Regeling aanvraag en vergelijkende toets commerciële radio-omroep

Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen houdende regels inzake de aanvraag van vergunningen en de uitvoering van de vergelijkende toets voor het gebruik van frequentieruimte voor commerciële radio-omroep gedurende een beperkte periode (Regeling aanvraag en vergelijkende toets commerciële radio-omroep)

6 mei 2002

MLB/JZ/2002/18.371

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;

Gelet op de artikelen 4, eerste lid, 6, eerste lid, en 8, eerste lid, van het Frequentiebesluit;

Besluit:

Artikel 1 (definities)

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

a. de minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

b. commerciële radio-omroep: radio-omroep als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Mediawet, door een commerciële omroepinstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel dd, van die wet;

c. landelijke commerciële radio-omroep: commerciële radio-omroep die betrekking heeft op het verzorgen en uitzenden van radioprogramma's via frequentieruimte die in de bijlagen 1a, 1b en 3a bij deze regeling wordt beschreven;

d. niet-landelijke commerciële radio-omroep: commerciële radio-omroep die betrekking heeft op het verzorgen en uitzenden van radioprogramma's met maximaal 20% demografisch bereik via frequentieruimte die in de bijlagen 2a, 2b en 3b bij deze regeling wordt beschreven, door een commerciële omroepinstelling met een kabelbereik van ten hoogste 20% van het aantal huishoudens in Nederland dat op een omroepnetwerk is aangesloten;

e. kabelbereik: het totale aantal huishoudens dat is aangesloten op het omroepnetwerk of de omroepnetwerken waartoe een commerciële omroepinstelling toegang heeft;

f. demografisch bereik: het aantal inwoners van Nederland dat de uitzendingen van een etherfrequentie of samenstel van etherfrequenties in het dekkingsgebied, berekend via de technische Zero Base-planningsnorm, kan ontvangen;

g. kavel: de frequentie of het samenstel van frequenties, ter beschikking voor de uitvoering van een vergunning, waarvan de aanspraken op het gebruiksrecht worden toegekend door middel van een vergelijkende toets;

h. aanvraag: de aanvraag voor een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte ten behoeve van commerciële radio-omroep;

i. aanvrager: de rechtspersoon of natuurlijk persoon die een aanvraag doet;

j. aanvraagdocument: het document, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Frequentiebesluit;

k. vergunning: de vergunning voor commerciële radio-omroep als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de Telecommunicatiewet;

l. marktaandeel: het aandeel in luistervolume van een radiozender in de markt ten opzichte van de andere radiozenders uitgedrukt in procenten, gemeten op basis van een representatieve steekproef onder personen van 10 jaar en ouder en woonachtig in Nederland, naar het dagelijkse luistergedrag over het tijdvak vanaf 07.00 uur tot 24.00 uur gedurende de gehele week;

m. Cebucogebied: de door het Centraal Bureau voor Courantenpubliciteit te Amsterdam opgestelde gebiedsindeling voor reclame- en verkoopdoeleinden, waarbij voor de toepassing van deze regeling de indeling wordt aangehouden zoals die in bijlage 6 bij deze regeling is vastgesteld;

n. inkomsten uit reclameactiviteiten: de netto inkomsten die zijn toe te rekenen aan de in het eigen radioprogramma daadwerkelijk uitgezonden reclameboodschappen.

2. Indien een aanvrager zodanig verbonden is met een andere aanvrager, met de houder van een minimaal tot 1 september 2002 verlengde vergunning, dan wel met een andere commerciële omroepinstelling, dat zij als eenzelfde instelling moeten worden beschouwd, worden zij voor de toepassing van de artikelen 4, eerste lid, 11, eerste lid, 15, 16 en 20, onderdeel b, als eenzelfde instelling beschouwd. Voor de bepaling of er sprake is van eenzelfde instelling, is artikel 53c, eerste lid, onderdelen a en b, van het Mediabesluit, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2 (vergunningen landelijke commerciële radio-omroep)

1. Voor landelijke commerciële radio-omroep is de beschikbare frequentieruimte waarvoor een aanvraag voor een vergunning kan worden ingediend beschreven in de bijlagen 1a en 1b bij deze regeling.

2. De frequentieruimte is verdeeld in kavels. Elke vergunning voor landelijke commerciële radio-omroep heeft betrekking op een afzonderlijk kavel FM-frequentieruimte dan wel AM-frequentieruimte via de middengolf. De beschrijvingen van de kavels voor landelijke commerciële radio-omroep zijn opgenomen in de bijlagen 1a en 1b bij deze regeling.

Artikel 3 (vergunningen niet-landelijke commerciële radio-omroep)

1. Voor niet-landelijke commerciële radio-omroep is de beschikbare frequentieruimte waarvoor een aanvraag voor een vergunning kan worden ingediend beschreven in de bijlagen 2a en 2b bij deze regeling.

2. De frequentieruimte is verdeeld in kavels. Elke vergunning voor niet-landelijke commerciële radio-omroep heeft betrekking op één of meer kavels voor niet-landelijke commerciële radio-omroep. De beschrijvingen van de kavels voor niet-landelijke commerciële radio-omroep zijn opgenomen in de bijlagen 2a en 2b bij deze regeling.

Artikel 4 (aanvullend vrijkomende frequentieruimte)

1. Indien de vergunning voor een kavel met betrekking tot FM-frequentieruimte wordt verleend aan een aanvrager die houder is van een tot 1 september 2003 voorwaardelijk verlengde vergunning voor commerciële radio-omroep via AM-frequentieruimte via de middengolf, is als gevolg van die verlening de kavel waarvoor de vergunning voorwaardelijk verlengd is alsnog beschikbaar voor het verlenen van een vergunning op grond van deze regeling. De beschrijvingen van de kavels voor AM-frequentieruimte via de middengolf waarvan de vergunningen tot 1 september 2003 voorwaardelijk zijn verlengd, zijn in bijlage 3a en 3b bij deze regeling opgenomen.

2. Onverminderd hetgeen in artikel 2 over het aantal beschikbare vergunningen en kavels is bepaald, kan de aanvraag voor landelijke commerciële radio-omroep tevens of uitsluitend betrekking hebben op een kavel voor AM-frequentieruimte via de middengolf die in bijlage 3a bij deze regeling is opgenomen.

3. Onverminderd hetgeen in artikel 3 over het aantal beschikbare vergunningen en kavels is bepaald, kan de aanvraag voor niet-landelijke landelijke commerciële radio-omroep tevens of uitsluitend betrekking hebben op een kavel voor AM-frequentieruimte via de middengolf die in bijlage 3b bij deze regeling is opgenomen.

4. De aanvraag, bedoeld in het tweede en derde lid, kan uitsluitend het verlenen van een vergunning voor een kavel als in die leden bedoeld tot gevolg hebben, indien voor 1 september 2002 bekend is dat een dergelijk kavel per die datum vrij ter beschikking blijkt te zijn gekomen voor het verlenen van de vergunning.

Artikel 5 (procedure vergunningverlening)

De vergunningen voor commerciële radio-omroep worden verleend door middel van de procedure van een vergelijkende toets.

Artikel 6 (aanvraagdocument)

1. Degene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning verzoekt de minister per brief om het beschikbaar stellen van een aanvraagdocument. Het aanvraagdocument kan worden opgevraagd met ingang van 17 mei 2002, 09.00 uur. Het aanvraagdocument wordt afgehaald op het in het vierde lid genoemde adres. Indien daar in de brief om is verzocht wordt het aanvraagdocument toegezonden.

2. Het verzoek wordt als volgt geadresseerd:

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

p/a mw. mr. W.H.G. Kroon-Welp, notaris

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn

Postbus 11756

2502 AT Den Haag

Nederland

3. Voor de beschikbaarstelling van het aanvraagdocument is een bedrag van € 350 per aanvraagdocument verschuldigd. Het bedrag wordt voldaan door contante betaling bij het afhalen van het aanvraagdocument dan wel door middel van overboeking naar het volgende bankrekeningnummer:

22.81.75.720

F. van Lanschot Bankiers N.V., Den Haag

t.n.v. Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn,

derdengelden notariaat, inzake `aanvraagdocument radiofrequenties'.

4. Beschikbaarstelling van het aanvraagdocument door overhandiging bij het afhalen dan wel door toezending geschiedt nadat het bedrag is voldaan. Het afhalen geschiedt op het volgende adres:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

p/a mw. mr. W.H.G. Kroon-Welp, notaris

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn

Koningin Julianaplein 30

Gebouw Babylon

Kantoren A, 5e verdieping

Den Haag

Nederland

5. Het bedrag, genoemd in het derde lid, wordt niet geretourneerd.

Artikel 7 (vraag- en antwoordprocedure)

1. Eenieder aan wie het aanvraagdocument overeenkomstig artikel 6 is verstrekt, kan met betrekking tot dat document tot uiterlijk 23 mei, 14.00 uur, vragen stellen aan de minister. De vragen worden schriftelijk ingediend en geadresseerd op de wijze, genoemd in artikel 6, tweede lid.

2. De vragen worden zodanig geformuleerd dat ze niet tot de identiteit van de vragensteller herleidbaar zijn. De identiteit van de vragensteller is alleen aan de notaris bekend.

3. De vragen worden uiterlijk 23 mei 2002, 14.00 uur, door tussenkomst van de notaris door de minister ontvangen.

4. Uiterlijk op 4 juni 2002 zendt de minister aan de vragensteller schriftelijk reactie op de vragen die tijdig zijn ontvangen. De reactie en de niet tot de identiteit van de vragensteller herleidbare versie van de vragen worden gelijktijdig in afschrift verzonden aan eenieder aan wie het aanvraagdocument is verstrekt.

Artikel 8 (inrichting van de aanvraag)

1. De aanvraag bevat de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage 4 bij deze regeling, en wordt overeenkomstig die bijlage ingedeeld.

2. De aanvraag voor commerciële radio-omroep bevat tevens de gegevens, bedoeld in de artikelen 9 en 10.

3. De aanvraag is in de Nederlandse taal gesteld en aangeduid als origineel exemplaar. Dit exemplaar wordt ondertekend door de aanvrager.

4. De aanvraag gaat vergezeld van zeven als zodanig aangeduide afschriften.

5. Indien er verschillen bestaan tussen het origineel en de afschriften, is het origineel bindend.

6. De aanvrager informeert de minister onmiddellijk over wijzigingen met betrekking tot de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid.

7. Met de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, worden gelijkgesteld zodanige gegevens en bescheiden krachtens het recht van een van de andere lidstaten van de Europese Unie of een van de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Artikel 9 (keuze tussen landelijke en niet-landelijke commerciële radio-omroep)

1. De aanvraag heeft betrekking op ofwel landelijke ofwel niet-landelijke commerciële radio-omroep. De aanvrager geeft in de aanvraag aan of deze betrekking heeft op landelijke dan wel niet-landelijke commerciële radio-omroep.

2. De aanvraag kan tot de verlening van niet meer dan één vergunning leiden.

Artikel 10 (voorkeuren kavels)

1. De aanvraag geeft aan op welke specifieke kavels de aanvraag betrekking heeft.

2. De aanvraag die op meer dan één kavel betrekking heeft, geeft op de in het derde lid genoemde wijze per kavel aan welke voorkeur aan het verkrijgen van dat kavel wordt gegeven ten opzichte van de andere kavels waarop de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning betrekking heeft.

3. Het aangeven van de voorkeuren vindt plaats door de kavels op basis van voorkeur oplopend te nummeren, beginnend met het getal één voor de kavel waarvoor de belangstelling het grootste is.

Artikel 11 (indienen aanvraag)

1. Elke aanvrager dient slechts één aanvraag in.

2. De aanvraag kan uitsluitend met ingang van 17 mei 2002, 09.00 uur, worden ingediend en wordt uiterlijk op 11 juni 2002, 14.00 uur, ontvangen.

3. Indiening van de aanvraag geschiedt door aflevering op het adres, genoemd in artikel 6, vierde lid.

4. De minister bevestigt, door tussenkomst van de notaris, schriftelijk de ontvangst van de aanvraag.

Artikel 12 (niet in behandeling nemen van de aanvraag)

Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan de eisen, gesteld in artikel 11, tweede en derde lid, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.

Artikel 13 (herstel verzuim)

1. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan de in de artikelen 6, eerste en derde lid, 8, eerste tot en met vierde lid, 9, eerste lid, en 10 gestelde eisen, stelt de minister de aanvrager gedurende drie werkdagen in de gelegenheid dit verzuim te herstellen.

2. Indien het verzuim niet is hersteld binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.

Artikel 14 (uiterste datum van het in behandeling nemen)

De Minister van Verkeer en Waterstaat deelt de aanvrager uiterlijk op 26 juni 2002 mee of de aanvraag in behandeling wordt genomen.

Artikel 15 (meerdere aanvragen per aanvrager)

1. Indien een aanvrager meer dan één aanvraag heeft ingediend, stelt de minister de aanvrager gedurende 3 dagen in de gelegenheid te bepalen welke aanvraag in behandeling dient te blijven.

2. Indien de aanvrager niet binnen de gestelde termijn zijn keuze ter kennis van de minister heeft gebracht, wordt door middel van loting vastgesteld welke van de aanvragen in behandeling dient te blijven. De Minister van Verkeer en Waterstaat wijst de aanvraag die niet in behandeling blijft af. De Minister van Verkeer en Waterstaat stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.

Artikel 16 (afwijzing aanvragen zittende vergunninghouders)

1. Indien de aanvrager op 1 mei 2002 houder is van een minimaal tot 1 september 2002 verlengde vergunning voor FM-frequentieruimte, wijst de Minister van Verkeer en Waterstaat de aanvraag af.

2. Indien de aanvrager op 1 mei 2002 houder is van een minimaal tot 1 september 2002 verlengde vergunning voor AM-frequentieruimte via de middengolf, wijst de Minister van Verkeer en Waterstaat de aanvraag af voor zover deze uitsluitend of tevens betrekking heeft op een kavel voor een vergunning voor commerciële radio-omroep via AM-frequentieruimte via de middengolf.

Artikel 17 (entiteitsvorm)

1. De aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek dan wel een natuurlijk persoon.

2. De aanvrager is geen instelling voor publieke omroep.

3. Met een privaatrechtelijke rechtspersoon naar Nederlands recht wordt gelijkgesteld het equivalent daarvan volgens het recht van een van de overige lidstaten van de Europese Unie of een van de overige lidstaten die partij zijn bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

4. Indien de aanvrager een rechtspersoon is:

a. wordt deze beheerst door het recht van een van de lidstaten van de Europese Unie of een van de overige lidstaten die partij zijn bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

b. heeft deze zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging binnen een van de lidstaten van de Europese Unie of een van de overige lidstaten die partij zijn bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

5. Indien de aanvrager een natuurlijk persoon is;

a. heeft deze zijn werkelijke woonplaats binnen een van de lidstaten van de Europese Unie of een van de overige lidstaten die partij zijn bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

b. is deze meerderjarig.

Artikel 18 (financiële positie)

1. Ten aanzien van de financiële positie van de aanvrager worden de volgende eisen gesteld:

a. de aanvrager verkeert niet in staat van faillissement;

b. er is geen beslag gelegd op een of meer goederen van de aanvrager die tezamen een aanmerkelijk deel van zijn vermogen vormen;

c. indien de aanvrager een rechtspersoon is:

1° is aan de aanvrager geen surséance van betaling verleend;

2° verkeert de aanvrager niet in liquidatie;

d. indien de aanvrager een natuurlijk persoon is:

1°. is deze handelingsbekwaam ter zake van de onderhavige procedure van vergelijkende toets alsmede het verzorgen en uitzenden van radioprogramma's;

2°. is ten aanzien van de aanvrager geen schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing;

3°. heeft de aanvrager niet door onderbewindstelling van een of meer goederen het vrije beheer over zijn vermogen verloren;

4°. overlegt de aanvrager een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag.

2. Met een aanvrager die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld een aanvrager die aan zodanige eisen voldoet krachtens het recht van een van de andere lidstaten van de Europese Unie of een van de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Artikel 19 (kennis, ervaring en technische middelen)

1. Ten aanzien van de kennis en ervaring van de aanvrager wordt de eis gesteld dat de aanvrager aantoonbaar kan beschikken over kennis en ervaring met betrekking tot de productie en exploitatie van een radioprogramma.

2. Ten aanzien van de technische middelen van de aanvrager wordt de eis gesteld dat de aanvrager aantoonbaar kan beschikken over technische middelen met betrekking tot de productie en exploitatie van een radioprogramma.

Artikel 20 (hoedanigheid)

Ten aanzien van de hoedanigheid van de aanvrager als commerciële omroep worden de volgende eisen gesteld:

a. de aanvrager beschikt over de vereiste toestemming van het Commissariaat voor de Media of, voor zover van toepassing, over een vergelijkbare buitenlandse toestemming krachtens het recht van een van de overige lidstaten van de Europese Unie of een van de overige lidstaten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte om als commerciële radio-omroep te mogen uitzenden;

b. de aanvrager die een vergunning voor niet-landelijke commerciële radio-omroep aanvraagt, heeft op 1 april 2002 ten hoogste een kabelbereik van 20% van het aantal huishoudens in Nederland dat op een omroepnetwerk is aangesloten.

Artikel 21 (beslissing over toelating tot vergelijkende toets)

1. De minister stelt uiterlijk binnen vier weken na de dag waarop de aanvrager op grond van artikel 11, tweede lid, de aanvraag uiterlijk kon indienen, vast of de aanvrager voldoet aan de artikelen 17 tot en met 20.

2. Indien uit de aanvraag blijkt dat is voldaan aan de eisen, bedoeld in de artikelen 17 tot en met 20, stelt de Minister van Verkeer en Waterstaat de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.

3. Indien uit de aanvraag blijkt dat niet is voldaan aan de eisen, bedoeld in de artikelen 17 tot en met 20, wijst de Minister van Verkeer en Waterstaat de aanvraag af.

Artikel 22 (toepassing voorkeuren landelijke commerciële radio-omroep)

1. Indien op enig kavel niet meer dan één aanvraag voor landelijke commerciële radio-omroep betrekking heeft, wordt de aanvrager van die kavel geacht het best te voldoen aan de in artikel 24 bedoelde criteria.

2. Indien er meerdere aanvragen voor landelijke commerciële radio-omroep zijn die op eenzelfde kavel betrekking hebben, wordt per kavel waarbij dit zich voordoet onderzocht welke aanvrager het best voldoet aan de in artikel 24 bedoelde criteria.

3. Van de aanvrager voor landelijke commerciële radio-omroep die voor meerdere kavels het best voldoet aan de in artikel 24 bedoelde criteria, wordt vastgesteld aan welke van die kavels hij zijn hoogste voorkeur heeft gegeven.

4. Het eerste tot en met het derde lid wordt telkens opnieuw toegepast op de kavels die overblijven nadat voor de aanvrager, bedoeld in het derde lid, is vastgesteld naar welke kavel zijn hoogste voorkeur uitgaat.

5. Bij de toepassing van het vierde lid wordt de aanvraag van de aanvrager, bedoeld in het derde lid, niet verder betrokken.

6. Indien de aanvrager voor niet meer dan één kavel het beste voldoet aan de in artikel 24 bedoelde criteria, is de voorkeur voor die kavel tevens zijn hoogste voorkeur.

7. Nadat door toepassing van de voorgaande leden het niet langer meer mogelijk is om een hoogste voorkeur als in die leden bedoeld vast te stellen, wordt de vergunning aan de aanvrager voor die kavel verleend, waaraan deze aanvrager de hoogste voorkeur heeft toegekend als in de vorige leden is vastgesteld.

8. Indien de in het zevende lid bedoelde kavel een kavel betreft die in bijlage 3a bij deze regeling is opgenomen, wordt de vergunning voor die kavel eerst dan verleend, indien door de verlening van de vergunningen op aanvraag voor de kavels die in de bijlagen 1a en 1b bij deze regeling zijn opgenomen, de in bijlage 3a opgenomen kavel vrij ter beschikking blijkt te zijn gekomen voor het verlenen van de vergunning.

Artikel 23 (wel of geen toepassing vergelijkende toets niet-landelijke commerciële radio-omroep)

1. Indien op enig kavel niet meer dan één aanvraag voor niet-landelijke commerciële radio-omroep betrekking heeft, wordt de aanvrager van die kavel geacht het best te voldoen aan de in artikel 25 bedoelde criteria.

2. Indien er meerdere aanvragen voor niet-landelijke commerciële radio-omroep zijn die op eenzelfde kavel betrekking hebben, wordt per kavel waarbij dit zich voordoet onderzocht welke aanvrager het best voldoet aan de in artikel 25 bedoelde criteria.

3. Indien er meer dan één kavel is waarvoor de aanvrager voor niet-landelijke commerciële radio-omroep op grond van het eerste of tweede lid het beste voldoet aan de in artikel 25 bedoelde criteria, wordt op volgorde van voorkeur per kavel vastgesteld of door het verlenen van de vergunning voor ook die kavel een combinatie van kavels ontstaat die een niet-toegestane overlap in het dekkingsgebied geeft zoals beschreven in bijlage 5 bij deze regeling.

4. Indien op grond van het derde lid wordt vastgesteld dat er sprake is van een combinatie zoals beschreven in bijlage 5 bij deze regeling, wijst de Minister van Verkeer en Waterstaat uit de kavels die deze combinatie vormen de aanvraag voor de kavel met de laagste voorkeur af.

5. Na toepassing van het derde en vierde lid wordt ten aanzien van de kavels waarvoor de aanvrager het best voldoet aan de in artikel 25 bedoelde criteria op grond van het eerste of tweede lid, op volgorde van voorkeur per kavel vastgesteld of door het verlenen van de vergunning voor ook die kavel het opgetelde percentage aan demografisch bereik dat op basis van die vergunning kan worden bereikt met behulp van de kavels waaraan een hogere voorkeur is toegekend, de 20% overschrijdt.

6. Indien met toepassing van het vijfde lid wordt vastgesteld dat het verlenen van de vergunning voor een kavel overschrijding van het percentage aan demografisch bereik van 20% als bedoeld in het vijfde lid tot gevolg heeft, wijst de Minister van Verkeer en Waterstaat de aanvraag voor zover betrekking hebbend op die kavel af.

7. Nadat met toepassing van de voorgaande leden niet langer een afwijzing van de aanvraag voor een specifiek kavel op grond van het vierde en zesde lid aan de orde is, wordt aan de aanvragers die uitsluitend voor een of meer kavels zoals beschreven in bijlagen 2a of 2b het best voldoen aan de in artikel 25 bedoelde criteria op grond van de voorgaande leden de vergunning verleend.

8. Nadat met toepassing van de voorgaande leden niet langer een afwijzing van de aanvraag voor een specifiek kavel op grond van het vierde en zesde lid aan de orde is, wordt aan de aanvragers die voor een of meer kavels opgenomen in bijlage 3b al dan niet tezamen met kavels opgenomen in bijlage 2a en 2b het best voldoen aan de in artikel 25 bedoelde criteria op grond van de voorgaande leden, de vergunning verleend voor de kavels opgenomen in 3b voor zover deze opgenomen kavels vrij ter beschikking blijken te zijn gekomen voor het verlenen van de vergunning en voor de kavels opgenomen in bijlagen 2a en 2b.

Artikel 24 (criteria vergelijkende toets landelijke commerciële radio-omroep)

1. Bij de uitvoering van de vergelijkende toets worden de aanvragers voor een specifiek kavel voor landelijke commerciële radio-omroep onderling vergeleken en wordt nagegaan of die aanvragers een eigen radioprogramma in de ether of via een omroepnetwerk in Nederland uitzenden en gedurende een ononderbroken periode van ten minste zes kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 dagelijks hebben uitgezonden.

2. Indien slechts één aanvrager aan het in het eerste lid bedoelde criterium voldoet, wordt de vergunning aan die aanvrager verleend, mits uit de toepassing van artikel 22 niet anders volgt.

3. Indien twee of meer aanvragers aan het in het eerste lid genoemde criterium voldoen, wordt nagegaan wie van deze aanvragers het hoogste aantal punten behaalt, bedoeld in het vierde lid.

4. Bij de vergelijking tussen de aanvragers, bedoeld in het derde lid, zijn voor een combinatie van marktaandeel, kabelbereik en inkomsten uit reclameactiviteiten in totaal 300 punten te behalen, waarbij:

a. de aanvrager die over een periode van zes kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 het grootste aantoonbare marktaandeel in Nederland heeft 100 punten worden toegekend en de overige aanvragers een evenredig lager aantal punten dat wordt verkregen door de grootte van hun aantoonbare marktaandeel op een schaal van 0 tot 100 te relateren aan het hiervoor bedoelde grootste marktaandeel, met dien verstande dat een aanvrager ten minste 25 punten worden toegekend, en

b. de aanvrager die op 1 mei 2002 het grootste aantoonbare kabelbereik in Nederland heeft 100 punten worden toegekend en de overige aanvragers een evenredig lager aantal punten dat wordt verkregen door de grootte van hun aantoonbare kabelbereik op een schaal van 0 tot 100 te relateren aan het hiervoor bedoelde grootste kabelbereik, en

c. de aanvrager die over een periode van zes kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 in Nederland gemiddeld per maand het hoogste bedrag aan aantoonbaar ontvangen inkomsten uit reclameactiviteiten als commerciële radio-omroep heeft ontvangen 100 punten worden toegekend en de overige aanvragers een evenredig lager aantal punten dat wordt verkregen door de hoogte van hun aantoonbare inkomsten als hiervoor bedoeld op een schaal van 0 tot 100 te relateren aan het hiervoor bedoelde hoogste bedrag.

5. De vergunning wordt aan de aanvrager verleend die op grond van het vierde lid het hoogste aantal punten behaalt, mits uit de toepassing van artikel 22 niet anders volgt.

6. Indien het niet mogelijk blijkt op grond van het vijfde lid een onderscheid tussen de aanvragers bedoeld in het derde lid aan te brengen, worden de bedrijfsplannen van deze aanvragers met betrekking tot de aangevraagde kavels onderling vergeleken en getoetst op de mate waarin het frequentiegebruik wordt gewaarborgd en de verwachte omzet, investeringen en bedrijfsresultaat in onderlinge samenhang gezien, het meest realistisch zijn.

7. De vergunning wordt aan de aanvrager verleend die het best aan de in het zesde lid genoemde criteria voldoet, mits uit de toepassing van artikel 22 niet anders volgt.

8. Indien het niet mogelijk is op grond van het zevende lid een onderscheid tussen de aanvragers aan te brengen wordt er tussen de aanvragers geloot en wordt de vergunning verleend aan de winnaar van de loting, mits uit de toepassing van artikel 22 niet anders volgt.

9. Indien geen van de aanvragers aan het in het eerste lid bedoelde criterium voldoet, wordt nagegaan of die aanvragers een eigen radioprogramma in de ether of via een omroepnetwerk in Nederland uitzenden en gedurende een periode van minder dan zes kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 hebben uitgezonden.

10. Indien slechts één aanvrager aan het in het negende lid bedoelde criterium voldoet, wordt de vergunning aan die aanvrager verleend, mits uit de toepassing van artikel 22 niet anders volgt.

11. Indien twee of meer aanvragers aan het in het negende lid bedoelde criterium voldoen, worden achtereenvolgens het derde tot en met het achtste lid op deze aanvragers toegepast totdat op grond van één van deze leden een vergunning kan worden verleend, met dien verstande dat zowel het marktaandeel, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, als het bedrag aan ontvangen inkomsten, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, worden berekend over de maand april 2002.

12. Indien geen van de aanvragers een eigen radioprogramma in de ether of via een omroepnetwerk in Nederland uitzendt en gedurende een periode onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 heeft uitgezonden, worden achtereenvolgens het zesde tot en met achtste lid op deze aanvragers toegepast totdat op grond van één van deze leden een vergunning kan worden verleend.

Artikel 25 (criteria vergelijkende toets niet-landelijke commerciële radio-omroep)

1. Bij de uitvoering van de vergelijkende toets worden de aanvragers voor een specifiek kavel voor niet-landelijke commerciële radio-omroep onderling vergeleken en wordt nagegaan of die aanvragers binnen het demografisch bereik van de aangevraagde kavel een eigen radioprogramma in de ether of via een omroepnetwerk uitzenden en gedurende een ononderbroken periode van ten minste zes kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 dagelijks hebben uitgezonden.

2. Indien slechts één aanvrager aan het in het eerste lid bedoelde criterium voldoet, wordt de vergunning aan die aanvrager verleend, mits uit de toepassing van artikel 23 niet anders volgt.

3. Indien twee of meer aanvragers aan het in het eerste lid genoemde criterium voldoen, wordt nagegaan wie van deze aanvragers het hoogste aantal punten behaalt, bedoeld in het vierde lid.

4. Bij de vergelijking tussen de aanvragers, bedoeld in het derde lid, zijn voor een combinatie van marktaandeel, kabelbereik en inkomsten uit reclameactiviteiten in totaal 300 punten te behalen, waarbij:

a. de aanvrager die over een periode van zes kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 het grootste aantoonbare marktaandeel in Nederland heeft 100 punten worden toegekend en de overige aanvragers een evenredig lager aantal punten dat wordt verkregen door de grootte van hun aantoonbare marktaandeel op een schaal van 0 tot 100 te relateren aan het hiervoor bedoelde grootste marktaandeel, met dien verstande dat een aanvrager ten minste 25 punten worden toegekend, en

b. de aanvrager die op 1 mei 2002 het grootste aantoonbare kabelbereik in Nederland heeft 100 punten worden toegekend en de overige aanvragers een evenredig lager aantal punten dat wordt verkregen door de grootte van hun aantoonbare kabelbereik op een schaal van 0 tot 100 te relateren aan het hiervoor bedoelde grootste kabelbereik, en

c. de aanvrager die over een periode van zes kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 in Nederland gemiddeld per maand het hoogste bedrag aan aantoonbaar ontvangen inkomsten uit reclameactiviteiten als commerciële radio-omroep heeft ontvangen 100 punten worden toegekend en de overige aanvragers een evenredig lager aantal punten dat wordt verkregen door de hoogte van hun aantoonbare inkomsten als hiervoor bedoeld op een schaal van 0 tot 100 te relateren aan het hiervoor bedoelde hoogste bedrag.

5. De vergunning wordt aan de aanvrager verleend die op grond van het vierde lid het hoogste aantal punten behaalt, mits uit de toepassing van artikel 23 niet anders volgt.

6. Indien het niet mogelijk blijkt op grond van het vijfde lid een onderscheid tussen de aanvragers bedoeld in het derde lid aan te brengen, worden de bedrijfsplannen van deze aanvragers met betrekking tot de aangevraagde kavels onderling vergeleken en getoetst op de mate waarin het frequentiegebruik wordt gewaarborgd en de verwachte omzet, investeringen en bedrijfsresultaat in onderlinge samenhang gezien, het meest realistisch zijn.

7. De vergunning wordt aan de aanvrager verleend die het best aan de in het zesde lid genoemde criteria voldoet, mits uit de toepassing van artikel 23 niet anders volgt.

8. Indien het niet mogelijk is op grond van het zevende lid een onderscheid tussen de aanvragers aan te brengen, wordt er tussen de aanvragers geloot en wordt de vergunning verleend aan de winnaar van de loting, mits uit de toepassing van artikel 23 niet anders volgt.

9. Indien geen van de aanvragers aan het in het eerste lid bedoelde criterium voldoet, wordt nagegaan of de aanvragers in het Cebuco-gebied waarin de opstelplaats van de gevraagde frequentie is gelegen een eigen radioprogramma in de ether of via een omroepnetwerk uitzenden en gedurende een ononderbroken periode van ten minste zes kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 dagelijks hebben uitgezonden.

10. Indien slechts één aanvrager aan het in het negende lid bedoelde criterium voldoet, wordt de vergunning aan die aanvrager verleend, mits uit de toepassing van artikel 23 niet anders volgt.

11. Indien twee of meer aanvragers aan het in het negende lid bedoelde criterium voldoen, worden achtereenvolgens het derde tot en met het achtste lid op deze aanvragers toegepast totdat op grond van één van deze leden een vergunning kan worden verleend.

12. Indien geen van de aanvragers aan het in het negende lid bedoelde criterium voldoet, wordt nagegaan of de aanvragers in één of meer van de aan het in het negende lid bedoelde Cebuco-gebied grenzende Cebuco-gebieden een eigen radioprogramma in de ether of via een omroepnetwerk uitzenden en gedurende een ononderbroken periode van ten minste zes kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 dagelijks hebben uitgezonden.

13. Indien slechts één aanvrager aan het in het twaalfde lid bedoelde criterium voldoet, wordt de vergunning aan die aanvrager verleend, mits uit de toepassing van artikel 23 niet anders volgt.

14. Indien twee of meer aanvragers aan het in het twaalfde lid bedoelde criterium voldoen, worden achtereenvolgens het derde tot en met het achtste lid op deze aanvragers toegepast totdat op grond van één van deze leden een vergunning kan worden verleend.

15. Indien geen van de aanvragers aan het twaalfde lid bedoelde criterium voldoet, worden het eerste tot en met het veertiende lid opnieuw achtereenvolgens op de aanvragers toegepast, met dien verstande dat in plaats van de eis dat een eigen radioprogramma gedurende een ononderbroken periode van ten minste zes kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 dagelijks is uitgezonden, wordt gehanteerd de eis dat een eigen radioprogramma gedurende een periode van minder dan zes kalendermaanden voorafgaand aan 1 mei 2002 is uitgezonden.

16. Indien geen van de aanvragers een eigen radioprogramma in de ether of via een omroepnetwerk in één van de in het eerste, negende of twaalfde lid genoemde gebieden uitzendt en gedurende een periode onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 heeft uitgezonden, worden achtereenvolgens het zesde tot en met achtste lid op deze aanvragers toegepast totdat op grond van één van deze leden een vergunning kan worden verleend.

Artikel 26 (nadere gegevens)

De minister kan in het kader van de uitvoering van een vergelijkende toets aan een aanvrager om nadere gegevens en bescheiden verzoeken, die voor de beslissing op een aanvraag nodig zijn.

Artikel 27 (vergunningverlening)

1. De vergunningen worden voor de duur van één jaar op voordracht van de minister door de Minister van Verkeer en Waterstaat verleend.

2. Nadat de vergunningen aan de aanvragers zijn verleend, wijst de Minister van Verkeer en Waterstaat de overige aanvragen af.

Artikel 28 (inwerkingtreding)

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 29 (citeertitel)

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanvraag en vergelijkende toets commerciële radio-omroep.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,F. van der Ploeg.

Toelichting

Algemeen

1. Inleiding

In het Nationaal Frequentieplan is de frequentieruimte in de 87.5-100 MHz-band en de 100-108 MHz-band bestemd voor radio-omroep. De binnen die banden aanwezige frequentieruimte wordt gebruikt voor publieke en commerciële radio-omroep. Gezien de schaarste aan frequentieruimte voor commerciële radio-omroep is een onderzoek naar de technische mogelijkheden voor een nieuwe frequentieplanning, het zogenoemde zero base-onderzoek, uitgevoerd. Het onderzoek, dat in verschillende fasen en door diverse instanties is verricht, had betrekking op de FM-band en de middengolfband. Bij het onderzoek werd ook de frequentieruimte voor de publieke omroep betrokken. De uitkomsten van het onderzoek brengen met zich dat de definitieve herverdeling van de binnen de genoemde banden beschikbare frequentieruimte voor commerciële radio-omroep tot een doelmatiger indeling van frequenties zal leiden.

Een definitieve herverdeling van de beschikbare frequentieruimte is vooralsnog niet aan de orde. In het kabinetsstandpunt van 1 februari 2002 (Kamerstukken II 2001/02, 24 095, nr. 87) is aangegeven dat de doelstellingen van zero base alleen goeddeels op korte termijn zijn te realiseren door middel van tijdelijke verlenging met één jaar van de vergunningen van zittende commerciële omroepinstellingen (met zero base pakketten) en een vergelijkende toets voor de uitgifte van de resterende frequentieruimte voor nieuwkomers. De frequentieruimte die na verlenging beschikbaar is voor verdeling ten behoeve van de commerciële radio-omroep zal voor de beperkte duur van één jaar worden uitgegeven, te rekenen vanaf 1 september 2002. Deze regeling vormt de nadere uitwerking van de aanvraagprocedure en de procedure van de vergelijkende toets. Er zij overigens op gewezen dat de doelstelling van de Telecommunicatiewet en het standpunt van het kabinet inhouden dat aan een tijdelijk verlengde of nieuw verleende vergunning geen rechten ontleend kunnen worden bij de latere definitieve verdeling.

2. Uitgangspunten voor de uitgifte via vergelijkende toets

Bij het opstellen van de uitgangspunten en criteria voor de vergelijkende toets is een belangenafweging gemaakt tussen de belangen van partijen die reeds een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte voor commerciële radio hebben (en deze verlengd kunnen krijgen) en de belangen van partijen die nog niet over een vergunning beschikken. Tevens is een belangenafweging gemaakt tussen partijen die niet over een vergunning beschikken maar de afgelopen periode gedurende langere tijd wel een radioprogramma hebben uitgezonden en partijen die (nog) geen radioprogramma uitzenden of pas zeer recent daarmee zijn begonnen. Ook de belangen van luisteraars en adverteerders zijn meegewogen. Daarbij is betrokken de beperkte looptijd van de vergunningen (tot 1 september 2003) en het vooruitzicht van een definitieve verdeling voor een langere periode na 1 september 2003.

In het kabinetsstandpunt van 1 februari 2002 zijn de volgende uitgangspunten voor de vergelijkende toets geformuleerd:

- voor de nieuw te verlenen vergunningen geldt dat slechts één frequentiepakket zal worden toegewezen voor gebruik door één commerciële omroepinstelling (artikel 82f Mediawet);

- voor niet-landelijke commerciële radio wordt de vigerende regel dat maximaal 20% publieksbereik behaald mag worden, gehandhaafd;

- zittende (of daarmee verbonden) partijen worden uitgesloten van deelname aan de vergelijkende toets;

- er wordt een adequaat financieel instrument toegepast;

- er wordt een onderscheid gemaakt in frequentieruimte die beschikbaar wordt gesteld voor landelijke en niet-landelijke nieuwkomers;

- dubbele distributie van een programma wordt niet langer toegestaan;

- de voorkeur gaat uit naar radiostations die actief zijn (voor niet-landelijk in een bepaalde regio), marktaandeel hebben opgebouwd en hebben geïnvesteerd in een radioprogramma (op de kabel en/of ether).

Deze uitgangspunten zijn uitgewerkt in een conceptregeling die ten behoeve van belanghebbenden is bekendgemaakt. Belanghebbenden zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om tijdens een op 10 april 2002 georganiseerde hoorzitting daarop te reageren. Voor en na die datum heeft een aantal partijen ook schriftelijk gereageerd. De reacties zijn betrokken bij de definitieve vaststelling van de regeling.

Uit de hiervoor vermelde belangenafwegingen zijn voor de definitieve vaststelling van de regeling de volgende uitgangspunten afgeleid:

- voorkeur voor partijen die over een bepaalde (langere) periode een ononderbroken continuïteit in hun radio-uitzendingen vertonen en hen de mogelijkheid bieden de uitzending van hun radioprogramma ook via de aardse ether te laten plaats vinden;

- partijen die alleen voor AM-frequentiegebruik een vergunning verleend is de mogelijkheid bieden om in plaats daarvan een vergunning te verwerven voor gebruik van FM-frequentieruimte;

- tegelijkertijd zoveel mogelijk ruimte bieden voor partijen die nog niet in de ether actief zijn;

- voorkeur voor aanvragers die de beschikbare frequentieruimte zo snel mogelijk in gebruik kunnen nemen;

- voorkeur voor aanvragers waarvan aannemelijk is dat zij gedurende het jaar waarvoor vergunning wordt verleend over de nodige middelen kunnen beschikken om te kunnen (blijven) uitzenden.

De mogelijkheid tot verlenging die aan de huidige vergunninghouders wordt geboden, is ingegeven door de wens van de Tweede Kamer om die partijen een continuering van hun bedrijfsactiviteiten te bieden. Een vergelijkbare overweging wordt bij de uitgifte gehanteerd voor partijen die niet over een vergunning beschikken maar wel reeds uitzenden. Tevens wordt rekening gehouden met partijen die alleen over een vergunning voor het gebruik van AM-frequentieruimte beschikken. Die partijen zijn in het verleden niet in aanmerking gekomen voor een vergunning voor FM-frequentiegebruik. De mogelijkheid wordt hen nu geboden om alsnog voor FM-frequentiegebruik in aanmerking te komen, maar dan wel onder de beperking dat de AM-vergunning wordt ingetrokken indien men FM-frequentieruimte toegewezen krijgt. Indien aan de hiervoor genoemde belangen geen of minder gewicht zou worden gehecht, zou de uitkomst van de vergelijkende toets kunnen zijn dat partijen die reeds langere tijd actief zijn, in de verwachting dat de zero base-frequenties op een bepaald moment beschikbaar zouden komen, geen vergunning verleend wordt en aan partijen die nog niet of pas zeer recent actief zijn wel. Voor deze tijdelijke tussentijdse oplossing wordt dat niet aanvaardbaar geacht. Met andere woorden: het belang van uitzendende partijen (via kabel of AM) wordt groter geacht dan het belang van partijen die nog niet uitzenden of pas sinds korte tijd uitzenden.

Indien meerdere partijen gedurende langere tijd actief zijn zal als volgende criterium een weging plaats vinden van het behaalde marktaandeel, het gerealiseerde kabelbereik en de uit het uitzenden van reclameboodschappen verkregen inkomsten. Op die manier worden het belang van luisteraars en de economische belangen van aanvragers en adverteerders gewogen. Uit de te verstrekken gegevens blijkt het economisch functioneren: hoe aantrekkelijk het programma-aanbod van een aanvrager is voor het totale luisterpubliek en adverteerders en hoe succesvol de inspanningen zijn geweest van de aanvrager om een bepaald publieksbereik op te bouwen en zelfstandig een bedrijf te exploiteren. Er is van afgezien om ook te toetsen op specifiek doelgroepbereik, aanvullendheid van de programmering, bijdrage aan de vergroting van de diversiteit etc. Daarbij spelen principiële en praktische argumenten een rol. Zo is het kabinet geen voorstander van verregaande inhoudelijke bemoeienis met commerciële radio. Een inhoudelijke toets veronderstelt dus een wijziging van het kabinetsbeleid. Een als tijdelijk bedoelde oplossing die wel een inhoudelijke toets zou inhouden, neemt bovendien te veel een voorschot op de vrije keuze die het volgende kabinet moet kunnen maken voor de definitieve verdeling. Daarnaast spelen praktische problemen, zoals het ontbreken van voldoende tijd voor de voorbereiding van een dergelijke toets en onvoldoende vergelijkbaarheid van een bepaalde luisterdichtheid, weekbereik etc. dat door (doelgroep)zenders wordt behaald, een rol.

Bij aanvragers die reeds actief zijn wordt dus gekeken hoe economisch succesvol zij, onderling vergeleken, in de afgelopen periode zijn geweest. In de situatie dat voor aangevraagde frequentieruimte geen enkele partij actief is, of dat meerdere actieve partijen op grond van het eerdere criterium gelijk scoren, kan de keuze niet op het verleden worden gebaseerd. Voor die gevallen zal naar de toekomst worden gekeken. Op basis van een in te dienen bedrijfsplan zal de naar verwachting best presterende partij worden geselecteerd. Indien ook daarin geen doorslaggevend onderscheid kan worden gemaakt zal toewijzing van een vergunning via loting geschieden.

3. Beschikbare frequentieruimte

Voor de uitgifteprocedure worden binnen de nadere bestemming commerciële radio-omroep twee categorieën onderscheiden: landelijke commerciële radio-omroep en niet-landelijke commerciële radio-omroep. De frequentieruimte voor niet-landelijke commerciële radio-omroep is beschikbaar voor commerciële omroepinstellingen die maximaal 20% publieksbereik via de kabel hebben. Het betreft een maximumpercentage, zodat ook omroepinstellingen die niet op de kabel actief zijn de mogelijkheid hebben om een aanvraag voor niet-landelijke commerciële radio-omroep in te dienen.

De beschikbare frequentieruimte is verdeeld in kavels. De voor niet-landelijke commerciële radio-omroep beschikbare kavels hebben een beperkt demografisch bereik. Dat bereik verschilt per kavel. De beschikbare frequentieruimte, de kavelverdeling en het demografisch bereik is beschreven in de bij deze regeling behorende bijlagen 1a, 1b, 2a en 2b. Meer gedetailleerde technische informatie over deze kavels is beschikbaar op de bij het aanvraagdocument gevoegde CD-ROM en op de internetsite www.rdr.nl.

Bij landelijke commerciële radio-omroep wordt per kavel een vergunning verleend. Bij niet-landelijke commerciële radio-omroep kan een vergunning betrekking hebben op meerdere kavels, tot ten hoogste 20% demografisch bereik van die kavels tezamen.

Uitgangspunt voor de uitgifte is dat de hoofdregel van artikel 82f van de Mediawet, inhoudende dat voor de uitzending van radioprogramma's van eenzelfde instelling niet meer frequentieruimte gebruikt mag worden dan één FM-frequentie of samenstel van FM-frequenties, wordt gehandhaafd. Toepassing van deze hoofdregel bij niet-landelijke commerciële omroep zou echter in de weg staan aan de gewenste doelmatige verdeling van frequentieruimte. Voor niet-landelijke commerciële radio-omroep is dan ook in de Regeling gebruik FM-frequentieruimte commerciële radio-omroep bepaald dat in afwijking van artikel 82f, eerste lid, Mediawet, eenzelfde commerciële omroepinstelling meer dan één FM-frequentie of samenstel van FM-frequenties mag gebruiken, mits het demografisch bereik van de door eenzelfde commerciële omroepinstelling te verwerven FM-frequenties of samenstellen van FM-frequenties tezamen niet meer dan 20% is. Een aantal combinaties van kavels leiden echter tot een gelet op de uitgangspunten voor de frequentieverdeling onacceptabele overlap in de dekkingsgebieden. Eenzelfde commerciële omroepinstelling kan niet voor deze combinaties van kavels een vergunning verleend krijgen. De betreffende combinaties zijn in bijlage 5 bij deze regeling aangegeven.

Door de verlening van vergunningen kan de frequentieruimte die beschikbaar is voor de vergelijkende toets toenemen. Het gaat daarbij om de situaties dat op aanvraag een vergunning voor AM-frequentieruimte via de middengolf is verlengd tot 1 september 2003 onder de voorwaarde dat in het kader van deze procedure van uitgifte niet een nieuwe vergunning wordt verleend aan dezelfde omroepinstelling voor FM-frequentieruimte. In dat geval verliest de vergunninghouder zijn bestaande vergunning. De regeling voorziet er in dat ook de kavels die op deze voorwaardelijk verlengde vergunningen betrekking hebben, in de onderhavige procedure van de vergelijkende toets zijn betrokken. Die kavels zijn in de bijlagen 3a en 3b bij deze regeling aangegeven.

4. Aanvraagprocedure

Op grond van de artikelen 4, 6 en 8 van het Frequentiebesluit worden in onderhavige regeling regels gesteld ten aanzien van de indiening en inhoud van aanvragen voor een vergunning, de aan de aanvrager te stellen eisen en de wijze waarop de vergelijkende toets plaatsvindt.

De aanvraagprocedure ziet er op hoofdlijnen als volgt uit. Om een vergunning te verkrijgen, moet een aanvraag bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna te noemen: de minister) worden ingediend. Voor het indienen van aanvragen van een vergunning dient een aanvraagdocument te worden opgevraagd. Het aanvraagdocument is een document als bedoeld in artikel 5 van het Frequentiebesluit. Het bevat een overzicht van de toepasselijke regels voor de aanvraag, de procedure van vergelijkende toets, alsmede de aan de te verlenen vergunningen verbonden rechten en plichten. Degene die een aanvraagdocument heeft opgevraagd kan met betrekking tot dat document vragen stellen aan de minister. De minister beantwoordt deze vragen en stelt alle aanvragers daarvan in kennis. Na afloop van deze vraag- en antwoordprocedure hebben belangstellenden gedurende een bepaalde periode de gelegenheid om een aanvraag in te dienen. Een aanvraag kan betrekking hebben op of uitsluitend niet-landelijke of op uitsluitend landelijke commerciële radio-omroep. Een aanvrager dient dus vooraf de keuze voor landelijk- of niet-landelijke commerciële omroep te maken.

In de aanvraag dient de aanvrager voorts aan te geven op welke specifieke kavels zijn aanvraag betrekking heeft en welke voorkeuren hij daaraan hecht. Aanvragen die ook na de mogelijkheid van herstel niet voldoen aan de formele eisen worden niet in behandeling genomen. Per aanvrager wordt niet meer dan één aanvraag in behandeling genomen.

De aanvragers die voldoen aan de formele toelatingseisen, worden vervolgens getoetst op de in de artikelen 17 tot en met 20 gestelde eisen ten aanzien van de rechtsvorm, de financiële positie, technische middelen, kennis en ervaring en de hoedanigheid van de aanvrager als commerciële omroepinstelling. Aanvragers die aan deze eisen voldoen worden betrokken in de vergelijkende toets.

5. Toets op verbondenheid

In de Mededeling inzake toets op verbondenheid aanvragers vergunningen frequentieruimte commerciële radio-omroep van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en wetenschappen (Stcrt. 12 april 2002, nr. 71) zijn potentiële deelnemers aan de procedure van de vergelijkende toets gewezen op de toets van onderlinge verbondenheid van commerciële omroepinstellingen in het kader van de tijdelijke uitgifte van frequentieruimte. Het toetsingskader voor die toets is in de mededeling nader beschreven en is voorts vermeld in de Regeling gebruik FM-frequentieruimte commerciële radio-omroep. Door te toetsen op verbondenheid tussen aanvragers onderling, op verbondenheid tussen aanvragers en commerciële omroepinstellingen waarvan de huidige vergunningen zijn verlengd, en op verbondenheid van aanvragers met andere commerciële omroepinstellingen, wordt voorkomen dat verlening van vergunningen in strijd komt met artikel 82f van de Mediawet en de uitgangspunten van het frequentiebeleid en de tijdelijke verdeling van frequentieruimte. Bij verbondenheid zullen de betrokken instellingen voor de in deze regeling aangeven bepalingen als één instelling worden aangemerkt.

6. Positie huidige vergunninghouders bij deelname aan de procedure van uitgifte

Indien de aanvraag in behandeling wordt genomen, wordt nagegaan of de aanvrager een commerciële omroepinstelling is, die op 1 mei 2002 beschikte over een minimaal tot 1 september 2002 verlengde vergunning voor commerciële radio-omroep. Van deze vergunninghouders kunnen alleen vergunninghouders voor AM-frequentieruimte via de middengolf onder bepaalde voorwaarden een vergunning op grond van de tijdelijke uitgifte verleend krijgen. Daartoe is voor FM-frequentieruimte en AM-frequentieruimte het volgende overwogen.

a. FM-frequentieruimte

Zittende commerciële omroepinstellingen met een vergunning voor FM-frequentieruimte die hun vergunning voor de duur van een jaar tot 1 september 2003 verlengd hebben, kunnen geen nieuwe vergunning verwerven. Het verlenen van een extra vergunning aan deze instellingen zou in zijn strijd met de belangrijke doelstelling van zero base om ook nieuwkomers reële mogelijkheden te bieden gebruik te maken van de beschikbare, schaarse, frequentieruimte. Daarnaast betekent de verlenging van de vergunningen waarin resultaten van zero base goeddeels zijn verwerkt, veelal een kwaliteitsverbetering voor deze vergunninghouders. Ook om die reden dient de voor verdeling beschikbare FM-frequentieruimte uitsluitend gereserveerd te zijn voor nieuwkomers. Tenslotte staat de toepassing van de hoofdregel van 82f van de Mediawet er aan in de weg dat houders met een vergunning voor frequentieruimte in de FM-band een extra vergunning verleend krijgen voor een FM-frequentie of samenstel van FM-frequenties.

Een bestaande FM-vergunninghouder kan geen nieuwe vergunning verkrijgen in plaats van de huidige vergunning, ook niet indien hij de huidige vergunning niet laat verlengen. Dit zou namelijk betekenen dat er van frequenties moet worden gewisseld, hetgeen gepaard gaat met ingrijpende organisatie- en uitvoeringswerkzaamheden voor af- en omschakeling van frequentiegebruik. Dat heeft een vertragend effect op de ingebruikneming en het efficiënt gebruik van deze frequenties, zonder dat daar een evidente kwaliteitsverbetering tegenover staat.

b. AM-frequentieruimte

Bestaande vergunninghouders die uitsluitend voor AM-frequentieruimte via de middengolf een vergunning hebben, kunnen wel een nieuwe vergunning verleend krijgen voor FM-frequentieruimte. Dit geldt zowel voor landelijke als niet-landelijke commerciële radio-omroep. Het verkrijgen van een vergunning voor FM-frequentieruimte heeft echter tot gevolg dat de vergunning voor middengolf niet wordt verlengd tot 1 september 2003. Om dit te bereiken is de vergunning voor middengolf verlengd onder de voorwaarde dat de vergunninghouder via de tussentijdse uitgifte geen nieuwe vergunning voor FM verleend krijgt. Indien een vergunninghouder een vergunning voor FM verkrijgt en als gevolg daarvan zijn oude vergunning voor de middengolf niet wordt verlengd, houdt dat feitelijk een verwisseling van frequenties in. Het vertragend effect op ingebruikneming dat optreedt, wordt - anders dan de situatie dat een zittende vergunninghouder voor FM op een nieuw kavel voor FM actief zou worden - meer dan gecompenseerd door het belangrijke kwalitatieve voordeel dat de vergunninghouder zich een positie op de FM-band kan verwerven. Om dezelfde redenen als bij de FM kan een zittende vergunninghouder voor de middengolf niet een andere vergunning die op hetzelfde type frequentie betrekking heeft verwerven.

stcrt-2002-90-p17-SC34525-1.gif

Artikelsgewijs

Artikel 1

Eerste lid

Onderdeel e

Het kabelbereik is objectief vast te stellen op basis van de overeenkomsten tussen de radiozender en kabelbedrijven, dan wel de opgaven van de kabelbedrijven. Deze overeenkomsten en/of opgaven dienen dan ook bij de aanvraag te worden overlegd.

Onderdeel i

Maatschappen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en vergelijkbare ondernemingen naar buitenlands recht kunnen geen aanvraag indienen. Bij deze personenvennootschappen ontbreken essentiële vastgelegde organisatorische en juridische structuren (eigendoms- en zeggenschapsverhoudingen bijvoorbeeld), waardoor toepassing van de regels inzake de uitgifteprocedure niet mogelijk is.

Onderdeel l

Het marktaandeel in luistervolume dient te worden bepaald ten opzichte van de andere radiozenders in procenten gemeten aan de hand van een representatieve steekproef onder personen van 10 jaar en ouder en woonachtig in Nederland, naar het dagelijkse luistergedrag over het tijdvak vanaf 07.00 uur tot 24.00 uur gedurende de gehele week. Het luistervolume is hierbij de totale tijd die door deze doelgroep wordt besteed aan het luisteren naar de radio. Hiertoe kan worden aangesloten bij het reeds bestaande marktonderzoek van het CLO ( Continu LuisterOnderzoek) dan wel een vergelijkbaar onderzoek. Indien een aanvrager een marktaandeel overlegt dat is gebaseerd op een ander onderzoek dan het CLO-onderzoek, dient de onderzoeksmethode eveneens te worden overgelegd. Deze onderzoeksmethode zal worden getoetst om te bepalen of sprake is van realistische cijfers die kunnen worden gehanteerd in de vergelijking met de marktaandelen van andere kandidaten.

Onderdeel n

De reclame-inkomsten dienen te worden bepaald op basis van de netto inkomsten - dus na aftrek van eventuele kortingen - toe te rekenen aan de reclameboodschappen die gedurende de meetperiode in het eigen radioprogramma zijn uitgezonden. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen reclameboodschappen die via de kabel of de ether zijn uitgezonden. De opgave van de reclame-inkomsten dient onderbouwd te zijn met een verklaring van een accountant.

Tweede lid

Om te voorkomen dat de uitgangspunten en doelstellingen van de tijdelijke uitgifte worden doorkruist, worden aanvragers beoordeeld op onderlinge verbondenheid, op verbondenheid met bestaande vergunninghouders en op verbondenheid met andere commerciële omroepinstellingen. Indien er zodanige verbondenheid tussen twee of meer instellingen bestaat dat er sprake is van eenzelfde instelling, worden de betrokken instellingen voor de toepassing van een aantal in de regeling nader aangeduide artikelen als één instelling aangemerkt. In de Mededeling inzake toets op verbondenheid aanvragers vergunningen frequentieruimte commerciële radio-omroep van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (Stcrt. 12 april 2002, nr. 71) zijn potentiële deelnemers reeds gewezen op deze toets, het toetsingskader en de consequenties van verbondenheid. Indien bijvoorbeeld twee aanvragers als eenzelfde instelling moeten worden beschouwd, worden zij gezien als één aanvrager die meer dan één aanvraag heeft ingediend. Op grond van artikel 15 dient dan een keuze gemaakt te worden welke aanvraag in behandeling dient te blijven. Indien er voorts bijvoorbeeld relevante verbondenheid tussen een aanvrager en een bestaande vergunninghouder bestaat, zal de aanvrager als bestaande vergunninghouder worden aangemerkt.

Voor de beoordeling of er sprake is van verbondenheid worden de criteria van artikel 53c van het Mediabesluit toegepast.

Artikel 4

Bestaande vergunninghouders met een vergunning voor AM-frequentieruimte via de middengolf kunnen in bepaalde gevallen aan de tijdelijke uitgifte van FM-frequentieruimte deelnemen (verwezen moge worden naar paragraaf 6 van het algemeen deel van deze toelichting). Indien zij een vergunning verleend krijgen, heeft dat tot gevolg dat er geen verlenging van hun vergunning tot 1 september 2003 zal plaatsvinden. De verlening van vergunningen voor FM-frequentieruimte dient voor 1 september 2002 te hebben plaatsgevonden, zodat uiterlijk voor die datum vaststaat of er nieuwe kavels voor AM-frequentieruimte via de middengolf beschikbaar zijn. In de regeling is met deze situatie rekening gehouden. Aanvragers hebben de mogelijkheid hun aanvraag tevens of uitsluitend betrekking te laten hebben op kavels voor AM-frequentieruimte via de middengolf, waarvan bij de start van de aanvraagprocedure nog niet vaststaat of daarvoor een vergunning verleend kan worden. De betreffende aanvragen lopen mee in de procedure van de vergelijkende toets en op grond van de uitkomsten daarvan worden eerst de vergunningen verleend voor de kavels waarvan bij de start van de aanvraagprocedure al bekend was dat die vrij ter beschikking staan. Vervolgens kunnen in voorkomend geval alsnog de vergunningen worden verleend voor die kavels, die als gevolg van de verlening van de andere vergunningen zijn vrijgekomen.

Artikelen 6 en 7

Het opvragen van het aanvraagdocument is een voorwaarde voor een geldige aanvraag. Het aanvraagdocument bevat belangrijke informatie over de frequentiekavels, over de aanvraagprocedure, de procedure van de vergelijkende toets en de voorschriften en beperkingen die aan de te verlenen vergunningen zijn verbonden. Op deze wijze wordt er voor zorggedragen dat alle aanvragers hun aanvragen doen op basis van dezelfde informatie, dan wel op basis van die informatie afzien van het indienen van een aanvraag. De aanvrager krijgt zo nodig met toepassing van artikel 13 een herstelperiode om het verzuim van het niet aanvragen van het aanvraagdocument of het niet tijdig ontvangen van het daarvoor verschuldigde bedrag te herstellen. Een ieder die een aanvraagdocument heeft opgevraagd kan met in achtneming van het bepaalde in artikel 7 vragen stellen aan de minister. Tijdens de vraag en antwoordprocedure wordt de identiteit van de vragensteller niet bekend gemaakt. De identiteit van de vragensteller is alleen bij de notaris bekend. Ook de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Verkeer en Waterstaat zijn niet op de hoogte van de identiteit van de vragensteller.

Artikel 8

De aanvraag moet de gegevens en bescheiden bevatten, bedoeld in artikel 8 en bijlage 4. Aan de hand daarvan wordt beoordeeld of de aanvrager voldoet de eisen die in de artikelen 17 tot en met 20 worden gesteld. Voorts wordt mede op basis van de aan te leveren gegevens de toets op verbondenheid met andere aanvragers en commerciële omroepinstellingen uitgevoerd en wordt aan de hand van de gegevens getoetst aan de criteria van de vergelijkende toets. De aanvrager is verantwoordelijk voor de volledigheid, juistheid en betrouwbaarheid van de gegevens en bescheiden. Daartoe worden, naast een verklaring van de aanvrager zelf omtrent de volledigheid en juistheid van de gegevens en bescheiden, ook accountantsverklaringen verlangd. Ten aanzien van de gegevens en bescheiden die betrekking hebben op het al dan niet bestaan van verbondenheid met andere instellingen wordt tevens een verklaring van een onafhankelijk advocaat verlangd. Dit laat onverlet dat de minister te allen tijde de aanvrager kan verzoeken nadere informatie te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig is (artikel 26).

De aanvraag zelf dient in de Nederlandse taal gesteld te worden.

Artikelen 9 en 10

De aanvrager geeft aan of de aanvraag betrekking heeft op landelijke of op niet-landelijke commerciële omroep. Een aanvraag kan betrekking hebben op meer dan één kavel. Bij landelijke commerciële radio-omroep kan een te verlenen vergunning echter op niet meer dan één kavel betrekking hebben. Bij niet-landelijke commerciële radio-omroep is het met de vergunning te behalen demografisch bereik gemaximeerd tot 20%. Gelet op deze beperkingen wordt rekening gehouden met de voorkeuren van de aanvragers. In de aanvraag dient de aanvrager aan te geven welke voorkeur hij heeft voor ieder kavel afzonderlijk waarop de aanvraag betrekking heeft. Die voorkeuren worden aangegeven door middel van een oplopende nummering met gehele getallen. Bij het getal één wordt de kavel waarvoor de hoogste voorkeur bestaat geplaatst, bij het getal twee de kavel waarvoor de één na hoogste voorkeur bestaat, en zo verder voor alle kavels waarop de aanvraag betrekking heeft. De opgegeven voorkeuren spelen vervolgens een rol in het kader van de toepassing van de procedure van de vergelijkende toets. De opgegeven voorkeuren laten onverlet dat de aanvrager door het indienen van een aanvraag die op bepaalde kavels betrekking heeft, aangeeft dat hij ook een vergunning verleend wenst te krijgen, indien hij voor niet meer dan een afzonderlijk kavel voor vergunningverlening in aanmerking komt. Het is niet toegestaan om voor meerdere kavels een gelijke voorkeur op te geven.

Artikelen 12 en 13

Aanvragen dienen te voldoen aan de daaraan gestelde formele vereisten. Indien de aanvraag niet tijdig of niet op de juiste wijze is ingediend wordt op grond van artikel 12 de aanvraag niet in behandeling genomen. In de volgende gevallen wordt de aanvrager gedurende drie dagen in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen:

a. de aanvraag is ingediend zonder dat de aanvrager het op grond van artikel 6 vereiste aanvraagdocument heeft opgevraagd of indien de aanvrager de kosten van het aanvraagdocument niet tijdig heeft betaald;

b. de aanvraag niet voldoet aan de eisen van artikel 8 inzake de inrichting van de aanvraag;

c. de aanvraag niet de op grond van artikel 9 verlangde keuze voor landelijke of niet-landelijke commerciële omroep bevat;

d. de op grond van artikel 10 verlangde opgave van voorkeuren is niet of niet op de juiste wijze gedaan.

Wordt het verzuim binnen die termijn niet of niet op juiste wijze hersteld, dan wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.

Artikel 15

Op grond van artikel 11, eerste lid, mag een aanvrager niet meer dan één aanvraag indienen. Bij iedere aanvrager wordt nagegaan of er sprake is van onderlinge verbondenheid met een andere aanvrager. Indien van twee of meer aanvragers is vastgesteld dat zij als eenzelfde instelling moeten worden beschouwd, leidt dat tevens tot de vaststelling dat door eenzelfde instelling twee of meer aanvragen zijn ingediend.

Artikel 16

Bij de aanvrager waarvan de aanvraag voldoet aan de formele eisen, wordt nagegaan of hij op de peildatum van 1 mei 2002 een vergunninghouder in de zin van artikel 3.3, eerste lid, van de Telecommunicatiewet is. Indien de aanvrager op de peildatum houder van een minimaal tot 1 september 2002 verlengde vergunning voor FM-frequentieruimte is, wordt die aanvraag op grond van artikel 3.6, eerste lid, onderdeel b van de Telecommunicatiewet en artikel 16, eerste lid, van de regeling afgewezen. De aanvrager die op de peildatum over een minimaal tot 1 september 2002 verlengde vergunning voor AM-frequentieruimte via de middengolf beschikt, kan geen nieuwe vergunning verkrijgen voor AM-frequentieruimte via de middengolf. In paragraaf 6 van het algemene deel van de toelichting wordt uiteengezet op welke afwegingen en gronden die afwijzingen berusten.

Artikelen 17 tot en met 21

In de artikelen 17 tot en met 20 worden verdere eisen gesteld waaraan de aanvrager dient te voldoen om toegelaten te worden tot de procedure van de vergelijkende toets. De aanvraag van de aanvrager die niet aan de in de artikelen 17 tot en met 20 gestelde eisen voldoet, wordt op grond van het Frequentiebesluit en artikel 21, derde lid, van de regeling, afgewezen. Deze aanvrager wordt niet tot de procedure van de vergelijkende toets toegelaten. De beslissing van de Minister van Verkeer en Waterstaat om de aanvrager niet tot de procedure van de vergelijkende toets toe te laten (artikel 21), is een besluit tot weigering van die vergunning in de zin van artikel 3.6, tweede lid, onderdeel c, van de Telecommunicatiewet.

Artikel 19 vormt de uitwerking van artikel 6 van het Frequentiebesluit. Daarin is voorgeschreven dat bij de procedure van de vergelijkende toets aan de aanvrager eisen gesteld dienen te worden omtrent diens kennis en ervaring en de technische middelen waarover hij kan beschikken. Het gaat om kennis en ervaring waarover de aanvrager aantoonbaar kan beschikken. De aanvrager hoeft niet zelf over de benodigde kennis en ervaring te beschikken, maar kan tevens afspraken hebben gemaakt met derden die bereid zijn hun kennis en ervaring met betrekking tot de productie en exploitatie van een radioprogramma ter beschikking te stellen aan de aanvrager. Hetzelfde geldt voor de eis die wordt gesteld ten aanzien van het kunnen beschikken over de technische middelen met betrekking tot de productie en exploitatie van een radioprogramma. De aanvrager dient daartoe alle relevante informatie, bijvoorbeeld in de vorm van overeenkomsten met derden, bij de aanvraag te overleggen.

Artikelen 22 en 23

De opgegeven voorkeuren uit artikel 10 worden gebruikt indien een aanvrager op grond van de vergelijkende toets voor een of meer kavels wordt geselecteerd en/of als enige een aanvraag heeft ingediend voor een of meer kavels. Bij de kavels voor de landelijke commerciële radio-omroep betekent dit dat de aanvrager, van de kavels waarvoor hij in aanmerking komt, de kavel krijgt toegewezen waarvoor hij de hoogste voorkeur aangeeft. De overige kavels worden onder de andere aanvragers opnieuw verdeeld alsof de voornoemde aanvrager geen aanvraag heeft ingediend.

Anders dan bij landelijke commerciële radio-omroep kan een vergunning bij niet landelijke commerciële radio-omroep op meerdere kavels betrekking hebben. Indien een aanvrager in aanmerking komt voor meerdere kavels, zal worden onderzocht of de combinaties tussen deze kavels beschreven staan als verboden combinaties volgens bijlage 5. Dit zijn combinaties van twee kavels waarbij de overlap tussen die twee kavels te groot wordt geacht. Bij dergelijke verboden combinaties zal de aanvraag voor de kavel waarvoor de aanvrager de laagste voorkeur aangeeft, worden afgewezen. De aanvrager verkrijgt dan alleen de kavel waarvoor hij zijn hoogste voorkeur aangeeft. Indien er bij een aanvrager sprake is van meerdere verboden combinaties, wordt bij elke verboden combinatie de aanvraag voor de kavel met de laagste voorkeur afgewezen. Vervolgens krijgt de aanvrager die voor meerdere kavels in aanmerking komt, de kavels toegewezen op basis van de aangegeven voorkeur met een maximum van 20% demografisch bereik.

Artikelen 24 en 25

Activiteitscriterium

Op basis van de overwegingen inzake de uitgangspunten en het gewicht dat daaraan wordt gehecht, is de volgorde en inhoud van de criteria voor de vergelijkende toets bepaald. Omdat voor de tussentijdse oplossing het meeste gewicht wordt gehecht aan de tijdelijke continueringsmogelijkheid voor aanvragers die reeds gedurende een bepaalde tijd, zes maanden of langer, ononderbroken een radioprogramma uitzenden wordt dit eerste activiteitscriterium voorop geplaatst. Dit criterium is bepalend of een aanvrager als eerste in aanmerking komt voor verlening van een vergunning. Voldoet slechts één aanvrager daaraan, dan zal de vergunning op basis van dit criterium worden verleend. Voldoen meerdere aanvragers aan dit criterium dan zullen zij onderling worden gewogen op basis van het volgende criterium (een combinatie van marktaandeel, kabelbereik en inkomsten uit reclame). Voldoet geen enkele aanvrager aan het eerste activiteitscriterium dan zal het tweede activiteitscriterium bepalend zijn voor de vraag of een aanvrager als eerste in aanmerking komt. Bij het tweede activiteitscriterium wordt gekeken of een aanvrager minder dan zes maanden actief is geweest onmiddellijk voorafgaande aan de peildatum. Vervolgens geldt dezelfde systematiek als hiervoor geschetst.

Bij niet-landelijke commerciële radio-omroep vindt ten aanzien van het activiteitscriterium een differentiatie plaats op basis van het actief zijn binnen achtereenvolgens het demografische bereik van de aangevraagde kavel, het Cebuco-gebied waarbinnen de kavel ligt en de aangrenzende Cebuco gebieden. Indien geen van de aanvragers gedurende een ononderbroken periode van ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaande aan 1 mei 2002 actief is geweest binnen het demografisch bereik van de aangevraagde kavel, wordt gekeken of er aanvragers aan genoemd activiteitcriterium voldoen binnen het Cebuco-gebied waarbinnen de kavel ligt. Als er geen aanvragers zijn die hieraan voldoen, wordt gekeken naar de aangrenzende Cebuco-gebieden. Als er geen aanvragers zijn die aan het criterium van ten minste zes maanden ononderbroken uitzenden voldoen, wordt volgens dezelfde systematiek gekeken of er aanvragers zijn die gedurende een periode van minder dan zes maanden onmiddellijk voorafgaande aan 1 mei 2002 actief zijn geweest in achtereenvolgens het demografisch bereik van de aangevraagde kavel, het Cebucogebied waarin het kavel ligt en de aangrenzende Cebuco-gebieden. Nadere informatie over de gebiedsindeling kan worden verkregen via www.cebuco.nl.

Indien geen van de aanvragers onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 actief is, zal tussen deze aanvragers uitsluitend worden getoetst op het bedrijfsplan en indien deze toets geen uitsluitsel geeft, zal selectie plaats vinden op grond van het criterium loting (zie hierna).

Gewogen criterium marktaandeel, kabelbereik en reclame-inkomsten

Mede op basis van de inbreng van partijen in de genoemde hoorzitting is gekozen voor een gewogen criterium van marktaandeel, kabelbereik en inkomsten uit reclame. Deze elementen reflecteren de economische criteria die aan deze tijdelijke uitgifte ten grondslag liggen. In de economische werkelijkheid van commerciële (radio)omroep is de opbrengst uit de reclame, c.q. het belang dat adverteerders aan de zender hechten een onverbrekelijk onderdeel. Het (potentiële) bereik op de kabel is toegevoegd, omdat dit ook deel uitmaakte van de economische criteria die bij de uitgifte in 1998 zijn gehanteerd en dit tevens tot uitdrukking brengt dat programmaraden een positief oordeel over het betreffende radioprogramma hebben uitgesproken. Het daaruit afgeleide belang dat de luisteraar aan het programma hecht, wordt op die wijze ook in de weging betrokken.

Het grote belang van het marktaandeel spreekt in deze voor zich. Gezien de directe relatie tussen marktaandeel en reclameopbrengsten is geen onder- of overweging aan deze factoren gegeven. Wel is in de regeling voorzien dat marktaandeel als belangrijke factor altijd wordt meegewogen.

Bij het gewogen criterium van marktaandeel, kabelbereik en inkomsten uit reclame wordt aan ieder onderdeel maximaal 100 punten toegekend. Degene die als beste presteert, per onderdeel en per frequentiekavel bekeken, krijgt 100 punten toegekend. Vervolgens krijgen de aanvragers die minder scoren, naar evenredigheid, een lager puntenaantal, waarbij hun marktaandeel, kabelbereik of reclame-inkomsten worden vergeleken met het marktaandeel, kabelbereik of reclame-inkomsten van de aanvrager die het beste heeft gescoord.

Bij het onderdeel marktaandeel wordt er van uitgegaan dat iedere radiozender die uitzendt ook een marktaandeel heeft. Er wordt echter rekening gehouden met het probleem dat sommige aanvragers die actief zijn wellicht in onvoldoende mate kunnen aantonen dat zij een bepaald marktaandeel hebben gerealiseerd. Met dit gegeven wordt rekening gehouden door aan iedere aanvrager die actief is een minimum van 25 punten toe te kennen. Op deze wijze wordt tevens het absolute van dit onderdeel gemitigeerd.

Ook als er sprake is van niet-realistische cijfers, ondeugdelijk marktonderzoek of helemaal geen cijfers, krijgt de aanvrager 25 punten alsof de aanvrager een marktaandeel heeft van 25% van het marktaandeel van de aanvrager met het grootste deugdelijk onderbouwde marktaandeel. Zo ook krijgt een aanvrager met een marktaandeel dat lager is dan 25% van de aanvrager met het grootste marktaandeel 25 punten toegewezen. Dat hoeft niet te gebeuren voor de twee andere onderdelen, omdat die gegevens bekend zijn voor de aanvragers zelf.

De scores van de drie onderdelen zullen bij elkaar worden opgeteld en de aanvrager met de hoogste totaalscore wordt geselecteerd.

Ter verduidelijking volgt een voorbeeld met fictieve getallen:

stcrt-2002-90-p17-SC34525-2.gif

Uit het voorbeeld volgt dat aanvrager A het beste scoort op marktaandeel en reclame-inkomsten maar dat aanvrager B als beste uit de toets komt. De vergunning zal dan aan aanvrager B worden verleend.

Bedrijfsplan

Mocht op grond van de hiervoor genoemde criteria geen selectie mogelijk zijn dan wordt het door aanvragers in te dienen bedrijfsplan beoordeeld. Het bedrijfsplan dient te beschrijven hoe de radiozender het ethergebruik optimaal denkt te kunnen waarborgen. De aanvrager dient daartoe te beschrijven welk marktaandeel hij in redelijkheid denkt te kunnen verwerven. Daarbij dient een financiële paragraaf te worden opgenomen waarin de aanvrager aangeeft wat de verwachte omzet over het vergunningsjaar zal zijn, welke investeringen hij zal gaan plegen en welk bedrijfsresultaat wordt verwacht. De criteria zullen in onderlinge samenhang worden bekeken. Een aanvrager zal aannemelijk moeten maken dat zijn prognoses ook gerealiseerd kunnen worden. De radiozender met het meest realistische scenario verkrijgt de vergunning.

Mocht op grond van het bedrijfsplancriterium geen selectie kunnen worden gemaakt, dan zal selectie plaats vinden op grond van het criterium loting. Er is niet gekozen voor het criterium van een vrijwillig bod, omdat bij de verlenging van de vergunningen van zittende partijen een eventueel eerder gedaan vrijwillig bod dat geldt tot 1 september 2002, wordt vervangen door de regeling van het financieel instrument. Ook voor de op grond van de vergelijkende toets te verlenen vergunning zal het financieel instrument worden toegepast. In deze systematiek past niet het hanteren van een vrijwillig bod als toetsingscriterium.

Artikel 27

De vergunningen waarvan bij de start van de aanvraagprocedure bekend is dat die vrij ter beschikking staan voor het verlenen van een vergunning, worden na toepassing van de vergelijkende toets en rekening houdend met de voorkeuren van de aanvragers voor de kavels als bepaald in de artikelen 24 en 25, eerst verleend. Vervolgens is na die verlening bekend voor welke kavels voor AM via de middengolf waarvoor de vergunning voorwaardelijk is verlengd tot 1 september 2003 eveneens een vergunning kan worden verleend.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

F. van der Ploeg.

Bijlage 1a behorende bij artikel 1, onderdeel c, en artikel 2, tweede lid, van de Regeling aanvraag en vergelijkende toets commerciële radio-omroep

Frequentieruimte die ten behoeve van 2 beschikbare vergunningen voor landelijke commerciële omroep via de FM is verdeeld in kavels.

a. Kavel A05 (demografisch bereik 61%)

stcrt-2002-90-p17-SC34525-3.gif

1 Deze frequentie mag pas in gebruik genomen worden na afronding van de implementatie van de publieke omroep en na toestemming van de Divisie Telecom.

2 Deze frequentie is thans niet beschikbaar in verband met het waarborgen van een oplossing voor een dekkingsprobleem van Radio 3. Indien niet benodigd komt deze frequentie beschikbaar voor dit net.

b. Kavel A09 (demografisch bereik 59%)

Opstelplaats Frequentie (MHz) Vermogen (ERP)

stcrt-2002-90-p17-SC34525-4.gifstcrt-2002-90-p17-SC34525-5.gif

1 Deze frequentie mag pas in gebruik genomen worden na afronding van de implementatie van de publieke omroep en na toestemming van de Divisie Telecom.

Bijlage 1b behorende bij artikel 1, onderdeel c, en artikel 2, tweede lid, van de Regeling aanvraag en vergelijkende toets commerciële radio-omroep

Frequentieruimte die ten behoeve van 3 beschikbare vergunningen voor landelijke commerciële omroep via de AM op de middengolf is verdeeld in kavels.

b. Kavel C01 (demografisch bereik 90% (dag) / 33% (nacht))

stcrt-2002-90-p17-SC34525-6.gif

c. Kavel C02 (demografisch bereik 85% (dag) / 5% (nacht))

stcrt-2002-90-p17-SC34525-7.gif

d. Kavel C03 (demografisch bereik 73% (dag) / 0% (nacht))

stcrt-2002-90-p17-SC34525-8.gif

1 Ingebruikname op de geplande lokatie is thans niet mogelijk. Frequentie thans op tijdelijke basis in gebruik te Trintelhaven met 100 kW; deze toestemming vervalt voor 1 september 2002.

Bijlage 2a behorende bij artikel 1, onderdeel d, en artikel 3, tweede lid, van de Regeling aanvraag en vergelijkende toets commerciële radio-omroep

Frequentieruimte op de FM-band die in kavels is verdeeld ten behoeve van vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroep

stcrt-2002-90-p17-SC34525-9.gifstcrt-2002-90-p17-SC34525-10.gif

Bijlage 2b behorende bij artikel 1, onderdeel d, en artikel 3, tweede lid, van de Regeling aanvraag en vergelijkende toets commerciële radio-omroep

Frequentieruimte op de AM via de middengolf die in kavels is verdeeld ten behoeve van vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroep.

stcrt-2002-90-p17-SC34525-11.gif

Bijlage 3a behorende bij artikel 1, onderdeel c, en artikel 4, eerste en tweede lid, van de Regeling aanvraag en vergelijkende toets commerciële radio-omroep

Frequentieruimte die ten behoeve van vergunningverlening voor landelijke commerciële radio-omroep is verdeeld in kavels, waarbij evenwel voor ieder van deze kavels geldt dat die uitsluitend tot het verlenen van een vergunning kunnen leiden, indien voor 1 september 2002 bekend is dat een dergelijk kavel per die datum vrij ter beschikking blijkt te zijn gekomen voor het verlenen van de vergunning.

stcrt-2002-90-p17-SC34525-12.gif

Bijlage 3b behorende bij artikel 1, onderdeel d, en artikel 4, eerste en derde lid, van de Regeling aanvraag en vergelijkende toets commerciële radio-omroep

Frequentieruimte die ten behoeve van vergunningverlening voor niet-landelijke commerciële radio-omroep is verdeeld in kavels, waarbij evenwel voor ieder van deze kavels geldt dat die uitsluitend tot het verlenen van een vergunning kunnen leiden, indien voor 1 september 2002 bekend is dat een dergelijk kavel per die datum vrij ter beschikking blijkt te zijn gekomen voor het verlenen van de vergunning.

stcrt-2002-90-p17-SC34525-13.gif

Bijlage 4 behorende bij artikel 8 van de Regeling aanvraag en vergelijkende toets commerciële radio-omroep. Waar in deze bijlage verwezen wordt naar artikelen wordt verwezen naar de artikelen van genoemde regeling.

De aanvraag bevat de volgende gegevens en bescheiden:

1. Ten behoeve van beoordeling of de aanvrager voor landelijke of niet-landelijke commerciële radio-omroep voldoet aan de eisen van de artikelen 17 tot en met 20

A. Algemeen

A1. Natuurlijke personen

1. Naam van de aanvrager;

2. Adres en woonplaats van de aanvrager;

3. Een recent uittreksel, niet ouder dan één maand, uit het bevolkingsregister;

4. Een recente verklaring, niet ouder dan één maand, omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag;

5. Indien de aanvrager onder curatele is gesteld, schriftelijke toestemming van zijn curator om handelingen te verrichten met betrekking tot het verwerven van vergunningen voor en het verrichten van commerciële radio-omroep;

6. Een beschrijving van de feitelijke werkzaamheden van de aanvrager.

Indien de aanvrager wordt beheerst door het recht van een van de andere lidstaten van de Europese Unie of van een van de andere staten die partijen zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, bevat de aanvraag de vergelijkbare gegevens en bescheiden krachtens dat recht.

A2. Rechtspersonen

1. Naam van de aanvrager;

2. Rechtsvorm van de aanvrager, alsmede het recht van het land dat deze rechtsvorm beheerst;

3. Vestigingsplaats van de aanvrager en, als deze niet dezelfde zijn, de statutaire zetel en de zetel van het hoofdbestuur;

4. Statuten;

5. Een lijst van degenen die bevoegd zijn de aanvrager rechtsgeldig te vertegenwoordigen, met daarbij vermeld de beperkingen die eventueel met betrekking tot de vertegenwoordigingsbevoegdheid gelden;

6. Een document waaruit blijkt dat de aanvrager gerechtigd is de aanvraag te ondertekenen;

7. Een beschrijving van het doel en van de feitelijke werkzaamheden van de aandeelhouders van de aanvrager, voor zover deze rechtspersonen zijn;

8. Een recent uittreksel van het register van de Kamer van Koophandel. Indien de aanvrager deel uitmaakt van een groep van ondernemingen als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, verstrekt de aanvrager tevens de uittreksels van de andere ondernemingen die deel uit maken van de groep. Indien de aanvrager een dochtermaatschappij heeft als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, verstrekt de aanvrager tevens de statuten van die dochtermaatschappij;

9. Documenten of verklaringen waaruit kan worden afgeleid dat de aanvrager niet een rechtspersoon in oprichting is.

Indien de aanvrager wordt beheerst door het recht van een van de andere lidstaten van de Europese Unie of van een van de andere staten die partijen zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, bevat de aanvraag de vergelijkbare gegevens en bescheiden krachtens dat recht.

B. Kennis en ervaring

1. Een beschrijving van de kennis en ervaring waarover de aanvrager kan beschikken met betrekking tot de productie en exploitatie van radioprogramma's;

2. Een beschrijving waarin wordt aangegeven door wie en op welke wijze kennis en ervaring met betrekking tot de productie en exploitatie van radioprogramma's ter beschikking van de aanvrager wordt gesteld, vergezeld van de daarop betrekking hebbende overeenkomsten.

C. Technische middelen

1. Een beschrijving van de technische middelen waarover de aanvrager kan beschikken met betrekking tot de productie en exploitatie van radioprogramma's;

2. Een beschrijving waarin wordt aangegeven door wie en op welke wijze de technische middelen met betrekking tot de productie en exploitatie van radioprogramma's ter beschikking van de aanvrager wordt gesteld, vergezeld van de daarop betrekking hebbende overeenkomsten.

D. Hoedanigheid als commerciële omroep

1. De toestemming van het Commissariaat voor de Media als bedoeld in artikel 71a van de Mediawet of, voor zover van toepassing, over een vergelijkbare buitenlandse toestemming krachtens het recht van een van de overige lidstaten van de Europese Unie of een van de overige lidstaten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, om als commerciële radio-omroep te mogen uitzenden.

2. Voor aanvragers van een vergunning voor niet-landelijke commerciële radio-omroep:

a. een opgaaf van het kabelbereik als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, op 1 april 2002;

b. de overeenkomsten met de exploitanten van het omroepnetwerk of de omroepnetwerken waartoe de aanvrager toegang heeft.

2. Ten behoeve van de beoordeling of de aanvrager houder is van een vergunning voor commerciële radio-omroep als bedoeld in de Telecommunicatiewet en voor de beoordeling van verbondenheid

A. Vergunningen

Een beschrijving en overlegging van de op 1 mei 2002 aanwezige vergunningen voor commerciële radio-omroep als bedoeld in de Telecommunicatiewet. De beschrijving vermeldt of de vergunning betrekking heeft op FM-frequentieruimte of op AM-frequentieruimte via de middengolf.

B. Eigendoms- en zeggenschapsverhoudingen rechtspersoon-aanvrager

1. Een beschrijving van de eigendoms- zeggenschapsverhoudingen en overlegging van alle overeenkomsten die deze verhoudingen beïnvloeden. De beschrijving dient inzicht te bieden of er een zodanige verbondenheid bestaat dat er sprake is van een zelfde instelling als beschreven in de Mededeling inzake toets op verbondenheid aanvragers vergunningen frequentieruimte commerciële radio-omroep van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en wetenschappen, dr. F. van der Ploeg, inzake toets op verbondenheid aanvragers vergunningen frequentieruimte commerciële radio-omroep (Stcrt. 12 april 2002, nr. 17). De beschrijving bevat in elk geval gegevens met betrekking tot:

a. de grootte van het aandelenkapitaal, de samenstelling in soorten aandelen, zoals ge wone, preferente, converteerbare of prioriteitsaandelen, en de verdeling over de aandeelhouders;

b. het vreemde vermogen van de aanvrager, zoals obligatieleningen, achtergestelde leningen, en leningen waarvoor een hypotheek- of pandrecht is verstrekt;

c. de wijze van besluitvorming binnen het bestuur, de raad van commissarissen onderscheidenlijk de vergadering van aandeelhouders onder meer ten aanzien van benoeming, schorsing of ontslag van leden van het bestuur of de raad van commissarissen, alsmede stem- en aandeelhoudersovereenkomsten;

d. de inhoud van doorlopende volmachten om de aanvrager te vertegenwoordigen (procuratie), waarbij tevens wordt vermeld aan wie de volmacht is verleend;

e. bestaande en voorgenomen strategische overeenkomsten met andere rechtspersonen, vennootschappen, of natuurlijke personen die zelf, dan wel door middel van een dochtervennootschap uitzendingen van radioprogramma's verzorgen of voornemens zijn dit te doen.

2. De jaarrekening, bedoeld in artikel 361, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over het jaar 2000, en eventueel voorlopig, over het jaar 2001, en het verslag in de Nederlandse taal alsmede de daarbij te voegen overige gegevens, bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel:

a. indien de aanvrager deel uitmaakt van een groep van ondernemers, de geconsolideerde jaarrekening als bedoeld in artikel 405 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over het jaar 2000, en eventueel voorlopig, over het jaar 2001, het jaarverslag en de overige gegevens bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

b. indien de aanvrager een rechtspersoon is als bedoeld in artikel 396, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de gegevens, bedoeld in het derde lid van dat artikel.

3. Voor zover van belang voor de eigendoms- en zeggenschapsverhoudingen, een afschrift van de notulen van vergaderingen van het bestuur, de raad van commissarissen en de algemene vergadering van aandeelhouder over de jaren 2000 en, voor zover beschikbaar, 2001.

4. Documenten inzake beschermingsconstructies van de aanvrager en, voor zover van toepassing, de moedermaatschappij van de aanvrager, in het bijzonder beschermingsconstructies met betrekking tot plaatsing van preferente aandelen bij een rechtspersoon of een natuurlijk persoon tot plaatsing van prioriteitsaandelen.

Indien de aanvrager wordt beheerst door het recht van een van de andere lidstaten van de Europese Unie of van een van de andere staten die partijen zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, bevat de aanvraag de vergelijkbare gegevens en bescheiden krachtens dat recht.

C. Eigendoms- en zeggenschapsverhoudingen natuurlijke persoon-aanvrager

1. Beschrijving van de (neven)functies en werkzaamheden van de aanvrager, waaronder begrepen, doch niet uitsluitend, bestuurder, commissaris en adviseur van de aanvrager, voor zover dat betrekking heeft op natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die, zelf dan wel door middel van een dochtervennootschap, uitzendingen van radioprogramma's verzorgen of voornemens zijn dit te doen;

2. beschrijving van bestaande en voorgenomen strategische overeenkomsten van de aanvrager met andere natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen, die zelf, dan wel door middel van een dochtervennootschap, uitzendingen van radioprogramma's verzorgen of voornemens zijn dit te doen.

Vergelijkbare informatie moet worden toegevoegd indien andere dan de Nederlandse regelgeving op de aanvrager van toepassing is.

3. Ten behoeve van de toepassing van de vergelijkende toets landelijke commerciële omroep

Voor de toepassing van artikel 24:

a. een verklaring dat, voor zover daarvan sprake is, een eigen radioprogramma in de ether of via een omroepnetwerk in Nederland wordt uitgezonden en gedurende een ononderbroken periode van ten minste zes kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 dagelijks is uitgezonden, dan wel gedurende een periode van minder dan zes kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 is uitgezonden;

b. overeenkomstig artikel 1, eerste lid, onderdeel l, en artikel 24, vierde lid, onderdeel a, een opgaaf van het behaalde marktaandeel, voor zover daarvan sprake is, alsmede beschrijving van de wijze waarop het opgegeven marktaandeel is bepaald en de daaraan ten grondslag liggende feitelijke gegevens;

c. overeenkomstig artikel 1, onderdeel e, en artikel 24, vierde lid, onderdeel b, een opgaaf van het kabelbereik, voor zover daarvan sprake is, alsmede overlegging van de daarop betrekking hebbende overeenkomsten met de exploitanten van de omroepnetwerken waartoe de aanvrager toegang heeft;

d. overeenkomstig artikel 1, onderdeel n, en artikel 24, vierde lid, onderdeel c, een opgaaf van de inkomsten uit reclameactiviteiten, voor zover daarvan sprake is, alsmede beschrijving van de wijze waarop de opgegeven reclame-inkomsten zijn bepaald en de daaraan ten grondslag liggende feitelijke gegevens;

e. overeenkomstig artikel 24, zesde lid: overeenkomstig dat lid een bedrijfsplan, met daarin in ieder geval opgenomen de voorgenomen activiteiten en de daarop betrekking hebbende verwachte omzet, investeringen en bedrijfsresultaat.

4. Ten behoeve van de toepassing van de vergelijkende toets voor niet-landelijke commerciële radio-omroep

Ten aanzien van artikel 25:

a. een verklaring dat, voor zover daarvan sprake is, een eigen radioprogramma in de ether of via een omroepnetwerk in Nederland wordt uitgezonden en gedurende een ononderbroken periode van ten minste zes kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 dagelijks is uitgezonden, dan wel gedurende een periode van minder dan zes kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan 1 mei 2002 is uitgezonden, alsmede een geografische aanduiding van het gebied waar deze activiteiten hebben plaatsgevonden en plaatsvinden, conform de indeling in verzorgingsgebieden zoals deze per 1 januari 2001 wordt gehanteerd door het Centraal Bureau voor de Courantenpubliciteit (Cebuco) en die als bijlage 6 bij deze regeling is opgenomen;

b. overeenkomstig artikel 1, eerste lid, onderdeel l, en artikel 25, vierde lid, onderdeel a, een opgaaf van het behaalde marktaandeel, voor zover daarvan sprake is, alsmede beschrijving van de wijze waarop het opgegeven marktaandeel is bepaald en de daaraan ten grondslag liggende feitelijke gegevens;

c. overeenkomstig artikel 1, onderdeel e, en artikel 25, vierde lid, onderdeel b, een opgaaf van het kabelbereik, voor zover daarvan sprake is, alsmede overlegging van de daarop betrekking hebbende overeenkomsten met de exploitanten van de omroepnetwerken waartoe de aanvrager toegang heeft;

d. overeenkomstig artikel 1, onderdeel n, en artikel 25, vierde lid, onderdeel c, een opgaaf van de inkomsten uit reclameactiviteiten, voor zover daarvan sprake is, alsmede beschrijving van de wijze waarop de opgegeven reclame-inkomsten zijn bepaald en de daaraan ten grondslag liggende feitelijke gegevens;

e. overeenkomstig artikel 25, zesde lid: overeenkomstig dat lid een bedrijfsplan, met daarin in ieder geval opgenomen de voorgenomen activiteiten en de daarop betrekking hebbende verwachte omzet, investeringen en bedrijfsresultaat.

5. Schriftelijke verklaringen

A. Aanvrager

Een schriftelijke verklaring van de aanvrager omtrent de volledigheid en juistheid van de door hem verstrekte gegevens.

B. Advocaat

1. Indien de aanvrager een natuurlijk persoon is, een schriftelijke opinie van een onafhankelijke advocaat, gevestigd in het land waarin de aanvrager binnen een van de lidstaten van de Europese Unie of een van de overige lidstaten die partij zijn bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische ruimte zijn werkelijke woonplaats heeft, omtrent:

a. het voldoen door de aanvrager aan de artikelen 17, 18 en 20;

b. de verbondenheid van de aanvrager als bedoeld in artikel 1, tweede lid.

2. Indien de aanvrager een rechtspersoon is, een schriftelijke opinie van een onafhankelijke in Nederland gevestigde advocaat, omtrent het genoemde in het eerste lid, onder a en b.

3. Indien de aanvrager een rechtspersoon is, en indien het land waarvan het recht de aanvrager beheerst niet het Nederlandse recht is, een schriftelijke opinie van een in Nederland gevestigde onafhankelijke advocaat en een in het Engels opgestelde schriftelijke opinie van een in dat andere land gevestigde advocaat, die gezamenlijk alle onderdelen van een schriftelijke opinie beslaan omtrent het genoemde in het eerste lid, onder a en b.

C. Accountant

1. Met betrekking tot de aanvrager voor een vergunning voor niet-landelijke commerciële radio-omroep die op het moment van het indienen van de aanvraag op de kabel actief is: een schriftelijke accountantsverklaring die de vereiste opgave van het kabelbereik van de aanvrager ondersteunt;

2. Een schriftelijke accountantsverklaring die de opgave van de aanvrager ten aanzien van de gegevens en bescheiden die op grond van deze bijlage dienen te worden overlegd in het kader van de toepassing van de vergelijkende toets op grond van artikel 24 of 25 ondersteunt.

Bijlage 5, behorende bij artikel 23, derde en vierde lid, van de Regeling aanvraag en vergelijkende toets commerciële radio-omroep

A. Verboden combinaties van Niet Landelijke FM-kavels en Niet Landelijke AM-kavels

stcrt-2002-90-p17-SC34525-14.gif

X: verboden combinatie in verband met onacceptabele overlap in bereik. Overlap is onacceptabel indien het bereik van het FM-bereik overlap vertoont met het nachtelijk bereik van de AM-kavel.

B. Verboden combinaties Niet Landelijke FM-kavels onderling

stcrt-2002-90-p17-SC34525-15.gif

X: verboden combinatie in verband met onacceptabele overlap in bereik. Overlap is onacceptabel indien een overlap aanwezig is van 25% of meer ten opzichte van het kleinste kavel in termen van relatief demografisch bereik.

C. Verboden combinaties Niet Landelijke AM-kavels onderling

De combinatie van kavel C7 met C9 is niet toegestaan op basis van overlap van het nachtelijk bereik.

Bijlage 6 behorende bij artikel 1, onderdeel m, en artikel 25, negende lid en verder van de Regeling aanvraag en vergelijkende toets commerciële radio-omroep

stcrt-2002-90-p17-SC34525-16.gif
Naar boven