublin en de Verordening (EG) nr. 343/2003

Op grond van artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als een ander land ingevolge een verdrag, of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. De wet stelt daarbij als vereiste dat dit andere land partij is bij het Vluchtelingenverdrag van Genève.

Overeenkomst van Dublin

Op 1 september 1997 is de Overeenkomst van Dublin in werking getreden. De overeenkomst van Dublin wordt als verdrag aangemerkt in de zin van artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet. De volgende landen zijn partij bij de Overeenkomst van Dublin:

- België sinds 1 september 1997

- Denemarken sinds 1 september 1997

- Duitsland sinds 1 september 1997

- Finland sinds 1 januari 1998

- Frankrijk sinds 1 september 1997

- Griekenland sinds 1 september 1997

- Ierland sinds 1 september 1997

- Italië sinds 1 september 1997

- Luxemburg sinds 1 september 1997

- Nederland sinds 1 september 1997

- Noorwegen sinds 1 april 2001

- Oostenrijk sinds 1 oktober 1997

- Portugal sinds 1 september 1997

- Spanje sinds 1 september 1997

- Verenigd Koninkrijk sinds 1 september 1997

- IJsland sinds 1 april 2001

- Zweden sinds 1 oktober 1997

Verordening (EG) nr. 343/2003

Op 1 september 2003 is Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van de Europese Unie (hierna: de Verordening) van toepassing op asielverzoeken die op of na deze dag zijn ingediend. Tevens is deze Verordening vanaf deze datum van toepassing op elk verzoek tot overname of terugname van asielzoekers, ongeacht de datum waarop het asielverzoek is ingediend (zie C1/2.3.2 en C1/2.4).

Alle lidstaten aangesloten bij de Overeenkomst van Dublin hebben aangegeven deel te willen nemen aan de aanneming en de toepassing van de Verordening. Echter, voor Denemarken geldt dat de onderhandelingen tot deelname nog niet zijn afgerond. Dit betekent dat de Overeenkomst van Dublin van kracht en van toepassing blijft tussen Denemarken en de lidstaten die aan deze Verordening wel zijn verbonden. Met betrekking tot de overige lidstaten komt de Verordening in de plaats van de Overeenkomst van Dublin (zie C1/2.3.3).

Deze staten zijn allen partij bij het Vluchtelingenverdrag en, behalve Nederland zelf, aldus aan te merken als `ander land' in de zin van de wet. Ook zijn deze staten allen partij bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Bij de toepassing van artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet, wordt er ten principale van uitgegaan dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. In een dergelijk geval kan Nederland het asielverzoek aan zich trekken met toepassing van artikel 3, vierde lid, Overeenkomst van Dublin dan wel artikel 3, tweede lid, Verordening (zie C1/2.4.2).

Wijziging van C1/2.2.2

Paragraaf 2.2 van hoofdstuk C1/2 wordt als volgt gewijzigd:

2.2 Inhoud van de Overeenkomst van Dublin

Als hierboven uiteengezet is de Overeenkomst van Dublin van kracht en van toepassing tussen Denemarken en de lidstaten die zich aan deze Overeenkomst hebben verbonden. Met betrekking tot de toepasbaarheid van de Verordening (EG) 343/2003 wordt verwezen naar C1/2.4. Met betrekking tot het overgangsrecht wordt verwezen naar C1/2.3.2.

De Overeenkomst van Dublin regelt tussen de Partijen de vaststelling van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielverzoek. Onder `asielverzoek' verstaat de Overeenkomst van Dublin: `verzoek waarmee een vreemdeling bij een Lidstaat de bescherming vraagt uit hoofde van het Verdrag van Genève met een beroep op de status van vluchteling in de zin van artikel 1 van het Verdrag van Genève, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York' (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, Overeenkomst van Dublin).

Besluit nr. 1/97 van het Comité van artikel 18 Overeenkomst van Dublin, bepaalt dat een asielverzoek wordt geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de autoriteiten van de betrokken lidstaat een schriftelijke aanwijzing, een door de asielaanvrager ingediend formulier, dan wel een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Met het oog op de toepassing van de Overeenkomst van Dublin wordt onder een asielverzoek ook verstaan een mondelinge intentieverklaring waarvan op zo kort mogelijke termijn een proces-verbaal is opgesteld. Van een mondelinge intentieverklaring is sprake wanneer de asielzoeker zich daadwerkelijk ter indiening van een asielverzoek in de zin van de Vreemdelingenwet bij een daartoe bevoegde autoriteit heeft vervoegd.

Dit laat onverlet dat voor de toepassing van de Vreemdelingenwet een asielverzoek alleen kan worden ingediend door middel van het ondertekenen van een daarvoor bestemd formulier (zie C3/12.4).

De verantwoordelijkheidsbepaling vindt plaats op grond van de artikelen 4 tot en met 8 Overeenkomst van Dublin. De beoordeling of de criteria van deze artikelen van toepassing zijn, vindt plaats in de volgorde waarin zij voorkomen.

Indien een ander land mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, wordt dat land met behulp van het Dublin-informatieformulier verzocht om de behandeling over te nemen.

Asielzoekers, ten aanzien van wie op grond van de Overeenkomst van Dublin een claim is of zal worden gelegd, behouden hun recht op opvang gedurende de periode waarin het verzoek tot overdracht in behandeling is. Voorts wordt de opvang voortgezet indien betrokkene beroep heeft aangetekend tegen de afwijzende (Dublin)beschikking indien en voor zover dit beroep in Nederland mag worden afgewacht. Met betrekking tot de bepalingen betreffende het al dan niet mogen afwachten van het beroep in Nederland wordt verwezen naar C1/2.3.2.

Op grond van artikel 11, eerste lid, Overeenkomst van Dublin dient een verzoek ter verantwoordelijkheidsbepaling (claim) zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen zes maanden na indiening van het asielverzoek bij de andere lidstaat te zijn ingediend. Wanneer de termijn van zes maanden is verstreken zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet terwijl bekend is of wordt dat een ander land op grond van de Overeenkomst van Dublin verantwoordelijk was voor de behandeling van het asielverzoek, kan geen Dublinclaim meer gelegd worden. Nederland is in dat geval verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek conform artikel 11, eerste lid, Overeenkomst van Dublin.

Afwijzing van het asielverzoek op grond van artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet is pas mogelijk wanneer de claim is gehonoreerd door het andere land of, ingevolge artikel 11, vierde lid, Overeenkomst van Dublin, wanneer drie maanden na het leggen van de Dublinclaim nog geen reactie is gekomen hetgeen gelijk staat met aanvaarding van het verzoek tot overname.

De Overeenkomst van Dublin voorziet tevens in de mogelijkheid dat het land, waar het asielverzoek is ingediend, dat verzoek zelf in behandeling neemt (zie C1/2.2.3). De asielzoeker moet hiervoor op grond van artikel 3, vierde lid, Overeenkomst van Dublin zijn instemming geven. Aan dit instemmingvereiste wordt voldaan met het ondertekenen van het asielverzoek.

Het indienen van een tweede of volgend asielverzoek na afdoening, conform artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet of artikel 15b, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet (oud) vormt op zichzelf geen aanleiding voor het toepassen van artikel 3, vierde lid, Overeenkomst van Dublin. Dit geldt ook wanneer de vreemdeling, na afwijzing of intrekking van het eerste asielverzoek, zich heeft begeven naar het land van herkomst of een ander land waar hij legaal mag binnenkomen en vervolgens opnieuw naar Nederland reist om een tweede asielverzoek in te dienen. In dat geval zal de verantwoordelijke lidstaat de eventuele nieuwe feiten en omstandigheden beoordelen conform de uitgangspunten van de Overeenkomst van Dublin.

Wanneer Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, is Nederland verplicht dit asielverzoek volledig te behandelen in de zin van artikel 1, eerste lid, sub d en artikel 3, derde lid, Overeenkomst van Dublin. Hieronder wordt verstaan alle maatregelen in verband met de behandeling van en beslissingen of uitspraken van de bevoegde instantie over het asielverzoek. Het asielverzoek wordt behandeld overeenkomstig de nationale wetgeving en internationale verplichtingen.

Dit geldt ook wanneer Nederland het asielverzoek onverplicht aan zich trekt.

Dit impliceert tevens dat Nederland op grond van de Overeenkomst van Dublin na afwijzing van het asielverzoek verantwoordelijk is voor de verwijdering van de betrokken asielzoeker buiten het grondgebied van de lidstaten.

Op grond van artikel 11, vijfde lid, Overeenkomst van Dublin, juncto artikel 21, eerste lid, Besluit 1/97 van het Comité van artikel 18 Overeenkomst van Dublin, bestaat er een inspanningsverplichting om de asielzoeker binnen één maand nadat de claim is gehonoreerd of een maand na de beëindiging van de geschilprocedure die eventueel door de asielzoeker tegen het besluit tot overdracht is aangespannen, indien aan die procedure opschortende werking is verbonden, over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat.

Het artikel 13, juncto artikel 3, zevende lid, en juncto artikel 10, Overeenkomst van Dublin regelt de `terugname van een asielzoeker'. Dit heeft betrekking op de volgende gevallen:

- Intrekking van het asielverzoek tijdens de procedure ter vaststelling van de verantwoordelijkheid van de aanvraag;

- Intrekking van het asielverzoek tijdens de (inhoudelijke) behandeling van het asielverzoek;

- Illegaal verblijf in een andere lidstaat dan waar het asielverzoek in behandeling is;

- Illegaal verblijf in een andere lidstaat dan waar het asielverzoek is afgewezen.

In dergelijke gevallen is sprake van een terugname verplichting, waarbij een verkorte reactietermijn van acht dagen jegens de verzoekende staat geldt.

Wijziging van C1/2.2.3

Paragraaf 2.3 van hoofdstuk C1/2 wordt als volgt gewijzigd

2.3 In welke gevallen behandelt Nederland het asielverzoek zelf?

2.3.1 Inleiding

Op grond van artikel 3, vierde lid, Overeenkomst van Dublin blijft iedere lidstaat bevoegd om zelf het asielverzoek te behandelen, ook al zou op basis van de artikelen 4 tot en met 8 Overeenkomst van Dublin, of op basis van artikel 3, zevende lid, juncto artikelen 10 en 13 Overeenkomst van Dublin een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kunnen worden aangewezen. Van deze mogelijkheid wordt terughoudend gebruik gemaakt. Het gaat hierbij om uitzonderlijke gevallen van humanitaire aard, die niet vallen onder artikel 9 Overeenkomst van Dublin. Naast uitzonderlijke gevallen van humanitaire aard wordt toepassing gegeven of kan toepassing worden gegeven aan artikel 3, vierde lid, Overeenkomst van Dublin in de volgende gevallen.

Van de bevoegdheid van artikel 3, vierde lid, Overeenkomst van Dublin wordt gebruik gemaakt indien er zes maanden na het claimakkoord nog niet in eerste aanleg is beslist, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden (zie C1/2.2.3.2).

Van de bevoegdheid van artikel 3, vierde lid, Overeenkomst van Dublin kan gebruik gemaakt worden indien gebleken is dat twee of meer Lidstaten, waaronder Nederland, verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielverzoeken van leden van één gezin (zie C1/2.2.3.3).

Van de bevoegdheid van artikel 3, vierde lid, Overeenkomst van Dublin kan gebruik gemaakt worden indien er concrete aanwijzingen zijn dat de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag of het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet worden nageleefd door het verantwoordelijke Lidstaat (zie C1/2.2.3.4).

Van de bevoegdheid van artikel 3, vierde lid, Overeenkomst van Dublin wordt tevens onder bepaalde voorwaarden gebruik gemaakt wanneer de asielzoeker een gezinslid heeft die is toegelaten op grond van artikel 29, eerste lid, onder b t/m d, Vreemdelingenwet (zie C1/2.2.3.5).

Paragraaf 2.3.2 tot en met paragraaf 2.3.5 van hoofdstuk C1/2 blijven ongewijzigd.

Paragraaf 2.4 tot en met paragraaf 2.6 van hoofdstuk C1/2 komen te vervallen.

Wijziging van C1/2.3

Paragraaf 3 van hoofdstuk C1/2 wordt hernummerd naar paragraaf 5 van hoofdstuk C1/2.

Paragraaf C1/2.3 komt vervolgens als volgt te luiden:

3. Overige aspecten

3.1 Algemeen geldend ten aanzien van de Overeenkomst van Dublin en de Verordening (EG) nr. 343/2003

3.1.1 Aanbevelingen aan andere lidstaten

Wanneer door gezinsleden in Nederland een asielverzoek wordt ingediend, terwijl Nederland voor geen enkel asielverzoek verantwoordelijk is maar verschillende andere lidstaten wel, dan zal Nederland een aanbeveling doen om de behandeling van de gezamenlijke asielverzoeken in één van die andere lidstaten te laten plaatsvinden.

De behandelend ambtenaar van het Dublinbureau zal daartoe contact opnemen met de verantwoordelijke lidstaten, nadat de betrokken asielzoeker(s) heeft (hebben) ingestemd met het voornemen van Nederland om een aanbeveling te doen aan de verantwoordelijke lidstaten. Indien de betrokken gezinsleden niet instemmen met de aanbeveling, worden de claims gelegd bij de verschillende verantwoordelijke lidstaten.

3.1.2 Intrekking asielverzoek

Als hoofdregel geldt dat de intrekking van het asielverzoek geen wijziging brengt in de verantwoordelijkheidstoedeling die ingevolge de bepalingen van de Overeenkomst van Dublin dan wel de Verordening tot stand is gekomen, zolang de vreemdeling niet geheel afziet van het aanvragen van verblijf op grond van asielrechtelijk relevante gronden.

Zowel de Overeenkomst van Dublin als de Verordening voorzien ten aanzien van intrekking van het asielverzoek specifiek in de volgende situaties:

A het in Nederland ingediende asielverzoek wordt ingetrokken, terwijl Nederland bezig is te onderzoeken welke lidstaat verantwoordelijk is en de vreemdeling dient elders opnieuw een asielverzoek in (artikel 3, zevende lid, Overeenkomst van Dublin/artikel 4, vijfde lid, Verordening). Nederland dient de vreemdeling terug te nemen en de procedure voor de vaststelling van de verantwoordelijkheid af te ronden;

B het in Nederland ingediende asielverzoek wordt ingetrokken tijdens de inhoudelijke behandeling ervan en de vreemdeling dient elders opnieuw een asielverzoek in (artikel 10, eerste lid, sub d, Overeenkomst van Dublin/ artikel 16, eerste lid, sub d, Verordening). Nederland dient op verzoek van de betreffende lidstaat de vreemdeling terug te nemen en het asielverzoek te behandelen.

De situaties beschreven onder A en B kunnen zich uiteraard ook andersom voordoen, in die zin dat Nederland een lidstaat kan verzoeken om een asielzoeker terug te nemen, als wordt voldaan aan de criteria van artikel 3, zevende lid, of artikel 10, eerste lid, sub d, Overeenkomst van Dublin/ artikel 4, vijfde lid, of artikel 16, eerste lid, sub d, Verordening.

3.1.3 Vervallen van de verantwoordelijkheid

Indien een vreemdeling zijn asielverzoek, tijdens de inhoudelijke behandeling daarvan, heeft ingetrokken, komt de verantwoordelijkheid te vervallen wanneer:

A onder de Overeenkomst van Dublin: de vreemdeling door een andere lidstaat in het bezit is gesteld van een verblijfstitel met een geldigheidsduur van meer dan drie maanden.

Onder de Verordening komt de verantwoordelijkheid te vervallen indien de vreemdeling door een andere lidstaat in het bezit is gesteld van een verblijfstitel, ongeacht de geldigheidsduur van deze verblijfstitel.

B de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten gedurende een periode van tenminste drie maanden.

C Nederland de nodige maatregelen heeft genomen en daadwerkelijk ten uitvoer heeft gelegd opdat de vreemdeling zich begeeft naar zijn land van herkomst, dan wel naar een ander land waar hij legaal mag binnenkomen.

Indien een vreemdeling wiens asielverzoek in behandeling is zich illegaal in een andere lidstaat ophoudt, komt de verantwoordelijkheid uitsluitend te vervallen wanneer sprake is geweest van A of B.

Indien een vreemdeling wiens asielverzoek is afgewezen zich illegaal in een andere lidstaat ophoudt, komt de verantwoordelijkheid uitsluitend te vervallen wanneer sprake is geweest van A of C.

De verplichting om vast te stellen welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek zoals bedoeld in artikel 3, zevende lid, Overeenkomst van Dublin/artikel 4, vijfde lid, Verordening, komt te vervallen wanneer sprake is van A.

Het enkele verlaten van het grondgebied van de lidstaten (korter dan drie maanden), doet op grond van artikel 5, vierde lid, Overeenkomst van Dublin/artikel 9, vierde lid, Verordening slechts de verantwoordelijkheid vervallen wanneer sprake is van een verantwoordelijkheid die gebaseerd is op een verblijfstitel of visum waarvan de geldigheidsduur is verstreken.

3.2 Procedureel en materieel recht: Overeenkomst van Dublin of de Verordening (EG) nr. 343/2003

De bepalingen van de Verordening treden voor asielaanvragen in beginsel in werking vanaf 1 september 2003 hetgeen is neergelegd in artikel 29 Verordening.

In deze Verordening wordt in artikel 19, tweede lid, bepaald dat er aan het besluit in het kader van de bepalingen van deze Verordening in beginsel geen opschortende werking wordt verleend. In overeenstemming met deze bepaling van artikel 19, tweede lid, Verordening is artikel 82, tweede lid, Vreemdelingenwet gewijzigd. Deze wijziging van artikel 82 Vreemdelingenwet geldt voor asielaanvragen die op of na 1 september 2003 zijn ingediend.

Hierbij dient wel rekening te worden gehouden met de diverse momenten van de procedure en de stand waarin deze zich bevindt. De mogelijke situaties worden hieronder kort weergegeven.

3.2.1 Artikel 29 Verordening(EG) nr. 343/2003 in combinatie met artikel 82 Vreemdelingenwet

Artikel 29 Verordening regelt het overgangsrecht en de toepasselijkheid van deze Verordening. Hierbij onderscheiden zich diverse momenten van toetsing of de Verordening van toepassing is:

- Allereerst is de Verordening van toepassing op asielaanvragen die zijn ingediend op of vanaf 1 september 2003.

- Voorts is deze Verordening van toepassing op elk verzoek tot overname of terugname gedaan op of vanaf 1 september 2003, ongeacht de datum van het asielverzoek.

- Voor het bepalen van de verantwoordelijkheid van een asielverzoek, ingediend voor 1 september 2003 en waarbij het verzoek tot overname/terugname wordt gedaan voor 1 september 2003, gelden de bepalingen van de Overeenkomst van Dublin.

Mogelijke situaties:

1. Asielverzoek voor 1 september 2003 en beoordeling van de verantwoordelijkheid in het kader van Dublin eveneens voor 1 september 2003; hiervoor gelden de bepalingen (materieel en formeel) van de Overeenkomst van Dublin. Dit geldt voor de situatie in AC-procedure alsmede voor de vervolgprocedure.

Nu hierbij het asielverzoek alsmede de verantwoordelijkheidsbepaling op grond van de Overeenkomst van Dublin heeft plaatsgevonden, geldt de standaard opschortende werking van voor de inwerkingtreding van de wetswijziging van artikel 82 Vreemdelingenwet nog in deze gevallen; dit geldt natuurlijk niet voor de AC-procedure (zie artikel 82, tweede lid onder a, Vreemdelingenwet).

2. Asielverzoek voor 1 september 2003 en beoordeling van de verantwoordelijkheid na 1 september 2003; hiervoor gelden de bepalingen van de Verordening.

Dit geldt voor de situatie in AC-procedure alsmede voor de vervolgprocedure. Voor deze opties geldt voorts dat er nog wel standaard opschortende werking bestaat nu is bepaald dat asielaanvragen, ingediend voor 1 september 2003, niet vallen onder het gewijzigde artikel 82 Vreemdelingenwet; dit geldt natuurlijk niet voor de AC-procedure (zie artikel 82, tweede lid onder a, Vreemdelingenwet).

3. Asielaanvragen op of na 1 september 2003 waarbij de beoordeling van de verantwoordelijkheid in het kader van Dublin altijd na 1 september 2003 plaatsvindt; hiervoor gelden de bepalingen van de Verordening. Dit geldt voor de situatie in AC-procedure alsmede in voor de vervolgprocedure.

Hierbij geldt tevens dat het per 1 september 2003 gewijzigde artikel 82 Vreemdelingenwet geldt en dus dat er geen standaard opschortende werking bestaat of dit nu de AC- of de vervolgprocedure betreft.

3.3 Denemarken

Alle lidstaten aangesloten bij de Overeenkomst van Dublin hebben aangegeven deel te willen nemen aan de aanneming en de toepassing van de Verordening. Echter, voor Denemarken geldt dat de onderhandelingen tot deelname nog niet zijn afgerond. Dit betekent dat de Overeenkomst van Dublin alsmede alle besluiten van `het artikel 18 Comité' van kracht en van toepassing blijft tussen Denemarken en de lidstaten die aan deze Verordening wel zijn verbonden. Met betrekking tot de overige lidstaten komt de Verordening in de plaats van de Overeenkomst van Dublin (zie ook C1/2.2.1 en C1/2.2.2).

Wijziging van C1/2.4

De tekst van paragraaf C1/2.4 wordt hernummerd naar C1/2.6.

De tekst van C1/2.4 komt vervolgens als volgt te luiden:

4 Inhoud van de Verordening (EG) 343/2003

In de Verordening worden de criteria en instrumenten vastgesteld om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij één van de lidstaten is ingediend. Onder `asielverzoek' verstaat de Verordening: `een verzoek van een onderdaan van een derde land dat kan worden opgevat als een verzoek om verlening van internationale bescherming door een lidstaat krachtens het Verdrag van Genève' (zie artikel 2, aanhef en onder c, Verordening).

Ingevolge artikel 4, tweede lid, Verordening wordt een asielverzoek geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de asielzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Met het oog op de toepassing van de Verordening wordt onder een asielverzoek ook verstaan een mondelinge intentieverklaring waarvan op zo kort mogelijke termijn een proces-verbaal is opgesteld. Van een mondelinge intentieverklaring is sprake wanneer de asielzoeker zich daadwerkelijk ter indiening van een asielverzoek in de zin van de Vreemdelingenwet bij een daartoe bevoegde autoriteit heeft vervoegd. Dit laat onverlet dat voor de toepassing van de Vreemdelingenwet tevens een voor het asielverzoek bestemd formulier dient te worden ondertekend (zie C3/12.4).

Voor de toepassing van de Verordening wordt de situatie van de minderjarige die de asielzoeker vergezelt, voor zover het een gezinslid in de zin van de Verordening betreft, onlosmakelijk verbonden met de situatie van diens ouder of voogd (zie artikel 4, derde lid, Verordening). De minderjarige valt onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van die ouder of voogd, ook al is de minderjarige zelf geen individuele asielzoeker.

Kinderen die na aankomst van de asielzoeker op het grondgebied van de lidstaat zijn geboren, worden meegenomen in de procedure van de ouder-asielzoeker ongeacht de stand van deze procedure. Er behoeft geen nieuwe procedure te worden ingeleid.

Hierbij zij opgemerkt dat ingevolge het nationale beleid voor de kinderen die in Nederland geboren zijn en waarvan tenminste één ouder in Nederland aanwezig is die de asielprocedure doorloopt, geldt dat de ouder (ouders) een aanvraag model M35-K onderteken(t)(en). Hiermee wordt de aanvraag van de ouder(s) om een verblijfsvergunning asiel tevens geldig verklaard voor het in Nederland geboren kind (zie TBV 2002/56).

De verantwoordelijkheidsbepaling vindt plaats op grond van de artikelen 6 tot en met 14 van de Verordening. De beoordeling of de criteria van deze artikelen van toepassing zijn, vindt plaats in de volgorde waarin zij voorkomen (artikel 5, eerste lid, Verordening). De beoordeling van de verantwoordelijkheid op grond van de volgorde waarin deze bepalingen voorkomen, wordt vastgesteld op grond van de situatie op het tijdstip waarop de asielzoeker zijn verzoek voor de eerste maal bij een lidstaat indient (artikel 5, tweede lid, Verordening). Hiermee wordt beoogd de situatie te voorkomen dat meer dan eenmaal de verantwoordelijkheid moet worden vastgesteld ten aanzien van één en dezelfde asielzoeker. Inzake het vervallen van de verantwoordelijkheid wordt in dit kader verwezen naar C1/2.3.1.3.

Indien een ander land mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, wordt dat land met behulp van het standaardformulier -zoals genoemd in de artikelen 2 en 3 van de Uitvoeringsbepalingen behorende bij de Verordening (EG) nr.343/2003 (hierna: de Uitvoeringsregels)- verzocht om de behandeling over te nemen.

Asielzoekers, ten aanzien van wie op grond van de Verordening een verzoek tot overname/terugname is of zal worden gelegd, behouden hun recht op opvang gedurende de periode waarin het verzoek tot overdracht in behandeling is. De opvang niet wordt voortgezet in het geval betrokkene beroep heeft aangetekend tegen de afwijzende (Dublin)beschikking nu dit beroep niet in Nederland mag worden afgewacht (artikel 82, tweede lid, Vreemdelingenwet). Wel kan de vreemdeling een verzoek om een voorlopige voorziening indienen bij de rechtbank teneinde de beslissing in beroep hier te lande af te wachten.

Het onthouden van opschortende werking aan de beroepsprocedure in de Verordening is gelegen in het uitgangspunt dat snel en efficiënt wordt gehandeld inzake de Dublinprocedure temeer daar het gaat om overdracht naar een andere lidstaat en niet naar het land van herkomst. Ingevolge de Nederlandse beleidsregels mag een eerste tijdig ingediende voorlopige voorziening in beginsel worden afgewacht. Indien dit echter leidt tot een situatie waarbij de overdracht ingevolge de bepalingen van de Verordening (artikel 19, derde lid) dreigt illusoir te worden, zal tot overdracht worden overgegaan en de voorlopige voorziening niet langer mogen worden afgewacht, mede bezien in het licht van C4/17.3.2 Vc.

Hierbij wordt opgemerkt dat de voorlopige voorziening tijdig moet zijn ingediend en voorts dat het de eerste voorlopige voorziening dient te zijn nu deze in beginsel mag worden afgewacht. Indien de eerste voorlopige voorziening tijdig is ingediend, blijft het recht op opvang bestaan (zie hoofdstuk I, artikel 1 onder 2 sub b, RvA 1997).

Op grond van artikel 17, eerste lid, Verordening kan een lidstaat waarbij een asielverzoek is ingediend en die van mening is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek, binnen drie maanden na indienen van het verzoek bij de andere lidstaat om overname verzoeken.

De termijn bedraagt minstens één week indien de verzoekende lidstaat verzoekt om een spoedig antwoord op grond van de criteria, genoemd in artikel 17, tweede lid, Verordening. In het kader van spoedverzoeken zij nog opgemerkt dat in uitzonderlijke gevallen, waarin kan worden aangetoond dat de behandeling van een verzoek tot overname van een asielzoeker buitengewoon complex is, de aangezochte lidstaat na de gevraagde termijn kan antwoorden, maar in ieder geval binnen een maand (zie artikel 18, zesde lid, Verordening).

Wanneer deze termijn van drie maanden is verstreken zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet, terwijl bekend is of wordt dat een ander land op grond van de Verordening verantwoordelijk was voor de behandeling van het asielverzoek, kan geen verzoek tot overname/terugname meer gelegd worden. Nederland is in dat geval verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek conform artikel 17, eerste lid, Verordening.

Afwijzing van het asielverzoek op grond van artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet is pas mogelijk, wanneer het verzoek tot overname/terugname is gehonoreerd door het andere land of, ingevolge artikel 18, zevende lid, Verordening, wanneer twee maanden na het leggen van het verzoek nog geen reactie is gekomen, hetgeen gelijk staat met aanvaarding van het verzoek tot overname.

De Verordening voorziet tevens in de mogelijkheid dat het land waar het asielverzoek is ingediend dat verzoek zelf in behandeling neemt (zie artikel 3, tweede lid, Verordening, zie C1/2.4.2). In tegenstelling tot de Overeenkomst van Dublin behoeft de asielzoeker hiervoor niet expliciet zijn instemming te verlenen.

Het indienen van een tweede of volgend asielverzoek na afdoening conform artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet vormt op zichzelf geen aanleiding voor het toepassen van artikel 3, tweede lid, Verordening. Dit geldt ook wanneer de vreemdeling na afwijzing of intrekking van het eerste asielverzoek zich heeft begeven naar het land van herkomst of een ander land waar hij legaal mag binnenkomen en vervolgens opnieuw naar Nederland reist om een tweede asielverzoek in te dienen. In dat geval zal de verantwoordelijke Lidstaat de eventuele nieuwe feiten en omstandigheden beoordelen conform de uitgangspunten van de Verordening.

Wanneer Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, is Nederland verplicht dit asielverzoek volledig te behandelen in de zin van artikel 2, aanhef en onder e, Verordening. Hieronder wordt verstaan alle maatregelen in verband met de behandeling van en beslissingen of uitspraken van bevoegde instanties over een asielverzoek overeenkomstig het nationaal recht, met uitzondering van de procedures waarbij wordt bepaald welke lidstaat krachtens de bepalingen van deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.

Dit geldt ook wanneer Nederland het asielverzoek onverplicht aan zich trekt. Dit impliceert tevens dat Nederland op grond van de Verordening na afwijzing van het asielverzoek verantwoordelijk is voor de verwijdering van de betrokken asielzoeker buiten het grondgebied van de lidstaten.

Asielzoekers, ten aanzien van wie op grond van de Verordening een verzoek tot overname/terugname is of zal worden gelegd, behouden hun recht op opvang gedurende de periode waarin het verzoek tot overdracht in behandeling is. De opvang niet wordt voortgezet in het geval betrokkene beroep heeft aangetekend tegen de afwijzende (Dublin)beschikking nu dit beroep niet in Nederland mag worden afgewacht (artikel 82, tweede lid, Vreemdelingenwet).

Wel kan de vreemdeling een verzoek om een voorlopige voorziening indienen bij de rechtbank teneinde de beslissing in beroep hier te lande af te wachten (zie voor het overgangsrecht C1/2.3.2).

Het onthouden van opschortende werking aan de beroepsprocedure in de Verordening is gelegen in het uitgangspunt dat snel en efficiënt wordt gehandeld inzake de Dublinprocedure temeer daar het gaat om overdracht naar een andere lidstaat en niet naar het land van herkomst. Ingevolge de Nederlandse beleidsregels mag een eerste tijdig ingediende voorlopige voorziening in beginsel worden afgewacht. Indien dit echter leidt tot een situatie waarbij de overdracht ingevolge de bepalingen van de Verordening (artikel 19, derde lid) dreigt illusoir te worden, zal tot overdracht worden overgegaan en de voorlopige voorziening niet mogen worden afgewacht, mede bezien in het licht van C4/17.3.2 Vc.

Hierbij wordt opgemerkt dat de voorlopige voorziening tijdig moet zijn ingediend en voorts dat het de eerste voorlopige voorziening dient te zijn nu deze in beginsel mag worden afgewacht. Indien de eerste voorlopige voorziening tijdig is ingediend, blijft het recht op opvang bestaan (zie hoofdstuk I, artikel 1 onder 2 sub b, RvA 1997).

Op grond van artikel 19, derde lid, Verordening wordt de asielzoeker, zodra het praktisch mogelijk is en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of vanaf de beslissing op het beroep of op het verzoek tot herziening - wanneer dit opschortende werking heeft - overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat.

Indien de overdracht niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, berust de verantwoordelijkheid bij de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend.

Ingevolge artikel 19, vierde lid, Verordening kan de termijn tot overdacht tot maximaal één jaar worden verlengd indien de overdracht wegens detentie niet binnen de gestelde termijn kon worden uitgevoerd. De termijn tot overdracht kan tot maximaal 18 maanden worden verlengd indien de overdracht niet binnen de gestelde termijn kon worden uitgevoerd wegens onderduiking van de asielzoeker.

De artikelen 4, vijfde lid juncto artikel 16 en juncto artikel 20 Verordening regelen de `terugname van een asielzoeker'. Dit heeft betrekking op de volgende gevallen:

- intrekking van het asielverzoek tijdens de procedure ter vaststelling van de verantwoordelijkheid van de aanvraag;

- intrekking van het asielverzoek tijdens de (inhoudelijke) behandeling van het asielverzoek;

- illegaal verblijf in een andere lidstaat dan waar het asielverzoek in behandeling is;

- illegaal verblijf in een andere lidstaat dan waar het asielverzoek is afgewezen.

In dergelijke gevallen is sprake van een terugname verplichting. De voor terugname aangezochte lidstaat is verplicht, zo spoedig mogelijk en niet later dan één maand, de gegevens te verifiëren en op het verzoek te antwoorden. Wanneer het verzoek is gebaseerd op uit het Eurodac-systeem verkregen gegevens, wordt deze termijn teruggebracht tot twee weken (zie voor Eurodac C1/2.4.4).

4.1 De criteria aan de hand waarvan vaststelling van de verantwoordelijkheid in het kader van de Verordening (EG) nr. 343/2003 plaatsvindt

Artikel 6: De behandeling van het asielverzoek van een niet begeleide minderjarige asielzoeker

Ingevolge artikel 6 van de Verordening neemt Nederland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van een niet begeleide minderjarige op zich, indien een lid van zijn gezin (vader, moeder of voogd) zich hier te lande wettig (rechtmatig in de zin van de Vw) ophoudt, voor zover dit in het belang van de minderjarige is.

Bij ontstentenis van een vader en/of moeder of voogd berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek bij de lidstaat waarbij de minderjarige zijn asielverzoek heeft ingediend.

Onder `in het belang van de minderjarige' dient voorts onder meer het volgende te worden verstaan:

a. gezinsband dient te zijn aangetoond; immers het is niet in het belang van de minderjarige hem/haar te plaatsen bij iemand waarvan niet daadwerkelijk vaststaat dat het de vader, moeder of voogd is;

b. er dient geen sprake te zijn van een gezinslid (-leden) waarvan het vermoeden bestaat dat er sprake is geweest van mishandeling (fysiek, mentaal dan wel seksueel) van de minderjarige door dit gezinslid (-leden);

c. het gezinslid (-leden) kan (kunnen) de minderjarige voldoende zorg bieden.

Hiertoe wordt tevens naar het nationale beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen, neergelegd in C2/7 voor zover van toepassing alsmede de wijziging van C2/7.3.1.

Artikel 7: Indien een gezinslid van een asielzoeker reeds is toegelaten als vluchteling

Ingevolge artikel 7 Verordening is Nederland verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek van een gezinslid van de asielzoeker, indien deze asielzoeker reeds als vluchteling hier te lande is toegelaten.

Hierbij is het niet van belang of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd of niet. De betrokken personen dienen in te stemmen met de beoogde hereniging.

Artikel 8: Stand van de procedure

Ingevolge artikel 8 Verordening is Nederland verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van een gezinslid van de asielzoeker, indien inzake het asielverzoek van de asielzoeker hier te lande nog geen beslissing in eerste aanleg is genomen. Nederland is alleen dan verantwoordelijk indien de asielzoeker het asielverzoek had ingediend vóórdat het betreffende gezinslid in een andere lidstaat een asielverzoek indiende. Het tijdstip waarop de asielzoeker zijn verzoek voor de eerste maal indient, is leidend met betrekking tot de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek (zie artikel 5, tweede lid, Verordening).

Indien een asielzoeker Nederland binnenreist en aangeeft hier te lande een asielverzoek te willen indienen, maar waarbij een gezinslid reeds in een andere lidstaat een asielverzoek heeft ingediend waarover nog geen beslissing in eerste aanleg is genomen, is deze andere lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek van de asielzoeker die zich in Nederland bevindt.

Nederland is voorts niet verantwoordelijk voor de behandeling van asielverzoeken van gezinsleden van de asielzoeker hier te lande, indien Nederland reeds een beslissing in eerste aanleg heeft genomen. Het is immers onwenselijk om overige gezinsleden in de Nederlandse asielprocedure op te nemen terwijl, ten aanzien van het gezinslid waar Nederland voor verantwoordelijk is, reeds is beslist dat geen grond voor verlening bestaat en de asielzoeker Nederland derhalve dient te verlaten. De ratio van het bijeenhouden van de gezinsleden is immers mede gelegen in de mogelijkheid dat zij (gezamenlijk) voor verlening van een verblijfsvergunning in aanmerking komen dan wel, als is vastgesteld dat zij geen status dienen te krijgen, gezamenlijk verwijderd kunnen worden.

Artikel 14: Meerdere leden van het gezin

In het geval dat meerdere leden van een gezin in dezelfde lidstaat gelijktijdig of met dusdanig korte tussenpozen een asielverzoek indienen dat de procedures, om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is, allemaal tegelijk kunnen worden afgewikkeld en indien de toepassing van de criteria van de Verordening tot gevolg zou hebben dat de betrokkenen van elkaar worden gescheiden, wordt de verantwoordelijke lidstaat aangewezen op grond van de volgende bepalingen:

- de lidstaat die volgens de criteria van de Verordening verantwoordelijk is voor de overname van het grootste aantal gezinsleden, is verantwoordelijk voor de behandeling van de asielverzoeken van alle gezinsleden;

- indien geen enkele lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, is de lidstaat die volgens de criteria van de Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van het oudste lid van de groep, verantwoordelijk voor de behandeling van alle asielverzoeken.

Ten aanzien van de zinsnede `korte tussenpozen' wordt hiertoe opgemerkt dat dit in elk geval de drie maandentermijn van artikel 17, eerste lid, Verordening niet kan overschrijden.

Op basis van het vorenstaande is Nederland verantwoordelijk voor de meerderheid van de gezinsleden, tenzij het minderjarige gezinsleden betreft terwijl (een van) de ouders zich in een andere lidstaat bevind(t)(en) en Nederland daar niet verantwoordelijk voor is.

In dat geval wordt de lidstaat waar (een van) de ouders of voogd verblij(ft)ven, ingevolge artikel 6 Verordening, geacht verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van het asielverzoek van de minderjarige voor zover dit in het belang is van de minderjarige(n) (zie voor belang minderjarige C1/2.4.1 onder `artikel 6 Verordening').

4.2 In welke gevallen behandelt Nederland het asielverzoek (onverplicht) zelf

4.2.1 Inleiding

Op grond van artikel 3, tweede lid, Verordening blijft iedere staat bevoegd om zelf het asielverzoek te behandelen ook al zou op basis van de artikelen 6 tot en met 14 Verordening, of op basis van de artikelen 4, vijfde lid, juncto artikel 20 Verordening, een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kunnen worden aangewezen. Van deze mogelijkheid wordt terughoudend gebruik gemaakt. Het kan hierbij gaan om (uitzonderlijke) gevallen van humanitaire aard, die vallen onder artikel 15 van de Verordening. Naast uitzonderlijke gevallen van humanitaire aard kan toepassing worden gegeven aan artikel 3, tweede lid, Verordening in de volgende gevallen.

Van de bevoegdheid van artikel 3, tweede lid, Verordening kan gebruik gemaakt worden indien er concrete aanwijzingen zijn dat de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag of het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet worden nageleefd door de verantwoordelijke lidstaat (zie C1/2.4.2.2).

4.2.2 Concrete aanwijzingen van verdragsschending

Ten principale wordt er van uitgegaan dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt (zie nrs. 2 en 15 van de preambule van de Verordening). Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, Verordening.

Het ligt op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging van verdragspartijen bij het Vluchtelingenverdrag of het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden wordt weerlegd. Dit is slechts mogelijk wanneer de asielzoeker in de verantwoordelijke lidstaat is uitgeprocedeerd en er daarnaast nog sprake is van bijzondere, door de vreemdeling aannemelijk te maken, nieuwe feiten en omstandigheden die in redelijkheid tot een heroverweging kunnen leiden. Voor zover deze nieuwe feiten of omstandigheden in de verantwoordelijke lidstaat opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld (middels een revisionair rechtsmiddel dan wel het indienen van een tweede of volgende aanvraag), bestaat er geen aanleiding te veronderstellen dat sprake is van een mogelijke schending van artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zal geen aanleiding bestaan om toepassing te geven aan artikel 3, tweede lid, Verordening.

4.2.3 Artikel 15 Verordening:

De humanitaire clausule

Algemeen

Het gaat hierbij om (uitzonderlijke) gevallen van humanitaire aard als bedoeld in artikel 15 van de Verordening. Van deze mogelijkheid wordt terughoudend gebruik gemaakt. In het onderstaande wordt weergegeven in welke gevallen gebruik kan worden gemaakt van bovenbedoelde bevoegdheid wanneer het gezinsleden betreft en wanneer het andere afhankelijke familieleden betreft. Overigens zij vermeld dat hereniging van gezinsleden en andere afhankelijke familieleden in de zin van de Verordening is alleen van toepassing op asielzoekers. Alle gezinsleden en/of familieleden moeten dus een asielverzoek hebben ingediend.

In dat geval behandelt deze lidstaat op verzoek van een andere lidstaat het (de) asielverzoek(en) van de betrokkene(n). De betrokkenen moeten hun instemming geven. Het beleid ten aanzien van gezinsleden en andere afhankelijke familieleden wordt hieronder uitgewerkt.

De Verordening heeft in ieder geval geen betrekking op:

- gezinsleden en/of familieleden die een asielverzoek indienen nadat zij een afwijzing hebben gekregen op een reguliere aanvraag of een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf;

- situaties waarin een gezinslid en/of afhankelijke familieleden een asielverzoek indient en hereniging of voortzetting van de gezinsband beoogt met een gezinslid en/of afhankelijke familieleden dat een aanvraag op reguliere gronden heeft ingediend, dan wel op reguliere gronden toelating geniet.

Gezinsleden

Betrokkene heeft een gezinslid dat is toegelaten op grond van artikel 29 b t/m d van de Vreemdelingenwet

Artikel 7 Verordening betreft het eerste verdelingscriterium inzake de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielverzoek. Dit artikel bepaalt dat wanneer een gezinslid van de asielzoeker, ongeacht of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd, als vluchteling (in de zin van het Vluchtelingenverdrag) is toegelaten in een lidstaat, deze lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, mits de betrokkene dat wenst. Dit betekent dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van gezinsleden van personen die zijn toegelaten op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet.

In aanvulling op de verplichting voortvloeiend uit artikel 7 Verordening is Nederland, onder bepaalde voorwaarden, tevens (onverplicht) verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek indien de asielzoeker een gezinslid is van een vreemdeling die een asielvergunning voor bepaalde tijd heeft gekregen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b t/m d, Vreemdelingenwet. Nederland maakt in dergelijke gevallen gebruik van de discretionaire bevoegdheid om de behandeling van een asielverzoek onverplicht op zich te trekken, als neergelegd in artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening.

Aan de toepassing van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening in de hier bedoelde gevallen zijn de volgende voorwaarden verbonden:

a. De betrokken asielzoeker dient zich reeds in Nederland te bevinden.

Geen toepassing wordt gegeven aan artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening, wanneer de betrokken asielzoeker zich in een ander land bevindt. Dat betekent dat Nederland niet ingevolge het hier geschetste beleid een asielzoeker naar Nederland zal halen teneinde hier een asielprocedure te kunnen doorlopen.

b. Voor de toepassing van dit beleidskader is, is de definitie van `gezinsleden' in de zin van artikel 2, aanhef en onder i, Verordening van toepassing.

Onder `gezinsleden' in de zin van artikel 2, aanhef en onder i, Verordening worden verstaan:

- de echtgenoot van de asielzoeker of de ongehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden indien in de wetgeving of de praktijk van de betrokken lidstaat ongehuwde paren en gehuwde paren op een vergelijkbare manier worden behandeld in het kader van het Vreemdelingenrecht; óf

- de minderjarige kinderen beneden de achttien jaar van paren zoals bedoeld als hierboven of van de asielzoeker, mits zij ongehuwd en afhankelijk zijn, ongeacht of zij volgens de nationale wetgeving wettige, buitenechtelijke of geadopteerde kinderen zijn; óf

- indien de asielzoeker zelf een minderjarig ongehuwd kind beneden de achttien jaar is, zijn vader en/of moeder of voogd.

c. Er dient nog geen beslissing op het asielverzoek in een andere lidstaat te zijn genomen.

De voorwaarde, dat in een ander land nog geen beslissing mag zijn genomen op het asielverzoek, is gelegen in het feit dat het uitgangspunt van de Verordening is dat asielzoekers slechts in één land een behandeling van hun asielverzoek dienen te krijgen. Indien Nederland het asielverzoek aan zich zou trekken, terwijl een ander land al op het asielverzoek heeft beslist, zou de beslissing van het andere land door Nederland nog eens worden overgedaan. Dit is niet wenselijk en strookt niet met de doelstelling van de Verordening. In deze gevallen geldt overigens dat de gezinsleden niet blijvend van elkaar worden gescheiden, omdat het gezinslid van de statushouder in Nederland via de reguliere weg mogelijk in aanmerking kan komen voor gezinshereniging.

Overig

In zeer bijzondere, individuele gevallen kan gebruik gemaakt worden van de bevoegdheid op grond van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening tot onverplichte behandeling van het asielverzoek van gezinsleden over te gaan, indien er sprake is van overige humanitaire redenen. Er dient dan een zeer bijzonder samenstel van factoren te bestaan, dat het behandelen van het asielverzoek in de rede ligt; dit dient door de asielzoeker te worden aangetoond. Hiervan zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen sprake zijn, aangezien het bijeenhouden en het bijeenbrengen van het gezin reeds geschiedt op grond van de artikelen 7 t/m 14, voor zover van belang, alsmede onverplicht op grond van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening.

Andere afhankelijke familieleden

In de Verordening staat opgenomen dat de lidstaat, ook wanneer deze lidstaat met toepassing van de in de Verordening vastgestelde criteria niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag, gezinsleden en andere afhankelijke familieleden kan herenigen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden.

Indien er geen sprake is van één van de personen, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder i, Verordening, is er sprake van `familielid(leden)'. De afhankelijkheid van het (de) familielid(leden) wordt bezien aan de hand van de criteria genoemd onder a en c, vermeld onder artikel 15, gezinsleden, alsmede aan de hand van een aantal criteria die hieronder vermeld staan uitgewerkt.

In het tweede lid van artikel 15 van de Verordening wordt gesteld dat wanneer de ene betrokkene (asielzoeker) afhankelijk is van de ander (familielid(leden)), zorgen de lidstaten er normaliter voor dat de asielzoeker kan blijven bij of wordt herenigd met een familielid dat zich op het grondgebied van een van de lidstaten bevindt op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, Uitvoeringsregels is dit artikellid van toepassing zowel wanneer de asielzoeker afhankelijk is van de hulp van het familielid dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt als wanneer het familielid, dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt, afhankelijk is van de hulp van de asielzoeker.

De afhankelijkheid, zoals genoemd in artikel 15, tweede lid, Verordening kan gelegen zijn in:

- zwangerschap;

- geboorte van een kind;

- ernstige ziekte;

- een zware handicap;

- hoge leeftijd.

De in artikel 15, tweede lid, Verordening beoogde aspecten zoals hierboven genoemd, worden zoveel mogelijk beoordeeld op grond van objectieve elementen zoals medische attesten. Indien dergelijke elementen niet voorhanden zijn of niet kunnen worden overgelegd, kunnen de humanitaire redenen alleen worden geacht te zijn bewezen op grond van de door betrokkenen personen verstrekte overtuigende (aannemelijk gemaakte) inlichtingen(zie artikel 12, tweede lid, Uitvoeringsregels).

Teneinde te beoordelen of hereniging van de betrokken personen nodig en wenselijk is, wordt ook rekening gehouden met de volgende aspecten (zie artikel 12, derde lid, Uitvoeringsregels):

a. de gezinssituatie die bestond in het land van herkomst. De asielzoeker dient hieromtrent consistente en geloofwaardige verklaringen af te leggen, zover mogelijk ondersteund met relevante documenten;

b. de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de betrokken personen van elkaar werden gescheiden. Onder oorzaken in deze zin kunnen onder meer worden verstaan: onderbrekingen van de gezamenlijke reis door ziekte, calamiteiten of andere omstandigheden die buiten de invloedssfeer van betrokkene(n) liggen;

c. de stand van de verschillende in de lidstaten lopende asielprocedures of procedures betreffende het Vreemdelingenrecht. Hierbij wordt gedoeld op de voorwaarde, dat in een ander land nog geen beslissing mag zijn genomen op het asielverzoek. Dit standpunt is gelegen in het feit dat het uitgangspunt van de Verordening is dat asielzoekers slechts in één land een behandeling van hun asielverzoek dienen te krijgen. Indien Nederland het asielverzoek aan zich zou trekken, terwijl een ander land al op het asielverzoek heeft beslist, zou de beslissing van het andere land door Nederland nog eens worden overgedaan. Dit is niet wenselijk en strookt niet met de doelstelling van de Verordening. In deze gevallen geldt overigens dat de gezinsleden niet blijvend van elkaar worden gescheiden, omdat het gezinslid van de statushouder in Nederland via de reguliere weg mogelijk in aanmerking kan komen voor gezinshereniging.

Voor deze bepaling van artikel 15, tweede lid, Verordening is in elk geval vereist dat wordt gewaarborgd dat de asielzoeker of het familielid daadwerkelijk de noodzakelijke hulp zal verlenen (zie artikel 12, vierde lid, Uitvoeringsregels).

Ten slotte wordt ingevolge artikel 12, vijfde lid, Uitvoeringsregels het volgende gesteld waarmee rekening gehouden dient te worden.

De lidstaat waar de hereniging plaats heeft en de datum van overdracht worden in onderlinge overeenstemming door de lidstaten vastgesteld, rekening houdende met:

- het vermogen van de afhankelijke persoon om zich te verplaatsen;

- de verblijfssituatie van de betrokken personen teneinde - in voorkomend geval - voorrang te geven aan de hereniging van de asielzoeker met het familielid wanneer die, in de lidstaat waar hij/zij verblijft, reeds over een verblijfstitel en/of middelen beschikt.

Minderjarigen

Onverminderd hetgeen hierboven onder artikel 15 Verordening is opgemerkt, wordt met betrekking tot niet begeleide minderjarigen nog het volgende opgemerkt (zie artikel 15, derde lid, Verordening).

Een alleenstaande minderjarige asielzoeker kan ook toevertrouwd worden aan een ander familielid dan zijn vader, moeder of wettelijke voogd. Wanneer dit echter tot bijzondere moeilijkheden zou kunnen leiden, met name wanneer de betrokken volwassene buiten het rechtsgebied van de lidstaat woont waar de minderjarige asiel heeft aangevraagd, wordt de samenwerking tussen de bevoegde instanties van de lidstaten -in het bijzonder de autoriteiten of rechterlijke instanties die belast zijn met de bescherming van de minderjarigen- vergemakkelijkt en worden de nodige maatregelen genomen om het deze bevoegde instanties mogelijk te maken zich met de vereiste kennis van zaken uit te spreken over het vermogen van de betrokken volwassene(n) om de minderjarige, onder voorwaarden die in overeenstemming zijn met het belang van de minderjarige, onder zijn/haar hoede te nemen (zie artikel 13 Uitvoeringsregels).

Indien de asielzoeker een niet begeleide minderjarige is (jonger dan 18 jaar) die in een andere lidstaat één of meer familieleden heeft die voor hem kunnen zorgen, herenigen de lidstaten -indien mogelijk- de minderjarige met deze verwant(en), tenzij dit niet in het belang van de minderjarige is.

Hierbij zij nog opgemerkt dat indien de niet begeleide minderjarige een gezinslid(leden) en/of familieleden heeft in het land van herkomst waardoor dus sprake is van opvang, de minderjarige in beginsel niet in aanmerking komt voor hereniging op grond van artikel 15 van de Verordening.

Onder `indien mogelijk' dient onder meer het volgende te worden verstaan:

a. er dient voldoende aannemelijk te zijn gemaakt dan wel te zijn aangetoond dat er daadwerkelijk sprake is van familie (niet zijnde gezinslid als bedoeld onder artikel 2, aanhef en onder i, Verordening);

b. afhankelijk van de asielprocedure van het familielid (familieleden) hier te lande, dient te worden bezien of de hereniging nog wel mogelijk is mede bezien in het licht van het belang van de niet begeleide minderjarige.

Het is immers onwenselijk om overige familieleden in de Nederlandse asielprocedure op te nemen terwijl, ten aanzien van het gezinslid waar Nederland voor verantwoordelijk is, reeds is beslist dat geen grond voor verlening bestaat en de asielzoeker Nederland derhalve dient te verlaten. Hierbij wordt gedoeld op de voorwaarde, dat in een ander land nog geen beslissing mag zijn genomen op het asielverzoek. Dit standpunt is gelegen in het feit dat het uitgangspunt van de Verordening is dat asielzoekers slechts in één land een behandeling van hun asielverzoek dienen te krijgen. Indien Nederland het asielverzoek aan zich zou trekken, terwijl een ander land al op het asielverzoek heeft beslist, zou de beslissing van het andere land door Nederland nog eens worden overgedaan. Dit is niet wenselijk en strookt niet met de doelstelling van de Verordening.

In deze gevallen geldt overigens dat de familieleden niet blijvend van elkaar worden gescheiden, omdat het familielid van de statushouder in Nederland via de reguliere weg mogelijk in aanmerking kan komen voor gezinshereniging.

Onder `in het belang van de minderjarige' dient onder meer het volgende te worden verstaan:

a. de familieband dient te zijn aangetoond; immers het is niet in het belang van de minderjarige hem/haar te plaatsen bij iemand waarvan niet daadwerkelijk vaststaat dat het familie is; én

b. er dient geen sprake te zijn van een familielid (-leden) waarvan het vermoeden bestaat dat er sprake is geweest van mishandeling (fysiek, mentaal dan wel seksueel) van de minderjarige door dit familielid (-leden); én

c. het familielid(-leden) kan (kunnen) de minderjarige voldoende zorg bieden; én

d. hetgeen hieromtrent is gesteld in het nationale beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen ingevolge C2/7 Vc voor zover van toepassing.

Artikel 15, vierde lid, Verordening

Indien de aangezochte lidstaat een verzoek op grond van artikel 15 van de Verordening inwilligt, wordt de verantwoordelijkheid voor de behandeling (van het asielverzoek/de asielverzoeken) aan deze lidstaat overgedragen.

Artikel 15, vijfde lid, Verordening

Ingevolge dit artikel bestaat er een mogelijkheid tot bemiddelen indien de lidstaten er onderling niet uit kunnen komen wie de verantwoordelijkheid op zich neemt de aanvraag (aanvragen) in behandeling te nemen op grond van artikel 15 van de Verordening. Hiertoe wordt tevens verwezen naar artikel 15 van de Uitvoeringsregels.

4.3 Dublinet

Ingevolge artikel 22, eerste lid, Verordening delen de lidstaten de Commissie mee welke diensten belast zijn met de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit deze Verordening en zorgen ervoor dat die diensten over voldoende middelen beschikken om hun taak te vervullen en met name om binnen de gestelde termijnen te kunnen antwoorden op informatie-, overname-, en terugnameverzoeken. Voor Nederland is dit het Bureau Dublin te Zevenaar.

De regels betreffende de totstandbrenging van veilige kanalen voor het elektronisch verzenden van verzoeken tussen de in lid 1 bedoelde diensten en om ervoor te zorgen dat de verzenders automatisch een elektronisch bewijs van ontvangst krijgen, worden opgesteld volgens de in artikel 27, tweede lid, Verordening bedoelde procedure (artikel 22, tweede lid, Verordening).

Hiertoe wordt voorts verwezen naar Hoofdstuk VI en VII van de Uitvoeringsregels behorende bij de Verordening.

4.4 Eurodac

De op 15 juni 1990 door alle lidstaten van de EU ondertekende overeenkomst van Dublin alsmede de op 18 februari 2003 ondertekende Verordening (EG) nr. 343/2003 maakt het mogelijk de lidstaat aan te wijzen die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de lidstaten van de EU is ingediend. Gelet op de problemen die de lidstaten verwachtten bij het opsporen van vreemdelingen die reeds in een andere lidstaat een asielverzoek hebben ingediend, hebben de ministers voor immigratiezaken in 1991 voorgesteld een communautair systeem voor het vergelijken van vingerafdrukken van asielzoekers in het leven te roepen om deze personen te kunnen identificeren.

Dit systeem is ontwikkeld in 2000 en operationeel geworden op 15 januari 2003.

De instelling en het beheer van Eurodac worden geregeld in de Verordening nr. 2725/2000 van de Europese Raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van Eurodac voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin dan wel de Verordening (EG) nr. 343/2003 (Publicatieblad L 316 van 15.12.2000).

Eurodac is een systeem voor het vergelijken van vingerafdrukken van asielzoekers en illegale immigranten en is in het leven roepen om de Overeenkomst van Dublin alsmede de Verordening, waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, efficiënter toe te passen. Het systeem bestaat uit een door de Europese Commissie beheerde centrale eenheid, een geautomatiseerde centrale gegevensbank en elektronische middelen voor de overdracht van gegevens tussen de lidstaten en de centrale gegevensbank.

Naar verwachting zal dit Europese gegevensbestand in de toekomst leiden tot een waardevol hulpmiddel voor het vaststellen of een asielzoeker al eerder in een andere lidstaat asiel heeft aangevraagd.

4.4.1 Partijen bij de Eurodac-Verordening en werkingsgebied

Alle landen die partij zijn bij de Overeenkomst van Dublin dan wel gebonden zijn aan de Verordening zijn eveneens partij bij Eurodac. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben zich aangesloten bij het gebruik van Eurodac. Denemarken is geen partij bij Eurodac.

Deze verordening is van toepassing op het grondgebied waarop de Overeenkomst van Dublin dan wel de Verordening van toepassing is.

Wijziging van C1/2.5

De tekst van paragraaf C1/2.5 wordt hernummerd naar C1/2.7.

Wijziging van C2/7.3.1

De tekst van paragraaf C2/7.3.1 komt als volgt te luiden:

Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van de Europese Unie wordt in beginsel niet toegepast op asielzoekers die alleenstaande minderjarigen zijn. Artikel 6 van de Verordening stelt dat, indien de asielzoeker een niet begeleide minderjarige is, de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek berust bij de lidstaat waar een lid van het gezin (vader en/of moeder of voogd) zich wettig (rechtmatig in de zin van de Vreemdelingenwet) ophoudt, voor zover dit in het belang van het kind is. Indien er geen vader en/of moeder of voogd is, berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek bij de lidstaat waarbij de minderjarige het asielverzoek heeft ingediend. Voor zover de Overeenkomst van Dublin van toepassing is of zal zijn, bijvoorbeeld bij Denemarken, wordt echter conform de Verordening gehandeld en in beginsel niet verzocht om overname tenzij zich een vader en/of moeder of voogd in een andere lidstaat bevindt.

Wijziging van C3/11.3.1.1

De tekst van paragraaf 3.1.1 van hoofdstuk C3/11 wordt als volgt gewijzigd:

3.1.1 Asielverzoek in transfer of transit vanuit een lidstaat die partij is bij de Overeenkomst van Dublin dan wel gebonden is aan de Verordening (EG) nr. 343/2003, geen partij bij het Akkoord van Schengen

Indien een vreemdeling door een lidstaat die partij is bij de Overeenkomst van Dublin dan wel gebonden is aan de Verordening nr. 343/2003 van de Raad van de Europese Unie (hierna: de Verordening), maar niet bij het Akkoord van Schengen (Verenigd Koninkrijk en Ierland), wordt verwijderd via de luchthaven Schiphol en aldaar een asielverzoek indient, geldt nog het volgende:

- de ambtenaar belast met de grensbewaking neemt reeds na uitreiking van de beschikking ex artikel 6, eerste lid, Vreemdelingenwet (Model M19) contact op met het Aanmeldcentrum Schiphol ten behoeve van het overbrengen van de vreemdeling en meldt daarbij dat het een geweigerde transfer- of transitvreemdeling uit een andere lidstaat bij de Overeenkomst van Dublin/de Verordening betreft;

- op het Aanmeldcentrum Schiphol vindt het eerste gehoor (met daarbij ondertekening van het Model M35-H), de voorbereiding op het Dublingehoor, het Dublingehoor, het concipiëren en de uitreiking van het voornemen plaats als aangegeven in C5/21.3;

- nadat de reactietermijn voor het geven van een zienswijze is verstreken en er is beslist dat de claim gelegd gaat worden, wordt de vreemdeling in een grenslogies geplaatst als aangegeven in C3/12.13.3.1;

- het dossier van de vreemdeling wordt zo spoedig en efficiënt mogelijk overgedragen aan het Bureau Dublin van waaruit de claim zo spoedig mogelijk wordt gelegd op grond van artikel 3 Overeenkomst van Dublin/artikel 3 Verordening en als aangegeven in C5/21.3;

- indien in het kader van de Overeenkomst van Dublin of de Verordening een claim is gehonoreerd en het asielverzoek op grond van artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet wordt afgewezen, wordt de beschikking geslagen op het Bureau Dublin. De beschikking wordt vervolgens door tussenkomst van de Vreemdelingendienst in het aanmeldcentrum Schiphol aan de vreemdeling uitgereikt in het grenslogies waar de vreemdeling verblijft. De vreemdeling wordt, middels een kennisgeving van overdracht, meegedeeld door welk land zijn aanvraag zal worden behandeld en dat hij krachtens de Overeenkomst van Dublin/de Verordening en met inachtneming van de nationale regelgeving aan het betreffende land zal worden overgedragen. De feitelijke teruggeleiding naar de verantwoordelijke lidstaat wordt geëffectueerd vanaf de luchthaven Schiphol. Voor de overdrachtsprocedure wordt voorts verwezen naar C5/21.6 en A4/4.6, 4.9, 4.10 en 4.11.

Wijziging van C3/11.3.1.2

De tekst van paragraaf 3.1.2 van hoofdstuk C3/11 wordt als volgt gewijzigd:

3.1.2 Asielverzoek in transfer of transit vanuit een lidstaat die partij is bij de Overeenkomst van Dublin dan wel gebonden is aan de Verordening, die tevens partij is bij het Akkoord van Schengen

Als aan de lidstaat, die partij is bij de Overeenkomst van Dublin dan wel gebonden is aan de Verordening en tevens partij is bij het Akkoord van Schengen, het verzoek tot overname ingediend wordt, dan betekent dit dat er al sprake is van feitelijke toegang tot het Schengengebied en kan de toegang niet alsnog geweigerd worden op de luchthaven Schiphol. Dit betekent dat in dergelijke gevallen niet één van de maatregelen van artikel 6 Vreemdelingenwet opgelegd kan worden.

Indien een dergelijke niet-geweigerde transfer- of transitvreemdeling te kennen geeft een asielverzoek te willen indienen, geldt de volgende procedure nadat de vreemdeling aan een ambtenaar belast met toezicht op vreemdelingen is overgedragen:

- de ambtenaar belast met toezicht op vreemdelingen neemt contact op met het Aanmeldcentrum Schiphol ten behoeve van het overbrengen van de vreemdeling en meldt dat het daarbij een transfer- of transitvreemdeling uit een andere lidstaat bij de Overeenkomst van Dublin/de Verordening betreft, aan wie de toegang tot Nederland niet is geweigerd;

- de vreemdeling en zijn bescheiden worden overgedragen aan de Vreemdelingendienst in het Aanmeldcentrum Schiphol;

- bij aankomst in het Aanmeldcentrum Schiphol krijgt de vreemdeling een aanwijzing op grond van artikel 55 Vreemdelingenwet van een daartoe bevoegde autoriteit (veelal een medewerker van de Vreemdelingendienst in het Aanmeldcentrum Schiphol). De vreemdeling dient zich op grond van deze aanwijzing op te houden in het Aanmeldcentrum Schiphol gedurende het onderzoek naar de aanvraag;

- op het Aanmeldcentrum Schiphol vindt het eerste gehoor (met daarbij ondertekening van het model M35H), de voorbereiding op het Dublingehoor, het Dublingehoor, het concipiëren en de uitreiking van het voornemen plaats als aangegeven in C5/21.3;

- nadat de reactietermijn voor het geven van een zienswijze is verstreken, wordt beslist of een claim gelegd gaat worden. Indien er binnen de 48-uursprocedure een claimakkoord voorhanden is, bestaat in voorkomende gevallen de mogelijkheid om de vreemdeling in bewaring te stellen conform artikel 59, eerste lid juncto tweede lid, Vreemdelingenwet en A5/5.3 teneinde de uitzetting van de vreemdeling te effectueren (zie de bijzondere aanwijzing voor Aanmeldcentrum Schiphol; C5/21.3.2.2). Met name wordt in dit verband gewezen op het tweede lid van artikel 59 Vreemdelingenwet (A5/5.3.3.1);

- het dossier van de vreemdeling wordt zo spoedig en efficiënt mogelijk overgedragen aan het Bureau Dublin van waaruit de claim zo spoedig mogelijk wordt gelegd op grond van artikel 3 Overeenkomst van Dublin/artikel 3 Verordening en als aangegeven in C5/21.3;

- indien in het kader van de Overeenkomst van Dublin of de Verordening een claim gehonoreerd is, wordt de geaccordeerde claim gezonden aan het Bureau Dublin alwaar de beschikking wordt geslagen. De beschikking wordt vervolgens door tussenkomst van de Vreemdelingendienst in het aanmeldcentrum Schiphol aan de vreemdeling uitgereikt. Aan de vreemdeling wordt tevens meegedeeld door welk land zijn aanvraag zal worden behandeld en dat hij krachtens de Overeenkomst van Dublin en met inachtneming van de nationale regelgeving aan het betreffende land zal worden overgedragen. Op het Bureau Dublin wordt een beschikking geslagen waarbij het asielverzoek op grond van artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet wordt afgewezen. Vervolgens wordt deze beschikking aan de betrokken vreemdeling uitgereikt. De feitelijke overdracht wordt geëffectueerd vanaf de luchthaven Schiphol. Voor de verdere overdrachtsprocedure wordt verwezen naar C5/21.6, A4/4.6, 4.9, 4.10 en 4.11.

N.B. Overdracht aan de Duitse autoriteiten geschiedt tevens conform de procedureafspraken die hieromtrent op 7 mei 1998 gemaakt zijn tussen de Staf van de Koninklijke Marechaussee en de Grenzschutzdirektion van de Bundesgrenzschutz. Voor de verwijdering van transfer- of transitvreemdelingen kwamen beide partijen overeen daarvoor een formulier te gebruiken dat is gevoegd bij het verwijderingsprotocol. Dit formulier wordt op de luchthaven Schiphol ingevuld door een medewerker van de Koninklijke Marechaussee.

Wijziging van C3/11.3.1.3

De tekst van paragraaf 3.1.3 van hoofdstuk C3/11 wordt als volgt gewijzigd:

3.1.3 Asielverzoek door uitgeprocedeerde asielzoeker in transit vanuit een ander land

Indien een uitgeprocedeerde asielzoeker via de luchthaven Schiphol wordt verwijderd door een land dat geen partij is bij de Overeenkomst van Dublin dan wel gebonden is aan de Verordening, geldt de procedure als aangegeven in C3/11.3.1. Na toegangsweigering op grond van artikel 6 Vreemdelingenwet, wordt het asielverzoek in het Aanmeldcentrum Schiphol in behandeling genomen als aangegeven in C3/11.3.1 en C3/12.3.

Wijziging van C3/12.3.3

De tekst van paragraaf 3.3 van hoofdstuk C3/12 wordt als volgt gewijzigd:

3.3 De vrijheidsontnemende maatregel ex. artikel 6, eerste en tweede lid, Vreemdelingenwet

3.3.1 Oplegging dan wel voortzetting van de maatregel

Na de aanmelding in het aanmeldcentrum Schiphol en indiening van het asielverzoek beziet de IND, onder meer op basis van de hieronder genoemde niet-cumulatieve en niet-limitatieve criteria of een maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vreemdelingenwet, toegepast dan wel voortgezet kan worden:

a. het asielverzoek kan binnen de aanmeldcentrumprocedure worden afgewezen;

b. de asielzoeker maakt deel uit van een grotere groep asielzoekers die op hetzelfde moment arriveert, waarbij aanleiding bestaat om uitgebreid onderzoek te plegen naar de herkomst of oorzaak daarvan;

c. er is sprake van `misbruik van de asielprocedure', bijvoorbeeld doordat de asielzoeker onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn reis of identiteit of zich van zijn al dan niet vervalste reisdocument heeft ontdaan of zijn retourticket heeft verscheurd;

d. ten aanzien van de asielzoeker zijn identiteit en nationaliteit, asielrelaas of overgelegde documenten is nader onderzoek of analyse noodzakelijk, teneinde te bepalen of het asielverzoek dient te worden afgewezen;

e. de toegang is geweigerd op grond van artikel 3, eerste lid onder b, Vreemdelingenwet;

f. ten aanzien van de asielzoeker zal bij een andere staat een verzoek tot overname worden ingediend op basis van de Overeenkomst van Dublin of Verordening nr. 343/2003 van de Raad van de Europese Unie;

g. ten aanzien van de asielzoeker is een claim gelegd bij de aanvoerende maatschappij;

h. er is sprake van een evident geval waarin artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen.

Ad h. Gedoeld wordt op die gevallen waarin tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag plaatsvindt op basis van verklaringen van de betrokken asielzoeker in combinatie met beleidsconclusies die zijn gebaseerd op algemene ambtsberichten over schenders van mensenrechten. Daarnaast wordt gedoeld op gevallen waarbij een asielzoeker tijdens de aanmeldcentrumprocedure op Schiphol mededelingen doet van door hem begane ernstige mensenrechtenschendingen waaruit evident blijkt dat er sprake is van de mogelijkheid dat aan hem artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen.

Bovenstaande lijst is niet uitputtend. Indien niet (langer) aan een van de bovenstaande criteria wordt voldaan, kan onder bijzondere omstandigheden de maatregel ex. artikel 6 Vreemdelingenwet toch worden opgelegd dan wel voortgezet.

Wijziging van C3/15.2

De tekst van paragraaf 2 van hoofdstuk C3/15 wordt als volgt gewijzigd:

2 Kennisgeving van het voornemen de aanvraag af te wijzen

Aan de gemachtigde van de asielzoeker wordt een schriftelijke, gemotiveerde kennisgeving toegezonden. In het voornemen dient te worden ingegaan op alle relevante gronden waarop de voorgenomen afwijzing is gebaseerd, zodat de vreemdeling in staat is inhoudelijk te reageren op de voorgenomen afwijzing van zijn aanvraag. De op de aanvraag betrekking hebbende stukken worden bij de schriftelijke mededeling gevoegd, voor zover de vreemdeling geen kennis kan hebben van de inhoud van deze stukken.

Indien het onderzoek naar de aanvraag informatie heeft opgeleverd die tegenstrijdig is met hetgeen de asielzoeker heeft aangevoerd, wordt dit in het voornemen aangegeven.

Indien er geen raadsman of gemachtigde bekend is, wordt de kennisgeving aan de vreemdeling uitgereikt door de korpschef.

Uitzondering op de hoofdregel dat een kennisgeving wordt toegezonden, bestaat eveneens in de volgende gevallen:

a. indien op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd (artikel 3.116 Vreemdelingenbesluit, zie C5/22);

b. indien de asielzoeker verblijft in een aanmeldcentrum en de Minister voornemens is het asielverzoek binnen 48 proces-uren af te wijzen (artikel 3.117 Vreemdelingenbesluit, zie C3/12.11);

c. indien een claim op grond van de Overeenkomst van Dublin of de Verordening 343/2003 van de Raad van de Europese Unie is gelegd (artikel 3.118 Vreemdelingenbesluit, zie C5/21).

In deze gevallen wordt de kennisgeving van het voornemen uitgereikt aan de vreemdeling door de korpschef dan wel een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Op de aan de asielzoeker uit te reiken kennisgeving dan wel op een daarbij gevoegd formulier wordt in elk geval aangetekend:

- de datum en wijze van uitreiking van het voornemen;

- de naam of het dienstnummer van de uitreikende ambtenaar;

- een mededeling omtrent de voor de asielzoeker openstaande mogelijkheid zijn zienswijze naar voren te brengen.

Indien het niet mogelijk is het voornemen uit te reiken omdat de vreemdeling is verhuisd, zonder de korpschef in kennis te stellen van een nieuw adres, zendt de korpschef het voornemen naar het laatst bekende adres. Als het voornemen wordt geretourneerd omdat de geadresseerde er niet meer woont, vermeldt de korpschef in een proces-verbaal dat het niet mogelijk is de beschikking uit te reiken, terwijl vast staat dat de vreemdeling niet verblijft op het laatst bekende adres. Vervolgens worden het voornemen en het proces-verbaal gezonden aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Indien de vreemdeling is vertrokken uit een opvanglocatie behoeft het voornemen niet vanuit diezelfde opvanglocatie te worden verzonden. De korpschef maakt in dat geval een proces-verbaal op en zendt deze met het voornemen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Wijziging van C5/21

De tekst van hoofdstuk C5/21 wordt als volgt gewijzigd:

5/21 Procedure als de Overeenkomst van Dublin dan wel de Verordening (EG) nr. 343/2003 wordt toegepast

[Verordening nr. 343/2003 van de Raad van de Europese Unie, Overeenkomst van Dublin, artikel 30, 54, 59, 69 en 82 Vreemdelingenwet, artikel 3.118 en 4.51 Vreemdelingenbesluit]

Wijziging van C5/21.1

De tekst van de eerste alinea van paragraaf 1 van hoofdstuk C5/21 wordt als volgt aangepast:

1. Algemeen

Op grond van artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet, wordt steeds onderzocht of Nederland dan wel een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek (zie C1/2.2).

Het feit dat een ander land op grond van de Overeenkomst van Dublin of de Verordening nr. 343/2003 van de Raad van de Europese Unie (hierna: de Verordening) verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag, is een imperatieve afwijzingsgrond. Ter wille van het voeren van een efficiënte asielprocedure alsmede om zo snel mogelijk duidelijkheid te verschaffen aan de asielzoeker, dient in een zo vroeg mogelijk stadium, zo mogelijk binnen de aanmeldcentrumprocedure, vastgesteld te worden of een ander land mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.

Wijziging van C5/21.2

2 De Dublinprocedure wordt gestart in het Aanmeldcentrum

2.1 Onderzoek in het aanmeldcentrum

De laatste alinea van paragraaf 2.1 van hoofdstuk C5/21 wordt als volgt aangepast:

Na het Dublingehoor volgt een beoordelingsmoment waarin wordt bepaald of een claim wordt gelegd, dan wel of een reeds gelegde claim wordt gehandhaafd. Beoordeeld wordt met name of er beletselen zijn om een claim te leggen en of er redenen zijn om toepassing te geven aan artikel 3, vierde lid, Overeenkomst van Dublin (zie C1/2.2.3) dan wel artikel 3, tweede lid, Verordening (zie C1/2.4). Indien dit niet het geval is, wordt een voornemen geconcipieerd dat betrekking heeft op toepassing van de Overeenkomst van Dublin/de Verordening.

Wijziging van C5/21.2.2

2.2 Uitreiking van het voornemen

De alinea die volgt op de tekst van Art. 3.118 Vreemdelingenbesluit wordt op de volgende wijze aangepast.

Het artikel 3.118 Vreemdelingenbesluit is van toepassing in alle gevallen waarin de Overeenkomst van Dublin dan wel de Verordening wordt toegepast. In deze bepaling wordt onderscheid gemaakt tussen de gevallen waarin het voornemen wordt uitgereikt in het aanmeldcentrum en de gevallen waarin het voornemen wordt uitgereikt na afloop van de aanmeldcentrumprocedure. Dit onderscheid en de te volgen procedure, wordt hieronder uitgewerkt.

Wijziging van C5/21.3

3 De Dublinprocedure wordt gestart na doorverwijzing naar een opvanglocatie

De eerste alinea van C5/21.3 wordt op de volgende wijze aangepast:

Het is niet altijd mogelijk om gedurende de aanmeldcentrumprocedure tot de vaststelling te komen dat een Dublinclaim wordt gelegd. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat een claimmogelijkheid pas kan worden onderkend op het moment dat de resultaten binnenkomen van (vingerafdrukken)onderzoek, uitgevoerd door een ander land dat partij is bij de Overeenkomst van Dublin dan wel gebonden is aan de Verordening.

In gevallen dat pas later, wanneer de asielzoeker reeds in de opvang verblijft, de claimmogelijkheid wordt onderkend, geldt de volgende werkwijze.

De vijfde alinea van C5/21.3 wordt op de volgende wijze aangepast:

Na het Dublingehoor (c.q. het nader gehoor met de Dublinclausule) volgt een beoordelingsmoment waarin wordt bepaald of inderdaad een claim zal worden gelegd. Beoordeeld wordt met name of er beletselen zijn om een claim te leggen en of er redenen zijn om toepassing te geven aan artikel 3, vierde lid, Overeenkomst van Dublin (zie C1/2.2.3) dan wel artikel 3, tweede lid, Verordening (zie C1/2.4). Indien dit niet het geval is, wordt een voornemen geconcipieerd dat betrekking heeft op toepassing van de Overeenkomst van Dublin dan wel de Verordening.

De asielzoeker verblijft, in afwachting van uitreiking van het voornemen en het rapport van het Dublingehoor, in het aanmeldcentrum van het behandelend Dublinbureau. Voor het uitbrengen van correcties en aanvullingen en de zienswijze geldt ingevolge artikel 3.118 Vreemdelingenbesluit, een termijn van drie dagen, te rekenen vanaf de dag nadat uitreiking van (de kopie van) het rapport van Dublingehoor en het voornemen heeft plaatsgevonden.

De zesde alinea van C5/21.3 wordt op de volgende wijze aangepast:

Na ontvangst van de zienswijze op het uitgebrachte voornemen en de eventuele aanvullingen en correcties op het Dublingehoor, wordt beslist of de claim wordt gelegd. Indien naar aanleiding van de zienswijze geen reden bestaat tot een ander standpunt, wordt inzake het dossier van de vreemdeling -dat zich reeds bevindt op het Bureau Dublin- een verzoek tot overname gedaan.

De zevende alinea van C5/21.3 wordt op de volgende wijze aangepast:

Het Bureau Dublin informeert het COA dat een Dublinclaim is gelegd. De Dublinclaimant verblijft gedurende de afwikkeling van de Dublinprocedure (tot aan de Dublinbeschikking, dan wel het moment waarop blijkt dat Nederland alsnog verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek) en voor zolang daartoe recht bestaat (tot aan het moment dat de rechtsgevolgen van de Dublinbeschikking in werking treden) in daartoe door het COA aangewezen opvanglocatie(s), waarop het voorzieningenniveau van de Rva 1997 van toepassing is.

Wijziging van C5/21.4

De tekst van paragraaf 4 van hoofdstuk C5/21 komt te vervallen en wordt op de volgende wijze aangepast:

4 Reactie op het claimverzoek

Indien het land waar de claim is gelegd, akkoord gaat met overname van de behandeling van het asielverzoek, wordt een beschikking uitgereikt.

Indien dit nog tijdens de aanmeldcentrumprocedure gebeurt, is C3/12.2 van toepassing. De beroepstermijn bedraagt op grond van artikel 69, tweede lid, Vreemdelingenwet één week en de behandeling van het beroep mag op grond van artikel 82, tweede lid onder a, Vreemdelingenwet niet in Nederland worden afgewacht. De vreemdeling kan de rechter verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.

Indien de beschikking niet binnen de aanmeldcentrumprocedure wordt uitgereikt, bedraagt de beroepstermijn vier weken (artikel 69, eerste lid, Vreemdelingenwet) en mag de behandeling van het beroepschrift op grond van artikel 82 Vreemdelingenwet niet in Nederland worden afgewacht. De vreemdeling kan de rechter verzoeken een voorlopige voorziening te treffen (zie voor het overgangsrecht C1/2.3.2).

Indien de claim wordt afgewezen, beoordeelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst of een heroverwegingsverzoek aan de verzoekende lidstaat moet worden verstuurd. Indien dit niet aan de orde is of wanneer ook het heroverwegingsverzoek is afgewezen, wordt het asielverzoek inhoudelijk beoordeeld. Het Bureau Dublin informeert het COA hieromtrent.

Wijziging van C5/21.5

De tekst van paragraaf 5 van hoofdstuk C5/21 komt te vervallen en wordt op de volgende wijze aangepast:

5 Overdracht in het kader van de Overeenkomst van Dublin dan wel de Verordening (EG) nr. 343/2003

Indien in het kader van de Overeenkomst van Dublin dan wel de Verordening een claim is gehonoreerd en het asielverzoek derhalve op grond van artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet wordt afgewezen, wordt de beschikking zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling uitgereikt en wordt hem mededeling gedaan door welk land zijn asielverzoek (in de zin van de Overeenkomst van Dublin/de Verordening) zal worden behandeld. Voorts wordt hem meegedeeld dat hij krachtens deze Overeenkomst dan wel de Verordening en met inachtneming van de nationale regelgeving zal worden overgedragen. Ook wordt hem meegedeeld waar hij zich dient te melden in het verantwoordelijke land.

Middels deze beschikking wordt voldaan aan hetgeen gesteld in artikel 19, eerste en tweede lid, Verordening. Voorts zal, in overeenstemming met hetgeen is gesteld in artikel 19, derde lid, Verordening, zodra hierover meer bekend is, de datum van overdracht bekend worden gemaakt. In elk geval zal de overdracht in beginsel niet later dan 6 maanden plaatsvinden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of vanaf de beslissing op het beroep wanneer dit opschortende werking heeft.

Asielzoekers, ten aanzien van wie op grond van de Verordening een verzoek tot overname/terugname is of zal worden gelegd, behouden hun recht op opvang gedurende de periode waarin het verzoek tot overdracht in behandeling is. De opvang niet wordt voortgezet in het geval betrokkene beroep heeft aangetekend tegen de afwijzende (Dublin)beschikking nu dit beroep niet in Nederland mag worden afgewacht (artikel 82, tweede lid, Vreemdelingenwet).

Wel kan de vreemdeling een verzoek om een voorlopige voorziening indienen bij de rechtbank teneinde de beslissing in beroep hier te lande af te wachten (zie voor het overgangsrecht C1/2.3.2).

Het onthouden van opschortende werking aan de beroepsprocedure in de Verordening is gelegen in het uitgangspunt dat snel en efficiënt wordt gehandeld inzake de Dublinprocedure temeer daar het gaat om overdracht naar een andere lidstaat en niet naar het land van herkomst. Ingevolge de Nederlandse beleidsregels mag een eerste tijdig ingediende voorlopige voorziening in beginsel worden afgewacht. Indien dit echter leidt tot een situatie waarbij de overdracht ingevolge de bepalingen van de Verordening (artikel 19, derde lid) dreigt illusoir te worden, zal tot overdracht worden overgegaan en de voorlopige voorziening niet langer mogen worden afgewacht, mede bezien in het licht van C4/17.3.2 Vc.

Hierbij wordt opgemerkt dat de voorlopige voorziening tijdig moet zijn ingediend en voorts dat het de eerste voorlopige voorziening dient te zijn nu deze in beginsel mag worden afgewacht. Indien de eerste voorlopige voorziening tijdig is ingediend, blijft het recht op opvang bestaan (zie hoofdstuk I, artikel 1 onder 2 sub b, RvA 1997).

Op grond van artikel 19, derde lid, Verordening wordt de asielzoeker, zodra het praktisch mogelijk is en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of vanaf de beslissing op het beroep of op het verzoek tot herziening - wanneer dit opschortende werking heeft - overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat. Indien de overdracht niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, berust de verantwoordelijkheid bij de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend. Ingevolge artikel 19, vierde lid, Verordening kan de termijn tot overdacht tot maximaal één jaar worden verlengd indien de overdracht wegens detentie niet binnen de gestelde termijn kon worden uitgevoerd. De termijn tot overdracht kan tot maximaal 18 maanden worden verlengd indien de overdracht niet binnen de gestelde termijn kon worden uitgevoerd wegens onderduiking van de asielzoeker.

Het Dublinbureau dient derhalve de overdracht zo spoedig mogelijk en bij voorkeur binnen deze termijn van 6 maanden te regelen. Het feit dat een eventuele overdracht nog niet rond is, doet geen (verlengd) recht op opvang ontstaan. De vreemdeling is na een geaccordeerde overnameverzoek immers op de hoogte welke lidstaat zijn asielverzoek in behandeling neemt en kan een beroep doen op de daar geldende faciliteiten.

De regeling voor inbewaringstelling van artikel 59, tweede lid, Vreemdelingenwet is van toepassing. Onder `terugkeer' in de zin van artikel 59, tweede lid, Vreemdelingenwet dient in de eerste plaats gedacht te worden aan terugkeer naar het land van herkomst. Daarnaast kan gedacht worden aan vertrek naar het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Overeenkomst van Dublin dan wel de Verordening.

Ook in dat geval kan de vreemdeling op grond van artikel 59, tweede lid, Vreemdelingenwet in bewaring worden gesteld totdat de vreemdeling terugkeert naar het land dat de behandeling van de aanvraag zal overnemen.

De bewaring blijft ingevolge artikel 59, derde lid, Vreemdelingenwet achterwege indien de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook de gelegenheid bestaat. Wanneer sprake is van een geaccordeerd overnameverzoek bestaat die gelegenheid in ieder geval. Of betrokkene te kennen geeft of heeft gegeven Nederland te willen verlaten, c.q. wil meewerken aan zijn overdracht aan het verantwoordelijke land, is mede af te leiden uit de vraag of hij zich gedurende de procedure heeft gehouden aan de hem opgelegde maatregelen van toezicht, of bijvoorbeeld de uitlatingen van betrokkene.

De ambtenaar van het Dublinbureau vraagt op grond van de instemming van de verantwoordelijke lidstaat een laissez-passer aan bij het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Hij legt hierbij een pasfoto van de asielzoeker en de volgende gegevens over: nummer van het Centraal Register Vreemdelingen (CRV) dan wel het V-nummer van het Basisvoorziening Vreemdelingensysteem (BVV), tenaamstelling, geboorteplaats en -datum, nationaliteit en het adres in het andere land waar de asielzoeker zich dient te melden. Het betreft hier meestal de locatie waar de overdracht feitelijk plaatsvindt.

Voor het bepalen van de datum waarop de vreemdeling zich dient te melden bij de autoriteiten van de overnemende lidstaat is het van belang om te weten of de vreemdeling rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de beschikking op grond van artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet. Onder de Overeenkomst van Dublin schort het aanwenden van rechtsmiddelen de termijn voor de overdracht op, indien aan die rechtsmiddelen opschortende werking is verbonden.

Onder de Verordening is geen opschortende werking verbonden aan het aanwenden van eventuele rechtsmiddelen tegen het besluit om de asielzoeker te doen overdragen aan een andere lidstaat. Wel bestaat de mogelijkheid een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen (zie voor het overgangsrecht C1/2.3.2).

In het geval dat binnen de AC-procedure een beschikking is genomen of in geval een maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vreemdelingenwet is opgelegd, geldt dat zowel onder de Overeenkomst van Dublin als de Verordening de rechtsgevolgen niet worden opgeschort, tenzij tijdig is verzocht om een eerste voorlopige voorziening. De betrokken lidstaat moet hiervan in kennis worden gesteld.

Nederland heeft internationaal de verplichting er zoveel mogelijk voor te zorgen dat de asielzoeker zich niet zal onttrekken aan de overdracht. De korpschef en/of de Koninklijke Marechaussee beoordeelt daarom of de asielzoeker zich zelfstandig of begeleid naar het land van bestemming dient te begeven. Het Bureau Dublin heeft hierin een adviserende rol. Vaak blijkt ook uit het geaccordeerde overnameverzoek of begeleide overdracht gewenst is.

Aan de asielzoeker wordt verstrekt:

a. een beschikking met een afwijzing op grond van artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet;

b. een kennisgeving van overdracht aan een ander land dat partij is bij de Overeenkomst van Dublin dan wel de Verordening;

c. een laissez-passer indien hij zelfstandig reist; indien hij onder begeleiding reist houdt zijn begeleider het laissez-passer onder zich; bij vertrek per vliegtuig wordt het laissez-passer afgegeven aan de gezagvoerder die bij aankomst het document aan de grensbewakingsautoriteiten overhandigt;

d. eventueel zijn reisdocument.

Naar het land van bestemming wordt gezonden:

a. de vlucht- en/of reisgegevens;

b. een kopie van het laissez-passer, dat via het snelste technische middel (meestal de fax) wordt verzonden;

c. een kopie van de eventueel beschikbare reis- of identiteitspapieren (voor zover deze nog niet verstrekt zijn bij het leggen van de claim).

Alle originele documenten worden aan het ontvangende land ter hand gesteld door tussenkomst van de autoriteit die de feitelijke uitvoering geeft aan de overdracht. Indien de vreemdeling per vliegtuig reist, worden de documenten in een envelop afgegeven aan de gezagvoerder van het vliegtuig die ze overhandigt aan de grensbewakingsautoriteiten van het ontvangende land.

De plaats waar de asielzoeker zich in het land van bestemming dient te melden, wordt vermeld op het laissez-passer. Het betreft hier veelal de locatie waar de feitelijke overdracht plaatsvindt. Op de kennisgeving van overdracht wordt het land van bestemming aangegeven.

Tot slot

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2003.

Voor zover van toepassing zullen de bovenstaande wijzigingen zo spoedig mogelijk in een aanvulling op de Vreemdelingencirculaire 2000 worden verwerkt.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,namens de Minister,
het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst,
P.W.A. Veld,

Naar boven