Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2003, 121 pagina 9Overig

Algemene uitvoeringsregeling milieukwaliteit elektriciteitsproductie

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 6 juni 2003, nr. WJZ 3019637, tot vaststelling van algemene uitvoeringsregels voor de subsidie voor de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie (Algemene uitvoeringsregeling milieukwaliteit elektriciteitsproductie)

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 16b, tweede lid, 71, 72k, 72m, zesde lid, 72n, vierde lid, onderdeel b, 72r, eerste lid, 72s, vierde lid, 72y, tweede lid, en 72ad van de Elektriciteitswet 1998;

Besluit:

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. minister: de Minister van Economische Zaken;

b. wet: de Elektriciteitswet 1998;

c. tarief: het voor de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie door de afnemers te betalen bedrag, bedoeld in artikel 72ab, eerste lid, van de wet;

d. ontheffinghouder: degene die een ontheffing heeft verkregen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet;

e. biomassaverwerkingscapaciteit: de capaciteit van de installatie die uitsluitend of in het bijzonder bedoeld is voor de verwerking van biomassa gericht op de directe of indirecte omzetting van biomassa in elektriciteit, berekend als het product van de biomassa die in normaal bedrijf per uur maximaal kan worden verwerkt en de onderste verbrandingswaarde van die biomassa;

f. afvalverbrandingsinstallatie: de productie-installatie waarin al dan niet de opgewekte warmte wordt teruggewonnen en die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor:

1°. de verbranding door oxidatie van afvalstoffen;

2°. een andere thermische behandeling van afvalstoffen dan bedoeld onder 1° ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand, of

3°. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling van afvalstoffen.

§ 2. Uitvoeringsregels voor de inning van de tarieven

Artikel 2

1. De netbeheerder en de ontheffinghouder dragen binnen tien werkdagen na afloop van iedere maand de ontvangen tarieven af aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet.

2. De netbeheerder en de ontheffinghouder dragen de tarieven gescheiden af van de overige middelen die zij aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet afdragen.

Artikel 3

De netbeheerder en de ontheffinghouder houden een afzonderlijke administratie bij van de tarieven.

Artikel 4

De netbeheerder en de ontheffinghouder delen aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet binnen tien werkdagen na afloop van ieder kwartaal mee:

a. het totale bedrag van de tarieven die ieder van hen in dat kwartaal in rekening heeft gebracht bij afnemers;

b. het totale bedrag van de tarieven die ieder van hen in dat kwartaal heeft geïnd van de afnemers;

c. het totale bedrag van de tarieven die voor ieder van hen in dat kwartaal niet inbaar zijn gebleken.

§ 3. Informatievoorziening, sturing en toezicht

Artikel 5

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet deelt aan de minister binnen twintig werkdagen na afloop van ieder kwartaal met betrekking tot de tarieven mee:

a. het totale bedrag dat in het voorgaande kwartaal in rekening is gebracht bij afnemers;

b. het totale bedrag dat in het voorgaande kwartaal is geïnd van afnemers;

c. het totale bedrag dat in het voorgaande kwartaal niet inbaar is gebleken.

Artikel 6

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet deelt aan de minister binnen twintig werkdagen na afloop van ieder kwartaal mee:

a. het totale bedrag aan kosten die hij in het voorgaande kwartaal heeft gemaakt voor het uitvoeren van de subsidieregeling;

b. het saldo van de egalisatiereserve aan het eind van het afgelopen kwartaal.

Artikel 7

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet deelt aan de minister binnen twintig werkdagen na afloop van ieder kwartaal mee:

a. het aantal productie-installaties voor duurzame elektriciteit, klimaatneutrale elektriciteit en elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling waarvoor in het afgelopen kwartaal voorschotten zijn verstrekt, uitgesplitst naar de categorieën productie-installaties als genoemd in de op basis van artikel 72p, tweede lid, van de wet vastgestelde ministeriële regeling;

b. het totale bedrag aan verstrekte voorschotten als bedoeld in artikel 72w, eerste lid, van de wet, uitgesplitst naar de in onderdeel a bedoelde categorieën productie-installaties.

Artikel 8

De aandachtspunten voor de accountantscontrole, bedoeld in artikel 72k van de wet, zijn:

a. of de bij of krachtens de Elektriciteitswet 1998 gestelde regels voor de verlening van de subsidie zijn gevolgd;

b. of de voorschotten en eindafrekeningen daadwerkelijk zijn betaald;

c. of de ontvangsten juist en volledig zijn verantwoord;

d. of de voorgeschreven en verantwoorde niet-financiële informatie betrouwbaar is;

e. of bij de uitvoering van de subsidieregeling sprake is van een toereikende functiescheiding;

f. of de integriteit van de medewerkers is gewaarborgd.

§ 4. Ontheffing voor uitbreiding of renovatie

Artikel 9

1. Van een ingrijpende uitbreiding als bedoeld in artikel 72m, derde lid, onderdeel c, of artikel 72s, tweede lid, van de wet is sprake indien het geïnstalleerd nominaal elektrisch vermogen met ten minste 30% is uitgebreid ten opzichte van het nominale vermogen van de productie-installatie voor de uitbreiding.

2. Van een renovatie als bedoeld in artikel 72m, derde lid, onderdeel b, of artikel 72s, tweede lid, van de wet is sprake indien de renovatie tot gevolg heeft dat de van belang zijnde voorzieningen, die zorg dragen voor de omzetting van hernieuwbare energiebronnen in elektriciteit, in nieuwstaat worden gebracht.

Artikel 10

In afwijking van artikel 9 is slechts voor installaties die voornamelijk fossiele brandstoffen omzetten in elektriciteit, maar daarnaast ook biomassa omzetten in elektriciteit sprake van:

a. een ingrijpende uitbreiding als bedoeld in artikel 72m, derde lid, onderdeel c, of artikel 72s, tweede lid, van de wet indien de biomassaverwerkingscapaciteit met ten minste 30% is uitgebreid,

b. een renovatie als bedoeld in artikel 72m, derde lid, onderdeel b, of artikel 72s, tweede lid, van de wet indien de renovatie ten minste tot gevolg heeft dat de installatie die uitsluitend bedoeld is voor de verwerking van biomassa in nieuwstaat wordt gebracht.

Artikel 11

In geval van een ontheffing wegens uitbreiding, worden de kWh die als gevolg van deze uitbreiding extra zijn opgewekt, berekend naar rato van het percentage waarmee de installatie is uitgebreid.

§ 5. Maximum subsidie wind op land

Artikel 12

Het maximum, bedoeld in artikel 72n, vierde lid, onderdeel b, van de wet bedraagt voor windenergie op land 150 maal het aantal maanden waarover subsidie wordt verstrekt, berekend door het aantal kWh dat een installatie heeft opgewekt en op het net heeft ingevoed, te delen door het nominale elektrisch vermogen van de productie-installatie.

§ 6. Structurele kosten van uitvoering netbeheerder landelijk hoogspanningsnet

Artikel 13

1. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningnet betaalt uit het tarief voor de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie de rechtstreeks aan de uitvoering van de in artikel 69 van de wet genoemde taak toe te rekenen gemaakte kosten, waaronder in elk geval:

a. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolom `loon voor de loonbelasting' van de loonstaat van het betrokken directe personeel, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten;

b. kosten van aangeschafte apparatuur, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan de uitvoering van de subsidie voor de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie toe te rekenen afschrijvingskosten, berekend op basis van de historische aanschafprijzen en de door de belastingdienst geaccepteerde afschrijvingstermijnen, met uitzondering van mogelijkheden tot vervroegde afschrijving, of lease-termijnen, met uitzondering van financieringskosten, en gebaseerd op de bedrijfseconomische levensduur;

c. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;

d. door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet aan derden verschuldigde kosten.

2. Kosten van apparatuur die niet uitsluitend voor de uitvoering van de subsidie voor de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie zijn aangeschaft, worden slechts als voor vergoeding in aanmerking komende kosten op de voet van het eerste lid, onderdeel b, beschouwd indien een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording van de apparatuur aanwezig is.

3. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.

§ 7. Kosten van uitvoering netbeheerders in 2003

Artikel 14

1. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningnet betaalt uit het tarief voor de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie aan een netbeheerder, niet zijnde de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, de rechtstreeks aan de uitvoering van de in artikel 16b, eerste lid, van de wet genoemde taak toe te rekenen in 2003 gemaakte kosten.

2. Uitsluitend de in 2003 gemaakte werkelijke meerkosten voor de uitvoering van de in artikel 16b, eerste lid, van de wet genoemde taak komen voor vergoeding in aanmerking.

3. De netbeheerder dient voor 1 maart 2004 een aanvraag voor de vergoeding van de in het eerste lid bedoelde kosten.

4. De aanvraag gaat vergezeld van:

a. een accountantsverklaring, waaruit blijkt dat de opgave van de kosten juist is en toe te rekenen is aan de uitvoering van de in artikel 16b, eerste lid, van de wet opgenomen taak;

b. de overige benodigde bescheiden waaruit blijkt dat de kosten waarvoor een vergoeding wordt gevraagd, uitsluitend toe te rekenen zijn aan de in artikel 16b, eerste lid, van de wet genoemde taak.

5. Kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd, komen niet voor vergoeding in aanmerking.

§ 8. Formulieren

Artikel 15

1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

2. Een aanvraag om vaststelling van de subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2.

3. Een verzoek tot ontheffing als bedoeld in artikel 72m, derde lid, of 72s, tweede lid, van de wet wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 3.

4. In afwijking van het derde lid kan een verzoek tot ontheffing elektronisch worden ingediend, indien het verzoek wordt ingediend met gebruikmaking van de elektronische weg die daartoe is geopend en de indiening geschiedt met toepassing van de pincode en het certificaat die aan de verzoeker zijn toegekend.

§ 9. Slotbepalingen

Artikel 16

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2003.

Artikel 17

Deze regeling wordt aangehaald als: Algemene uitvoeringsregeling milieukwaliteit elektriciteitsproductie.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen 1 en 2, die ter inzage worden gelegd bij de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, Utrechtseweg 310, Arnhem en bijlage 3, die ter inzage wordt gelegd bij Senter, Dokter van Deenweg 108, Zwolle.

's-Gravenhage, 6 juni 2003.
De Minister van Economische Zaken,L.J. Brinkhorst.

Toelichting

1. Doel en aanleiding

De wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ten behoeve van de stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie geeft een voorziening voor de subsidiëring van de productie van duurzame elektriciteit, klimaatneutrale elektriciteit en elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling. Bij de uitvoering van deze subsidieregeling zijn de netbeheerders, de ontheffinghouders, de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en Senter betrokken. Om er voor te zorgen dat de subsidieregeling in de praktijk goed kan worden uitgevoerd, is een aantal aanvullende regels nodig. Te denken valt hierbij aan regels over de informatie die diverse partijen aan elkaar verstrekken en het vaststellen van een aantal formulieren. Deze regeling bevat de voor de uitvoering van de regels over de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie de benodigde uitvoeringsregels.

Deze uitvoeringsregels vloeien niet voort uit Europese regelgeving, en bevatten evenmin technische voorschriften. Ook voor het overige heeft deze regeling geen raakvlakken met het Europese recht.

Naast deze regeling zijn er nog enkele andere uitvoeringsregelingen over de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie. Het betreft:

- de Regeling certificaten warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998;

- de derde wijziging van de Regeling groencertificaten Elektriciteitswet 1998,

- de Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2003.

Het opstellen van één uitvoeringsregeling met daarin ook bij voorbeeld de regeling voor certificaten voor warmtekrachtkoppeling en duurzame elektriciteit, is niet wenselijk. Deze regeling zou zeer omvangrijk worden en zich richten op veel verschillende onderwerpen, wat de leesbaarheid niet ten goede zou komen.

2. Regels voor de inning van tarieven

De netbeheerders hebben de taak om tarieven voor de subsidie bij de afnemers te innen. Voor netten waarvoor geen netbeheerder is aangewezen omdat de eigenaar van het net op basis van artikel 15, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 een ontheffing heeft gekregen, geldt eenzelfde taak voor degene die een ontheffing heeft verkregen. De netbeheerders en de ontheffinghouders dragen de geïnde tarieven af aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Om deze financiële stromen goed te laten verlopen zijn in artikel 2 van de regeling twee voorschriften opgenomen. In de eerste plaats is bepaald dat netbeheerders en de ontheffinghouders aan het einde van iedere maand de geïnde tarieven afdragen. Deze tarieven moeten binnen tien werkdagen na het einde van iedere maand worden afgedragen. Met deze bepaling wordt discussie voorkomen over de vraag of tarieven al dan niet tijdig zijn afgedragen. Daarnaast is bepaald dat de netbeheerders de tarieven gescheiden afdragen van de overige tarieven. De netbeheerders dragen namelijk ook systeemdiensttarieven af aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Het is van belang dat de tarieven voor de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie uitsluitend worden bestemd voor de uitvoering van de subsidieregeling. Door te bepalen dat de tarieven gescheiden van overige tarieven moeten worden afgedragen, wordt het eenvoudiger om deze administratief ook gescheiden te verwerken, en ontstaat minder kans op vermenging van verschillende geldstromen.

De netbeheerders zijn een cruciale schakel bij het innen van de tarieven. De Dienst uitvoering en toezicht energie (hierna: DTe) zal ingevolge artikel 5 van de Elektriciteitswet 1998 toezicht houden op deze taak. Om dit toezicht te vereenvoudigen is in artikel 3 het voorschrift opgenomen dat netbeheerders en ontheffinghouders een afzonderlijke administratie bijhouden van de ontvangst en de afdracht van de tarieven voor de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie. Dit is te meer van belang daar het tarief voor de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie een ander doel heeft dan de overige tarieven die de netbeheerders innen.

Tot slot geeft artikel 4 voorschriften over de informatie die de netbeheerders en de ontheffinghouders moeten verstrekken aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Dit artikel hangt samen met artikel 5, dat regelt welke informatie de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet aan de Minister van Economische Zaken moet leveren. Om deze informatie op juiste wijze te kunnen verstrekken, heeft de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet informatie van de netbeheerders en van de ontheffinghouders nodig.

3. Informatievoorziening, sturing en toezicht

De subsidieregeling wordt uitgevoerd door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, die voor zover het deze activiteit betreft, wordt aangemerkt als een zelfstandig bestuursorgaan. Dit betekent dat het van belang is dat de Minister van Economische Zaken, gelet op de ministeriële verantwoordelijkheid voor de goede uitvoering van de subsidieregeling, over voldoende informatie kan beschikken. Ook moet de Minister van Economische Zaken over voldoende sturingsinstrumenten beschikken bij de uitvoering van de subsidieregeling. In hoofdstuk 5, paragraaf 2.1, van de Elektriciteitswet 1998 is een aantal artikelen opgenomen om een goed toezicht van de Minister van Economische Zaken op de netbeheerders mogelijk te maken. Voor een aantal onderwerpen is voorzien in de mogelijkheid om uitvoeringsregelgeving op te stellen. In deze regeling heb ik niet van alle mogelijkheden om uitvoeringsregelgeving op te stellen gebruik gemaakt. Op een aantal punten, zoals bij voorbeeld nadere regels over de inrichting van het jaarverslag, de inrichting van de jaarrekening en de inrichting van de begroting, laat ik nadere regelgeving thans achterwege. Pas als er signalen zijn dat het, vanuit de ministeriële verantwoordelijkheid voor een goede uitvoering van de subsidieregeling, noodzakelijk is dergelijke regels te stellen, zal ik hiertoe overgaan. Thans beperk ik mij tot nadere regels over de gegevens die de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet moet verstrekken over de uitvoering van de subsidieregeling en enkele aandachtspunten voor de accountantscontrole. De gegevens over de uitvoering van de subsidieregeling zijn tweeledig van karakter. In de eerste plaats betreft het financiële gegevens. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet moet aan de Minister van Economische Zaken volgens artikel 5 per kwartaal informatie verstrekken over zijn inkomsten voor de subsidie. Dit zijn de tarieven die de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet van de netbeheerders en de ontheffinghouders ontvangt; deze informatie is dus gebaseerd op de informatie die de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet van de netbeheerders ontvangt, en die de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet doorgeeft. Daarnaast moet ingevolge artikel 6 per kwartaal inzicht worden gegeven in de uitgavenkant van de subsidieregeling. Hiermee wordt informatie verkregen over het beroep dat op de subsidieregeling wordt gedaan en wordt inzicht gekregen in de vraag of er voldoende middelen beschikbaar zijn voor het uitvoeren van de subsidieregeling.

In de tweede plaats moet de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet informatie verschaffen die voor de Minister van Economische Zaken van belang is voor de beleidsvorming (artikel 7). Op basis van deze informatie ontstaat een beeld van het functioneren van de subsidieregeling. Het gaat hier om het aantal productie-installaties die voor subsidie in aanmerking komen, verdeeld naar verschillende categorieën, en de hoogte van de bedragen die aan de verschillende categorieën productie-installaties zijn verstrekt.

Als sluitstuk van het toezicht zijn in artikel 8 enkele aandachtspunten voor de accountantscontrole vastgelegd. Het is van belang dat de accountant bij de controle en oordeelsvorming inzake de verantwoording en het financieel beheer van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet voldoende aandacht besteedt aan de specifieke eisen welke gesteld zijn in de op de subsidieverstrekking van toepassing zijnde regelgeving, zodat rechtmatige afwikkeling van subsidieuitgaven en -ontvangsten en kosten van uitvoering is gewaarborgd.

Van belang voor een rechtmatige besteding van de uitgaven is aandacht voor functiescheiding en integriteit. De onderdelen e en f van artikel 8 hebben hierop betrekking. Indien aan deze aspecten voldoende aandacht wordt besteed, is het risico van fouten en misbruik minimaal. De accountant toetst of er daadwerkelijk maatregelen getroffen zijn om dit te voorkomen en of deze in de praktijk ook worden nageleefd. Bij functiescheiding valt te denken aan maatregelen om te voorkomen dat één persoon teveel bevoegdheden krijgt en er nauwelijks nog preventieve controle bestaat. Als voorbeeld valt te denken aan regels over de ondertekening van de subsidiebeschikking, de daadwerkelijke uitbetaling en de verantwoording. Bij integriteit gaat het er bij voorbeeld om dat bedrijven niet worden bevoordeeld boven andere bedrijven. Dit kan bij voorbeeld door regels over het aannemen van cadeaus of het instellen van een vertrouwenspersoon

4. Ontheffing voor uitbreiding of renovatie

4.1 Algemeen

Ingevolge artikel 72s, eerste lid, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998 komen als uitgangspunt uitsluitend productie-installaties voor duurzame elektriciteit of klimaatneutrale elektriciteit voor subsidie in aanmerking die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1996. Artikel 72s, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 biedt echter de mogelijkheid ontheffing van dit voorschrift te verkrijgen indien een productie-installatie na 1 januari 1996 ingrijpend is gerenoveerd of uitgebreid of als een productie-installatie voor het eerst na 1 januari 1996 gebruik geeft gemaakt van hernieuwbare energiebronnen of voor het eerst na 1 januari 1996 klimaatneutrale elektriciteit heeft opgewekt. Artikel 72s, vierde lid, van de Elektriciteitswet 1998 biedt de mogelijkheid om over de ontheffing nadere regels te stellen. Daarnaast biedt artikel 72m, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 de mogelijkheid om ontheffing te verkrijgen in geval al eerder een subsidie is verleend. De eisen van deze ontheffing zijn gedeeltelijk gelijkluidend aan de eisen voor een ontheffing op basis van artikel 72s van de Elektriciteitswet 1998.

4.2 Ingrijpende uitbreiding

Bij productie-installaties wordt ontheffing verleend indien sprake is van een uitbreiding van een bestaande productie-installatie van voor 1 januari 1996, die heeft geleid tot een toename van ten minste 30% van het geïnstalleerde nominale elektrische vermogen. De toename van ten minste 30% wordt betrokken op de gehele installatie of locatie zoals deze functioneert voordat de uitbreiding heeft plaatsgevonden. Er is sprake van een productie-installatie als er via één aansluitpunt elektriciteit op het net wordt ingevoed, tenzij er sprake is van een zogenaamd eilandbedrijf. In het geval van een eilandbedrijf wordt het gehele `eiland' als één installatie beschouwd. In de praktijk betekent dit bijvoorbeeld dat een cluster windmolens als één installatie wordt beschouwd. Overigens kan op grond van artikel 72s, derde lid, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998 alleen subsidie worden verkregen voor elektriciteit die aan de uitbreiding van de installatie kan worden toegerekend. Ingevolge artikel 11 van deze regeling wordt de hoeveelheid elektriciteit die aan de uitbreiding van de installatie kan worden toegerekend, vastgesteld aan de hand van de uitbreiding van het vermogen. Dus als bij voorbeeld het nominale elektrisch vermogen van een windmolen met 40% is uitgebreid, start voor 40% van de productie van deze windmolen een nieuwe subsidietermijn van 10 jaar.

Een uitzondering op de regel dat een ingrijpende uitbreiding wordt gerelateerd aan de uitbreiding van het nominale elektrische vermogen is opgenomen in artikel 10, onderdeel a, en betreft installaties die voornamelijk bedoeld zijn om fossiele brandstoffen om te zetten in elektriciteit - bijvoorbeeld kolencentrales - maar die daarnaast biomassa bij- of meestoken. Om dit bij- of meestoken van biomassa mogelijk te maken zijn meestal investeringen nodig in voorzieningen om de biomassa te verwerken, zonder dat daardoor het elektrisch vermogen van de productie-installatie in zijn geheel wordt uitgebreid. Te denken valt bijvoorbeeld aan speciale pelletiseermachines en vergassingsinstallaties. Deze installaties hebben een maximale verwerkingscapaciteit die wordt bepaald door het product van de biomassa die tijdens normaal bedrijf per uur maximaal kan worden verwerkt en de calorische onderwaarde van die biomassa. De installatie die bedoeld is voor de verwerking van biomassa dient met minimaal 30% te worden uitgebreid, wil er sprake zijn van een ingrijpende uitbreiding zoals bedoeld in de wet. Voor installaties die voornamelijk zijn bedoeld om fossiele brandstoffen om te zetten in elektriciteit is een uitbreiding van het nominale elektrisch vermogen is niet relevant voor de vraag of sprake is van een ingrijpende uitbreiding.

4.3 Renovatie

Onder renoveren van een productie-installatie wordt verstaan een renovatie die tot gevolg heeft dat minimaal de van belang zijnde voorzieningen, die zorgdragen voor de omzetting van hernieuwbare energiebronnen in elektrische energie, in nieuwstaat worden gebracht. Dit criterium is opgenomen omdat hiermee een nieuwe levensduur wordt gewaarborgd.

In de praktijk betekent dit voor windturbines, waterkrachtinstallaties en installaties waarin biomassa of biogas wordt omgezet in elektriciteit, dat er op zijn minst moet zijn geïnvesteerd in een turbine en generator. Bij windturbines gaat het om het in nieuwstaat brengen van alle essentiële onderdelen van de turbine, hetgeen betekent dat op zijn minst de rotor, tandwielkast en generator gezamenlijk moeten worden vervangen en zodoende in nieuwstaat moeten worden gebracht.

Een uitzondering op dit renovatiecriterium betreft ook hier installaties die primair bedoeld zijn om fossiele brandstoffen om te zetten in elektriciteit maar die daarnaast biomassa bij- of meestoken (artikel 10, onderdeel b). In die gevallen is sprake van een renovatie als de gehele biomassaverwerkingscapaciteit in nieuwstaat wordt gebracht.

5. Maximum subsidie wind op land

Artikel 72n, vierde lid, onderdeel b van de Elektriciteitswet 1998 is bepaald dat de subsidie voor elektriciteit opgewekt door middel van windenergie kan worden gemaximeerd. Dit maximum is gerelateerd aan het aantal opgewekte en op het net ingevoede kWh en het nominaal elektrisch vermogen van de productie-installatie, en vastgelegd in artikel 12. Uitgaande van een subsidiebedrag van €_times 0,049 per kWh in 2003 voor wind op land is door ECN en KEMA berekend dat gemiddeld genomen de onrendabele top wordt weggenomen als dit subsidiebedrag wordt verstrekt voor de productie die wordt gerealiseerd als de windturbine 18.000 equivalente vollasturen heeft gedraaid. Er van uitgaande dat voor een periode van maximaal 10 jaar subsidie kan worden verstrekt bedraagt het gemiddeld aantal equivalente vollasturen per maand dus 150. Het maximum zoals bedoeld in de wet, uitgedrukt in uren, bedraagt dus 150 maal het aantal maanden waarover subsidie wordt verstrekt. Dit maximum is gelijk aan het quotiënt van het aantal subsidiabele kWh en het nominaal elektrisch vermogen van de installatie. Een rekenvoorbeeld kan dit verduidelijken:

Stel, voor een windturbine met een nominaal elektrisch vermogen van 750 kW die op 1 mei 1998 in bedrijf is gesteld wordt voor de periode vanaf 1 januari 2004 subsidie aangevraagd. De maximum subsidieperiode is 120 maanden (10 jaar) minus 68 maanden, dus 52 maanden. Het in de wet bedoelde maximum is dan 150 maal 52, dus equivalente 7.800 vollasturen. Door dit getal te vermenigvuldigen met het nominaal elektrisch vermogen van de installatie, bepaalt de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet het maximum aantal voor subsidie in aanmerking komende opgewekte en op het net ingevoede kilowatturen in de periode tussen 1 januari 2004 en 1 mei 2008. Dat is in dit voorbeeld dus 7.800 equivalente vollasturen maal 750 kW = 5.850.000 kWh. Als deze elektriciteitsproductie voor 1 mei 2008 zal worden bereikt, wordt de subsidie per kWh vanaf dat moment stop gezet. Indien deze elektriciteitsproductie niet voor 1 mei 2008 wordt bereikt wordt de subsidie op die datum stopgezet omdat dan de subsidieperiode is afgelopen.

Een parameter die in deze berekening van belang is, is het nominale elektrische vermogen van de windturbine. Dit vermogen dient de aanvrager op te geven op de zogenaamde groenverklaring in het kader van de Regeling groencertificaten Elektriciteitswet 1998 en ook op het subsidieaanvraagformulier dat onderdeel is van deze regeling. De beheerder van het landelijk hoogspanningsnet heeft de mogelijkheid om na te gaan of het opgegeven vermogen juist is. Eventueel kan de DTe worden ingeschakeld. Om onnodig extra controlewerk te voorkomen, is het voor aanvragers aan te bevelen om bij de subsidieaanvraag een type-certificaat volgens de Nederlandse voornorm (NVN) 11400-0 of volgens NEN 6096 (bij oudere windturbines) te voegen. Indien de producent niet over een dergelijk certificaat kan beschikken is het aan te bevelen een volgens IEC-61400-12 gemeten vermogenskromme (= PV-curve) bij de subsidieaanvraag te voegen.

6. Uitvoeringskosten

6.1 Algemeen

In artikel 72ad van de Elektriciteitswet 1998 is geregeld dat de Minister van Economische Zaken bij ministeriële regeling regels kan stellen over onder meer over de vergoeding van de kosten voor de uitvoering van de in artikel 69 van voornoemde wet genoemde taak. In deze ministeriële regeling wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid regels te stellen, zowel voor de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet als voor de regionale netbeheerders. Met deze regeling wordt voor de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet duidelijkheid verschaft welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Voor de regionale netbeheerders wordt vastgelegd op welke wijze zij een vergoeding kunnen aanvragen en aan welke voorwaarden deze aanvraag moet voldoen.

6.2 Kosten netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet

Wat betreft de kosten van uitvoering van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnetwerk is in deze regeling gekozen voor een systematiek waarbij achteraf op basis van werkelijk gemaakte kosten de hoogte de vergoeding wordt bepaald. Een dergelijke systematiek is weliswaar nauwkeurig, maar ook arbeidsintensief en daarmee betrekkelijk kostbaar. Bovendien bevat een dergelijke systematiek geen ingebouwde prikkel om zo efficiënt en effectief mogelijk de taken, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 uit te voeren: zolang immers sprake is van werkelijk gemaakte kosten, komen deze in principe voor vergoeding in aanmerking.

Het streven is er dan ook op gericht op termijn van enkele jaren te komen tot een systematiek waarbij sprake is van een beperkt aantal administratieve handelingen met per handeling een vooraf vastgesteld tarief, per jaar te corrigeren voor de inflatie. Na afloop van het betrokken jaar wordt per administratieve handeling het bijbehorende tarief vermenigvuldigd met het aantal malen dat de betrokken handeling is uitgevoerd. De totaal voor vergoeding in aanmerking komende kosten over een zeker jaar wordt dan bepaald door de sommatie daarvan. De bepaling van het tarief per administratieve handeling kan plaatsvinden aan de hand van de ervaringen met de systematiek zoals die de eerstkomende jaren gehanteerd zal worden. Voordeel van de uiteindelijk beoogde systematiek is dat het bijzonder simpel is qua administratie en kosten. Bovendien levert het een prikkel aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet om zo efficiënt en effectief mogelijk te opereren.

Bij artikel 13, eerste lid, onderdeel b, wordt opgemerkt dat onder aangeschafte apparatuur niet alleen apparatuur wordt verstaan die is verworven door koop, maar ook door met koop gelijk te stellen rechtsfiguren waarbij de economische eigendom bij de aanschaffer komt te liggen. Daarbij moet met name gedacht worden aan `financial lease'.

Bij de toerekening van de kosten van machines en apparatuur wordt uitgegaan van de door de belastingdienst geaccepteerde afschrijvingstermijnen of, in geval van lease, van de betaalde leasetermijnen.

In het tweede lid van artikel 13 is nog een nadere bepaling opgenomen over de toerekening van de kosten van apparatuur, die niet volledig wordt benut voor de in artikel 69 van de Elektriciteitswet 1998 opgenomen taak. De kosten voor deze apparatuur komen voor vergoeding in aanmerking naar evenredigheid van de tijd gedurende welke de machines worden gebruikt voor de uitvoering en gerelateerd aan de normale bezetting, op basis van een controleerbare registratie. Met `normale bezetting' wordt bedoeld het aantal prestatie-eenheden (draai-uren/producten) dat de desbetreffende machines of apparatuur volgens een realistische inschatting van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet over de totale levensduur van het object gemiddeld jaarlijks levert. Bij deze apparatuur kan bijvoorbeeld gedacht worden aan fotokopieerapparatuur. Indien geen controleerbare tijdsregistratie van het gebruik van de machines en apparatuur is bijgehouden, kunnen de kosten van deze machines en apparatuur niet voor vergoeding in aanmerking worden genomen. Machines en apparatuur die uitsluitend voor de uitvoering van de in artikel 69 van de Elektriciteitswet 1998 opgenomen taak worden gebruikt, komen voor vergoeding in aanmerking zonder de noodzaak van een tijdsregistratie.

Onder verbruikte materialen worden stoffen verstaan die bestemd zijn voor eenmalig gebruik en die na be- of verwerking geen zelfstandige zaak meer zijn. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan inktpatronen voor afdrukeenheden en fotokopieerapparatuur.

6.3 Kosten regionale netbeheerders

Op basis van artikel 16b, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 krijgen netbeheerders de taak om jaarlijks bij alle aansluitingen met een verblijfsfunctie een tarief te heffen en dit tarief door te geven aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. De kosten voor de uitvoering van deze taak komen ingevolge artikel 72aa van de Elektriciteitswet 1998 voor vergoeding in aanmerking. Over deze vergoeding zijn in deze regeling enkele bepalingen opgenomen. In 2003 zijn de kosten voor de uitvoering van deze taak in twee verschillende soorten kosten te onderscheiden. In de eerste plaats betreft de vergoeding de kosten, nodig voor de voorbereiding van de uitvoering van de inning van tarieven. Te denken valt hierbij bij voorbeeld aan kosten die worden gemaakt om automatiseringssystemen aan te passen zodat de inning van het tarief op de energierekening kan worden aangegeven. In de tweede plaats komen kosten voor het feitelijk innen van de tarieven in 2003 en het doorgeven van deze tarieven aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet voor vergoeding in aanmerking. Voor het jaar 2004 en de daarop volgende jaren zullen deze kosten van uitvoering worden vergoed via de maatstafregulering van de Dienst uitvoering en toezicht energie.

In artikel 3 worden enkele bepalingen gegeven voor de kosten van uitvoering van de netbeheerders in 2003. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet is hierbij uitgezonderd: vergoeding van de kosten van deze netbeheerder vindt plaats op basis van artikel 2 van deze regeling. Een netbeheerder is, ingevolge het eerste lid, onderdeel k, van de Elektriciteitswet 1998, een vennootschap die is aangewezen voor het beheer van een of meer netten. Deze aanwijzing kan plaats vinden op basis van artikel 10, 13 of 14 van de Elektriciteitswet 1998.

Uitgangspunt van artikel 3 is dat uitsluitend de kosten, gerelateerd aan de in artikel 16b, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 genoemde taak voor vergoeding in aanmerking komen. Het gaat hier ingevolge het tweede lid om de marginale en werkelijke meerkosten. Dit betekent dat bijvoorbeeld de vaste kosten (b.v. huisvesting, apparatuur) niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ook zullen voor het personeel, in dienst van een netbeheerder, geen externe tarieven in rekening mogen worden gebracht, maar uitsluitend de werkelijke loonkosten van de uren. Ook hieraan kan in de accountantsverklaring aandacht worden besteed. Dat deze uren door het personeel van de netbeheerder hieraan zijn besteed, kan aannemelijk worden gemaakt door bij voorbeeld een tijdsregistratie. Aan derden verschuldigde kosten komen wel voor vergoeding in aanmerking, mits bij voorbeeld uit de betaalde facturen blijkt dat de werkzaamheden zijn verricht ten behoeve van de inning van tarieven. Te denken valt hierbij aan automatiseringsdeskundigen, die zijn ingeschakeld voor de aanpassing van systemen. Uitsluitend komen de aanpassingen voor vergoeding in aanmerking indien het aanpassingen betreffen benodigd om:

1. de financiële afhandeling en afdracht van het tarief aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet mogelijk te maken;

2. facturering mogelijk te maken van alle aansluitingen met een verblijfsfunctie;

3. de verblijfsfunctie-informatie per aansluiting afkomstig van leveranciers eenmalig op te nemen in de systemen, en

4. de uitwisseling van verblijfsfunctie-informatie, voor nieuwe aansluitingen of wijzigingen in status, tussen de leveranciers en de netbeheerder te synchroniseren en op te nemen in de switchprocedure via het Edine-systeem.

De declaratie moet ingevolge het vierde lid van artikel 14 vergezeld gaan van een accountantsverklaring. Op deze wijze wordt voorkomen dat voor kosten die niet toe te rekenen zijn aan de uitvoering van de in artikel 16b, eerste lid, opgenomen taak, een vergoeding wordt gevraagd. Ook moeten overige bescheiden worden bijgevoegd waaruit blijkt dat de gedeclareerde kosten daadwerkelijk toe te rekenen zijn aan de heffing van het tarief en het doorgeven van dit tarief aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd, komen uiteraard niet voor vergoeding in aanmerking. Dit is geregeld in het vijfde lid van artikel 14.

7. Formulieren

Voor een vlotte procedure voor de aanvraag en vaststelling van de subsidie, is het van belang dat informatie door de aanvragers van de subsidie uniform en compleet wordt aangeleverd. Met het oog hierop zijn ingevolge artikel 15 als bijlage bij deze regeling drie formulieren opgenomen. In de eerste plaats wordt een formulier vastgesteld voor het aanvragen van de subsidie (bijlage 1 bij de regeling). Met dit formulier wordt gevraagd naar het type installatie en de energiebron. Hiermee wordt gerefereerd aan de in de Elektriciteitswet 1998 opgenomen definities van deze installaties, waarbij van belang is dat een installatie óf een WKK-installatie is, óf een installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit. Ten tweede wordt een formulier vastgesteld voor de aanvraag om vaststelling van de subsidie (bijlage 2 bij de regeling). Deze twee formulieren moeten worden ingediend bij de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Ten derde wordt een formulier opgenomen voor het verzoeken van een ontheffing van het voorschrift dat productie-installaties alleen voor subsidie in aanmerking komen als zij na 1 januari 1996 in gebruik zijn genomen en het voorschrift dat voor een installatie slechts één maal subsidie kan worden verstrekt. De verzoeken tot ontheffing zullen worden behandeld door Senter. Het in bijlage 3 bij de regeling opgenomen formulier voor het verzoeken om een ontheffing moeten dan ook worden ingediend bij Senter, Postbus 10073, 8000 GB Zwolle.

Het is verplicht de formulieren te gebruiken. Indien dit noodzakelijk is voor de goede beoordeling van de aanvraag, kan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, naast de informatie die ingevolge de formulieren moet worden opgestuurd, aanvullende informatie opvragen. Dit geldt uiteraard ook voor Senter met betrekking tot de informatie die nodig is om een ontheffingsverzoek goed te kunnen voorbereiden.

8. Administratieve lasten

Het uitgangspunt van deze regeling is om zo min mogelijk extra administratieve lasten te introduceren. Waar mogelijk is daarom aangesloten bij reeds voorhanden zijnde informatie en reeds gehanteerde werkwijzen.

Deze regeling betekent voor verschillende partijen administratieve lasten. Aangezien de regeling de uitvoering van de subsidie voor de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie betreft, heeft deze regeling vooral gevolgen voor de uitvoerders. Relevant in verband met de administratieve lasten zijn de netbeheerders, de ontheffinghouders en de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Er zijn 21 netbeheerders en 88 ontheffinghouders. Er is één netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet.

De netbeheerders hebben tot taak per aansluiting een tarief te innen en dit door te geven aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. De artikelen 2, 3 en 4 van deze regeling zien op de inning van de tarieven door de netbeheerders. De administratieve lasten van dit artikel bestaan uit het innen en afdragen van de tarieven, het verstrekken van informatie aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet over de tarieven en het bijhouden van een afzonderlijke administratie. Ingevolge artikel 16b, eerste lid, onderdeel a, van de Elektriciteitswet 1998 int de netbeheerder de tarieven tegelijk met en in gelijke termijnen als de bedragen die afnemers verschuldigd zijn voor hun aansluiting op het net en het transport van elektriciteit. De administratieve lasten voor de netbeheerder zijn daarom gering. De kosten om bijvoorbeeld de software voor het innen van tarieven aan te passen, worden ingevolge artikel 72aa van de Elektriciteitswet 1998 aan de netbeheerders vergoed. Voor de netbeheerders is daarom geen sprake van extra administratieve lasten voor de initiële kosten. Bij de ontheffinghouders gaat het altijd om een zeer beperkt aantal aansluitingen, waardoor voor deze groep de kosten beperkt zullen zijn. Artikel 4 betreft het doorgeven van informatie van de netbeheerders aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Het betreft informatie die reeds voorhanden is in de administratie van de netbeheerders. Ook het doorgeven van deze informatie brengt geen grote administratieve lasten met zich. Wel moeten de netbeheerders een afzonderlijke administratie bijhouden van de ontvangen en afgedragen tarieven. De kosten voor het opzetten van deze administratie zullen voor de netbeheerders worden vergoed ingevolge artikel 72aa van de Elektriciteitswet 1998.

De netbeheerders hebben daarnaast structurele kosten voor de uitvoering van deze regeling. Aangezien het structurele kosten betreft die iedere netbeheerder zal maken en voortvloeien uit een nieuwe activiteit, zullen deze kosten door DTe worden betrokken in de maatstafregulering. Ook de structurele kosten worden dus vergoed en betekenen geen extra administratieve lasten voor de netbeheerders.

Ingevolge de artikelen 5, 6 en 7 van de regeling dient de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet bepaalde informatie door te geven aan de Minister van Economische Zaken. Het gaat hier enerzijds om informatie per kwartaal over de ontvangen tarieven en de kosten voor de uitvoering van de subsidieregeling en anderzijds om informatie over de werking van de subsidieregeling. Al deze informatie is reeds bekend binnen de organisatie van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Het brengen van deze gegevens op het voorgeschreven aggregatieniveau zal vier maal per jaar enige administratieve inspanning vergen. Al met al kan hier sprake zijn van een geringe lastendruk. In artikel 8 worden enkele aandachtspunten bij de accountantscontrole geformuleerd. Het betreft hier de ingevolge het Burgerlijk Wetboek reeds verplichte accountantscontrole bij de jaarrekening. Door het formuleren van aandachtspunten bij de accountantscontrole, kan deze controle meer geld kosten dan zónder deze aandachtspunten. Om wat voor bedragen het gaat, is moeilijk in te schatten. Opgemerkt wordt dat de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet voor de kosten voor de uitvoering van de subsidieregeling, en dus ook de kosten voor het verstrekken van de informatie aan de Minister van Economische Zaken, vergoed krijgt uit het tarief voor de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie(artikel 72aa van de Elektriciteitswet 1998). In die zin is er geen sprake van extra administratieve lasten, die door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet worden gedragen.

De ontheffingverlening zoals uitgewerkt in de artikelen 9, 10 en 11 wordt uitgevoerd door Senter, in opdracht van de Minister van Economische Zaken. De kosten die zijn verbonden aan de ontheffingverlening, worden niet bij de producenten in rekening gebracht, maar bekostigd uit de algemene middelen. De bepaling van de maximum subsidie voor wind op land vindt op basis van het door de producent opgegeven nominale elektrische vermogen automatisch plaats door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, die de eventuele daaraan verbonden kosten van uitvoering vergoed krijgt uit de egalisatiereserve. Tenslotte: op de administratieve lasten voor de producenten zo beperkt mogelijk te houden, is een aantal standaardformulieren opgesteld welke door de uitvoerende partijen ook elektronisch beschikbaar worden gesteld.

9. Opvatting betrokkenen

Deze regeling is tot stand gekomen in overleg met de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet, een afvaardiging van de regionale netbeheerders en Senter. Deze drie partijen zijn betrokken bij de uitvoering van de regeling. Al deze partijen hebben aangegeven dat deze regeling voor hen goed uitvoerbaar is. Een concept van deze regeling is ook voorgelegd aan marktpartijen. De meeste opmerkingen van marktpartijen hadden betrekking op de gekozen systematiek voor de bepaling van de maximum subsidie voor wind op land (de vollasturen). Aangezien de vollasturen-systematiek reeds vast ligt in de Elektriciteitswet 1998, hebben opmerkingen van marktpartijen op dit punt niet geleid tot aanpassingen. Wel is de toelichting op enkele punten aangepast. Ook zijn een aantal opmerkingen gemaakt met betrekking tot de bepalingen over de ontheffing voor uitbreiding of renovatie. Deze opmerkingen hebben geleid tot een aanpassing van de definitie van `biomassaverwerkingscapaciteit' en enkele aanpassingen in de toelichting. Suggesties om het criterium voor uitbreiding te verlagen zijn niet overgenomen aangezien in de Elektriciteitswet 1998 bepaald is dat alleen ontheffing kan worden verleend bij een ingrijpende uitbreiding. De 30%-grens is een redelijke kwantificering van het begrip `ingrijpend'. Daar waar marktpartijen hebben aangegeven dat een uitbreiding van 30% van het vermogen van een grote centrale waarin biomassa wordt bij- of meegestookt wel erg veel is, zij ter verduidelijking opgemerkt dat juist daarom bij deze installaties niet het nominale vermogen maar de biomassaverwerkingscapaciteit het uitgangspunt is voor het bepalen van de uitbreiding. Naar aanleiding van de marktconsultatie is verder de redactie van de regeling en de toelichting nog op een aantal punten aangepast.

De Minister van Economische Zaken,

L.J. Brinkhorst.