Aan:
- de Korpschefs Politieregio's
- de Korpsbeheerders Politieregio's
- de Bevelhebber van de Koninklijke Marechaussee
i.a.a:
- de Procureurs-Generaal
Onderdeel: Stafdirectie Uitvoeringsbeleid
Datum: 1 juli 2003
Ons kenmerk: HKUIT03-2913 (AUB)
Code: TBV 2003/17
Juridische achtergrond: Vreemdelingencirculaire, C1/5.13.3.3.1
Geldigheidsduur: Een jaar ingaand twee dagen na publicatie in de
Staatscourant
Onderwerp: Toepassing artikel 1F voor kindsoldaten
Inleiding
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft besloten om kindsoldaten
jonger dan vijftien jaar niet verantwoordelijk te houden voor artikel 1F handelingen.
Op grond hiervan dient het beleid terzake in de Vreemdelingencirculaire 2000
te worden aangepast.
Wijziging C1/5.13.3.3
De tekst van hoofdstuk C1/5.13.3.3.1, vierde alinea (`N.B. Ten aanzien
van kindsoldaten ... bevorderingen wegens goede prestaties'), wordt
vervangen door de volgende tekst:
`N.B. Ten aanzien van kindsoldaten is bijzondere aandacht geboden
bij de beoordeling of er sprake is van “knowing participation”.
Uitgangspunt is dat in verhoogde mate rekening dient te worden gehouden met
hun leeftijd. Kindsoldaten jonger dan vijftien jaar worden niet verantwoordelijk
gehouden voor artikel 1F handelingen. Voor hen geldt dat artikel 1F niet wordt
toegepast. Dit uitgangspunt geldt voor alle handelingen van kindsoldaten onder
15 jaar, ongeacht of deze handelingen zijn verricht in of buiten diensttijd.
Voor kindsoldaten in de leeftijd van vijftien tot achttien jaar dienen alle
feiten en omstandigheden van het individuele geval in aanmerking te worden
genomen. Tot deze feiten en omstandigheden behoren onder meer:
- de leeftijd op het moment van indiensttreding;
- het al dan niet vrijwillige karakter van indiensttreding;
- de consequenties bij weigering van indiensttreding1;
- wilsverlammende gebeurtenissen bij indiensttreding2;
- de duur van het kindsoldaatschap;
- de aanwezigheid van mogelijkheden (eerder) te ontsnappen en/of zich
aan persoonlijke deelname aan misdrijven te onttrekken;
- het gedwongen gebruik van drugs en/of medicatie; en
- bevorderingen wegens “goede prestaties”.
1 In dit verband dient het leerstuk van de subjectieve overmacht
als uitgangspunt te worden gehanteerd. Bekeken moet worden of van de minderjarige
redelijkerwijs verwacht kon worden weerstand te bieden aan de op hem uitgeoefende
druk om in dienst te treden.
2 Hierbij moet worden gedacht aan ernstige gewelddadigheden
waarmee de indiensttreding gepaard gaat, in het bijzonder wanneer het traumatische
gebeurtenissen betreft.
Bij de beoordeling of artikel 1F kan worden tegengeworpen aan kindsoldaten
in de leeftijd van vijftien tot achttien jaar dient rekening te worden gehouden
met het feit dat artikel 1F niet wordt tegengeworpen aan kindsoldaten jonger
dan vijftien jaar. Dit betekent dat voor de categorie vijftien tot achttien
jaar in het individuele geval een zwaarder gewicht kan worden toegekend aan
de indicatoren “leeftijd op het moment van indiensttreding” en “het
al dan niet vrijwillige karakter van indiensttreding”. Bijvoorbeeld,
indien indiensttreding heeft plaatsgevonden op het moment dat de kindsoldaat
jonger was dan vijftien jaar kan het aannemen van de verantwoordelijkheid
en dus tegenwerping van artikel 1F handelingen minder snel voor de hand liggen.
Op deze manier wordt de bijzondere positie van kindsoldaten, die zijn gerekruteerd
toen zij jonger waren dan vijftien jaar maar artikel 1F handelingen hebben
gepleegd toen zij ouder waren dan vijftien jaar, in aanmerking genomen.'
Tot slot
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening
van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Voorzover van toepassing zullen de bovenstaande wijzigingen zo spoedig
mogelijk in een aanvulling op de Vreemdelingencirculaire 2000 worden verwerkt.