Circulaire toekenning van politiebevoegdheden en geweldsmiddelen aan buitengewoon opsporingsambtenaren

Aan geadresseerde

Onderdeel: Bureau JBA

Contactpersoon: mw. mr. C.A.M. Boekestein-Klöckner

Doorkiesnummer(s): 070 - 3706524

Datum: 26 mei 2003

Kenmerk: 5228035/503

Bijzonderheden: vervangt de circulaire van 20 oktober 1999, nr. 796329/599/CS

Aard circulaire: bekendmaking beleid

Juridische achtergrond: art. 142 van het Wetboek van Strafvordering, het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, de Wet wapens en munitie en art. 8 lid 7 van de Politiewet 1993

Geldig van/tot: 1 juni 2003 tot en met 1 juni 2007

Onderwerp: toekenning van politiebevoegdheden en geweldsmiddelen aan buitengewoon opsporingsambtenaren

1. Samenvatting

Tijdens het uitoefenen van zijn opsporingsbevoegdheden is de buitengewoon opsporingsambtenaar gehouden aan de regels van het Wetboek van Strafvordering en het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (BBO). Indien hem de bevoegdheid is verleend om geweld te gebruiken en/of de veiligheidsfouillering toe te passen dan wel aan hem geweldsmiddelen zijn toegekend, dient hij zich tevens te gedragen overeenkomstig de regels van de Politiewet 1993, de Wet wapens en munitie alsmede de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna te noemen: Ambtsinstructie). Aan de toekenning van voornoemde bevoegdheden zijn voorwaarden verbonden.

2. Inleiding

In mijn circulaire van 20 oktober 1999, kenmerk 796329/599/CS, zijn de in het BBO gestelde regels inzake benoeming, beëdiging en bewapening van buitengewoon opsporingsambtenaren nader uiteen gezet. In de afgelopen tijd heeft een aantal ontwikkelingen en beleidswijzingen plaatsgevonden, waardoor de noodzaak is ontstaan om deze circulaire te herzien. Gelet op de omvangrijkheid van voornoemde circulaire alsmede de diversiteit van de onderwerpen die hierin aan de orde komen, acht ik het aangewezen om afzonderlijke circulaires te publiceren. In mijn circulaire betreffende de functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar komt het algemene beleid met betrekking tot de toekenning van opsporingsbevoegdheden, politiebevoegdheden en geweldsmiddelen aan de orde. Voorts worden in een aparte circulaire de bekwaamheids- en betrouwbaarheidseisen uitgewerkt. In de onderhavige circulaire worden de voorwaarden waaronder politiebevoegdheden en geweldsmiddelen kunnen worden toegekend, nader uiteengezet.

In de brief die mijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik aan de Tweede Kamer hebben gezonden (brief van 1 maart 2002, 2001-2002, Kamerstukken II 26 604, nr. 78) is het beleidsuitgangspunt verwoord dat opsporing in beginsel een overheidstaak is. Dit impliceert dat ook het gebruik van politiebevoegdheden en geweldsmiddelen bij uitstek voorbehouden is aan overheidsfunctionarissen. In voormelde brief is hiervoor een uitzondering gemaakt voor functionarissen die in dienst van een particuliere werkgever werkzaam zijn als flora- en faunabeheerder. Aan de flora- en faunabeheerder zijn van oudsher politiebevoegdheden en geweldsmiddelen toegekend. Het is niet opportuun om de eis van een dienstbetrekking bij een publiek rechtspersoon in deze gevallen te handhaven. Tevens heb ik in mijn brief van 16 april 2002 (Niet-dossierstuk 2001-2002, just020382) aan de Tweede Kamer gemeld dat ook een uitzondering zal worden gemaakt voor buitengewoon opsporingsambtenaren die in dienst zijn bij private rechtspersonen. Mits de private rechtspersoon waarbij ze in dienst zijn volledig in overheidshanden blijft, kunnen ook aan hen politiebevoegdheden en geweldsmiddelen worden toegekend.

3. Toekenning van politiebevoegdheden

De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd onder voorwaarden geweld te gebruiken en onderzoek aan de kleding van personen te verrichten (artikel 8, leden 1 en 3, van de Politiewet 1993). Op grond van artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993 kunnen aan een buitengewoon opsporingsambtenaar deze zogenaamde politiebevoegdheden door mij worden toegekend.

De buitengewoon opsporingsambtenaar beschikt derhalve, tenzij deze hem uitdrukkelijk zijn toegekend, niet over politiebevoegdheden. Indien aan de buitengewoon opsporingsambtenaar politiebevoegdheden zijn toegekend, beschikt hij daarmee in dit opzicht over dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als de ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, voor wat betreft het aanwenden van geweld, het melden van het gebruik van geweld en het toepassen van de veiligheidsfouillering. Indien aan de buitengewoon opsporingsambtenaar geen politiebevoegdheden zijn toegekend, mag deze geen geweld toepassen. Wel mag hij net als iedere burger aanhouden op heterdaad en daarbij gepast geweld gebruiken. Bij de aanvraag van politiebevoegdheden zal de noodzaak duidelijk moeten worden aangetoond. Onderstaand worden de criteria voor de toekenning van politiebevoegdheden besproken.

Gebruik van geweld

Onder geweld wordt verstaan: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken (artikel 1 van de Ambtsinstructie).

Onder het aanwenden van geweld wordt verstaan: het gebruiken van geweld en het dreigen met geweld (artikel 1, derde lid, onder b en c, van de Ambtsinstructie). Het slechts vastpakken van een verdachte valt niet onder het aanwenden van geweld. Het duwen in een bepaalde richting of het met kracht tegenhouden van een verdachte valt wel onder het aanwenden van geweld.

De geweldsbevoegdheid wordt gerelateerd aan de toe te kennen of toegekende opsporingsbevoegdheid. Voor de toekenning van de geweldsbevoegdheid ex artikel 8, eerste lid, van de Politiewet 1993, gelden de volgende criteria:

a. de buitengewoon opsporingsambtenaar moet zelf verdachten aanhouden en overbrengen naar een plaats van verhoor;

b. er is geen beroep op de politie mogelijk;

c. de bevoegdheid tot het gebruik van geweld staat in verhouding tot de toe te kennen dan wel toegekende opsporingsbevoegdheid.

Veiligheidsfouillering

Op grond van artikel 8, derde lid, van de Politiewet 1993 is een politieambtenaar bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen bij de uitoefening van een hem wettelijk toegekende bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van de politietaak, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid, die van de ambtenaar zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar. De veiligheidsfouillering bestaat uit het met de hand aftasten van de kleding van de betrokkene. Het gaat daarbij om het zoeken naar gevaarlijke voorwerpen.

De bevoegdheid om de veiligheidsfouillering toe te passen wordt, evenals de geweldsbevoegdheid, gerelateerd aan de toe te kennen of toegekende opsporingsbevoegdheid. Voor de toekenning van de bevoegdheid ex artikel 8, derde lid, van de Politiewet 1993, gelden dezelfde criteria als voor toekenning van de geweldsbevoegdheid:

a. de buitengewoon opsporingsambtenaar moet zelf verdachten aanhouden en overbrengen naar een plaats van verhoor;

b. er is geen beroep op de politie mogelijk;

c. de bevoegdheid tot het toepassen van de veiligheidsfouillering staat in verhouding tot de toe te kennen dan wel toegekende opsporingsbevoegdheid.

De wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik dient te worden gemaakt, is nader geregeld in de artikelen 20 en 21 van de Ambtsinstructie.

4. Toekenning van geweldsmiddelen

Aan de buitengewoon opsporingsambtenaar kunnen de volgende geweldsmiddelen worden toegekend: de handboeien, de wapenstok, het vuurwapen en de surveillancehond. Handboeien zijn volgens de Bewapeningsregeling politie en de Wet wapens en munitie (WWM) geen geweldsmiddel, maar worden in de Regeling toetsing geweldsbeheersing politie (RTGP) wel als geweldsmiddel beschouwd. Voor de toekenning van handboeien aan buitengewoon opsporingsambtenaren worden derhalve dezelfde criteria gehanteerd als voor de toekenning van de overige geweldmiddelen.

Er is voor gekozen om de buitengewoon opsporingsambtenaar (vooralsnog) niet uit te rusten met pepperspray.

Het toepassen van geweld met gebruik van een (vuur)wapen is een bevoegdheid die in beginsel alleen toekomt aan de gewapende macht van de overheid (de krijgsmacht) en de politie. Derhalve worden slechts in uitzonderlijke gevallen geweldsmiddelen aan anderen toegekend. Mede vanuit de doelstelling van de WWM wordt een restrictief beleid gehanteerd, verwoord in het `nee, tenzij...' principe.

Het toekennen van geweldsmiddelen aan een buitengewoon opsporingsambtenaar geschiedt slechts indien de noodzaak hiertoe door de aanvrager aangetoond is en indien zijn bekwaamheid in de omgang met het betreffende wapen is aangetoond (zie ook art. 5, eerste lid, Regeling wapens en munitie (RWM)). Het toekennen van de geweldsmiddelen wordt tevens afhankelijk gesteld van de in redelijkheid te verwachten kans dat de buitengewoon opsporingsambtenaar bij de vervulling van zijn functie met geweld of dreiging met geweld wordt geconfronteerd. In mijn circulaire “Functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar” is per functiecategorie de maximaal toe te kennen bewapening vastgesteld.

Het formele kader voor de toekenning van de bevoegdheid tot het dragen en gebruiken van geweldsmiddelen aan buitengewoon opsporingsambtenaren wordt bepaald door de Wet wapens en munitie (WWM) en de Regeling wapens en munitie (RWM). Ten aanzien van de buitengewoon opsporingsambtenaren, tevens zijnde ambtenaren van politie (politieboa's), is niet de RWM van toepassing, maar de Bewapeningsregeling politie. Het toekennen van wapenstok en vuurwapen aan politieboa's geschiedt door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mij gezamenlijk (art. 3 Bewapeningsregeling politie) en valt buiten de reikwijdte van deze circulaire. De bevoegdheid tot het gebruik van handboeien kan wel door mij worden toegekend. De criteria voor toekenning worden hieronder beschreven.

Elke aanvraag tot het toekennen van geweldsmiddelen wordt afzonderlijk beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

a. Voor welke soort wetsovertreding(en) is de opsporingsbevoegdheid verleend?

Bij het handhaven van artikelen uit het Wetboek van Strafrecht kan het gebruik van een geweldsmiddel meer proportioneel zijn dan bijvoorbeeld bij het handhaven van het ordeningsrecht.

b. Wat is de aard van de te verwachten agressiviteit?

Toekenning van een geweldsmiddel kan geïndiceerd zijn indien de verwachting is dat de buitengewoon opsporingsambtenaar daadwerkelijk te maken krijgt met fysiek geweld, in tegenstelling tot situaties waarbij de te verwachten agressie louter verbaal van aard is.

c. Over welke geweldsmiddelen kan de buitengewoon opsporingsambtenaar op basis van zijn taakstelling beschikken?

Indien het bezwaarlijk of onmogelijk is om op een andere wijze te voorzien in de veiligheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar, kan hem een geweldsmiddel worden toegekend.

d. In welke frequentie en mate hebben zich in het verleden situaties voorgedaan waarbij bewapening wenselijk was geweest?

Indien er sprake is van toename van het aantal gevallen dat de buitengewoon opsporingsambtenaar met geweld wordt geconfronteerd waarbij de aanwezigheid van enig geweldsmiddel wenselijk zou zijn geweest, kan een geweldsmiddel worden toegekend.

Indien de beantwoording van bovenstaande vragen nog onvoldoende duidelijkheid geeft over de aanwezigheid van de noodzaak, kunnen aanvullende vragen naar de (on)mogelijkheid van politieassistentie en de aandacht bij de scholing van buitengewoon opsporingsambtenaren voor het onderwerp sociale vaardigheden nog een nadere indicatie geven. Indien zich vaak situaties voordoen waarin het aanwenden van sociale vaardigheden en geweldsbeheersingstechnieken niet (meer) afdoende zijn, kan er aanleiding zijn voor het toekennen van bewapening.

Handboeien

Een buitengewoon opsporingsambtenaar kan worden aangewezen om handboeien te gebruiken (art. 37, tweede lid, van de Ambtsinstructie). Bij de beslissing omtrent het al dan niet toekennen, gelden de criteria a. tot en met d. zoals hiervoor beschreven.

De toekenning van de bevoegdheid om handboeien te gebruiken is in sterke mate afhankelijk van de in redelijkheid te verwachten kans dat de buitengewoon opsporingsambtenaar bij de vervulling van zijn functie met (bedreiging met) geweld wordt geconfronteerd.

Het daadwerkelijk gebruik van handboeien is uitsluitend toegestaan aan een buitengewoon opsporingsambtenaar die conform de RTGP in het aanleggen van handboeien is geoefend.

Wapenstok

Een buitengewoon opsporingsambtenaar kan worden uitgerust met een wapenstok. Bij de toekenning gelden de criteria a. tot en met d. zoals hiervoor beschreven.

Evenals bij de toekenning van de handboeien is ook de toekenning van de bevoegdheid om een wapenstok te gebruiken in sterke mate afhankelijk van de in redelijkheid te verwachten kans dat de buitengewoon opsporingsambtenaar bij de vervulling van zijn functie met (bedreiging met) geweld wordt geconfronteerd.

Het daadwerkelijk gebruik van de wapenstok is uitsluitend toegestaan aan een buitengewoon opsporingsambtenaar die conform de RTGP in het gebruik ervan is geoefend.

Vuurwapen

Bij de beoordeling of er sprake is van noodzaak tot bewapening met een vuurwapen worden, naast de hiervoor beschreven criteria a. tot en met d. aanvullend de volgende criteria gehanteerd:

1. Er moet een redelijke verwachting bestaan dat de buitengewoon opsporingsambtenaar bij de uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheden komt te verkeren, dat hij of anderen met onmiddellijk schietwapengebruik of onmiddellijke dreiging met een schietwapen wordt geconfronteerd;

2. Het is, indien zich een geval als onder 1. genoemd voordoet, bezwaarlijk of onmogelijk om een beroep te doen op de reguliere politie;

3. Het is bezwaarlijk of onmogelijk om op een andere, minder ingrijpende wijze in de beveiliging van de betrokkene te voorzien.

Surveillancehond

Het formele kader voor de toekenning van de bevoegdheid tot gebruik van een politiesurveillancehond wordt bepaald door de artikelen 15 en 37, tweede lid, van de Ambtsinstructie en de Regeling politiesurveillancehonden 1999. Het inzetten van een politiesurveillancehond is slechts geoorloofd onder het direct en voortdurend toezicht van een geleider bij de surveillancedienst (artikel 15, eerste lid, onder a, van de Ambtsinstructie). De geleider dient in het bezit te zijn van certificaat. Een keuringscommissie verstrekt aan de geleider een certificaat op naam van de combinatie van de geleider en de politiesurveillancehond, indien die combinatie onder leiding van die geleider aan de keuringseisen heeft voldaan. In de Regeling politiesurveillancehonden wordt het kader aangegeven met betrekking tot de keuring en de keuringseisen voor de combinatie. De keuringseisen zijn opgenomen in het Keuringsreglement politiesurveillancehond.

Evenals bij de toekenning van de handboeien en de wapenstok is ook de toekenning van de bevoegdheid om een politiesurveillancehond in te zetten in sterke mate afhankelijk van de in redelijkheid te verwachten kans dat de buitengewoon opsporingsambtenaar bij de vervulling van zijn functie met geweld of de dreiging met geweld wordt geconfronteerd.

Het aanvragen van de toekenning van geweldsmiddelen

Aanvragen voor toekenning van politiebevoegdheden en/of geweldsmiddelen kunnen worden ingediend bij het Ministerie van Justitie.

Aan de toekenning van geweldsmiddelen aan buitengewoon opsporingsambtenaren kunnen nadere voorwaarden worden verbonden. Zo kan ervoor gekozen worden om, bij wijze van proef, voor een kortere periode bepaalde geweldsmiddelen toe te kennen of kan een aanvullende opleidingseis worden gesteld.

5. Bekwaamheidseisen

In de Regeling toetsing geweldbeheersing politie (RTGP) worden regels gesteld inzake de toetsing van ambtenaren van politie en buitengewoon opsporingsambtenaren ter zake van geweldsbeheersing, aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden en de schietvaardigheid. Deze regeling is op 1 januari 2002 in werking getreden.

In artikel 4, sub b, van de Ambtsinstructie wordt bepaald dat het gebruik van een geweldsmiddel slechts is toegestaan door een ambtenaar die in het gebruik van dat geweldsmiddel is geoefend. Voorts wordt in artikel 5 van de Regeling wapens en munitie bepaald dat de buitengewoon opsporingsambtenaar slechts met een wapen kan worden uitgerust indien de noodzaak van het dragen van dat wapen aannemelijk wordt gemaakt en de bekwaamheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar met het wapen is aangetoond. De RTGP is te zien als een uitwerking van deze regels.

Besloten is, om de buitengewoon opsporingsambtenaren met politiebevoegdheden, die zijn uitgerust met één of meer geweldsmiddelen in de RTGP op te nemen. Onder geweldsmiddel worden in deze regeling tevens verstaan de handboeien. De buitengewoon opsporingsambtenaar die alleen over (één van) de politiebevoegdheden ex artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993 beschikt, valt niet onder de werking van de RTGP. Hij is echter conform artikel 39 van de Ambtsinstructie niet eerder bevoegd tot de uitoefening van deze bevoegdheden dan nadat is gebleken van zijn bekwaamheid in de uitoefening daarvan. Uit artikel 39, tweede lid, van het BBO vloeit voort dat de direct toezichthouder een speciale rol heeft waar het buitengewoon opsporingsambtenaren betreft die politiebevoegdheden mogen uitoefenen. In het kader van het uitoefenen van die bevoegdheden is de korpschef de meerdere en is hij in dat kader bevoegd aanwijzingen te geven en nadere eisen te stellen. Ook dient hij toe te zien op de geoefendheid van de buitengewoon opsporingsambtenaren die uit hoofde van de uitoefening van hun functie de beschikking hebben over geweldsmiddelen.

De toetsen worden in beginsel afgenomen door de politie, onder auspiciën van het LSOP. De werkgever van de buitengewoon opsporingsambtenaar dient de buitengewoon opsporingsambtenaar in de gelegenheid te stellen om het daartoe benodigde onderwijs te volgen. Dit laat evenwel onverlet de rol die de direct toezichthouder (de korpschef) heeft met betrekking tot het toezicht op de geoefendheid van de buitengewoon opsporingsambtenaren die geweldsmiddelen mogen aanwenden.

De buitengewoon opsporingsambtenaar die een geweldsmiddel ter beschikking heeft uit hoofde van zijn functie dient een drietal toetsen af te leggen:

1. De toets schietvaardigheid (een schiettoets, voor die buitengewoon opsporingsambtenaren die een vuurwapen dragen);

2. De toets geweldsbeheersing (een theoretische toets over de bevoegdheden die men heeft o.a. op grond van de Ambtsinstructie, voor buitengewoon opsporingsambtenaren die handboeien of handboeien en wapenstok dragen);

3. De toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden (een toets waarin zij een aantal aanhoudings- en zelfverdedigingstechnieken moeten kunnen demonstreren, voor buitengewoon opsporingsambtenaren die handboeien of handboeien en wapenstok dragen).

De toets schietvaardigheid dient twee maal per jaar te worden afgelegd. In het eerste halfjaar wordt de toets afgelegd om in het daaropvolgende halfjaar bekwaam te worden geacht voor het dragen van een vuurwapen. Indien de buitengewoon opsporingsambtenaar in het eerste halfjaar niet slaagt voor deze toets, dient op 30 juni het vuurwapen te worden ingeleverd. In het daaropvolgende halfjaar dient vervolgens een toets met goed gevolg te worden afgelegd teneinde het vuurwapen terug te kunnen krijgen; tevens dient in dat half jaar een toets te worden afgelegd teneinde bekwaam te worden geacht voor het daaropvolgende halfjaar. Deze toetsverplichting geldt vanaf 1 januari 2002.

Tevens is vanaf 1 januari 2002 de toets geweldsbeheersing verplicht gesteld voor de buitengewoon opsporingsambtenaar met een geweldsmiddel. Deze toets dient één maal per jaar met goed gevolg te worden afgelegd. Indien de ambtenaar op 31 december deze toets niet met goed gevolg heeft afgelegd, dienen alle geweldsmiddelen te worden ingeleverd.

Vanaf 1 januari 2003 bestaat voorts de verplichting dat de buitengewoon opsporingsambtenaar die is uitgerust met een geweldsmiddel, de toets aanhoudings- en zelfverdedigingstechnieken met goed gevolg dient te hebben afgelegd.

Indien de buitengewoon opsporingsambtenaar de toets geweldsbeheersing en/of aanhoudings- en zelfverdedigingstechnieken niet met goed gevolg heeft afgelegd, dienen alle geweldsmiddelen te worden ingeleverd. Dit geldt ook voor het vuurwapen, ook al is de buitengewoon opsporingsambtenaar wel geslaagd voor de schiettoets. Voor de toekenning van een wapen wordt immers vereist dat wordt voldaan aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit.

Indien de buitengewoon opsporingsambtenaar wel slaagt voor de toetsen geweldbeheersing en aanhoudings- en zelfverdedigingstechnieken, maar niet voor de toets schietvaardigheid, kan alleen nog gebruik worden gemaakt van de wapenstok en de handboeien. Het vuurwapen wordt weer verstrekt indien alsnog aan alle gestelde bekwaamheidseisen is voldaan.

De Minister van Justitie,namens deze,
de Directeur-Generaal Rechtshandhaving,
C.W.M. Dessens.

Naar boven