Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatscourant 2002, 53 pagina 10 | Overig |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatscourant 2002, 53 pagina 10 | Overig |
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer maakt ingevolge artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer bekend dat gedurende vier weken na dagtekening van deze Staatscourant een ieder schriftelijk zijn zienswijze naar voren kan brengen over onderstaand ontwerp van een algemene maatregel van bestuur. Adres: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, t.a.v. DGM/SAS/Afdeling Algemeen Afvalstoffenbeleid - IPC 645, Postbus 20951, 2500 EZ Den Haag.
Besluit van ... houdende regels met betrekking tot het bewerken van bouw- en sloopafval met een mobiele puinbreker (Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van ... , nr. MJZ ... , Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op artikel 10.52 van de Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van ... , nr. W ... );
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van ... , nr. MJZ ... , Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. bevoegd gezag: burgemeester en wethouders van de gemeente, waar een mobiele puinbreker in werking is of zal worden gebracht;
b. bouw- en sloopafval: steenachtige bedrijfsafvalstoffen afkomstig van het bouwen of slopen van wegen, gebouwen of overige bouwwerken;
c. mobiele puinbreker: mobiele installatie voor het bewerken van bouw- en sloopafval, met inbegrip van alle daarbij gebruikte overige installaties en toestellen;
d. degene die met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval bewerkt: natuurlijke of rechtspersoon die een mobiele puinbreker in werking heeft, dan wel degene die namens deze persoon is belast met de feitelijke leiding over het bewerken van bouw- en sloopafval met een mobiele puinbreker.
Dit besluit is van toepassing op het bewerken van bouw- en sloopafval met een mobiele puinbreker:
a. buiten een inrichting,
b. binnen een inrichting, niet zijnde een inrichting waarvoor het ingevolge de vergunning, bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de wet, is toegestaan om met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te bewerken dat van buiten de inrichting afkomstig is.
1. Degene die met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval bewerkt, voldoet aan de voorschriften van de bijlage.
2. Het bewerken van bouw- en sloopafval met een mobiele puinbreker geschiedt in de directe nabijheid van de plaats waar dat afval vrijkomt, gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste drie maanden.
3. Het is verboden om met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te bewerken dat afkomstig is van buiten de locatie of de inrichting waar de mobiele puinbreker in werking is.
1. Degene die het voornemen heeft om met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te bewerken, meldt dit ten minste vier weken voor de aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Twee werkdagen voor de aanvang van de werkzaamheden stelt hij het bevoegd gezag daarvan in kennis.
2. De melding, bedoeld in het eerste lid, geschiedt schriftelijk en bevat in ieder geval:
a. de naam van de gemeente en de naam met het adres of de plaatselijke aanduiding van de locatie of de inrichting, met de exacte positie aldaar, waar de mobiele puinbreker in werking zal worden gebracht;
b. de naam en het adres van de natuurlijke of rechtspersoon die een mobiele puinbreker in werking heeft en, indien van toepassing, van degene die de inrichting drijft;
c. de hoeveelheid en de aard van het met de mobiele puinbreker te bewerken bouw- en sloopafval, en
d. een beschrijving van de bronsterkte (LW) in dB(A) van de mobiele puinbreker.
3. Van de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt door het bevoegd gezag openbaar kennis gegeven in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
1. Degene die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval bewerkt, meldt dit binnen twee weken na dat tijdstip aan het bevoegd gezag. Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, blijven de artikelen 3 en 4, eerste en derde lid, gedurende drie maanden na het in dat lid bedoelde tijdstip, dan wel zoveel korter als de mobiele puinbreker ter plaatse in werking is, buiten toepassing.
3.Degene die het voornemen heeft om binnen vier weken na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te bewerken, doet de melding, bedoeld in artikel 4, eerste lid, zo spoedig mogelijk.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van artikel 2, onderdeel b, dat op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treedt.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
- woning: gebouw of gedeelte van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd, met uitzondering van een dienst- of bedrijfswoning die op een bedrijventerrein is gelegen;
met betrekking tot afvalstoffen:
- puingranulaat: het door een mobiele puinbreker bewerkte bouw- en sloopafval;
- bronsterkte (LW): het geluidsvermogenniveau van de bron vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de `Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999;
- geluidsniveau: niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) opgestelde regels, zoals neergelegd in NEN-EN-IEC-60651, 1994;
- equivalent geluidsniveau (LAeq): het energetische gemiddelde van de afwisselende geluidsniveaus vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de `Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999;
- geluidgevoelige bestemmingen: gebouwen of objecten aangewezen krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder.
met betrekking tot trillingen:
- trillingsterkte: de effectieve waarde van de gewogen trillinggrootheid gemeten en beoordeeld overeenkomstig de meet- en beoordelingsrichtlijn Richtlijn 2 `Hinder voor personen in gebouwen door trillingen' voor de gebouwfunctie wonen, uitgave 1993 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR);
met betrekking tot veiligheid:
- CPR: Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen;
- CPR 9-6: Richtlijn 9-6 van de CPR, getiteld `Vloeibare aardolieproducten; `Opslag tot 150 m3 van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 55 tot 100 graden C in bovengrondse tanks', tweede druk, 1999;
-. CPR 15-1: Richtlijn 15-1 van de CPR, getiteld `Opslag van gevaarlijke stoffen in emballage'; `Opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0 tot 10 ton)', tweede druk, uitgave 1994;
- gasfles: een cilindrische drukhouder, voorzien van één aansluiting met klep- of naaldafsluiter, die bedoeld is voor meermalig gebruik en een waterinhoud heeft van ten hoogste 150 liter;
- gevaarlijke stof: een stof of preparaat dat bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten is ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;
- veiligheidsinformatieblad: een veiligheidsinformatieblad als bedoeld in artikel 2 van het Veiligheidsinformatiebladenbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen.
Hoofdstuk 1. Algemene voorschriften
Paragraaf 1.1 Geluid en trilling
1.1.1 De geluidsbelasting (LAeq) die wordt veroorzaakt door de werkzaamheden van een mobiele puinbreker, mag niet meer bedragen dan 65 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde woning of geluidgevoelige bestemming.
1.1.2 De geluidsbelasting (LAeq) die wordt veroorzaakt door de werkzaamheden van een mobiele puinbreker, mag niet meer bedragen dan 60 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde school, verpleeg- of ziekenhuis.
1.1.3 Het bewerken van bouw- en sloopafval geschiedt uitsluitend gedurende de dagperiode (07.00-19.00 uur) en niet gedurende zon- en feestdagen.
1.1.4 Trillingen veroorzaakt door werkzaamheden van een mobiele puinbreker bedragen in woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer dan de trillingsterkte zoals te bepalen volgens tabel 3 van de Richtlijn 2 `Hinder voor personen in gebouwen door trillingen', uitgave 1993 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen.
1.2.1 Bij opslag, overslag, transport, breken of sorteren van bouw- en sloopafval of puingranulaat worden maatregelen of voorzieningen getroffen, die gelden voor klasse S4 en S5 voor de stuifgevoeligheid van stof, zoals opgenomen in de Nederlandse emissierichtlijn lucht (september 2000). In ieder geval is een doelmatige sproei-installatie aanwezig.
1.2.2 De verbrandingsmotoren van een mobiele puinbreker zijn zodanig afgesteld dat een zo rendabel mogelijk gebruik van brandstoffen en een optimale verbranding plaatsvinden.
1.3.1 De verlichting voor werkzaamheden van een mobiele puinbreker wordt zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen van woon- of slaapvertrekken in gevels of daken van woningen van derden wordt voorkomen.
Paragraaf 1.4 Bodembescherming
1.4.1 Bouw- en sloopafval en puingranulaat worden opgeslagen op een vlakke en harde bodem, zijnde een bodem die vooraf onder profiel is gebracht en na verdichting geen afwijkingen heeft in langs- en dwarsrichting.
1.4.2 Bodembeschermende voorzieningen of maatregelen voldoen aan de opvangvoorzieningen categorie 2, zoals deze zijn voorgeschreven in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (juli 1997).
1.5.1 Voor zover de voorschriften van dit besluit niet of in onvoldoende mate voorzien in een toereikende bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die een mobiele puinbreker kan veroorzaken, worden die gevolgen voorkomen of, voor zover voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt.
Hoofdstuk 2. Bijzondere voorschriften met betrekking tot activiteiten die worden verricht
2.1.1 De transportvoertuigen worden zodanig geladen of afgedekt dat tijdens het transport op en van de locatie geen lading kan worden verloren dan wel op andere wijze verspreiding kan optreden van bouw- en sloopafval of puingranulaat afkomstig van het transportvoertuig.
2.1.2 Degene die een mobiele puinbreker in werking heeft, houdt op de locatie of binnen het deel van de inrichting waar bouw- en sloopafval wordt bewerkt, een registratie bij. Op deze registratie is artikel 8.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de registratie per werkdag wordt bijgehouden.
2.1.3 Een mobiele puinbreker is voorzien van weegeenheden die automatisch de hoeveelheden bouw- en sloopafval of puingranulaat registreren. De betreffende weegeenheden worden voorafgaand aan de inzet van de installatie autonoom volautomatisch gekalibreerd. De kalibratiegegevens worden geregistreerd.
Paragraaf 2.2 Opslag gevaarlijke stoffen
2.2.1 De opslag van gevaarlijke stoffen voldoet aan CPR 15-1.
2.2.2 De opslag in een bovengrondse tank van brandstof voldoet aan CPR 9-6, voor tijdelijke, niet-stationaire opslag- en afleverinstallaties.
2.2.3 Ten behoeve van een mobiele puinbreker:
a. worden geen gevaarlijke stoffen in tanks opgeslagen, tenzij sprake is van een opslag als bedoeld in voorschrift 2.2.2, en
b. worden geen gassen of gasmengsels in tanks opgeslagen.
2.2.4 Gasflessen zijn:
a. goedgekeurd door een door Onze Minister wie het aangaat aangewezen instantie of een ten minste gelijkwaardige instelling, dan wel door een door een dergelijke instelling erkende deskundige; deze goedkeuring blijkt uit de op de gasfles ingeponste datum;
b. zodanig opgesteld dat zij tegen omvallen en aanrijden zijn beschermd, steeds gemakkelijk bereikbaar zijn en niet in de onmiddellijke nabijheid van brandgevaarlijke stoffen staan;
c. zodanig opgesteld dat uitstromend gas zich niet in een lager gelegen ruimte of in een riolering kan verzamelen.
In totaal mag niet meer dan 300 liter brandbare gassen of zuurstof in gasflessen ten behoeve van een mobiele puinbreker aanwezig zijn op de locatie of binnen het deel van de inrichting waar deze in werking is.
Paragraaf 2.3 Afleveren van brandstof
2.3.1 Ten behoeve van het afleveren van brandstof zijn bodembeschermende voorzieningen of maatregelen getroffen die voldoen aan de opvangvoorzieningen categorie 2 van Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (juli 1997). In ieder geval is een lekbak aanwezig.
Hoofdstuk 3. Bijzondere voorschriften met betrekking tot de bedrijfsvoering
Paragraaf 3.1 Onderhoud en schoonmaak
3.1.1 De locatie of het deel van de inrichting waar de mobiele puinbreker in werking is, verkeert in ordelijke toestand en in goede staat van onderhoud. Binnen vijf werkdagen na beëindiging van de activiteiten met een mobiele puinbreker zijn alle sporen van het mobiel puinbreken en de bijbehorende opslagfaciliteiten verwijderd.
3.1.2 Tijdens het transport van de installatie van en naar de locatie waar het mobiel puinbreken geschiedt, moet de vorming en verspreiding van stof worden voorkomen.
3.1.3 De locatie of het deel van de inrichting waar de mobiele puinbreker in werking is, is door middel van een omheining of anderszins op zodanige wijze omgeven, dat toegang voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is. De uitvoering van de omheining is in ieder geval dusdanig dat apparatuur en opgeslagen stoffen redelijkerwijs niet bereikbaar zijn voor onbevoegden.
3.1.4 Nabij de ingangen van de locatie of het deel van de inrichting waar de mobiele puinbreker in werking is, is een te allen tijde duidelijk leesbaar opschrift aangebracht, luidende:
VERBODEN TOEGANG VOOR ONBEVOEGDEN
3.1.5 Het is niet toegestaan op de locatie of het deel van de inrichting waar de breekactiviteiten plaatsvinden grote reparaties aan een mobiele puinbreker uit te (laten) voeren. Eventuele kleine reparaties en onderhoudswerkzaamheden worden met de nodige zorgvuldigheid uitgevoerd teneinde het optreden van verontreinigingen of overlast te voorkomen.
3.1.6 Gemorste gevaarlijke stoffen worden direct opgeruimd. De aard en de hoeveelheid van de aanwezige absorptiemiddelen is afgestemd op de aard en de hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en de werkzaamheden. Gebruikte absorptiemiddelen en niet meer voor gebruik geschikte en gemorste gevaarlijke stoffen worden opgeslagen overeenkomstig voorschrift 2.2.1.
Paragraaf 3.2 Controle van installaties en voorzieningen
3.2.1 Voor een mobiele puinbreker is een inspectie- en onderhoudssysteem opgesteld, dat bijdraagt aan het waarborgen van periodiek onderhoud en controle van de installatie.
Paragraaf 3.3 Instructie van personeel
3.3.1 Tijdens de werkzaamheden met betrekking tot een mobiele puinbreker zijn minimaal een leidinggevende of een medewerker aanwezig met voldoende vakbekwaamheid op het gebied van het omgaan met gevaarlijke stoffen en het bestrijden van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.
3.3.2 Degene die een mobiele puinbreker in werking heeft, zorgt ervoor dat de personen die bij activiteiten van een mobiele puinbreker betrokken zijn, voldoende vakbekwaam zijn en op de hoogte zijn van de voorschriften van dit besluit, met name de registratiewerkzaamheden.
Paragraaf 3.4 Bewaren van documenten
3.4.1 Naast de in voorschrift 2.1.2 bedoelde documenten zijn de volgende documenten aanwezig op de locatie of het deel van de inrichting waar een mobiele puinbreker in werking is:
a. gegevens omtrent de bronsterkte in dB(A) van de mobiele puinbreker;
b. het inspectie- en onderhoudsschema van de mobiele puinbreker, bedoeld in voorschrift 3.2.1 en de kalibratiegegevens, bedoeld in voorschrift 2.1.3;
c. certificaten of bewijzen van:
1°. de installatie van tanks, filters en andere voorzieningen;
2°. onderhoud of keuringen van ten behoeve van de mobiele puinbreker aanwezige voorzieningen en installaties;
d. een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4 of 5.
Hergebruik van bouw- en sloopafval is de afgelopen jaren sterk toegenomen. Puinbrekers worden ingezet om de steenachtige fractie van het bouw- en sloopafval te breken tot puingranulaat. Het puingranulaat kan worden toegepast als bouwstof in beton of in de wegenbouw. Door de milieutechnologische vooruitgang is het de laatste jaren mogelijk geworden om het puin op de slooplocatie door een mobiele installatie te laten breken. Stationaire puinbrekers zijn inrichtingen in de zin van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb) en op grond van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer (Wm) vergunningplichtig. Mobiele puinbrekers daarentegen worden door hun mobiliteit en hun kortdurende activiteit op een bepaalde plaats niet beschouwd als inrichtingen en zijn daarom niet-vergunningplichtig. Dat neemt niet weg dat het uit milieuoogpunt gewenst is om ook voor mobiele puinbrekers een adequaat beschermingsniveau te eisen.
Provincies hadden tot dit besluit in werking trad (op grond van het toenmalige artikel 10.26 Wm) in de provinciale milieuverordening (pmv) regels opgenomen om milieuhygiënische eisen te kunnen stellen aan de werkzaamheden van deze puinbrekers. In enkele gevallen was in de pmv een bepaling opgenomen, inhoudende een meldingsvereiste aan B&W met de mogelijkheid om nadere eisen te stellen in verband met gevaar, schade en hinder. In een aantal uitspraken (F03.97.0464, 3 november 1997; E03.97.1606, 5 maart 1999; E03.97.1346, 21 mei 1999; E03.97.1347, 21 mei 1999; E03.97.0778, 28 mei 1999) van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is echter bepaald dat het toenmalige artikel 10.26 Wm een onvoldoende grondslag bood voor het stellen van deze milieuhygiënische eisen.
De mogelijkheid om uitsluitend voorschriften met betrekking tot doelmatigheid en geen milieuvoorschriften in de pmv op te nemen, heeft geleid tot verschillen in regulering tussen de verschillende provincies en het ontstaan van concurrentievervalsing tussen mobiele en stationaire puinbrekers. Om dit te voorkomen en om een adequaat niveau van milieubescherming te realiseren worden op grond van artikel 10.52 Wm in het onderhavige besluit uniforme regels aangaande het bewerken van bouw- en sloopafval met mobiele puinbrekers gesteld.
Het besluit is gebaseerd op artikel 10.52. Dit artikel biedt de mogelijkheid om in het belang van de bescherming van het milieu regels te stellen aan het beheer van afvalstoffen buiten een inrichting. Teneinde een zo uniform mogelijk regime te creëren, is het wenselijk dat het besluit eveneens van toepassing is op het met een mobiele puinbreker bewerken van bouw- en sloopafval dat binnen een inrichting vrijkomt. Artikel 10.52 Wm zal daartoe worden aangepast. Het onderhavige besluit anticipeert op deze wijziging door in artikel 2, onder b, te bepalen dat de bepalingen tevens betrekking hebben op het met een mobiele puinbreker bewerken van bouw- en sloopafval dat binnen een inrichting vrijkomt. Dit onderdeel zal in werking treden wanneer de Staten-Generaal de voorgenomen wijziging van artikel 10.52 van de Wet milieubeheer hebben goedgekeurd.
Reikwijdte en werkingssfeer van het besluit
Het besluit heeft betrekking op situaties waar bouw- en sloopafval met een mobiele installatie wordt gebroken op de locatie waar het materiaal vrijkomt. Hierbij kan sprake zijn van het breken van de steenachtige afvalstoffen die vrijkomen bij het bouwen of slopen van wegen, gebouwen of andere bouwwerken, zowel buiten een inrichting als binnen een inrichting. Het laatste kan zich voordoen wanneer bijvoorbeeld een gedeelte van een bedrijf wordt gesloopt.
Het besluit is niet van toepassing op het bewerken van bouw- en sloopafval in inrichtingen waarin mede van buiten de inrichting afkomstige bedrijfsafvalstoffen met een mobiele puinbreker worden bewerkt. Het gaat daarbij met name om inrichtingen als bedoeld in categorie 28 van Bijlage I van het Ivb, zoals een stortplaats of een vaste puinbreekinrichting. Het bevoegde gezag (gedeputeerde staten) zal in de vergunning van een dergelijke inrichting voorschriften moeten stellen aan het mobiel puinbreken binnen deze inrichting.
De in (de bijlage bij) het besluit gestelde voorschriften hebben betrekking op alle installaties en toestellen die ter plaatse worden gebruikt ten behoeve van het mobiel puinbreken. Dat wil zeggen in ieder geval de mobiele installatie met de daarbij behorende zeefinstallaties, windzifters, transportbanden, laadschoppen, crushers, wielladers, kranen, aan- en afrijdende vrachtwagens, die worden gebruikt om bouw- en sloopafval te bewerken.
Voor mobiele puinbrekers die onder de werking van dit besluit vallen, gelden naast de in de bijlage opgenomen voorschriften drie beperkingen. Een mobiele puinbreker mag ten hoogste drie maanden achtereen op een locatie in werking zijn, de installatie mag alleen worden ingezet in de directe nabijheid van de plaats waar het bouw- en sloopafval vrijkomt en er mag geen bouw- en sloopafval afkomstig van buiten de locatie of inrichting worden aangevoerd en bewerkt.
Een mobiele puinbreker is meestal enkele dagen tot enkele weken op een locatie of inrichting werkzaam. In enkele gevallen kan deze periode langer zijn. De beperking van maximaal drie maanden sluit aan bij de bestaande praktijk. De werkzaamheden van een mobiele puinbreker zijn slechts toegestaan op locaties waar bouw- en sloopafval vrijkomt. Hiermee wordt o.a. voorkomen dat mobiele puinbrekers worden ingezet op een leeg bedrijventerrein in de omgeving van een bouw- of slooplocatie.
De behoefte aan aanvoer van puin van buiten de bouw- en slooplocatie zal vaak binnen stedelijke locaties voorkomen waar zich veel gebouwen van metselwerk bevinden. Bij het breken van metselwerk komt metselwerkgranulaat vrij waarvoor weinig tot geen vraag is. Voor menggranulaat, d.w.z een granulaat dat voor maximaal 50% uit metselwerkgranulaat bestaat en voor het overige uit betongranulaat en andersoortige stenen bestaan veel meer afzetmogelijkheden. Ook betongranulaat heeft goede afzetmogelijkheden. Door aanvoer van betonpuin op een locatie waar metselwerkpuin zich bevindt, kan de mobiele puinbreker metselwerk- en betonpuin tegelijkertijd breken tot een menggranulaat, dat als product meestal direct inzetbaar is.
Aanvoer van puin van buiten de slooplocatie betekent evenwel dat er op de slooplocatie méér puin gebroken gaat worden. Er ontstaat als het ware een `tijdelijke' inrichting waar de vrachtwagens af en aan rijden. Bij bijvoorbeeld een locatie waar alleen metselwerk vrijkomt, zal ten minste een even grote hoeveelheid aan betonpuin moeten worden aangevoerd. Het is ook niet uitgesloten dat het omgekeerde zal geschieden, namelijk dat bij het slopen van beton metselwerkpuin aangevoerd zal worden om de omzet te vergroten. Door deze aanvoer zal de duur van de hinder (geluid, trillingen, stof, transporten) voor de omgeving toenemen.
Daarnaast trekt het aanvoeren van puin van buiten de inrichting een wissel op de handhaving. Immers er zal ook gecontroleerd moeten worden of er geen materialen worden aangevoerd die niet mogen worden verwerkt. Dit betekent dat het bevoegd gezag controle moet uitvoeren op de aard en de herkomst van het aangevoerde materiaal. Omdat het om een kortdurende activiteit gaat die plaatsvindt op een locatie die daar niet op is ingericht, is de verwachting dat deze controle handhaving niet adequaat kan plaatsvinden. De handhaving van een verbod op aanvoer van materialen van buitenaf is makkelijker te handhaven. Er mogen gewoon geen volle vrachtwagens met puin of ander afval de slooplocatie binnenrijden.
Met name vanwege het belang van een goede handhaafbaarheid van het besluit is er voor gekozen aanvoer van puin van buitenaf niet toe te staan. Dit betekent dat het mobiel breken op locaties waar alleen metselwerk vrij komt, minder aantrekkelijk wordt. Voor die locaties ligt het meer voor de hand het materiaal naar een vaste breker af te voeren.
Bouw- en sloopafval wordt periodiek gemonitord. Hierbij wordt bij sorteerders, stationaire en mobiele puinbrekers de kwantiteit van de bouw- en sloopafval stromen (aanvoer, afvoer en bestemming, b.v. het storten) in beeld gebracht.
Indien uit de monitoringgegevens blijkt dat dit besluit leidt tot ongewenste gevolgen voor onder meer de bouwgrondstoffenvoorziening, zal dit aanleiding zijn om de oorzaken hiervan te onderzoeken en elementen van dit besluit, zonodig te heroverwegen.
Het onderhavige besluit stelt in het belang van de bescherming van het milieu uniforme voorschriften aan mobiele puinbrekers. Deze voorschriften zijn in het algemeen vergelijkbaar met de voorschriften voor stationaire puinbrekers. Het tijdelijke karakter heeft tot gevolg dat een aantal eisen die aan de milieuaspecten van het mobiel breken worden gesteld anders zijn dan voor de stationaire puinbrekers. Voorbeelden van eisen waaraan de stationaire puinbrekers moeten voldoen die niet voor mobiele puinbrekers gelden, zijn de verplichting van het hebben van een vloeistofdichte vloer en enige beperkingen ten aanzien van geluidhinder. Deze afwijkingen hangen samen met het andersoortige karakter van de installatie en het tijdelijk karakter van de activiteiten.
Degene die op een locatie of binnen een inrichting van plan is met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te bewerken, moet dit voornemen ten minste vier weken voor aanvang van de werkzaamheden melden aan het bevoegd gezag. Het gemeentebestuur is in dit besluit als bevoegd gezag aangewezen. Hiermee wordt aangesloten bij artikel 18.2d, tweede lid, onder d, van de Wm waarin burgemeester en wethouders met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde in artikel 10.52 worden belast. Het gemeentebestuur is ook bevoegd gezag voor de handhaving als het gaat om de breekwerkzaamheden binnen een inrichting waarvoor de provincie bevoegd gezag is. Daarnaast is het gemeentebestuur bevoegd gezag van de handhaving van het Bouwstoffenbesluit en voor een belangrijk deel van het Asbestverwijderingsbesluit. Het gemeentebestuur verleent tevens de bouw- en sloopvergunning en is in het algemeen nauw betrokken bij sloop-, bouw- en grondwerken in de betreffende gemeente. Hiermee komt het toezicht op de naleving van de (milieu)regelgeving in de keten van slopen, mobiel puinbreken en toepassen van bouwstoffen onder één bevoegd gezag terecht, hetgeen bevorderlijk is voor de handhaving van deze besluiten.
Het gemeentebestuur draagt er zorg voor dat van de melding van het voornemen kennis wordt gegeven in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. Zodoende is ook de omgeving van de locatie waar puin zal worden gebroken op de hoogte van de komst van de mobiele puinbreker. Ten minste twee dagen voor de daadwerkelijke aanvang van de werkzaamheden moet het bevoegd gezag hiervan in kennis worden gesteld. Zodoende zijn degenen die belast zijn met de handhaving van het besluit op de hoogte van de aanvang van de daadwerkelijke werkzaamheden.
Degene die met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval bewerkt, is verantwoordelijk voor de naleving van de bepalingen en de voorschriften. In het geval dat buiten een inrichting een mobiele breker in werking wordt gebracht betreft dit de natuurlijke of rechtspersoon die de mobiele breker in werking heeft. Voor het bewerken van bouw- en sloopafval dat binnen een inrichting vrijkomt, draagt de drijver van de inrichting de eindverantwoordelijkheid voor de nakoming van de voorschriften van dit besluit. Primair zal degene die de mobiele breker in werking heeft ervoor moeten zorgen dat de diverse betrokkenen (werknemers, transporteurs, e.d.) bij het proces van het breken van bouw- en sloopafval de voorschriften van dit besluit in acht nemen.
1.3 Relatie met andere beleidsterreinen
Het besluit is deels complementair, deels vervangend ten opzichte van bestaand beleid en bestaande regelgeving. Hierdoor worden overlappingen voorkomen.
a. Landelijk Afvalbeheersplan (LAP)
Naast het stellen van eisen in het belang van de bescherming van het milieu aan mobiele puinbrekers is het ook wenselijk om eisen aan de doelmatigheid van het breken van bouw- en sloopafval te stellen. De doelmatigheidseisen uit het LAP voor puinbrekers (stationair en mobiel) zullen voorzover mogelijk te zijner tijd voor mobiele puinbrekers in het onderhavige besluit worden opgenomen en indien het inrichtingen betreft waarin van buiten de inrichtingen afkomstig bouw- en sloopafval (met een mobiele of stationaire breker) wordt gebroken in de betreffende vergunningen.
b. Asbestverwijderingsbesluit/ Productenbesluit asbest, Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbo-besluit)
Verbod op bewerken van asbest
Bij sloop of renovatie bestaat een verhoogde kans dat het puin of puingranulaat verontreinigd is met asbest. Hierdoor ontstaan risico's voor de gezondheid van werknemers en de omgeving tijdens het renoveren en slopen van gebouwen en andere bouwwerken en ook bij de verdere verwerking van bouw- en sloopafval. Deze risico's kunnen zich ook voordoen bij het bewerken van dat afval met een mobiele puinbreker.
In het Asbestverwijderingsbesluit en het Arbo-besluit zijn voorschriften opgenomen om de risico's van blootstelling aan asbest te voorkomen. In het onderhavige besluit zijn geen separate regels opgenomen ten aanzien van asbest, omdat het Arbo-besluit ook toeziet op (mobiele) puinbrekers. Het bewerken en in voorraad houden van asbest (in bouw- en sloopafval) is volgens dat besluit verboden.
In de toekomst zullen ook het herziene Asbestverwijderingsbesluit en het Productenbesluit asbest regels bevatten die mede betrekking hebben op mobiele puinbrekers. Het herziene Asbestverwijderingsbesluit zal naar verwachting voorschriften voor de inventarisatie van asbest in partijen bouw- en sloopafval gaan bevatten. Daarnaast bestaat het voornemen om in het herziene Asbestverwijderingsbesluit of het Productenbesluit asbest een verbod op te nemen op het bewerken van bouw- en sloopafval en puingranulaat. Dit verbod zal niet gelden indien het bouw- en sloopafval of puingranulaat minder dan 10 mg/kg hechtgebonden asbest bevat.
c. Bouwstoffenbesluit en BRL 2506
Voor de toepassing van puingranulaat is het Bouwstoffenbesluit van groot belang. Aan het nuttig toepassen van puingranulaat worden zowel milieuhygiënische als civieltechnische eisen gesteld. Voor toepassing in de grond-, weg- en waterbouw worden voor puingranulaat, voor zover van toepassing, in de meeste gevallen de civieltechnische eisen uit de standaard RAW (Rationalisatie Automatisering Wegenbouw)-bepalingen aangehouden. De milieuhygiënische eisen voor de toepassing van het puingranulaat zijn in het Bouwstoffenbesluit geformuleerd. Op grond van dit besluit mag puingranulaat alleen worden toegepast als dit voldoet aan de grenswaarden voor samenstelling en immissie voor bouwstoffen zoals vermeld in dat besluit. Als bewijsmiddel in de zin van het besluit dient hetzij een partijkeuring hetzij een erkende kwaliteitsverklaring. In geval van partijkeuring dient volgens het partijkeuringsregime van het Bouwstoffenbesluit bemonsterd en geanalyseerd te worden.
Op basis van de nationale beoordelingsrichtlijn BRL 2506 kunnen producten onder certificaat worden geleverd (erkende kwaliteitsverklaring). Richtlijn BRL 2506 is in 1999 herzien en vastgesteld voor granulaten uit bouw- en sloopafval (Stichting CROW, BDA-INTRON en IKOB, 1999). De aanpassingen zijn voortgekomen uit de invoering van het Bouwstoffenbesluit en uit wijzigingen in de RAW-bepalingen.
d. Provinciale en gemeentelijke regelgeving
Met het in werking treden van dit besluit zijn de provincies en gemeenten in beginsel niet meer bevoegd in hun regelgeving in het belang van de bescherming van het milieu regels op te nemen aangaande het met een mobiele puinbreker bewerken van bouw- en sloopafval. De provincies zijn wel bevoegd in de pmv het gebruik van mobiele puinbrekers in milieubeschermingsgebieden, zoals stilte- of bodembeschermingsgebieden, aan een strenger regime te binden. Gemeenten blijven in het kader van de bouw- en sloopvergunning bevoegd om met het oog op andere motieven, zoals openbare orde en veiligheid, aanvullende voorschriften aan de bouw- en sloopvergunning te verbinden.
Voorts blijft het bevoegd gezag voor inrichtingen waarin van buiten de inrichting afkomstig bouw- en sloopafval wordt bewerkt (veelal afvalstoffeninrichtingen als bedoeld in categorie 28 van bijlage I van het Ivb) bevoegd om in de vergunning voorschriften daaromtrent op te nemen. Het onderhavige besluit is in dat geval niet van toepassing.
Burgemeester en Wethouders van de gemeente waar de mobiele puinbreker werkzaam is, hebben op grond van artikel 18.2d, tweede lid onder d, tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het besluit. De handhaving door de gemeente ligt in het verlengde van de handhaving van de bouw- of sloopvergunning. Indien de minister op grond van artikel 10.63 in bijzondere gevallen een ontheffing van het besluit verleent, heeft hij mede tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van deze ontheffing.
De voorschriften omtrent geluidhinder en het verbod op aanvoer vormen de kernbepalingen van het besluit. Bij de handhaving van deze bepalingen moet onderscheid gemaakt worden tussen de fase vóór de werkzaamheden en de fase tijdens de werkzaamheden. In de fase vóór de werkzaamheden is de melding van het voornemen van groot belang. Aan de hand van de melding kan het bevoegd gezag nagaan of de mobiele puinbreker op de betreffende locatie redelijkerwijs aan de eisen op het terrein van geluidhinder kan voldoen. Dit kan aan de hand van de in paragraaf 3.3 van deze toelichting opgenomen tabel. Ten aanzien van het aanvoerverbod kan het bevoegd gezag in deze fase een inschatting maken van de hoeveelheden vrijkomend puin en de risico's van overtreding van dit verbod. Indien de te breken gebouwen voor het grootste deel bestaan uit metselwerk of beton, zijn de risico's groter dan wanneer de te breken gebouwen bestaan uit metselwerk en beton. Het controlebeleid kan hierop worden afgestemd.
In de fase tijdens de werkzaamheden kan het bevoegd gezag de geluidvoorschriften controleren via een meting op de gevel van de dichtstbijzijnde woning of geluidgevoelige bestemming. Hierbij spelen ook de bij de mobiele puinbreker getroffen maatregelen ter voorkoming van geluidhinder een rol. De handhaving van het aanvoerverbod kan plaatsvinden via visuele controle alsmede via controle van de registratie als bedoeld in voorschrift 2.1.2. In deze registratie moet de exploitant van de mobiele breker per werkdag bijhouden hoeveel puin gebroken is. Aan de hand van de vooraf gemaakte inschatting van de hoeveelheid vrijkomend puin kan gecontroleerd worden of sprake is van aanvoer van betonpuin.
De zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving omvat het toepassen van bestuurlijke sancties, zoals bestuursdwang of een dwangsom, bij geconstateerde overtredingen van het besluit. De toepassing van deze sancties zal sterk van de concrete situatie afhangen en van de mogelijkheden van een strafrechtelijke sanctie. Gelet op het mobiele en tijdelijke karakter van de werkzaamheden lijkt strafrechtelijke handhaving in veel gevallen het meest effectief te zijn. Bij overtreding van de voorschriften is sprake een economisch delict in de zin van artikel 1a, onder 2o, van de Wet op de economische delicten. In de komende periode zal onderzocht worden of bij overtreding van het besluit een transactie in de zin van het Transactiebesluit milieudelicten mogelijk is.
1.5 Bedrijfs- en milieueffectentoets van het ontwerpbesluit
1.5.1 Aantal bedrijven en de hoeveelheid bouw- en sloopafval waarop het besluit van toepassing is
Er zijn op dit moment ongeveer 150 mobiele puinbrekers actief en in handen van circa 120 bedrijven. Het aantal mobiele puinbrekers dat binnen een inrichting werkzaam is, is naar schatting 50 en in handen van circa 40 bedrijven. Het aantal mobiele puinbrekers in Nederland zal vermoedelijk nog verder toenemen. Voor de volledigheid zij vermeld dat zich in Nederland ruim 100 bedrijven met stationaire puinbrekers bevinden.
Thans is er sprake van een ongelijke spreiding van mobiele breekactiviteiten in Nederland als gevolg van verschillen in regelgeving en handhaving inzake mobiele puinbrekers tussen de provincies.
Het fenomeen mobiele puinbrekers is relatief nieuw, zodat exacte cijfers van de productie van bewerkt puin van mobiele puinbrekers ontbreken.
Prognose ontwikkeling aanbod herbruikbaar bouw- en sloopafval, Intron 2000

Puin bedraagt ongeveer 85% van de totale hoeveelheid bouw- en sloopafval. Het puin wordt voor bijna 100% hergebruikt
Aangezien dit besluit leidt tot uniforme regels voor mobiele brekers zal de hoeveelheid te bewerken puin door mobiele brekers ook toenemen: in een aantal provincies geldt momenteel een verbod op het mobiel breken van puin en tenminste twee provincies waar wel mobiel gebroken mag worden, stellen dat het puingranulaat voor een groot deel ter plaatse moet worden toegepast. Deze beperkingen komen door het onderhavige besluit te vervallen. Daarnaast maakt het onderhavige besluit een eenvoudige toetreding van mobiele brekers tot de markt mogelijk, omdat het vergunningstelsel dat door provincies gehanteerd wordt, vervalt. Geconcludeerd mag worden dat het marktaandeel van mobiele puinbrekers ten koste zal gaan van het marktaandeel van stationaire brekers.
Echter de maatregelen die in dit besluit zijn getroffen om de omgevingsoverlast door mobiele brekers te beperken en een goede handhaafbaarheid te waarborgen, zoals geluidsoverlast en het aanvoerverbod van buiten de locatie van puin, zullen ertoe leiden dat mobiele brekers hun werkzaamheden op sommige locaties niet kunnen uitvoeren.
1.5.2 Aard en omvang van de kosten en baten van het besluit
a. Structurele en eenmalige effecten van het besluit
Door verschillen in de provinciale regelgeving bestond er geen uniformiteit in het gebruik van mobiele puinbrekers. Dit besluit leidt tot uniforme regels en duidelijkheid ten aanzien van het gebruik van de mobiele puinbrekers. Het besluit sluit grotendeels aan bij de huidige werkwijze en activiteiten van de professionele mobiele brekers die conform een milieuzorgsysteem werken. Mede hierdoor en door de meer uniforme en kleinere hoeveelheid gegevens die de mobiele puinbrekers in dit besluit aan het bevoegd gezag moeten melden, zullen naar verwachting de administratieve lasten verbonden aan het gebruik van mobiele puinbrekers afnemen.
Mobiele brekers die voldoen aan het door de branche opgezette milieuzorg- en kwaliteitssysteem hebben reeds kosten moeten maken om overlastreducerende maatregelen te treffen. Deze brekers hoeven vrijwel geen kosten te maken om aan dit besluit te voldoen.
Mobiele brekers die nog niet beschikken over een milieuzorg- en kwaliteitssysteem zullen wel kosten moeten maken om aan het voorliggende besluit te voldoen. Overigens wordt verwacht dat het een beperkt aantal gevallen betreft.
b. De gevolgen voor de omvang van de administratieve lasten
Bij de totstandkoming van het besluit is overwogen om het bewerken van bouw- en sloopafval met een mobiele puinbreker te binden aan een vergunning. Artikel 10.52, tweede lid, biedt daartoe de mogelijkheid. Het instellen van een vergunningstelsel zou gepaard zijn gegaan met vergunningprocedure die verscheidene maanden zou duren en met de mogelijkheid van het stellen van nadere eisen. In het kader van deze vergunningprocedure kunnen de aan een mobiele puinbreker te stellen eisen zo goed mogelijk worden afgestemd op de locale situatie. Een dergelijke vergunningstelsel verhoudt zich echter slecht met de bedrijfsvoering van een mobiele puinbreker die veelal maar gedurende korte tijd op een bepaalde locatie werkzaam is. Om die reden is de voorkeur gegeven aan een stelsel van algemene regels zonder de mogelijkheid van het stellen van nadere eisen.
In verband met administratieve lasten is in de eerste plaats van belang de meldingsplicht op grond van artikel 4. Deze verplichting en de daarbij over te leggen informatie is vergelijkbaar met de meldingsplicht voor inrichtingen waarvoor op grond van artikel 8.40 Wm algemene regels gelden. Deze gegevens zullen in het algemeen al beschikbaar zijn bij degene die de melding verricht.
In de tweede plaats moet degene die de mobiele puinbreker drijft, een registratie bijhouden van de hoeveelheid bouw- en sloopafval die wordt bewerkt en wat ermee is gebeurd. Deze registratieverplichting sluit aan bij de registratieverplichting die op grond van artikel 8.14 Wm geldt voor alle bedrijven die afvalstoffen nuttig toepassen of verwijderen.
In de derde plaats zal degene die de mobiele puinbreker drijft, de ontvangst van het bouw- en sloopafval moeten melden aan de door de Minister aan te wijzen instantie. Deze meldingsplicht, die voortvloeit uit de artikelen 10.40 juncto10.37 Wm, wordt verder uitgewerkt in een apart besluit. Ook dat besluit zal te zijner tijd gelden voor alle bedrijven die afvalstoffen in ontvangst nemen.
c. Kwantitatieve vergelijking: meldingenstelsel versus vergunningstelsel
Een exact kostenplaatje van de administratieve lasten is moeilijk te geven door het ontbreken van gegevens uit de branche hierover. Om toch nog een indicatie te geven van de kosten is getracht uit andere bronnen, zoals vergelijkbare besluiten en de `Nulmeting administratieve lastendruk, 2001' een indicatieve berekening te maken.
In de berekeningen worden de mogelijke administratieve lasten tengevolge van het in dit besluit gekozen stelsel van algemene regels afgezet tegen de mogelijke administratieve lasten die tengevolge van een vergunningstelsel voor de mobiele puinbrekers zouden zijn gemaakt.
De gemiddelde kosten voor een Wm-vergunningprocedure zijn per jaar 5672 Euro (f 12.500,-). In de situatie onder dit besluit worden de kosten geschat op circa 851.000 Euro (150 mobiele puinbrekers x 5672 Euro).
Een meldingsplicht is voor degene die een mobiele breker in werking heeft veel minder kostbaar dan een vergunningenplicht. De geschatte kosten voor het doen van de vereenvoudigde melding op grond van artikel 4 van dit besluit is aanzienlijk lager, namelijk 68 Euro (f 150,-) per melding. Bij een gemiddelde van 10 meldingen per jaar per mobiele puinbreker bedragen de kosten 680 Euro per jaar.
De bovenvermelde registratieverplichting op grond van artikel 8.14 Wm sluit volledig aan bij de bestaande bedrijfsvoering, milieuzorg- en kwaliteitssysteem. De gegevens ten behoeve van deze registratieverplichting komen grotendeels overeen met de gegevens die voor de melding op grond van artikel 10.40 Wm nodig zijn. De kosten tezamen hiervoor worden geschat op 79 Euro (f 175,-) per melding. Uitgaande van gemiddeld 10 breekopdrachten per mobiele puinbreker per jaar komen deze kosten op 790 Euro.
De totale kosten die de sector op basis van dit besluit zal maken voor het doen van meldingen wordt op jaarbasis geschat op 221.000 Euro [150 x (680 + 790 Euro)].
De keuze voor een stelsel van algemene regels leidt tot een geschatte kostenbesparing voor de branche van circa 630.000 Euro (851.000 - 221.000 Euro) per jaar.
1.5.3 Bescherming van het milieu
Een mobiele puinbreker is meestal enkele dagen tot enkele weken op een locatie of binnen een inrichting in werking. De lokale milieueffecten van de mobiele puinbreker zijn naar verhouding van korte duur. Er wordt geen puin van buitenaf aangevoerd en de puinbreekactiviteiten vinden uitsluitend plaats op de bouw- en slooplocatie. Mede daardoor veroorzaakt de mobiele puinbreker geen structurele milieubelasting op de bouw- en slooplocatie.
De milieueffecten die optreden bij (mobiele) puinbrekers zijn:
• Geluidsoverlast, als gevolg van de puinbreekinstallatie met de daarbij behorende installaties. Voor het geproduceerde geluid geldt een norm van 65 dB (A) voor de immissie op de gevel tot de dichtstbijzijnde woning of geluidsgevoelige bestemming;
• Trilling;
• Luchtverontreiniging/ overlast door stof;
• Bodemverontreiniging.
Hiervoor zijn regels aan mobiele puinbrekers gesteld om een adequaat beschermingsniveau te realiseren, die aansluiten bij de korte periode die een mobiele puinbreker op een bouw- of slooplocatie werkzaam is. Daarnaast is door professionalisering van de branche via de invoering van milieuzorgsystemen en certificering aandacht voor het beperken van milieuhinder. De meerderheid van de mobiele puinbrekers werkt volgens een milieuzorgsysteem.
b. Effecten voor de mobiliteit
Het aantal te gebruiken mobiele puinbrekers zal in de toekomst groeien, hetgeen een toenemende milieubelasting ter plaatse van tijdelijke aard zal betekenen. Daar staat tegenover dat er minder puin door stationaire puinbrekers gebroken zal worden.
Het toenemende gebruik van mobiele puinbrekers op bouw- en slooplocaties geeft minder transportbewegingen naar en vanaf stationaire puinbrekers. De aanvoer van puin naar de bouw- of slooplocatie wordt in dit besluit verboden.
In het geval dat het ontstane puingranulaat ook ter plaatse wordt toegepast, leidt het mobiel puinbreken zeker tot minder transportbewegingen. In andere gevallen is de reductie van het aantal transportbewegingen ten opzichte van het stationair breken moeilijk te kwantificeren, aangezien de transportafstanden van geval tot geval zullen verschillen. Of er reductie van de transportbewegingen optreedt, is afhankelijk van de afstand tussen:
• de slooplocatie en de stationaire puinbreker;
• de slooplocatie en de plaats waar het puingranulaat wordt toegepast;
• de stationaire puinbreker en de plaats waar het puingranulaat wordt toegepast.
c. Effecten voor het verbruik/beheer van de voorraden grondstoffen
Mobiele puinbrekers dragen in 2015 volgens de prognose voor meer dan 60% bij aan het hergebruik van steenachtig bouw- en sloopafval. Dit komt door een toename van de sloop- en bouwwerkzaamheden en een verschuiving van het breken van bouw- en sloopafval door stationaire puinbrekers naar mobiele puinbrekers. Deze verschuiving laat onverlet dat het hoge percentage hergebruik (bijna 100%) van steenachtig bouw- en sloopafval wordt gecontinueerd.
d. Effecten door werkzaamheden mobiele puinbrekers en het gebruik van de fysieke ruimte
Tijdelijke opslag van puin en puingranulaat en de opstelplaats van mobiele puinbreker veroorzaakt geen extra ruimtebeslag, omdat de mobiele puinbreker binnen de slooplocatie zijn werk doet. Ook de opslag van het puin en het puingranulaat leidt niet tot meer ruimtebeslag dan dat er reeds voor de sloopactiviteiten benodigd is.
Door de toename van het mobiel puinbreken op bouw- en slooplocaties zal het fysieke ruimtebeslag van puin en puingranulaat bij stationaire puinbrekers op termijn afnemen.
1.5.4 Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
a. Tot wie richt zich het besluit
Het besluit richt zich primair tot de natuurlijke of rechtspersoon die een mobiele puinbreker in werking heeft, en in het bijzonder tot degene die namens deze persoon is belast met de feitelijke leiding over het bewerken van bouw- en sloopafval met een mobiele puinbreker. Deze zorgt ervoor dat de voorschriften worden nageleefd.
b. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
Er is in algemene zin een toegenomen milieubewustzijn binnen de sector, mede gebaseerd op een toename van de professionalisering binnen de sector, die onder meer tot uitdrukking komt in de invoering van milieuzorgsystemen en certificering. De branchevereniging van de mobiele puinbrekers geeft regelmatig voorlichting aan haar leden over het verbeteren van het milieuhygiënische handelen bij het proces van bewerking van bouw- en sloopafval en over het beheersbaar maken van de milieulasten door de mobiele puinbrekers. In haar milieuzorgsysteem en voorlichting worden onder meer instructies gegeven over hoe stofhinder en bodemverontreiniging door opslag van puin, puingranulaat of afvalstoffen tegen te gaan.
De mobiliteit en de veelal korte verblijftijd van een mobiele puinbreker op een locatie of binnen een inrichting maakt een slagvaardige handhaving noodzakelijk. In het onderhavige besluit is voorzien in een melding van ten minste vier weken voor de aanvang van de werkzaamheden. Zodoende is het bevoegd gezag voorbereid op de daadwerkelijke activiteiten van een mobiele puinbreker. Ten hoogste twee werkdagen voor de daadwerkelijke aanvang dient het bevoegd gezag vervolgens op de hoogte te worden gebracht van de komende werkzaamheden, zodat kan worden gecontroleerd op de naleving van het besluit.
Bij de totstandkoming van dit besluit is veel aandacht besteed aan een goede uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid ervan. In het overleg met de direct belanghebbenden is een aantal suggesties gedaan die in het onderhavige besluit zijn verwerkt. Aangezien de voorschriften in het verlengde liggen van het door de branche opgestelde milieuzorgsysteem, is het te verwachten dat dit gunstige effecten heeft voor het naleefgedrag van de betrokken bedrijven.
De kosten voor het bedrijfsleven om naleving van de in het besluit gestelde regels te bewerkstelligen verschillen tussen de bedrijven naar aard, complexiteit en stadium van interne milieuzorg. De kosten voor de gemeenten hangen af van de mate van toezicht en controle op de naleving van het besluit. In de huidige praktijk werken veel gemeenten met zogenaamde stappenschema's, waarin een getrapte aanpak voor de handhaving van de 8.40-besluiten en vergunningen voor inrichtingen is neergezet. Door de mobiliteit en de korte verblijftijd van mobiele puinbrekers op een locatie zal controle door gemeenten slagvaardig moeten worden aangepakt. De mate waarin controle plaatsvindt, wordt voor een belangrijk deel bepaald door de prioriteiten die in de uitvoering van de gemeentelijke milieutaken zijn aangegeven.
1.6 Reacties naar aanleiding van de inspraakronde (PM)
Over een voorontwerp van het besluit heeft uitgebreid overleg plaatsgevonden met de brancheverenigingen die gebruik maken van mobiele puinbrekers. De voorschriften in het besluit zijn besproken en hebben vrijwel allemaal geleid tot overeenstemming.
Het ontwerpbesluit is voorgepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 2002,.....).
1.6.1 Aantal en algemene duiding van de reacties
PM
1.6.2 De reikwijdte van het besluit en de reacties daarop
PM
1.6.3 De voorschriften van het besluit en de reacties daarop
PM
Aangezien in de bijlage bij het besluit algemene, technische voorschriften worden gegeven, is het ontwerpbesluit op ... ingevolge richtlijn nr. 98/34/EG van ... van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften(PbEG L 109) voorgelegd aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (geregistreerd onder nummer 02/.../NL). PM: Reacties
In paragraaf 1.2 is de opzet van het besluit reeds uitvoerig beschreven. Hieronder worden in aanvulling daarop enkele aspecten nader toegelicht.
De voorschriften van dit besluit richten zich tot de natuurlijke of rechtspersoon die een mobiele breker in werking heeft. Voor wat betreft de term `in werking heeft' is beoogd aan te sluiten bij de terminologie aangaande inrichtingen, als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Daarmee wordt bereikt dat niet uitsluitend de natuurlijke of rechtspersoon die de eigendom van de mobiele puinbreker heeft, verantwoordelijk is voor de nakoming van de voorschriften maar veeleer degene die belast is met de feitelijke leiding over het bewerken van bouw- en sloopafval met een mobiele puinbreker.
Zoals in paragraaf 1.1 reeds is toegelicht, biedt artikel 10.52 van de Wet milieubeheer uitsluitend de grondslag voor het stellen van voorschriften met betrekking tot het met een mobiele puinbreker bewerken van bouw- en sloopafval buiten inrichtingen. Het is wenselijk dat de bepalingen van dit besluit ook van toepassing zijn indien een mobiele puinbreker binnen een inrichting wordt ingezet. Teneinde dat te bewerkstelligen zal een voorstel tot wijziging artikel 10.52 van de Wet milieubeheer in procedure worden gebracht.
In verband met het bovenstaande is dit artikel een onderscheid gemaakt tussen het bewerking van bouw- en sloopafval binnen en buiten een inrichting. Artikel 2, onderdeel a, draagt er in samenhang met artikel 6 zorg voor dat het besluit in eerste instantie in werking treedt voor het bewerken van bouw- en sloopafval buiten inrichtingen. Vervolgens maakt onderdeel b in samenhang met artikel 6 het mogelijk om, op het moment dat de wijziging van artikel 10.52 van de Wet milieubeheer in werking treedt, het besluit ook van toepassing te laten zijn op het bewerken van bouw- en sloopafval binnen inrichtingen. Zoals in paragraaf 1.2 is beschreven, is het onderhavige besluit niet van toepassing op inrichtingen waarin het bewerken van bouw- en sloopafval onderdeel is van de bedrijfsvoering. Voor dergelijke inrichtingen zullen in de vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voorschriften omtrent het mobiel breken worden opgenomen.
Op grond van het eerste lid dient bij het bewerken van bouw- en sloopafval met een mobiele puinbreker te worden voldaan de in de bijlage opgenomen voorschriften. Met het bewerken van bouw- en sloopafval wordt op het gehele proces gedoeld. Dus niet alleen het bewerken van bouw- en sloopafval met een mobiele puinbreker maar ook de zorg voor alle daarmee verbandhoudende activiteiten en voorzieningen.
Het tweede lid bepaalt dat het breken geschiedt in de directe nabijheid van de plaats waar het bouw- en sloopafval vrijkomt. Derhalve op de bouw- of slooplocatie. In de melding, bedoeld in artikel 4, dient deze plaats zo precies mogelijk te worden geduid. Het mobiel puinbreken geschiedt gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste drie maanden. Gelet op de gemiddelde duur waarop een mobiele breker op een locatie wordt ingezet zal deze termijn in de praktijk veelal korter zijn. De breekcapaciteit van een mobiele breker is zodanig groot dat het vrijgekomen sloopafval eerder gebroken zal zijn. De gestelde termijn betreft een maximumtermijn per melding per locatie. Niet uitgesloten is dat de mobiele puinbreker na verloop van tijd wederom wordt ingezet op een locatie in de buurt van de aanvankelijke locatie of binnen dezelfde inrichting. In dat geval zal echter opnieuw de procedure van melding e.d. gevolgd moeten worden.
Het derde lid bevat een verbod op het aanvoeren van bouw- en sloopafval dat afkomstig is van buiten de locatie of inrichting waar de mobiele puinbreker in werking is. De achtergronden van dit verbod zijn uitgebreid in paragraaf 1.2 beschreven. Kort samengevat vereenvoudigt het verbod de handhaving aangezien duidelijk is wie voor het aangeboden puin aansprakelijk is. Daarnaast beperkt het verbod de overlast (geluid, trilling etc.) op de locatie waar wordt gebroken, aangezien de termijn dat de mobiele puinbreker ter plaatse in werking zijn niet wordt verlengd door de aanvoer van extra puin.
In enkele bijzondere gevallen kan het zijn dat het op een specifieke locatie wenselijk is om een beperkte aanvoer van bouw- en sloopafval mogelijk te maken. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan grote stadsvernieuwingspojecten waarbij overwegend metselwerkpuin vrijkomt. In een dergelijk geval kan het zijn dat na afweging van de verschillende belangen (het economisch en hergebruikbelang om zo veel mogelijk menggranulaat te produceren / het belang van het beperken van overlast en het belang voor de handhaving) een beperkte aanvoer toelaatbaar zou zijn. Voor dit soort gevallen wordt gewezen op het bestaan van artikel 10.63, vierde lid, van de Wet milieubeheer. Dat artikel bepaalt dat Onze Minister ontheffing kan verlenen van het bepaalde in daarbij aangegeven algemene maatregelen van bestuur, waaronder het onderhavige besluit. Benadrukt moet echter worden dat om voor een ontheffing in aanmerking te komen er sprake zal moeten zijn van een bijzondere situatie: de algemene regel is dat er geen aanvoer van puin plaatsvindt.
De kennisgeving aan het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, kan schriftelijk of mondeling plaatsvinden.
Degene die op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit met een mobiele puinbreker bouw- of sloopafval bewerkt, meldt dit binnen twee weken schriftelijk aan het bevoegd gezag. In deze overgangsperiode mag de mobiele puinbreker gedurende drie maanden of zoveel korter als de activiteit duurt ter plaatse in werking blijven.
Degene die voornemens is met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te bewerken binnen vier weken na de inwerkingtreding van dit besluit, zal dit zo spoedig mogelijk binnen die periode aan het bevoegd gezag moeten melden.
De voorschriften hebben betrekking op een mobiele puinbreker met de daarbij behorende installaties en toestellen, zoals zeefinstallaties, windzifters, transportbanden, laadschoppen, crushers, wielladers, kranen, aan- en afrijdende vrachtwagens, die bouw- en sloopafval bewerken op een weg, bouw- of slooplocatie of binnen een inrichting.
Voorschriften uit andere besluiten die van toepassing kunnen zijn op het mobiel puinbreken, zijn in dit besluit niet overgenomen. Hierbij valt te denken aan het Bouwstoffenbesluit en bijbehorende uitvoeringsregelingen, het Asbestverwijderingsbesluit, de Arbeidsomstandighedenwet en de eisen op grond van een sloopvergunning (zie paragraaf 1.3).
Bij de bespreking van de voorschriften is de nummering van de paragrafen en voorschriften in de bijlage van het besluit aangehouden.
Paragraaf 1.1 Geluid en trilling
Vaste puinbrekers op een industrieterrein, zijnde vergunningplichtige inrichtingen en moeten zijn voorzien van een geluidszone. De grootte van de geluidszone wordt door de gemeente of de provincie vastgesteld op basis van een akoestisch rapport overeenkomstig de regelingen van de Wet geluidhinder (Wgh).
Mobiele puinbrekers behoeven niet te worden gezoneerd krachtens de Wgh, omdat een mobiele puinbreker slechts gedurende een korte periode op de locatie werkzaam is en omdat de geluidhinder sterk afhangt van de specifieke omstandigheden op en rondom de locatie. In een aantal gevallen van bouw- en sloopwerkzaamheden wordt thans door het bevoegd gezag gebruik gemaakt van de richtwaarde 65 dB(A) die is afgeleid van de wijze waarop in de `Circulaire bouwlawaai (1991)' immissiewaarden voor woningen en geluidsgevoelige bestemmingen zijn vastgesteld. Voor bijzonder geluidsgevoelige bestemmingen zoals scholen, verpleeg- en ziekenhuizen wordt in de `Circulaire bouwlawaai (1991)' een lagere immissiewaarde van 60 dB(A) gehanteerd.
Vanwege de korte periode van de werkzaamheden van de mobiele puinbreker is in dit besluit de hierboven gestelde immissiewaarde van 65 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde woning of geluidgevoelige bestemming respectievelijk van 60 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde school, verpleeg- of ziekenhuis, overgenomen.
Hiermee wordt een geluidsniveau gerealiseerd dat in ieder geval lager is dan het geluidsniveau van het slopen van gebouwen of het heien. De werkzaamheden van het heien en het slopen van gebouwen op de binnenstedelijke locaties die meer lawaai produceren dan de werkzaamheden van een mobiele puinbreker, kunnen niet zomaar op andere locaties worden uitgevoerd. Daarentegen bestaat voor het te luidruchtig mobiel breken van bouw- en sloopafval het alternatief van het bewerken van bouw- en sloopafval bij een stationaire puinbreker.
Met behulp van de `Handleiding meten en rekenen Industrielawaai' (HMRI, 1999) kunnen onder meer de geluidsniveaus op afstanden van de installatie worden bepaald en de bronsterkte (LW) van de mobiele puinbreker worden berekend.
Ter illustratie worden in onderstaande tabel mobiele puinbrekers met bijbehorende bronsterkte onderverdeeld in een aantal klasse bij een geluidsbelasting (LAeq) van 65 dB(A).

Deze tabel bevat een indicatie van de minimale afstand tussen de installatie en de gevel van de dichtstbijzijnde woning.
Door het nemen van voorzieningen en maatregelen kan de bronsterkte (het geluidsvermogen) van de mobiele puinbreker worden gereduceerd. Dit wordt in het kader van de financiële instrumenten VAMIL (Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving milieu-investeringen) en MIA (Aanwijzingsregeling milieu-investeringsaftrek) gestimuleerd. De mobiele puinbreker wordt op de Milieulijst van 2002 van deze regelingen geplaatst.
Naast deze geluidsnorm is in het besluit een werktijdbeperking opgenomen. De breekactiviteiten mogen slechts op werkdagen tussen 07.00 en 19.00 uur geschieden en niet op zon- en feestdagen.
Trillingen veroorzaakt door de werkzaamheden van de mobiele puinbreker vallen onder continu of herhaald voorkomende trillingen over een korte periode, zijnde niet langer dan drie maanden, uit de meet- en beoordelingsrichtlijn Richtlijn 2, `Hinder voor personen in gebouwen door trillingen'. Daarvoor gelden de streefwaarden `voor de gebouwfunctie wonen' over de dagperiode (tussen 07.00 en 19.00 uur). Incidenteel voorkomende kortdurende trillingen kunnen als toelaatbaar worden beschouwd, indien zij uitsluitend tijdens de dag voorkomen en indien desbetreffende bewoners of gebruikers vooraf tijdig zijn geïnformeerd omtrent de verwachte aard en duur van de trillingen.
Via dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen is de omgeving op de hoogte van de komst van de mobiele puinbreker gebracht.
Alle handelingen, zoals transport, bewerking, laden of lossen, met het puin en granulaat worden op zodanige wijze uitgevoerd dat stofverspreiding naar de omgeving wordt voorkomen. In de Nederlandse emissierichtlijn lucht (september 2000) worden voorzieningen en maatregelen voorgeschreven om stofverspreiding zo veel mogelijk te beperken. Er wordt gedacht aan maatregelen, zoals afdekking, aanleg van windreductieschermen, nat- of schoonhouden van het terrein. In ieder geval is een sproei-installatie bij de werkzaamheden van de mobiele puinbreker vereist.
Paragraaf 1.4 Bodembescherming
Een bodem moet, al dan niet veroorzaakt door opzettelijke bewerkingen, een dermate vlak en stevig oppervlak bezitten dat geen vermenging met het daarop tijdelijk opgeslagen steenachtig bouw- en sloopafval of puingranulaat plaatsvindt. De tijdelijk opgeslagen materialen moeten na afloop geheel worden verwijderd.
Bodembeschermende voorzieningen en maatregelen worden veelal overgenomen uit de Nederlandse Richtlijn bodembescherming (NRB). Gezien het kortdurende karakter van de werkzaamheden bij mobiele puinbrekers worden opvangvoorzieningen categorie 2 van de (NRB) voorgeschreven. Onder deze opvangvoorzieningen vallen bijvoorbeeld bovengrondse lekbakken of bovengrondse betonnen bakken.
In geval van lekkages of andere calamiteiten moeten terstond verzamel- en schoonmaakmaatregelen worden getroffen om bodemverontreiniging te voorkomen.
Deze vangnetbepaling vormt een aanvullende norm voor de zorg voor het milieu, die de drijver van de mobiele puinbreker of de drijver van de inrichting, behoort te betrachten. De zorgplicht voor afvalstoffen - neergelegd in artikel 10.1 van de Wet milieubeheer - brengt onder meer met zich dat ook ten aanzien van aangelegenheden waaromtrent specifieke voorschriften ontbreken, de drijver van de mobiele puinbreker of de drijver van de inrichting, de nodige maatregelen en voorzieningen treft om eventuele nadelige gevolgen voor het milieu vanwege de werkzaamheden van de mobiele puinbreker te voorkomen. Als die gevolgen zich voordoen, is die persoon gehouden deze nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Dit geldt ook voor de gevallen waarin dit besluit weliswaar een regeling bevat doch waarin tevens moet worden geconcludeerd dat de gestelde voorschriften niet geheel voorzien in een toereikende bescherming van het milieu en dat van degene die de mobiele puinbreker drijft mag worden verwacht dat hij zijn verantwoordelijkheid ook neemt en ervoor zorg draagt dat die nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen of, voorzover voorkomen niet mogelijk is, zo veel mogelijk worden beperkt.
Paragraaf 2.2 Opslag van gevaarlijke stoffen
Degene die een mobiele puinbreker in werking heeft, dient per werkdag een registratie bij te houden die grotendeels overeenkomt met het gestelde in artikel 8.14 van de Wet milieubeheer. Geregistreerd moeten worden:
a)de hoeveelheid bouw- en sloopafval die wordt bewerkt door de mobiele puinbreker;
b)de hoeveelheid puingranulaat die wordt afgevoerd;
c)de hoeveelheid en de aard van de afvalstoffen die ontstaan bij het bewerken van het bouw- en sloopafval tot puingranulaat en de wijze waarop dit nuttig wordt toegepast en verwijderd.
Deze geregistreerde gegevens dienen tenminste vijf jaar te worden bewaard.
Om te kunnen voldoen aan de registratieverplichting in voorschrift 2.1.2 moet de mobiele puinbreker of de laadinstallatie zijn uitgerust met een automatische weeginstallatie.
Dit voorschrift is van toepassing op de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die nabij de mobiele puinbreker worden opgeslagen en onder de verantwoordelijkheid vallen van degene die de mobiele puinbreker of inrichting drijft. Indien degene die de mobiele puinbreker of inrichting drijft, gevaarlijke (afval)stoffen voor de werkzaamheden moet opslaan, dient dit te gebeuren overeenkomstig de richtlijn CPR 15-1.
Indien een bovengrondse tank aanwezig is voor de opslag van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 100°C, geschiedt de opslag overeenkomstig richtlijn CPR 9-6. In deze richtlijn zijn ook voorwaarden gesteld aan dubbelwandige en kunststof tanks.
Bij sommige kleine herstelwerkzaamheden is een lasinstallatie met gas- en zuurstofflessen noodzakelijk.
Paragraaf 2.3. Afleveren van brandstof
Ook bij het leveren van brandstof aan een mobiele puinbreker dient rekening te worden gehouden met de bodembescherming en worden de bodembeschermende voorzieningen en maatregelen ontleend aan de Nederlandse Richtlijn bodembescherming. Als bodembeschermende voorziening bij het afleveren van brandstof dient in ieder geval een lekbak te worden gebruikt.
Paragraaf 3.1 Onderhoud en schoonmaak
Degene die met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval bewerkt, moet de locatie na de breekactiviteiten in goede staat achterlaten.
Bij breekactiviteiten in de wegenbouw moet ten minste een hekwerk zijn geplaatst bij de aansluiting naar de begaanbare, openbare weg.
Onder kleine reparaties en onderhoud in paragraaf 3.1.5 wordt onder meer verstaan het vervangen van slijtdelen of het vervangen van oliefilters. Het is niet toegestaan groot onderhoud (zoals het wisselen van bladen) aan mobiele puinbrekers op de locatie uit te voeren. Alle sporen van breekactiviteiten en bijbehorende opslagfaciliteiten dienen te worden verwijderd. De vorming en verspreiding van stof kan worden voorkomen door bijvoorbeeld de installatie voorafgaande aan het transport te reinigen.
Paragraaf 3.2 Controle van installatie en voorzieningen
De mobiele puinbrekers moeten periodiek worden onderhouden en gecontroleerd. Veelal wordt aangesloten bij de eisen van het inspectie- en onderhoudssysteem die in BRL 2506 zijn opgenomen.
Paragraaf 3.3 Instructie van personeel
Het personeel dat betrokken is bij de werkzaamheden van de mobiele puinbreker, moet goed geïnstrueerd zijn. Hiertoe kan worden aangesloten bij de eisen die in het BRL 2506 zijn opgenomen voor de uitvoering, beheersing en borging van de werkwijze bij de acceptatie en bewerking van het bouw- en sloopafval. In BRL 2506 zijn bepalingen opgenomen m.b.t. het deskundigheidsniveau van acceptant, kwaliteitsfunctionaris en verantwoordelijke functionaris voor monsterneming. Degene die met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval bewerkt moet ervoor zorgen dat het personeel dat werkzaam is bij de mobiele puinbreker, over voldoende deskundigheid beschikt.
Paragraaf 3.4 Bewaren van documenten
In nagenoeg elk bedrijf dat een mobiele puinbreker in werking heeft, wordt gebruik gemaakt van derden die de puinbreker onderhouden of controleren. Hiertoe worden onderhoudscontracten afgesloten.
Naast de periodieke controles van de mobiele puinbrekers kan het voorkomen dat andere rapporten zijn opgesteld, metingen zijn verricht of keuringscertificaten zijn afgegeven, die op de een of andere manier met milieu of externe veiligheid te maken hebben. Resultaten van dergelijke onderzoeken, metingen en controles zijn tijdens een controlebezoek vaak moeilijk te achterhalen. Soms worden ze zelfs buiten het bedrijf bewaard.
De gedachte achter dit voorschrift is om alle gegevens met betrekking tot milieu en veiligheid op een centrale plaats binnen het bedrijf te bewaren dan wel binnen korte termijn beschikbaar te hebben. Dit levert de volgende voordelen op:
- het bedrijf krijgt een beter inzicht in de `prestaties' die op milieugebied zijn geleverd;
- voor de controlerende ambtenaar wordt een bedrijfscontrole vereenvoudigd, omdat alle relevante informatie aanwezig is.
De documenten worden door natuurlijke of rechtspersoon die een mobiele puinbreker in werking heeft tenminste vijf jaar bewaard. Voorschrift 3.4.1 laat de eventuele plicht om op grond van andere wetgeving in dit besluit bedoelde stukken voor langere tijd te bewaren dan hier aangegeven onverlet. Overigens wordt nog opgemerkt dat een toezichthouder op basis van artikel 18.2c, tweede lid, onder d van de Wet milieubeheer de bevoegdheid heeft om de hier bedoelde documenten in te zien, en daarvan één of meerdere kopieën te maken, indien dat voor de vervulling van zijn taak nodig is (zie ook artikel 5.1.7 van de Algemene wet bestuursrecht).
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
...
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2002-53-p10-SC33721.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.